“Sterven aan jezelf”staat dat eigenlijk in de Bijbel?

Een Bijbelse opdracht of een menselijke uitdrukking?

Waarom goed Bijbels taalgebruik ertoe doet

“Je moet sterven aan jezelf.”

Wie kent deze uitspraak niet? In preken, Bijbelstudies, gesprekken en boeken over het christelijke leven duikt hij voortdurend op. Soms wordt er zelfs een maatstaf voor geestelijke volwassenheid van gemaakt. Hoe meer iemand aan zichzelf gestorven is, hoe geestelijker hij zou zijn.

Maar waar staat dat in de Bijbel?

Dat is geen zeurvraag. Want omdat de Bijbel de gelovige nadrukkelijk aanspreekt op zijn verantwoordelijkheid en levenswandel, betekent dat nog niet dat iedere populaire uitdrukking waarmee men die verantwoordelijkheid beschrijft, ook Bijbels verantwoord is.

De vraag is dus niet of een christen de zonde moet afleggen, zichzelf moet verloochenen of hoort te wandelen overeenkomstig zijn roeping.

Natuurlijk leert de Bijbel dat.

De vraag is of “sterven aan jezelf” een juiste Bijbelse beschrijving is van wat God van de gelovige vraagt.

En daar hebben we de kern van dit vraagstuk te pakken.

Bijbels taalgebruik
“Sterven aan jezelf”

Waar komt de uitdrukking vandaan?

De woorden “sterven aan jezelf” komen niet in de Bijbel voor.

Dat betekent niet  dat iedere gedachte die ermee wordt uitgedrukt verkeerd is. We gebruiken immers vaker woorden en formuleringen die niet letterlijk in de Bijbel staan.

Maar wanneer een uitdrukking voortdurend wordt gebruikt om het christelijke leven te omschrijven, mogen we wel vragen waar deze vandaan komt en welke betekenis deze heeft gekregen.

De gedachte heeft oude wortels in de christelijke geschiedenis, met name in de ascetische en mystieke traditie. Daar werd veel nadruk gelegd op zelfverloochening, versterving, onthouding en het overwinnen van de eigen wil.

Een bekende historische vindplaats is De navolging van Christus van Thomas à Kempis, een werk uit de vijftiende eeuw. Daar vinden we de gedachte dat iemand des te meer voor God begint te leven naarmate hij meer aan zichzelf sterft.

Dat bewijst nog niet dat Thomas à Kempis de uitdrukking heeft bedacht. Wel laat het zien hoe oud deze manier van spreken al is.

In de eeuwen daarna bleef de gedachte aanwezig in verschillende christelijke tradities. Ook binnen de gereformeerde traditie vinden we het onderwijs over de “afsterving van de oude mens”, bijvoorbeeld in zondag 33 van de Heidelbergse Catechismus.

Later kreeg vergelijkbaar taalgebruik een plaats in evangelische, bevindelijke en andere kringen waarin veel aandacht wordt besteed aan heiliging en geestelijke groei.

De precieze Nederlandse uitdrukking is dus niet met zekerheid tot één bedenker te herleiden. Wel is duidelijk dat deze een lange kerkelijke geschiedenis heeft.

Maar daarmee is nog niets gezegd over de Bijbelse juistheid.

Een uitdrukking wordt niet Bijbels doordat hij al eeuwenlang door christenen gebruikt is.

 

Wat zegt de Bijbel?

Wanneer men spreekt over “sterven aan jezelf”, worden doorgaans verschillende Bijbelgedeelten aangehaald.

Denk aan Lukas 9:23, waar de Here Jezus spreekt over zichzelf verloochenen, dagelijks het kruis opnemen en Hem volgen.

Of aan Johannes 12:24-25, waar Hij spreekt over de graankorrel die in de aarde valt en sterft, en over het liefhebben of haten van het eigen leven in deze wereld.

Ook Galaten 2:20, Romeinen 6:6 en Kolossenzen 3:5 worden regelmatig genoemd.

Maar hier moeten we goed lezen.

Want deze Schriftgedeelten spreken niet allemaal over hetzelfde. Zelfverloochening, met Christus gekruisigd zijn, de oude mens afleggen en het doden van zondige praktijken zijn begrippen die met elkaar samenhangen, maar daarom nog niet onderling uitwisselbaar zijn.

En wanneer we ze samenvoegen tot één algemene opdracht om “aan jezelf te sterven”, bestaat het gevaar dat we juist die onderscheidingen uitwissen die de Schrift zelf aanbrengt.

 

De oude mens is met Christus gekruisigd

Paulus schrijft in Romeinen 6:6:

“Dit wetende, dat onze oude mens met Hem gekruisigd is, opdat het lichaam der zonde te niet gedaan worde, opdat wij niet meer de zonde dienen.” (STV)

Let vooral op de woorden: “met Hem gekruisigd is”.

