“Sterven aan jezelf”staat dat eigenlijk in de Bijbel?

Een Bijbelse opdracht of een menselijke uitdrukking?

Waarom goed Bijbels taalgebruik ertoe doet

“Je moet sterven aan jezelf.”

Wie kent deze uitspraak niet? In preken, Bijbelstudies, gesprekken en boeken over het christelijke leven duikt hij voortdurend op. Soms wordt er zelfs een maatstaf voor geestelijke volwassenheid van gemaakt. Hoe meer iemand aan zichzelf gestorven is, hoe geestelijker hij zou zijn.

Maar waar staat dat in de Bijbel?

Dat is geen zeurvraag. Want omdat de Bijbel de gelovige nadrukkelijk aanspreekt op zijn verantwoordelijkheid en levenswandel, betekent dat nog niet dat iedere populaire uitdrukking waarmee men die verantwoordelijkheid beschrijft, ook Bijbels verantwoord is.

De vraag is dus niet of een christen de zonde moet afleggen, zichzelf moet verloochenen of hoort te wandelen overeenkomstig zijn roeping.

Natuurlijk leert de Bijbel dat.

De vraag is of “sterven aan jezelf” een juiste Bijbelse beschrijving is van wat God van de gelovige vraagt.

En daar hebben we de kern van dit vraagstuk te pakken.

Bijbels taalgebruik
“Sterven aan jezelf”

Waar komt de uitdrukking vandaan?

De woorden “sterven aan jezelf” komen niet in de Bijbel voor.

Dat betekent niet  dat iedere gedachte die ermee wordt uitgedrukt verkeerd is. We gebruiken immers vaker woorden en formuleringen die niet letterlijk in de Bijbel staan.

Maar wanneer een uitdrukking voortdurend wordt gebruikt om het christelijke leven te omschrijven, mogen we wel vragen waar deze vandaan komt en welke betekenis deze heeft gekregen.

De gedachte heeft oude wortels in de christelijke geschiedenis, met name in de ascetische en mystieke traditie. Daar werd veel nadruk gelegd op zelfverloochening, versterving, onthouding en het overwinnen van de eigen wil.

Een bekende historische vindplaats is De navolging van Christus van Thomas à Kempis, een werk uit de vijftiende eeuw. Daar vinden we de gedachte dat iemand des te meer voor God begint te leven naarmate hij meer aan zichzelf sterft.

Dat bewijst nog niet dat Thomas à Kempis de uitdrukking heeft bedacht. Wel laat het zien hoe oud deze manier van spreken al is.

In de eeuwen daarna bleef de gedachte aanwezig in verschillende christelijke tradities. Ook binnen de gereformeerde traditie vinden we het onderwijs over de “afsterving van de oude mens”, bijvoorbeeld in zondag 33 van de Heidelbergse Catechismus.

Later kreeg vergelijkbaar taalgebruik een plaats in evangelische, bevindelijke en andere kringen waarin veel aandacht wordt besteed aan heiliging en geestelijke groei.

De precieze Nederlandse uitdrukking is dus niet met zekerheid tot één bedenker te herleiden. Wel is duidelijk dat deze een lange kerkelijke geschiedenis heeft.

Maar daarmee is nog niets gezegd over de Bijbelse juistheid.

Een uitdrukking wordt niet Bijbels doordat hij al eeuwenlang door christenen gebruikt is.

 

Wat zegt de Bijbel?

Wanneer men spreekt over “sterven aan jezelf”, worden doorgaans verschillende Bijbelgedeelten aangehaald.

Denk aan Lukas 9:23, waar de Here Jezus spreekt over zichzelf verloochenen, dagelijks het kruis opnemen en Hem volgen.

Of aan Johannes 12:24-25, waar Hij spreekt over de graankorrel die in de aarde valt en sterft, en over het liefhebben of haten van het eigen leven in deze wereld.

Ook Galaten 2:20, Romeinen 6:6 en Kolossenzen 3:5 worden regelmatig genoemd.

Maar hier moeten we goed lezen.

Want deze Schriftgedeelten spreken niet allemaal over hetzelfde. Zelfverloochening, met Christus gekruisigd zijn, de oude mens afleggen en het doden van zondige praktijken zijn begrippen die met elkaar samenhangen, maar daarom nog niet onderling uitwisselbaar zijn.

En wanneer we ze samenvoegen tot één algemene opdracht om “aan jezelf te sterven”, bestaat het gevaar dat we juist die onderscheidingen uitwissen die de Schrift zelf aanbrengt.

 

De oude mens is met Christus gekruisigd

Paulus schrijft in Romeinen 6:6:

“Dit wetende, dat onze oude mens met Hem gekruisigd is, opdat het lichaam der zonde te niet gedaan worde, opdat wij niet meer de zonde dienen.” (STV)

Let vooral op de woorden: “met Hem gekruisigd is”.

Paulus zegt niet dat de gelovige zijn oude mens nog moet kruisigen. Hij beschrijft iets wat reeds heeft plaatsgevonden in onze verbondenheid met Christus.

Dat is niet zomaar een statement.

De gelovige wordt niet opgeroepen om alsnog tot stand te brengen wat God in Christus reeds tot stand heeft gebracht.

