Israël, de bruid bij uitstek

4 minuten lezen

God Zelf beschrijft Zijn verhouding tot Israël als een huwelijk

Bij de Sinaï sluit de HEERE Zijn verbond met Israël. Dit verbond wordt in de profeten uitdrukkelijk als een huwelijksverbond beschreven. Israël is daarbij de vrouw en de HEERE haar Man.

Jeremia 2:2 noemt zelfs Israëls “ondertrouw”:

“Ik gedenk der weldadigheid uwer jeugd, der liefde uwer ondertrouw, toen gij Mij nawandeldet in de woestijn…” (Jeremia 2:2, STV)

En bij de Sinaï antwoordt Israël met het ja-woord:

“Al wat de HEERE gesproken heeft, zullen wij doen.” (Exodus 19:8, STV)

Ezechiël noemt Israël letterlijk Gods vrouw

Ezechiël 16 is misschien wel het duidelijkste hoofdstuk:

“…ja, Ik zwoer u, en kwam met u in een verbond, spreekt de Heere HEERE, en gij werdt de Mijne.” (Ezechiël 16:8, STV)

Hier zijn verbond en huwelijk rechtstreeks met elkaar verbonden. Jeremia bevestigt dat:

“…welk Mijn verbond zij vernietigd hebben, hoewel Ik hen getrouwd had, spreekt de HEERE.” (Jeremia 31:32, STV)

En:

“Bekeert u, gij afkerige kinderen, spreekt de HEERE, want Ik heb u getrouwd…” (Jeremia 3:14, STV)

Dat is moeilijk weg te verklaren: Israël wordt niet alleen vergeleken met een vrouw; God zegt dat Hij haar heeft getrouwd. Bruid_en_Bruidegom_Vlichthus

Daarom wordt Israëls afgoderij vervolgens consequent “hoererij”, “overspel” en “ontrouw” genoemd. Die woorden krijgen juist hun kracht omdat er een huwelijksverbond bestond.

 

Het Nieuwe Verbond wordt met Israël gesloten

Dit vind ik een van de sterkste argumenten.

Jeremia zegt niet:

“Ik zal met de Gemeente een nieuw verbond maken.”

Er staat:

“Ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik met het huis Israëls en met het huis van Juda een nieuw verbond zal maken.” (Jeremia 31:31, STV)

En enkele verzen later:

“Maar dit is het verbond, dat Ik na die dagen met het huis Israëls maken zal…” (Jeremia 31:33, STV)

Het oude verbond was een huwelijksverbond met Israël. Het nieuwe verbond wordt opnieuw beloofd aan Israël en Juda.

 

 

Jesaja zegt zonder omwegen tegen Israël: “Uw Maker is uw Man”

Jesaja 54 is nóg explicieter:

“Want uw Maker is uw Man, HEERE der heirscharen is Zijn Naam; en de Heilige Israëls is uw Verlosser…” (Jesaja 54:5, STV)

En Israël wordt daar genoemd:

“…als een verlaten vrouw en bedroefde van geest; nochtans zijt gij de huisvrouw der jeugd…” (Jesaja 54:6, STV)

Dat gaat over dezelfde vrouw die verlaten was en opnieuw door de HEERE geroepen zal worden.

Israël → vrouw van de HEERE → ontrouw → verlaten/weggezonden → toekomstige bekering → Nieuw Verbond → opnieuw in gemeenschap met haar Man.

Dat is een zeer consistente lijn.

 

Ook Hosea past precies in dat beeld

Hosea is eigenlijk één grote uitbeelding van deze waarheid.

Israël wordt door haar ontrouw “Lo-Ammi” — “niet Mijn volk”. Maar dat is niet het einde. God belooft herstel:

“En Ik zal ze Mij op de aarde zaaien, en zal Mij ontfermen over Lo-Ruchama; en Ik zal zeggen tot Lo-Ammi: Gij zijt Mijn volk; en dat zal zeggen: O mijn God!” (Hosea 2:22, STV)

En vlak daarvoor:

“En Ik zal u Mij ondertrouwen in eeuwigheid; ja, Ik zal u Mij ondertrouwen in gerechtigheid en in gericht, en in goedertierenheid en in barmhartigheden.” (Hosea 2:18, STV)

Dat woord “ondertrouwen” is hier enorm belangrijk.

God zegt niet tegen een nieuwe, onbekende partij dat Hij haar zal ondertrouwen. Het gaat om het Israël dat Hem ontrouw geworden was en dat Hij uiteindelijk tot Zich zal brengen.

 

In Openbaring heet de bruid “het nieuwe Jeruzalem”

Dan komen we bij het Nieuwe Testament.

Openbaring 21 zegt:

“En ik, Johannes, zag de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, nederdalende van God uit den hemel, toebereid als een bruid, die voor haar man versierd is.” (Openbaring 21:2, STV)

En nog duidelijker:

“Kom herwaarts, ik zal u tonen de Bruid, de Vrouw des Lams.”

Vervolgens ziet Johannes “de grote stad, het heilige Jeruzalem”. (Openbaring 21:9-10, STV)

 

De Gemeente wordt daarentegen steeds het Lichaam genoemd

Dit is het andere belangrijke deel van het argument.

Paulus zegt niet dat wij “leden van Zijn bruid” zijn, maar:

“Want wij zijn leden Zijns lichaams, van Zijn vlees en van Zijn benen.” (Efeze 5:30, STV)

Juist in Efeze 5, het hoofdstuk dat meestal wordt gebruikt om te zeggen dat de Gemeente de bruid is, noemt Paulus Christus het Hoofd en de Gemeente Zijn lichaam.

 

De kern

Daarom vind ik deze formulering het duidelijkst:

Israël is de bruid omdat God Zelf Zijn verbondsrelatie met Israël als een huwelijk openbaart. De HEERE noemt Zich haar Man, noemt Israël Zijn vrouw, noemt haar afgoderij overspel, spreekt over scheiding, belooft haar opnieuw te ondertrouwen en belooft met Israël en Juda een Nieuw Verbond te sluiten.

De Gemeente heeft een andere, nog inniger positie:

Christus is het Hoofd en de Gemeente is Zijn Lichaam.

Dat bewaart ook het onderscheid Israël – Gemeente. Je hoeft de beloften aan Israël niet over te hevelen naar de Gemeente om ze te laten uitkomen.

En eigenlijk is Hosea 2:18 misschien wel de tekst die het allemaal in één zin samenvat:

“En Ik zal u Mij ondertrouwen in eeuwigheid…” (STV)

Dat wordt zonder omwegen tegen Israël gezegd.

zie ook:

bruid – Bijbelse basis

Geef een reactie

Geverifieerd door MonsterInsights