Paulus zegt niet dat de gelovige zijn oude mens nog moet kruisigen. Hij beschrijft iets wat reeds heeft plaatsgevonden in onze verbondenheid met Christus.

Dat is niet zomaar een statement.

De gelovige wordt niet opgeroepen om alsnog tot stand te brengen wat God in Christus reeds tot stand heeft gebracht.

Ook Galaten 2:20 spreekt hierover:

“Ik ben met Christus gekruist; en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij; en hetgeen ik nu in het vlees leef, dat leef ik door het geloof des Zoons van God, Die mij liefgehad heeft, en Zichzelven voor mij overgegeven heeft.” (STV)

Paulus zegt niet: ik probeer dagelijks een beetje meer gekruisigd te worden.

Hij zegt:

“Ik ben met Christus gekruist.”

En vervolgens spreekt hij over het leven dat hij nu leeft, door het geloof.

Hier ligt het uitgangspunt van het christelijke leven. Niet bij een voortdurende poging om het eigen ik te laten sterven, maar bij de werkelijkheid van onze verbondenheid met de gestorven en opgestane Christus.

 

Gij zijt gestorven!

Misschien is Kolossenzen 3:3 nog wel de duidelijkste uitspraak:

“Want gij zijt gestorven, en uw leven is met Christus verborgen in God.” (STV)

Hoeveel duidelijker wil je het hebben?

Gij zijt gestorven.

Niet: gij moet iedere dag proberen een stukje verder aan uzelf te sterven.

Maar: gij zijt gestorven.

En dat staat niet los van de opstanding van Christus. Het hoofdstuk begint immers met:

“Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zo zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechter hand Gods.” (Kolossenzen 3:1, STV)

Merk de volgorde op.

Eerst wordt vastgesteld wat de gelovige in Christus is. Vervolgens wordt hij aangesproken op de levenswandel die daarbij behoort.

De positie in Christus vormt het uitgangspunt voor de praktijk, niet andersom.

Dat onderscheid is van cruciaal belang.

 

Maar de gelovige heeft toch een verantwoordelijkheid?

Natuurlijk!

En daarover hoeft geen enkel misverstand te bestaan.

De Schrift leert uitdrukkelijk dat de gelovige de zonde niet moet laten heersen, zijn leden niet ten dienste van de ongerechtigheid moet stellen en de zondige praktijken van zijn vroegere levenswandel moet afleggen.

Efeze 4:22 zegt:

“Te weten dat gij zoudt afleggen, aangaande den vorigen wandel, den ouden mens, die verdorven wordt door de begeerlijkheden der verleiding;” (STV)

Daarna spreekt Paulus over het vernieuwd worden in de geest van het gemoed en het aandoen van de nieuwe mens.

Hier vinden we dus een duidelijke oproep om niet langer overeenkomstig de vroegere levenswandel te leven.

Maar let op de gebruikte woorden.

Paulus spreekt over afleggen, vernieuwd worden en aandoen.

Hij zegt niet dat de gelovige aan zichzelf moet sterven.

En dat verschil is niet maar een kwestie van woordkeuze.

Ook Kolossenzen 3:5 spreekt over het doden van wat met het zondige aardse bestaan samenhangt. Romeinen 8:13 spreekt over het doden van de werkingen van het lichaam door de Geest.

Dat zijn concrete oproepen tot een heilige levenswandel.

Maar het doden van zondige praktijken is niet hetzelfde als het laten sterven van je eigen persoon.

En de opdracht om de oude levenswandel af te leggen is niet hetzelfde als de gedachte dat de oude mens nog gekruisigd moet worden.

De Bijbel leert beide waarheden: de gelovige is met Christus gestorven én hij wordt verantwoordelijk gehouden voor zijn dagelijkse wandel.

Het ene mag niet tegen het andere worden uitgespeeld. Maar je mag ze ook niet met elkaar verwarren.

 

En zelfverloochening?

De Here Jezus zegt in Lukas 9:23:

“En Hij zeide tot allen: Zo iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelven, en neme zijn kruis dagelijks op, en volge Mij.” (STV)

Dat is een ernstige oproep tot navolging.

Maar ook hier moeten we nauwkeurig lezen.

Zichzelf verloochenen is niet hetzelfde als aan zichzelf sterven.

Zelfverloochening betekent dat iemand niet zijn eigen belangen, verlangens of aanspraken boven de gehoorzaamheid aan Christus stelt. De oproep om het kruis op te nemen spreekt over de bereidheid om de consequenties van die navolging te dragen.

Bovendien moeten we rekening houden met de plaats van deze woorden binnen de bediening van de Here Jezus en met de verdere openbaring over de positie van de Gemeente als het Lichaam van Christus.