Ook Galaten 2:20 spreekt hierover:

“Ik ben met Christus gekruist; en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij; en hetgeen ik nu in het vlees leef, dat leef ik door het geloof des Zoons van God, Die mij liefgehad heeft, en Zichzelven voor mij overgegeven heeft.” (STV)

Paulus zegt niet: ik probeer dagelijks een beetje meer gekruisigd te worden.

Hij zegt:

“Ik ben met Christus gekruist.”

En vervolgens spreekt hij over het leven dat hij nu leeft, door het geloof.

Hier ligt het uitgangspunt van het christelijke leven. Niet bij een voortdurende poging om het eigen ik te laten sterven, maar bij de werkelijkheid van onze verbondenheid met de gestorven en opgestane Christus.

 

Gij zijt gestorven!

Misschien is Kolossenzen 3:3 nog wel de duidelijkste uitspraak:

“Want gij zijt gestorven, en uw leven is met Christus verborgen in God.” (STV)

Hoeveel duidelijker wil je het hebben?

Gij zijt gestorven.

Niet: gij moet iedere dag proberen een stukje verder aan uzelf te sterven.

Maar: gij zijt gestorven.

En dat staat niet los van de opstanding van Christus. Het hoofdstuk begint immers met:

“Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zo zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechter hand Gods.” (Kolossenzen 3:1, STV)

Merk de volgorde op.

Eerst wordt vastgesteld wat de gelovige in Christus is. Vervolgens wordt hij aangesproken op de levenswandel die daarbij behoort.

De positie in Christus vormt het uitgangspunt voor de praktijk, niet andersom.

Dat onderscheid is van cruciaal belang.

 

Maar de gelovige heeft toch een verantwoordelijkheid?

Natuurlijk!

En daarover hoeft geen enkel misverstand te bestaan.

De Schrift leert uitdrukkelijk dat de gelovige de zonde niet moet laten heersen, zijn leden niet ten dienste van de ongerechtigheid moet stellen en de zondige praktijken van zijn vroegere levenswandel moet afleggen.

Efeze 4:22 zegt:

“Te weten dat gij zoudt afleggen, aangaande den vorigen wandel, den ouden mens, die verdorven wordt door de begeerlijkheden der verleiding;” (STV)

Daarna spreekt Paulus over het vernieuwd worden in de geest van het gemoed en het aandoen van de nieuwe mens.

Hier vinden we dus een duidelijke oproep om niet langer overeenkomstig de vroegere levenswandel te leven.

Maar let op de gebruikte woorden.

Paulus spreekt over afleggen, vernieuwd worden en aandoen.

Hij zegt niet dat de gelovige aan zichzelf moet sterven.

En dat verschil is niet maar een kwestie van woordkeuze.

Ook Kolossenzen 3:5 spreekt over het doden van wat met het zondige aardse bestaan samenhangt. Romeinen 8:13 spreekt over het doden van de werkingen van het lichaam door de Geest.

Dat zijn concrete oproepen tot een heilige levenswandel.

Maar het doden van zondige praktijken is niet hetzelfde als het laten sterven van je eigen persoon.

En de opdracht om de oude levenswandel af te leggen is niet hetzelfde als de gedachte dat de oude mens nog gekruisigd moet worden.

De Bijbel leert beide waarheden: de gelovige is met Christus gestorven én hij wordt verantwoordelijk gehouden voor zijn dagelijkse wandel.

Het ene mag niet tegen het andere worden uitgespeeld. Maar je mag ze ook niet met elkaar verwarren.

 

En zelfverloochening?

De Here Jezus zegt in Lukas 9:23:

“En Hij zeide tot allen: Zo iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelven, en neme zijn kruis dagelijks op, en volge Mij.” (STV)

Dat is een ernstige oproep tot navolging.

Maar ook hier moeten we nauwkeurig lezen.

Zichzelf verloochenen is niet hetzelfde als aan zichzelf sterven.

Zelfverloochening betekent dat iemand niet zijn eigen belangen, verlangens of aanspraken boven de gehoorzaamheid aan Christus stelt. De oproep om het kruis op te nemen spreekt over de bereidheid om de consequenties van die navolging te dragen.

Bovendien moeten we rekening houden met de plaats van deze woorden binnen de bediening van de Here Jezus en met de verdere openbaring over de positie van de Gemeente als het Lichaam van Christus.

Dat betekent niet dat de woorden van de Here Jezus ons niets te zeggen hebben. Wel dat we ze zorgvuldig moeten uitleggen in hun eigen verband.

Een oproep tot zelfverloochening kan niet zonder meer worden omgezet in een algemene leer dat de gelovige dagelijks zijn oude mens opnieuw moet laten sterven.

 

Wat is dat ‘zelf’ eigenlijk?

Hier raken we misschien wel aan het grootste probleem van de uitdrukking.

Wat bedoelt iemand precies wanneer hij zegt dat een christen aan zichzelf moet sterven?

Bedoelt hij de oude mens?

Of het vlees?

Of de eigen wil?

Of de menselijke persoonlijkheid?

Of natuurlijke verlangens?

Of de neiging om zichzelf op de eerste plaats te zetten?

Dat zijn verschillende dingen.

De Schrift spreekt over de oude mens, de nieuwe mens, het vlees, de zonde, het lichaam en het leven van de gelovige. Die begrippen hebben elk hun eigen betekenis en plaats.