Dat betekent niet dat de woorden van de Here Jezus ons niets te zeggen hebben. Wel dat we ze zorgvuldig moeten uitleggen in hun eigen verband.

Een oproep tot zelfverloochening kan niet zonder meer worden omgezet in een algemene leer dat de gelovige dagelijks zijn oude mens opnieuw moet laten sterven.

 

Wat is dat ‘zelf’ eigenlijk?

Hier raken we misschien wel aan het grootste probleem van de uitdrukking.

Wat bedoelt iemand precies wanneer hij zegt dat een christen aan zichzelf moet sterven?

Bedoelt hij de oude mens?

Of het vlees?

Of de eigen wil?

Of de menselijke persoonlijkheid?

Of natuurlijke verlangens?

Of de neiging om zichzelf op de eerste plaats te zetten?

Dat zijn verschillende dingen.

De Schrift spreekt over de oude mens, de nieuwe mens, het vlees, de zonde, het lichaam en het leven van de gelovige. Die begrippen hebben elk hun eigen betekenis en plaats.

Wanneer iemand eenvoudigweg zegt dat we “aan onszelf moeten sterven”, wordt dat onderscheid niet duidelijk.

Sterker nog, de formulering kan de indruk wekken dat onze persoonlijkheid, onze individualiteit of zelfs ons mens-zijn een obstakel vormt dat moet verdwijnen.

Maar het doel van Gods werk in de gelovige is niet de vernietiging van diens persoonlijkheid.

Het gaat om een nieuwe levenswandel, overeenkomstig de nieuwe mens die in Christus geschapen is.

Het probleem is niet dat wij als mens bestaan. Het probleem is de zonde.

En dat onderscheid doet ertoe.

 

Hoe weet je of je genoeg gestorven bent?

Er is nog een bezwaar.

Wanneer “sterven aan jezelf” als een voortdurende geestelijke opdracht wordt gepresenteerd, ontstaat onvermijdelijk de vraag wat iemand dan concreet moet doen.

Hoe sterf je aan jezelf?

Hoe weet je of je voldoende gestorven bent?

Wanneer is het proces voltooid?

En wie bepaalt eigenlijk of iemand voldoende aan zichzelf gestorven is?

Dat zijn alweer geen zeurvragen.

Want wanneer een gelovige voortdurend te horen krijgt dat hij nog meer aan zichzelf moet sterven, kan zijn aandacht makkelijk verschuiven van Christus naar zichzelf.

Dan wordt het christelijke leven een voortdurende beoordeling van de eigen geestelijke toestand.

Ben ik al nederig genoeg? Heb ik mijn eigen wil voldoende opgegeven? Is mijn ik al voldoende gestorven?

Maar waar richt Paulus onze aandacht op?

Op Christus!

Hij schrijft in Romeinen 6:11:

“Alzo ook gijlieden, houdt het daarvoor dat gij wel der zonde dood zijt, maar Gode levende zijt in Christus Jezus, onzen Heere.” (STV)

Dat is een opmerkelijke opdracht.

Niet: probeer te sterven.

Maar:

houd het ervoor dat gij der zonde dood zijt en Gode levende zijt in Christus Jezus.

Het geloof rekent met wat God heeft gezegd.

Dat betekent beslist niet dat de zonde geen enkele rol meer speelt in het leven van de gelovige. Evenmin betekent het dat heiliging vanzelf gaat of dat gehoorzaamheid overbodig is.

Maar de gelovige wordt opgeroepen om vanuit de waarheid van Gods Woord te leven, niet vanuit een onduidelijk streven naar een steeds verdergaande vernietiging van het eigen ik.

 

Een goede bedoeling maakt een uitdrukking nog niet Bijbels

Nu zal iemand misschien zeggen:

“Ja, maar iedereen begrijpt toch wat ermee bedoeld wordt?”

Is dat zo?

De ene prediker bedoelt ermee dat we onze zondige begeerten niet moeten volgen. Een ander bedoelt dat we onze eigen plannen moeten opgeven. Weer een ander spreekt over het breken van onze eigen wil.

En soms krijgt de uitdrukking zelfs de betekenis dat iemand pas werkelijk geestelijk kan leven wanneer hij zichzelf voldoende heeft overgegeven.

Dat zijn nogal verschillende opvattingen.

Natuurlijk hoeft iemand die de woorden “sterven aan jezelf” gebruikt, daarmee geen verkeerde leer te bedoelen. Het is heel goed mogelijk dat hij eenvoudigweg wil oproepen tot nederigheid, gehoorzaamheid en zelfverloochening.

Maar een goede bedoeling rechtvaardigt niet automatisch een onduidelijke formulering.

Zeker niet wanneer de Schrift zelf zoveel nauwkeuriger spreekt.

Waarom zouden we zeggen dat iemand aan zichzelf moet sterven, terwijl Paulus zegt dat hij met Christus gestorven is?