Wanneer iemand eenvoudigweg zegt dat we “aan onszelf moeten sterven”, wordt dat onderscheid niet duidelijk.

Sterker nog, de formulering kan de indruk wekken dat onze persoonlijkheid, onze individualiteit of zelfs ons mens-zijn een obstakel vormt dat moet verdwijnen.

Maar het doel van Gods werk in de gelovige is niet de vernietiging van diens persoonlijkheid.

Het gaat om een nieuwe levenswandel, overeenkomstig de nieuwe mens die in Christus geschapen is.

Het probleem is niet dat wij als mens bestaan. Het probleem is de zonde.

En dat onderscheid doet ertoe.

 

Hoe weet je of je genoeg gestorven bent?

Er is nog een bezwaar.

Wanneer “sterven aan jezelf” als een voortdurende geestelijke opdracht wordt gepresenteerd, ontstaat onvermijdelijk de vraag wat iemand dan concreet moet doen.

Hoe sterf je aan jezelf?

Hoe weet je of je voldoende gestorven bent?

Wanneer is het proces voltooid?

En wie bepaalt eigenlijk of iemand voldoende aan zichzelf gestorven is?

Dat zijn alweer geen zeurvragen.

Want wanneer een gelovige voortdurend te horen krijgt dat hij nog meer aan zichzelf moet sterven, kan zijn aandacht makkelijk verschuiven van Christus naar zichzelf.

Dan wordt het christelijke leven een voortdurende beoordeling van de eigen geestelijke toestand.

Ben ik al nederig genoeg? Heb ik mijn eigen wil voldoende opgegeven? Is mijn ik al voldoende gestorven?

Maar waar richt Paulus onze aandacht op?

Op Christus!

Hij schrijft in Romeinen 6:11:

“Alzo ook gijlieden, houdt het daarvoor dat gij wel der zonde dood zijt, maar Gode levende zijt in Christus Jezus, onzen Heere.” (STV)

Dat is een opmerkelijke opdracht.

Niet: probeer te sterven.

Maar:

houd het ervoor dat gij der zonde dood zijt en Gode levende zijt in Christus Jezus.

Het geloof rekent met wat God heeft gezegd.

Dat betekent beslist niet dat de zonde geen enkele rol meer speelt in het leven van de gelovige. Evenmin betekent het dat heiliging vanzelf gaat of dat gehoorzaamheid overbodig is.

Maar de gelovige wordt opgeroepen om vanuit de waarheid van Gods Woord te leven, niet vanuit een onduidelijk streven naar een steeds verdergaande vernietiging van het eigen ik.

 

Een goede bedoeling maakt een uitdrukking nog niet Bijbels

Nu zal iemand misschien zeggen:

“Ja, maar iedereen begrijpt toch wat ermee bedoeld wordt?”

Is dat zo?

De ene prediker bedoelt ermee dat we onze zondige begeerten niet moeten volgen. Een ander bedoelt dat we onze eigen plannen moeten opgeven. Weer een ander spreekt over het breken van onze eigen wil.

En soms krijgt de uitdrukking zelfs de betekenis dat iemand pas werkelijk geestelijk kan leven wanneer hij zichzelf voldoende heeft overgegeven.

Dat zijn nogal verschillende opvattingen.

Natuurlijk hoeft iemand die de woorden “sterven aan jezelf” gebruikt, daarmee geen verkeerde leer te bedoelen. Het is heel goed mogelijk dat hij eenvoudigweg wil oproepen tot nederigheid, gehoorzaamheid en zelfverloochening.

Maar een goede bedoeling rechtvaardigt niet automatisch een onduidelijke formulering.

Zeker niet wanneer de Schrift zelf zoveel nauwkeuriger spreekt.

Waarom zouden we zeggen dat iemand aan zichzelf moet sterven, terwijl Paulus zegt dat hij met Christus gestorven is?

Waarom zouden we spreken over het laten sterven van het eigen ik, als de Bijbel ons oproept om de zondige levenswandel af te leggen?

Waarom zouden we allerlei begrippen op één hoop vegen, terwijl Gods Woord ze juist van elkaar onderscheidt?

Bijbels onderwijs vraagt niet alleen om goede bedoelingen, maar ook om goed taalgebruik.

 

Het gevaar van een verschoven uitgangspunt

Hier ligt uiteindelijk het belangrijkste leerstellige bezwaar.

De uitdrukking “sterven aan jezelf” kan het uitgangspunt van het christelijke leven ongemerkt verschuiven.

Van wat Christus heeft volbracht naar wat de gelovige nog moet volbrengen.

Van onze positie in Christus naar onze eigen geestelijke prestaties.

Van het geloof in Gods beloften naar de voortdurende beoordeling van onszelf.

De Bijbel leert ons echter niet dat wij door voldoende aan onszelf te sterven uiteindelijk deel krijgen aan het leven van Christus.

Hij leert dat wij in Christus gestorven zijn en met Hem leven, en dat wij daarom geroepen worden overeenkomstig dat nieuwe leven te wandelen.

Dat is géén vrijbrief voor de zonde.

Het is juist de basis voor een leven dat God behaagt.

Daarom is de volgorde zo belangrijk.

Niet eerst onze inspanning en vervolgens het leven in Christus, maar eerst het leven in Christus en van daaruit onze dagelijkse wandel.