Waarom zouden we spreken over het laten sterven van het eigen ik, als de Bijbel ons oproept om de zondige levenswandel af te leggen?

Waarom zouden we allerlei begrippen op één hoop vegen, terwijl Gods Woord ze juist van elkaar onderscheidt?

Bijbels onderwijs vraagt niet alleen om goede bedoelingen, maar ook om goed taalgebruik.

 

Het gevaar van een verschoven uitgangspunt

Hier ligt uiteindelijk het belangrijkste leerstellige bezwaar.

De uitdrukking “sterven aan jezelf” kan het uitgangspunt van het christelijke leven ongemerkt verschuiven.

Van wat Christus heeft volbracht naar wat de gelovige nog moet volbrengen.

Van onze positie in Christus naar onze eigen geestelijke prestaties.

Van het geloof in Gods beloften naar de voortdurende beoordeling van onszelf.

De Bijbel leert ons echter niet dat wij door voldoende aan onszelf te sterven uiteindelijk deel krijgen aan het leven van Christus.

Hij leert dat wij in Christus gestorven zijn en met Hem leven, en dat wij daarom geroepen worden overeenkomstig dat nieuwe leven te wandelen.

Dat is géén vrijbrief voor de zonde.

Het is juist de basis voor een leven dat God behaagt.

Daarom is de volgorde zo belangrijk.

Niet eerst onze inspanning en vervolgens het leven in Christus, maar eerst het leven in Christus en van daaruit onze dagelijkse wandel.

 

Terug naar de woorden en het taalgebruik van de Schrift

Het gaat er niet om dat we voortaan iedere uitdrukking die niet letterlijk in de Bijbel staat, zouden moeten afwijzen.

Maar als een bepaalde formulering onduidelijk is, verschillende Bijbelse begrippen door elkaar haalt en bovendien aanleiding kan geven tot een verkeerd begrip van het christelijke leven, waarom zouden we hem dan blijven gebruiken?

We hebben toch de woorden van de Bijbel zelf.

We kunnen spreken over het afleggen van de oude levenswandel.

Over het aandoen van de nieuwe mens.

Over het niet laten heersen van de zonde.

Over het doden van zondige praktijken door de Geest.

Over zelfverloochening en gehoorzaamheid.

En boven allles over onze verbondenheid met de gestorven en opgestane Here Jezus Christus.

Dat zijn geen vrijblijvende woorden. Ze hebben ieder hun eigen betekenis.

Daarom is mijn bezwaar tegen “sterven aan jezelf” niet dat deze uitdrukking te veel nadruk zou leggen op de verantwoordelijkheid van de gelovige.

Mijn bezwaar is dat deze die verantwoordelijkheid niet nauwkeurig beschrijft en makkelijk verwarring veroorzaakt over wat Christus reeds heeft volbracht.

De gelovige hoeft niet alsnog te sterven om ‘in Christus’ te kunnen leven.

Hij is met Christus gestorven. Hij is met Hem opgewekt. En dáárom wordt hij opgeroepen om ‘in nieuwigheid des levens’ te wandelen.

Dat is niet minder serieus dan de oproep om “aan jezelf te sterven”.

Het is veel rijker.

Want het richt onze blik niet allereerst op onszelf, maar op Hem in Wie ons leven verborgen is.

Edit: dit gedeelte is ook ondubbelzinnig duidelijk:

Romeinen 6 (STV)

11 Alzo ook gijlieden, houdt het daarvoor dat gij wel der zonde dood zijt, maar Gode levende zijt in Christus Jezus, onzen Heere. 12 Dat dan de zonde niet heerse in uw sterfelijk lichaam, om haar te gehoorzamen in de begeerlijkheden deszelven lichaams. 13 En stelt uwe leden niet der zonde tot wapenen der ongerechtigheid; maar stelt uzelven Gode, als uit de doden levende geworden zijnde, en stelt uw leden Gode tot wapenen der gerechtigheid.

De vraag is dan ook niet hoeveel van onszelf wij nog moeten laten sterven, maar of wij werkelijk leven vanuit hetgeen God ons in Christus reeds geschonken heeft.

En misschien moeten we ons bij al die vertrouwde christelijke uitdrukkingen wat vaker afvragen:

Zeggen we eigenlijk nog wat de Bijbel zegt? Of zijn we zo gewend geraakt aan ons eigen godsdienstige taalgebruik dat we het verschil niet eens meer opmerken?

lees ook:

Staat en toestand van de gelovige – Bijbelse basis

Waarom een Bijbelvertaling begrijpelijk moet blijven

Betekenisvalstrikken:

Als vertrouwde woorden valstrikken worden

Een Bijbelvertaling moet twee dingen tegelijk zijn: betrouwbaar en begrijpelijk.