 

Terug naar de woorden en het taalgebruik van de Schrift

Het gaat er niet om dat we voortaan iedere uitdrukking die niet letterlijk in de Bijbel staat, zouden moeten afwijzen.

Maar als een bepaalde formulering onduidelijk is, verschillende Bijbelse begrippen door elkaar haalt en bovendien aanleiding kan geven tot een verkeerd begrip van het christelijke leven, waarom zouden we hem dan blijven gebruiken?

We hebben toch de woorden van de Bijbel zelf.

We kunnen spreken over het afleggen van de oude levenswandel.

Over het aandoen van de nieuwe mens.

Over het niet laten heersen van de zonde.

Over het doden van zondige praktijken door de Geest.

Over zelfverloochening en gehoorzaamheid.

En boven allles over onze verbondenheid met de gestorven en opgestane Here Jezus Christus.

Dat zijn geen vrijblijvende woorden. Ze hebben ieder hun eigen betekenis.

Daarom is mijn bezwaar tegen “sterven aan jezelf” niet dat deze uitdrukking te veel nadruk zou leggen op de verantwoordelijkheid van de gelovige.

Mijn bezwaar is dat deze die verantwoordelijkheid niet nauwkeurig beschrijft en makkelijk verwarring veroorzaakt over wat Christus reeds heeft volbracht.

De gelovige hoeft niet alsnog te sterven om ‘in Christus’ te kunnen leven.

Hij is met Christus gestorven. Hij is met Hem opgewekt. En dáárom wordt hij opgeroepen om ‘in nieuwigheid des levens’ te wandelen.

Dat is niet minder serieus dan de oproep om “aan jezelf te sterven”.

Het is veel rijker.

Want het richt onze blik niet allereerst op onszelf, maar op Hem in Wie ons leven verborgen is.

Edit: dit gedeelte is ook ondubbelzinnig duidelijk:

Romeinen 6 (STV)

11 Alzo ook gijlieden, houdt het daarvoor dat gij wel der zonde dood zijt, maar Gode levende zijt in Christus Jezus, onzen Heere. 12 Dat dan de zonde niet heerse in uw sterfelijk lichaam, om haar te gehoorzamen in de begeerlijkheden deszelven lichaams. 13 En stelt uwe leden niet der zonde tot wapenen der ongerechtigheid; maar stelt uzelven Gode, als uit de doden levende geworden zijnde, en stelt uw leden Gode tot wapenen der gerechtigheid.

De vraag is dan ook niet hoeveel van onszelf wij nog moeten laten sterven, maar of wij werkelijk leven vanuit hetgeen God ons in Christus reeds geschonken heeft.

En misschien moeten we ons bij al die vertrouwde christelijke uitdrukkingen wat vaker afvragen:

Zeggen we eigenlijk nog wat de Bijbel zegt? Of zijn we zo gewend geraakt aan ons eigen godsdienstige taalgebruik dat we het verschil niet eens meer opmerken?

lees ook:

Staat en toestand van de gelovige – Bijbelse basis

Wat zegt de Bijbel over Zoonschap en Zoonstelling?

Zoonstelling: geen bijzaak, maar de volle positie van de gelovige in Christus

Hero banner promoting Bible studies: open Bible on a wooden table at sunrise with the Dutch title 'Wat zegt de Bijbel over...' and a blue footer menu showing topics like Schrift met Schrift and Christus centraal.
Wat zegt de Bijbel over

Zoonstelling in de Bijbel: wat betekent ‘aanneming tot kinderen’?

Er zijn woorden die in de Bijbel veel zwaarder wegen dan ze in onze oren klinken. “Aanneming tot kinderen” is er zo een.

Voor veel lezers klinkt dat als: God neemt mij liefdevol aan als Zijn kind. Dat is op zichzelf niet verkeerd, maar het dekt niet de volle lading van wat Paulus zegt. Het gaat niet alleen om erbij mogen horen. Het gaat om positie. Om erfdeel. Om heerlijkheid. Om de officiële plaats van de gelovige in Christus.

De Schrift spreekt over wedergeboorte, kindschap, zoonschap, erfgenaamschap en de verwachting van de verlossing van het lichaam. Wie dat allemaal op één hoop gooit, verliest de scherpte van Paulus’ betoog. Dan wordt zoonstelling iets warms en vaags. Een soort geestelijke knuffelterm. Terwijl het in de Bijbel juist gaat over de hoge, vaste en toekomstige positie van de gelovige in Christus.

Niet Sinaï. Niet slavernij. Niet geestelijke onvolwassenheid.. Maar zoonstelling.

 

Kindschap: geboren uit God

De basis ligt bij wedergeboorte. Een mens wordt geen kind van God door natuurlijke geboorte, kerkelijke aansluiting, doopregister, religieuze opvoeding of algemene scheppingsverwantschap. De Schrift spreekt veel scherper.

“Maar zovelen Hem aangenomen hebben, dien heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden, namelijk die in Zijn Naam geloven;” Johannes 1:12 (STV)

Johannes zegt niet dat alle mensen kinderen van God zijn. Hij zegt dat zij die Christus aangenomen hebben, macht ontvangen kinderen Gods te worden. Dat kindschap is verbonden aan geloof in Zijn Naam.

Ook in zijn eerste brief is Johannes helder:

“Een iegelijk, die gelooft, dat Jezus is de Christus, die is uit God geboren; en een iegelijk, die liefheeft Dengene, Die geboren heeft, die heeft ook lief dengene, die uit Hem geboren is.” 1 Johannes 5:1 (STV)

Kindschap is dus geboorte-taal. De gelovige is uit God geboren. Dat is geen morele verbetering van de oude mens, maar nieuw leven uit God. Geen religieuze renovatie, maar wedergeboorte.

Hier begint de fout vaak. Men spreekt over Gods vaderschap alsof het vanzelf over de hele mensheid uitgesmeerd kan worden. Maar de Schrift maakt onderscheid. God is Schepper van alle mensen, maar Vader in deze heilrijke zin alleen van hen die uit Hem geboren zijn.

Zoonstelling, meer dan aaanneming tot kinderen

 

Zoonschap: niet alleen geboren, maar gesteld in positie

Paulus gebruikt in Galaten, Romeinen en Efeze een woord dat in de Statenvertaling weergegeven wordt met “aanneming tot kinderen”. Het Griekse woord is huiothesia. Dat woord bestaat uit huios, zoon, en thesis, plaatsing of stelling. Letterlijk gaat het dus om zoonstelling.

Dat is méér dan adoptie in onze moderne betekenis. Het wijst op de officiële plaatsing in de positie van zoon en erfgenaam. “Aanneming tot kinderen” is bij huiothesia eigenlijk te zwak of misleidend weergegeven; bedoeld is “zoonstelling”, de officiële aanstelling in het eerstgeboorterecht.

Dat helpt enorm om Paulus te verstaan.

“Die ons tevoren verordineerd heeft tot aanneming tot kinderen, door Jezus Christus, in Zichzelven, naar het welbehagen van Zijn wil.” Efeze 1:5 (STV)

Hier gaat het niet om een onzeker proces waarin God nog maar moet zien of Hij ons uiteindelijk wel wil hebben. Het staat in Gods raadsbesluit. De gelovige is in Christus bestemd tot zoonstelling. Dat is geen prestatie, geen opklimmen, geen religieus diploma. Het is naar het welbehagen van Zijn wil.

Daarom staat het ook direct in de sfeer van genade:

“Tot prijs der heerlijkheid Zijner genade, door welke Hij ons begenadigd heeft in den Geliefde.” Efeze 1:6 (STV)

Let op die laatste woorden: in den Geliefde. De zoonstelling van de gelovige staat nooit los van Christus. Wij hebben geen zelfstandig zoonschap naast Hem. Wij zijn in Hem begenadigd, in Hem aangenomen, in Hem gesteld in positie.

 

Galaten: van knecht naar zoon

In Galaten krijgt het woord zijn scherpe rand. Paulus strijdt daar tegen vermenging van wet en genade. Tegen religieuze terugkeer naar minderjarigheid. Tegen een geloof dat na Christus alsnog onder voogden en verzorgers kruipt.

Hij schrijft:

“Maar wanneer de volheid des tijds gekomen is, heeft God Zijn Zoon uitgezonden, geworden uit een vrouw, geworden onder de wet; Opdat Hij degenen, die onder de wet waren, verlossen zou, en opdat wij de aanneming tot kinderen verkrijgen zouden.” Galaten 4:4-5 (STV)

De lijn is glashelder. Christus kwam onder de wet. Niet omdat Hij bevrijd moest worden, maar om hen die onder de wet waren te verlossen. Het doel is niet dat de gelovige opnieuw onder de wet gezet wordt met een christelijk sausje eroverheen. Het doel is zoonstelling.

Daarom volgt:

“En overmits gij kinderen zijt, zo heeft God den Geest Zijns Zoons uitgezonden in uw harten, Die roept: Abba, Vader!” Galaten 4:6 (STV)

En dan de conclusie:

“Zo dan, gij zijt niet meer een dienstknecht, maar een zoon; en indien gij een zoon zijt, zo zijt gij ook een erfgenaam van God door Christus.” Galaten 4:7 (STV)

Niet meer een dienstknecht. Maar een zoon. Niet meer  minderjarigheid. Maar erfgenaamschap. Niet meer Sinaï als woonadres. Maar Christus als positie.

Daarom is Galaten zo scherp. Wie de gelovige weer principieel onder de wet zet, tast niet alleen een leerstuk aan. Hij tast de zoonstelling aan. Hij haalt de zoon terug naar de knechtenbank.

 

Romeinen: kinderen, zonen en erfgenamen

Romeinen 8 laat de volle rijkdom zien. Eerst spreekt Paulus over leiding door de Geest:

“Want zovelen als er door den Geest Gods geleid worden, die zijn kinderen Gods.” Romeinen 8:14 (STV)

Daarna komt de tegenstelling met slavernij:

“Want gij hebt niet ontvangen den Geest der dienstbaarheid wederom tot vreze; maar gij hebt ontvangen den Geest der aanneming tot kinderen, door Welken wij roepen: Abba, Vader!” Romeinen 8:15 (STV)

De Geest brengt de gelovige niet terug in angstige dienstbaarheid. Niet opnieuw onder het juk. Niet opnieuw in religieuze kramp. De Geest doet roepen:

Abba, Vader.