Laat je één van die twee los, dan gaat het mis.

Is een vertaling wel begrijpelijk, maar niet betrouwbaar, dan krijg je geen zuivere weergave van Gods Woord meer. Dan wordt de Bijbel gemakkelijk een parafrase, een uitleggende tekst, of zelfs een tekst die meer zegt wat de vertaler bedoelt dan wat er werkelijk staat.

Maar het omgekeerde is óók waar.

Is een vertaling op zichzelf betrouwbaar bedoeld, maar voor gewone lezers steeds minder begrijpelijk, dan ontstaat een ander probleem. Dan ligt de Bijbel wel open, maar blijft de betekenis dicht. Dan worden woorden uitgesproken, gelezen en herhaald, terwijl veel mensen niet meer precies weten wat zij lezen.

Dat is geen bagatel.

Want een Bijbelvertaling is er niet voor een kleine kring van taalvaardige kenners. Zij is er opdat het gewone volk Gods Woord kan horen in de eigen taal.

begrijpelijke Bijbelvertaling
Begrijpelijke Bijbelvertaling

De Bijbel is geen museumstuk

Sommigen spreken over oude Bijbeltaal alsof zij op zichzelf heiliger is. Alsof een woord eerbiediger wordt naarmate het minder gebruikt wordt. Maar dat is een gevaarlijke vergissing.

Veel oude woorden klinken voor ons verheven omdat wij ze alleen nog in kerkelijke context horen. Daardoor krijgen ze vanzelf een soort gewijde glans. Maar dat betekent niet dat ze oorspronkelijk zo bedoeld waren.

De Statenvertaling was niet gemaakt als een soort heilige kerktaal die boven het gewone Nederlands zweefde. Zij moest geen platte straattaal zijn, geen streektaal, geen modieuze praattaal, maar wel begrijpelijk Nederlands. Waardig, nauwkeurig, betrouwbaar — maar verstaanbaar.

Dat is een belangrijk onderscheid.

Wat nu plechtig klinkt, was toen vaak gewoon goed Nederlands. Wat nu als “oude eerbiedige taal” voelt, was toen voor veel lezers veel dichterbij. De afstand is niet ontstaan doordat de Bijbel veranderd is, maar doordat onze taal veranderd is.

En taal verandert. Altijd.

 

Taal staat niet stil

Geen enkele levende taal blijft hetzelfde. Woorden verschuiven. Zinnen veranderen. Uitdrukkingen verdwijnen. Nieuwe woorden komen op. Oude woorden krijgen een andere gevoelswaarde.

Neem het woord wijf. Ooit kon dat gewoon “vrouw” betekenen. Nu klinkt het in het algemeen grof of beledigend. Wie dat woord vandaag in een Bijbelvertaling zou laten staan, wekt bij moderne lezers iets op wat vroeger niet bedoeld was.

Of neem woorden als maagschap, onderwinden, betrachten, krankheid, medicijnmeester, mits, dewijl of overmits. Sommige mensen herkennen ze nog. Anderen denken dat ze ze begrijpen. En juist daar zit het gevaar.

Een moeilijk woord valt op. Een schijnbekend woord niet.

Dat is de echte valstrik.

Bij een moeilijk woord weet de lezer: hier moet ik zoeken, vragen of nadenken. Maar bij een woord dat bekend lijkt en intussen van betekenis is verschoven, vult de lezer ongemerkt de moderne betekenis in. Dan ontstaat er geen onbegrip dat eerlijk wordt opgemerkt, maar schijnbegrip dat ongemerkt blijft zitten.

Dat is misschien nog gevaarlijker.

 

Betekenisvalstrikken in de Statenvertaling

Er zijn woorden in oudere Bijbeltaal die niet alleen verouderd zijn, maar ook misleidend kunnen worden. Ze lijken bekend, maar betekenen iets anders dan veel lezers vandaag denken.

Dat kunnen we betekenisvalstrikken noemen.

Niet omdat de vertaling zelf een valstrik wil zijn. Natuurlijk niet. Maar omdat de afstand tussen toen en nu zo groot is geworden dat moderne lezers bij bepaalde woorden gemakkelijk een verkeerde betekenis invullen.

Denk aan een woord als betrachten. Veel moderne lezers horen daarin iets als “proberen te doen” of “naleven”. Maar in oudere taal kan het ook de betekenis hebben van vertellen, verkondigen of overdenken. Wie dat niet weet, leest een tekst zomaar in een andere richting.

Of neem oude woordvolgordes die vandaag niet meer vanzelf spreken. Soms staat er iets wat grammaticaal nog wel Nederlands is, maar voor moderne lezers zo vreemd loopt dat zij de zin verkeerd opvatten. Dan moet de predikant of uitlegger eerst de vertaling gaan vertalen voordat hij de tekst kan uitleggen.

Dat is een teken aan de wand.

Een Bijbelvertaling hoort de Bijbeltekst toegankelijk te maken. Als de vertaling zelf voortdurend vertaald moet worden, is er iets verschoven.

 

 

De brontalen blijven de norm

Hier moet meteen iets bij gezegd worden.

Een Bijbelvertaling is niet de uiteindelijke norm boven de Schrift. De Schrift is gegeven in de brontalen: Hebreeuws, Aramees en Grieks. Een vertaling is noodzakelijk, kostbaar en bruikbaar, maar bij leerstellige of exegetische kwesties mag een vertaling nooit absoluut gemaakt worden boven de brontekst.

Dat was juist één van de grote beginselen van de Reformatie.

De Bijbel moest niet blijven opgesloten in een kerktaal die het volk niet verstond. Maar men wilde ook niet zomaar een vertaling van een vertaling. Men wilde terug naar de bronnen. Niet omdat gewone mensen allemaal Hebreeuws en Grieks moesten leren, maar omdat de vertaling die zij lazen zo dicht mogelijk bij de oorspronkelijke tekst moest blijven.

Daar ligt de gezonde spanning: zo trouw mogelijk aan de brontalen, zo begrijpelijk mogelijk in de doeltaal.

Wie alleen betrouwbaarheid noemt en begrijpelijkheid verwaarloost, maakt van de Bijbel een boek voor ingewijden.

Wie alleen begrijpelijkheid noemt en betrouwbaarheid loslaat, maakt van de Bijbel een kneedbare tekst.

Beide wegen zijn verkeerd.

 

Vertalen is altijd kiezen

Een vertaling is nooit een mechanische omzetting van woord naar woord. Dat kán niet.

Eén Hebreeuws woord kan meerdere Nederlandse betekenissen hebben. Eén Grieks woord kan afhankelijk van de context anders klinken in het Nederlands. Soms moet een vertaler kiezen tussen twee mogelijkheden die allebei iets verdedigbaars hebben.

Daarom verdwijnen in elke vertaling bepaalde verbanden. En soms verschijnen er verbanden die in de brontekst minder sterk aanwezig zijn.

Dat is geen vrijbrief voor slordigheid. Het is wel een nuchtere erkenning van wat vertalen is.

Wie doet alsof een vertaling op elk punt één-op-één samenvalt met de brontekst, maakt de vertaling zwaarder dan zij zelf kan dragen. Zelfs de meest nauwkeurige vertaling blijft een vertaling.

Daarom is het ook zo belangrijk dat vertalers eerlijk zijn over moeilijke keuzes, alternatieve vertalingen en plaatsen waar de brontekst meerdere mogelijkheden biedt.

 

De Statenvertaling zelf is aangepast

Een vaak vergeten feit is dat de Statenvertaling zoals veel mensen die nu gebruiken, niet simpelweg de onveranderde tekst van 1637 is.

Er zijn drukfouten hersteld. Spelling is aangepast. Woorden zijn veranderd. Edities zijn herzien. De tekst die nu in veel reformatorische kring gebruikt wordt, staat historisch gezien niet los van latere negentiende-eeuwse bewerkingen.

Dat is geen aanval op de Statenvertaling. Integendeel. Het is gewoon eerlijk omgaan met de geschiedenis.

Wie zegt dat er nooit iets aan een vertaling veranderd mag worden, heeft eigenlijk een probleem met de geschiedenis van de Statenvertaling zelf. Want dan zou ook veel van wat later al aangepast is, principieel verdacht moeten zijn.

De vraag is dus niet: mag er ooit iets aangepast worden?

Dat is al gebeurd.

De echte vraag is: wanneer is aanpassing nodig, hoe zorgvuldig gebeurt zij, en blijft de vertaling trouw aan de brontekst?

 

Emotie is geen onzin

Toch moeten we eerlijk zijn: voor veel oudere lezers doet verandering pijn.

Dat mag niet worden weggezet als domheid of koppigheid.

Wie zijn hele leven woorden heeft gehoord als maagschap, krankheid, dewijl, mitsdien of medicijnmeester, verbindt daar herinneringen aan. Kerkdiensten. Catechisatie. Een vader die voorlas. Een moeder die bad. Een sterfbed. Een preek die insloeg. Een psalmvers na de maaltijd. Een Bijbeltekst die door de jaren heen meeging.

Taal is niet koud.

Taal draagt herinnering.

Daarom voelt een herziening of nieuwe vertaling voor sommigen als verlies. Niet alleen als technische wijziging, maar als aantasting van iets vertrouwds.

Dat moeten we serieus nemen.

Maar emotioneel verlies is niet hetzelfde als een principieel Bijbels bezwaar. Je mag verdriet hebben over het verdwijnen van vertrouwde formuleringen. Je mag een bepaalde plechtigheid missen. Je mag moeten wennen. Dat is menselijk.