Dan komt het getuigenis:

“Dezelve Geest getuigt met onzen geest, dat wij kinderen Gods zijn.” Romeinen 8:16 (STV)

En meteen daarna verbindt Paulus kindschap aan erfenis:

“En indien wij kinderen zijn, zo zijn wij ook erfgenamen, erfgenamen Gods en mede-erfgenamen van Christus; zo wij anders met Hem lijden, opdat wij ook met Hem verheerlijkt worden.” Romeinen 8:17 (STV)

Dat is de volgorde: kinderen, dus erfgenamen. Erfgenamen Gods. Mede-erfgenamen van Christus. Maar ook: lijden met Hem, om met Hem verheerlijkt te worden.

De boodschap van Romeinen 8 is samen te vatten als volgt:  door de Geest realiseren gelovigen hun nieuwe positie als zonen Gods; Hij leidt hen, door Hem roepen zij “Abba, Vader”, en Hij getuigt dat zij kinderen Gods zijn. Daarna volgt dat zij, omdat zij kinderen zijn, ook erfgenamen Gods en mede-erfgenamen met Christus zijn.

Dat is geen oppervlakkig troostverhaal. Het is een diepe positionele waarheid. De gelovige leeft nu nog in zwakheid, strijd, zuchten en lijden, maar zijn positie ligt vast in Christus.

 

De zoonstelling is nu bezit en toch nog verwachting

Hier wordt het spannend. Want Paulus zegt enerzijds dat wij de Geest der zoonstelling ontvangen hebben. Anderzijds zegt hij dat wij de zoonstelling nog verwachten.

“En niet alleen dit, maar ook wij zelven, die de eerstelingen des Geestes hebben, wij ook zelven, zeg ik, zuchten in onszelven, verwachtende de aanneming tot kinderen, namelijk de verlossing onzes lichaams.” Romeinen 8:23 (STV)

Dat lijkt tegenstrijdig, maar is het niet.

De gelovige is nu al kind van God. Hij heeft nu al de Geest. Hij staat nu al in Christus. Hij is nu al erfgenaam. Maar de volle openbaring van die positie is nog toekomstig. Ons lichaam is nog niet verlost. Wij dragen nog zwakheid, sterfelijkheid, vernedering en strijd.

Daarom is zoonstelling tegelijk een huidige positie én een toekomstige openbaring.

Nu: de Geest der zoonstelling.

Straks: de verlossing van het lichaam.

Nu: Abba, Vader.

Straks: gelijkvormigheid aan Christus in heerlijkheid.

Nu: erfgenamen.

Straks: openbaar delen in de heerlijkheid.

Dat is precies waarom Romeinen 8 niet eindigt in triomfantalisme, maar in hoop. Geen Kingdom Now-branie. Geen “wij manifesteren nu alvast de volle heerlijkheid”. Paulus zegt dat wij zuchten. Niet ongelovig zuchten, maar gelovig zuchten. Zuchten in hoop.

“Want wij zijn in hope zalig geworden. De hoop nu, die gezien wordt, is geen hoop; want hetgeen iemand ziet, waarom zal hij het ook hopen?” Romeinen 8:24 (STV)

Wie de toekomstige zoonstelling naar het nu trekt alsof alles al zichtbaar moet worden, loopt vooruit op God. Wie de huidige positie ontkent, berooft de gelovige van zijn zekerheid. De Schrift houdt beide vast.

 

Christus is de Zoon; wij zijn zonen in Hem

Hier moet zorgvuldig onderscheiden worden. Christus is niet Zoon op dezelfde wijze als wij zonen worden. Hij is de eeuwige, unieke Zoon. Hij is de Eniggeborene van de Vader.

“En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond, en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als des Eniggeborenen van den Vader, vol van genade en waarheid.” Johannes 1:14 (STV)

Wij worden niet goddelijke zonen in Zijn unieke, eeuwige zin. Dat zou grensoverschrijding zijn. Maar wij worden in Hem gesteld in de positie van zonen. Hij is de Eerstgeborene onder vele broederen.

“Want die Hij te voren gekend heeft, die heeft Hij ook te voren verordineerd den beelde Zijns Zoons gelijkvormig te zijn, opdat Hij de Eerstgeborene zij onder vele broederen.” Romeinen 8:29 (STV)

Dat is geen aantasting van Christus’ heerlijkheid. Integendeel. Zijn heerlijkheid blijkt juist hierin, dat Hij als de Eerstgeborene vele zonen tot heerlijkheid leidt.

“Want het betaamde Hem, om Welken alle dingen zijn, en door Welken alle dingen zijn, dat Hij, vele kinderen tot de heerlijkheid leidende, den oversten Leidsman hunner zaligheid door lijden zou heiligen.” Hebreeën 2:10 (STV)

Christus is de Zoon. Wij zijn zonen in de Zoon. Christus is Erfgenaam. Wij zijn mede-erfgenamen met Christus. Christus is de Eerstgeborene. De Gemeente wordt verbonden met het eerstgeboorterecht.

De Schrift verbindt dit met Christus als Eersteling en Eerstgeborene: omdat de Gemeente het lichaam van Christus is en gezegend is met elke geestelijke zegening in Christus, is zij geroepen tot zoonstelling en eerstgeboorterecht; Hebreeën 12:23 spreekt daarom over de “Gemeente der eerstgeborenen”.

 

De Gemeente der eerstgeborenen

Hebreeën 12 zet de positie van de gelovige niet bij Sinaï, maar bij Sion, het hemelse Jeruzalem en de Gemeente der eerstgeborenen.

“Maar gij zijt gekomen tot den berg Sion, en de stad des levenden Gods, tot het hemelse Jeruzalem, en de vele duizenden der engelen; Tot de algemene vergadering en de Gemeente der eerstgeborenen, die in de hemelen opgeschreven zijn, en tot God, den Rechter over allen, en de geesten der volmaakte rechtvaardigen;” Hebreeën 12:22-23 (STV)

Dat is een geweldige tegenstelling. Niet de berg die brandt. Niet vreze en beving. Niet de afstand van Sinaï. Maar een hemelse positie.

De Gemeente is niet een aardse religieuze voortzetting van Israël onder een nieuw label. Zij heeft een hemelse roeping, hemelse zegeningen en een hemelse bestemming. Dat betekent niet dat Israël wordt wegverklaard. Integendeel. Juist door te onderscheiden wat God aan Israël en wat Hij aan de Gemeente geeft, blijft de Schrift helder.

De Gemeente der eerstgeborenen staat in verbinding met Christus, de Eerstgeborene. Haar positie is niet gebaseerd op nationale voorrechten, wetsonderhouding of aardse ordening, maar op Christus’ opstanding, verhoging en hemelse heerlijkheid.

 

Waarom “aanneming tot kinderen” al snel te zwak klinkt

De Statenvertaling is hier eerbiedwaardig, maar de formulering kan bij moderne lezers een verkeerd beeld oproepen. “Aanneming tot kinderen” klinkt alsof de nadruk ligt op adoptie van buitenstaanders tot kleine kinderen. Maar Paulus’ gedachte is rijker en scherper.

Het gaat om:

geboorte uit God;

bevrijding uit slavernij;

plaatsing als zoon;

erfgenaamschap;

de Geest Die “Abba, Vader” doet roepen;

toekomstige verheerlijking;

verlossing van het lichaam;

gelijkvormigheid aan Christus.

Zoonstelling is dus geen sentimentele adoptietaal, maar positie-taal. Koninklijke taal. Erfgenaamstaal. Eerstgeboortetaal.

Daarmee wordt ook duidelijk waarom Paulus zo fel is in Galaten. De wet maakt minderjarig in de zin van voogdij en tuchtmeesterschap. Christus brengt de gelovige in vrijheid en zoonstelling. Wie daarna de wet weer als heersend principe invoert, doet alsof de zoon nog steeds in de knechtenkamer thuishoort.

Dat is geen vrome voorzichtigheid. Dat is leerstellige achteruitgang.

 

De praktische vrucht: zekerheid zonder losbandigheid

Zoonstelling betekent niet dat de gelovige nu maar losbandig kan leven. Dat is de karikatuur die altijd opduikt zodra genade werkelijk genade mag zijn.

Paulus bestrijdt dat zelf:

“Wat zullen wij dan zeggen? Zullen wij in de zonde blijven, opdat de genade te meerder worde? Dat zij verre. Wij, die der zonde gestorven zijn, hoe zullen wij nog in dezelve leven?” Romeinen 6:1-2 (STV)

De zoon leeft niet heilig om zoon te worden. Hij leeft heilig omdat hij in Christus zoon is. Dat is een totaal andere motor.

Geen zweep.

Geen Sinaï als aandrijfsysteem.

Geen angst als brandstof.

Maar de Geest, de positie in Christus, de hoop der heerlijkheid en het Vader-roepen in het hart.

Johannes verbindt de toekomstige heerlijkheid direct met reiniging:

“Geliefden, nu zijn wij kinderen Gods, en het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen. Maar wij weten, dat als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem zullen gelijk wezen; want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is. En een iegelijk, die deze hoop op Hem heeft, die reinigt zichzelven, gelijk Hij rein is.” 1 Johannes 3:2-3 (STV)

Let op: Johannes zegt niet dat onzekerheid reinigt. Hij zegt dat hoop reinigt. De verwachting van Christus’ openbaring, en van onze gelijkvormigheid aan Hem, heeft een heiligende werking.

 

Waar het misgaat

Het gaat mis wanneer men kindschap, zoonstelling en erfgenaamschap losmaakt van Christus en vult met algemene godsdienstige taal.

Dan wordt God vooral “Vader van iedereen”.

Dan wordt Genade een warm gevoel.

Dan wordt zoonstelling een vroom woord voor acceptatie.

Dan wordt het erfdeel naar de achtergrond geschoven.

Dan wordt de toekomstige heerlijkheid vervangen door een ‘nu-al-theologie’ waarin de gelovige vooral moet heersen, claimen, bouwen, zichtbaar maken en manifesteren.

Maar Romeinen 8 zegt iets anders. De schepping zucht. Wij zuchten. De Geest bidt. De heerlijkheid komt. Het lichaam moet nog verlost worden. De zoonstelling zal nog openbaar worden.

Dat bewaart voor twee dwalingen.

Aan de ene kant: wetticisme, waarin zonen weer als knechten worden behandeld.