Maar de nieuwe generatie mag niet de prijs betalen voor onze gewenning aan oude taal.

 

De Bijbel moet niet eindigen als exclusief kerkelijk jargon

Het grote gevaar is dat de Bijbel langzaam verandert in een boek dat nog wel in de kerk klinkt, maar thuis steeds minder wordt gelezen.

Dan wordt de Bijbel een soort heilige klanklaag. Men hoort woorden, herkent ritme, voelt eerbied, maar begrijpt steeds minder.

Dat is precies wat de Reformatie niet wilde.

De Reformatie wilde de Schrift teruggeven aan de gemeente. Niet aan een elite. Niet alleen aan geestelijken. Niet alleen aan academici. Niet alleen aan mensen die oude taal beheersen. Maar aan het volk.

Als de taal van een vertaling zo ver van het dagelijks Nederlands af komt te staan dat gewone lezers afhaken, ontstaat er een reformatorisch probleem. Dan verdedigen we misschien met veel vuur een oude vertaalvorm, terwijl we ongemerkt het reformatorische beginsel ondergraven: Gods Woord in de taal van het volk.

Dat is pijnlijk, maar noodzakelijk om te zeggen.

 

Begrijpelijkheid is niet hetzelfde als oppervlakkigheid

Sommigen vrezen dat begrijpelijke taal vanzelf oppervlakkige taal wordt. Dat hoeft helemaal niet.

De Bijbel zelf bevat diepe waarheden, moeilijke gedeelten, rijke verbanden, historische achtergronden, profetische lagen, poëzie, wetsteksten, brieven, geslachtsregisters, beeldspraak en leerstellige diepte.

Dat wordt niet allemaal eenvoudig omdat je hedendaags Nederlands gebruikt.

Er zullen altijd woorden uitgelegd moeten worden. Farizeeën. Sadduceeën. Verzoening. Rechtvaardiging. Verbond. Heiliging. Hogepriester. Tabernakel. Pascha. Pinksteren. Wannen. Dorsvloer. Rondas. Sikkel. Efa.

Dat zijn geen verouderde Nederlandse woorden, maar Bijbelse, historische of inhoudelijke begrippen. Die moet je niet wegpoetsen. Die moet je uitleggen.

Maar dat is iets anders dan lezers opzadelen met gewone Nederlandse woorden die vroeger normaal waren en nu niet meer functioneren.

Een Bijbelvertaling mag moeilijk zijn waar de Bijbel zelf moeilijk is. Zij moet niet moeilijk zijn omdat het Nederlands verouderd is.

 

Geestelijk verstaan en taalbegrip zijn niet hetzelfde

Natuurlijk is er meer nodig dan taalbegrip.

Een mens kan alle woorden begrijpen en toch blind blijven voor de geestelijke kern van de Schrift. Je kunt Grieks lezen, Hebreeuws kennen, grammatica beheersen en toch de heerlijkheid van Christus niet zien.

Daarvoor is het licht van Gods Geest nodig.

Maar dat argument mag niet misbruikt worden.

Dat de Heilige Geest nodig is om de Schrift geestelijk te verstaan, betekent niet dat de woorden zelf onbegrijpelijk mogen zijn. Anders zou vertalen überhaupt overbodig zijn. Dan zou men net zo goed kunnen zeggen: laat de Bijbel maar in het Latijn, Grieks of Hebreeuws staan, want de Geest moet het toch openen.

Zo redeneerde de Reformatie niet.

De Geest werkt niet tegen het Woord in, maar door het Woord. En een vertaling dient juist om dat Woord hoorbaar en leesbaar te maken in de taal van de mensen.

 

De echte vraag

De vraag is dus niet óf wij de Statenvertaling waarderen. Dat doen we.

De vraag is ook niet of de Statenvertalers kundige, eerbiedige en nauwgezette mannen waren. Dat waren ze.

De vraag is niet of oude formuleringen dierbaar kunnen zijn. Dat kunnen zij.

De vraag is scherper:

Kan een gewone lezer vandaag nog zonder voortdurende vertaalslag begrijpen wat hij leest?

En als het antwoord steeds vaker nee is, moeten we eerlijk zijn.

Dan gaat het niet om minachting voor het verleden. Dan gaat het om trouw aan het doel waarvoor een vertaling bestaat.

Een vertaling is geen monument om alleen te bewonderen. Zij is een venster waardoor het licht van de Schrift moet vallen.

Als het venster beslagen raakt door taalveroudering, moet je niet boos worden op wie het schoon wil maken.

 

Een Bijbel voor de gemeente

De gemeente heeft geen behoefte aan een losse, modieuze, uitgeklede Bijbeltekst. Geen Bijbel als praattaalproduct. Geen vertaling waarin de scherpe randen van Gods Woord zijn weggeschuurd.