Aan de andere kant: triomfantalisme, waarin de toekomstige heerlijkheid nu alvast op aarde wordt geclaimd alsof de verlossing van het lichaam al heeft plaatsgevonden.

Beide missen de lijn van Paulus.

 

De kern

Zoonstelling betekent dat God de gelovige in Christus stelt in de positie van zoon en erfgenaam. Dat rust niet op de wet, niet op werken, niet op kerkelijke status, niet op geestelijke ervaring, maar op Gods welbehagen en Christus’ volbrachte werk.

De gelovige is nu al kind van God door wedergeboorte.

Hij heeft nu al de Geest der zoonstelling.

Hij roept nu al: Abba, Vader.

Hij is nu al erfgenaam van God en mede-erfgenaam van Christus.

Maar hij verwacht nog de volle openbaring daarvan: de verlossing van het lichaam.

Daarom is zoonstelling geen bijzaak. Het is de Bijbelse naam voor de hoge positie van de gelovige in Christus, tussen kruis en heerlijkheid, tussen wedergeboorte en verheerlijking, tussen de Geest als eersteling en het lichaam dat nog verlost zal worden.

Niet meer een dienstknecht.

Maar een zoon.

Niet meer onder de wet.

Maar onder Genade.

Niet meer in geestelijke onvolwassenheid

Maar in Christus gesteld tot erfgenaam.

“Zo dan, gij zijt niet meer een dienstknecht, maar een zoon; en indien gij een zoon zijt, zo zijt gij ook een erfgenaam van God door Christus.” Galaten 4:7 (STV)

 

Bekering, geen hogere wiskunde

Gehoor geven aan de oproep van het Evangelie

Het woord bekering is in veel kerkelijke kringen een zwaar en soms zelfs mistig begrip geworden. Sommigen maken er een lang innerlijk proces van, anderen reduceren het tot een emotionele ervaring. Maar als we eenvoudig naar de Schrift luisteren, blijkt bekering iets heel concreets te zijn.

Bekering is een omkeer. Een radicale verandering van richting: weg van jezelf en je eigen weg, en terug naar God.

Toen de Heere Jezus begon te prediken, was Zijn boodschap opvallend eenvoudig en direct:

“De tijd is vervuld, en het Koninkrijk Gods nabij gekomen; bekeert u, en gelooft het Evangelie.” (Markus 1:15 STV)

Hier staan twee dingen naast elkaar:

  • bekering

  • geloof

Bekering is de omkeer van de mens.
Geloof is het vertrouwen op Christus.

Het ene kan niet zonder het andere.

Wat bekering werkelijk betekent

De Bijbel laat zien dat bekering niet in de eerste plaats een gevoel is, maar een verandering van richting en gezindheid.

Paulus beschrijft het zo bij de Thessalonicenzen:

“Want zijzelven verkondigen van ons, hoedanigen ingang wij tot u hebben, en hoe gij tot God bekeerd zijt van de afgoden, om den levenden en waarachtigen God te dienen.” (1 Thessalonicenzen 1:9 STV)

Bekering betekent dus:

  • je afkeren van iets

  • je toekeren tot God

In hun geval: van afgoden naar God.

In onze tijd kunnen afgoden vele vormen aannemen:

  • eigen gerechtigheid

  • religie zonder Christus

  • geld of status

  • zelfverwerkelijking

  • geestelijke ervaringen

Bekering breekt met dat alles.

Bekering en vergeving

De apostelen verkondigden dezelfde boodschap als hun Heer. Petrus zegt:

“Betert u dan en bekeert u, opdat uw zonden mogen uitgewist worden, wanneer de tijden der verkoeling zullen gekomen zijn van het aangezicht des Heeren.” (Handelingen 3:19 STV)

Bekering staat dus direct in verband met:

  • vergeving van zonden

  • een nieuw leven met God

Niet omdat bekering een verdienste is, maar omdat de mens zich van zijn eigen weg afkeert en zich wendt tot Christus.

Bekering is géén menselijke prestatie

De Schrift maakt ook duidelijk dat echte bekering voortkomt uit droefheid naar God.

“Want de droefheid naar God werkt een onberouwelijke bekering tot zaligheid; maar de droefheid der wereld werkt den dood.” (2 Korinthe 7:10 STV)

Wereldse spijt zegt:
Ik heb problemen gekregen.

Droefheid naar God zegt:
Ik heb tegen God gezondigd.

Dat verschil is beslissend.

Bekering vandaag

De moderne mens wil vaak eerst voelen, ervaren of begrijpen voordat hij zich bekeert. Maar de Bijbel draait dat om. Eerst komt de omkeer, daarna volgt het nieuwe leven.

Bekering is daarom geen religieuze techniek en ook geen mystieke ervaring.

Het is eenvoudig:

  • erkennen dat je verloren bent

  • je afkeren van je eigen weg

  • je toevertrouwen aan Christus

Zoals Petrus op de pinksterdag zei:

“Bekeert u, en een ieder van u worde gedoopt in den Naam van Jezus Christus, tot vergeving der zonden.” (Handelingen 2:38 STV)

Bekering is dus niet een randonderwerp van het Evangelie.

Het is de deur waardoor een mens het leven binnengaat.

lezen: Aannemen-alstublieft (pdf)

Geverifieerd door MonsterInsights