Maar de gemeente heeft ook geen behoefte aan een taalvorm die steeds meer mensen op afstand zet.

We hebben een Bijbelvertaling nodig die betrouwbaar is, eerbiedig, zorgvuldig, kerkelijk bruikbaar, dicht bij de brontekst — en tegelijk werkelijk Nederlands.

Niet Nederlands van vier eeuwen geleden.

Niet Nederlands dat alleen nog binnen een kleine kring functioneert.

Niet taal die vooral herkenning oproept bij wie ermee opgegroeid is.

Maar Nederlands waarin kinderen, jongeren, buitenstaanders, nieuwe gelovigen en gewone gemeenteleden kunnen horen wat God zegt.

 

Wat op het spel staat

Op het spel staat niet onze smaak. Ook niet onze nostalgie. Zelfs niet onze vertrouwde klank.

Op het spel staat de vraag of het Woord werkelijk gelezen wordt.

Want een gesloten Bijbel kan ook open op tafel liggen.

Hij is gesloten wanneer de woorden wel zichtbaar zijn, maar niet meer landen. Wanneer de zinnen wel klinken, maar de betekenis wegloopt. Wanneer mensen eerbiedig knikken, maar thuis niet meer lezen omdat het hun te veel moeite kost.

Dat is een stille ramp.

Niet spectaculair. Niet luidruchtig. Maar wel ernstig.

Een kerk die haar Bijbeltaal niet meer durft te toetsen aan begrijpelijkheid, loopt het risico dat zij een vorm bewaart terwijl het gebruik verdwijnt.

Dan blijft de kaft. Dan blijft de traditie. Dan blijft de klank.

Maar de lezer haakt af.

 

Slot

Een betrouwbare Bijbelvertaling is onmisbaar. Zonder trouw aan de brontekst verliezen we het Woord zelf.

Maar begrijpelijkheid is geen luxe. Zij hoort bij het wezen van vertalen.

De Bijbel moet niet opgesloten raken in taal die alleen ingewijden nog beheersen. Hij moet gelezen worden aan de keukentafel, gehoord worden in de kerk, begrepen worden door jongeren, door zoekers, door gewone gemeenteleden, door mensen die niet zijn opgegroeid met kerktaal.

Dat vraagt zorgvuldigheid. Geduld. Eerbied. Historisch besef. En ook liefde voor hen die moeite hebben met verandering.

Maar het vraagt óók eerlijkheid.

Niet elk oud woord is moeilijk. Sommige oude woorden zijn juist gevaarlijk omdat ze gemakkelijk lijken. Daar ontstaan betekenisvalstrikken. Daar denkt de lezer dat hij begrijpt wat er staat, terwijl hij ongemerkt een moderne betekenis invult.

Wie de Bijbel liefheeft, mag dat niet negeren.

De vraag is niet of wij oude taal mooi vinden.

De vraag is of mensen vandaag in hun eigen taal nog Gods Woord horen.

En als het antwoord daarop steeds onzekerder wordt, is vasthouden aan oude taal geen bewijs van trouw, maar kan het juist een hindernis worden voor het lezen van de Schrift.

De Bijbel is géén erfstuk voor de vitrine of schoorsteenmantel

Hij moet open.
Hij moet gelezen worden.
Hij moet verstaan worden.
Want God spreekt door Zijn Woord.

Zie ook:

De “Statenvertaling-alleen” denkfout en de verwarring – Bijbelse basis

Betekenisverschuiving in de Statenvertaling: een overzicht en duiding – Bijbelse basis

Statenvertaling 2027 werk van de duivel? Een ontmaskering van vrome bangmakerij – Bijbelse basis

Waarom de Statenvertaling verschilt van de King James Version – Bijbelse basis

De KJV-only en Statenvertaling alléén controverse ontzenuwd – Bijbelse basis

Van Ruckman naar SV1637 – Bijbelse basis

Checklist ‘Vervalste Bijbels’ van sv1637.org gecheckt: De claims – Bijbelse basis

extern:

Lezen wij en onze kinderen elke dag uit de Bijbel? Het belang van een begrijpelijke Bijbelvertaling

Bijbels taalgebruik, ook vandaag nog #3 Abraham zien

Bijbels taalgebruik, ook vandaag nog #3 Abraham zien

 

 

Ons hedendaags Nederlands bevat nog veel Bijbels taalgebruik.; er zijn tal van spreekwoorden en gezegden, die rechtstreeks uit de Statenvertaling komen, zoals:

Abraham zien

Ontleend aan:

Johannes 8:57 De Joden dan zeiden tot Hem: Gij hebt nog geen vijftig jaren, en hebt Gij Abraham gezien?
58 Jezus zeide tot hen: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Eer Abraham was, ben Ik.

 

Geverifieerd door MonsterInsights