Het eerstgeboorterecht in de Bijbel: betekenis, Christus en erfenis

Waarom deze vergeten waarheid zo belangrijk is

Wie bij het eerstgeboorterecht in de Bijbel alleen denkt aan een oude familietraditie waarbij de oudste zoon een groter deel van de erfenis kreeg, mist een belangrijke lijn die van Genesis tot het Nieuwe Testament loopt.

Het eerstgeboorterecht heeft in de Schrift te maken met positie, erfenis, verantwoordelijkheid, voorrang en bestemming. En uiteindelijk werpt dit begrip verrassend veel licht op de Here Jezus Christus als de Eerstgeborene, op Zijn plaats boven de schepping, op Zijn opstanding uit de doden en op de positie van de gelovige in Hem.

Dat maakt het eerstgeboorterecht veel meer dan een interessant oudtestamentisch onderwerp. Het is een sleutel tot het verstaan van Gods voornemen in Christus.

 

Wat betekent het eerstgeboorterecht in de Bijbel?

In onze taal denken we bij het woord eerstgeborene als vanzelf aan degene die als eerste geboren werd. In de Bijbel kan dat inderdaad de betekenis zijn, maar zeker niet altijd.

God zegt bijvoorbeeld over Israël:

“Dan zult gij tot Farao zeggen: Alzo zegt de HEERE: Mijn zoon, Mijn eerstgeborene, is Israël.” — Exodus 4:22 (STV)

Israël was bepaald niet het eerste volk dat ooit op aarde bestond. Het woord eerstgeborene kan hier dus onmogelijk uitsluitend chronologisch worden opgevat.

Het spreekt van rang en positie.

Dat is direct van belang wanneer het Nieuwe Testament de Here Jezus Christus noemt:

“Dewelke het Beeld is des onzienlijken Gods, de Eerstgeborene aller kreaturen.” — Kolossenzen 1:15 (STV)

Sommigen lezen daaruit dat Christus het eerste geschapen wezen zou zijn. Maar die uitleg botst onmiddellijk met de volgende woorden:

“Want door Hem zijn alle dingen geschapen, die in de hemelen en die op de aarde zijn, die zienlijk en die onzienlijk zijn…” — Kolossenzen 1:16 (STV)

Christus wordt dus niet binnen de schepping geplaatst als het eerste schepsel. Hij staat erboven als Degene door Wie alle dingen geschapen zijn.

Paulus legt de betekenis enkele verzen later zelf uit:

“…opdat Hij in allen de Eerste zou zijn.” — Kolossenzen 1:18 (STV)

Daar ligt de kern van het Bijbelse begrip eerstgeboorte:

voorrang, positie en erfgenaamschap.

Eerstgeboorterecht de betekenis
Eerstgeboorterecht in de Bijbel

Het eerstgeboorterecht verbonden met erfenis

Het eerstgeboorterecht was geen lege titel. Aan de eerstgeborene was een bijzondere plaats in het huis van zijn vader verbonden.

De Wet zegt:

“Maar den eerstgeborene […] zal hij kennen, gevende hem het dubbele deel van alles wat bij hem zal gevonden worden; want hij is het beginsel zijner kracht, het recht der eerstgeboorte is zijne.” — Deuteronomium 21:17 (STV)

De eerstgeborene ontving dus een dubbel erfdeel.

Daarmee wordt duidelijk dat eerstgeboorte te maken had met meer dan leeftijd. Het ging om positie binnen het huis, verantwoordelijkheid en erfenis.

Juist daarom zijn de geschiedenissen van Ezau, Ruben, Jozef, Manasse en Efraïm zo belangrijk.

 

Ezau verachtte zijn eerstgeboorterecht

Ezau is een van de bekendste voorbeelden.

Wanneer hij hongerig thuiskomt en Jakob voedsel vraagt, verlangt Jakob daarvoor zijn eerstgeboorterecht.

Ezau antwoordt:

“Zie, ik ga sterven; en waartoe mij dan de eerstgeboorte?” — Genesis 25:32 (STV)

Daarna verkoopt hij zijn eerstgeboorterecht.

De Schrift trekt zelf de conclusie:

“Alzo verachtte Ezau de eerstgeboorte.” — Genesis 25:34 (STV)

Dat ene woord is veelzeggend: verachtte.

Ezau achtte iets wat met Gods belofte, positie en toekomstige erfenis te maken had minder belangrijk dan zijn onmiddellijke lichamelijke behoefte.

Het zichtbare woog zwaarder dan de belofte.

Het tijdelijke woog zwaarder dan de erfenis.

Het vlees woog zwaarder dan hetgeen God had toegezegd.

Eeuwen later grijpt Hebreeën terug op precies deze geschiedenis:

“Dat niet iemand zij een hoereerder, of een onheilige, gelijk Ezau, die om één spijze het recht van zijn eerstgeboorte weggaf.” — Hebreeën 12:16 (STV)

Dit was dus geen onbeduidend familievoorval.

Ezau waardeerde niet wat God waardeerde.

Dat maakt zijn geschiedenis ook vandaag nog indringend.

 

Ruben was eerstgeborene maar verloor het eerstegeboorterecht

Bij Ruben wordt nog duidelijker dat geboortevolgorde en eerstgeboorterecht niet identiek zijn.

Jakob zegt tegen hem:

“Ruben, gij zijt mijn eerstgeborene, mijn kracht en het begin mijner macht…” — Genesis 49:3 (STV)

Ruben was inderdaad letterlijk de eerste zoon van Jakob.

Maar later lezen we:

“De kinderen nu van Ruben, den eerstgeborene Israëls (want hij was de eerstgeborene, maar omdat hij zijns vaders bed had ontheiligd, zo werd zijn eerstgeboorte gegeven aan de kinderen van Jozef, den zoon van Israël…” — 1 Kronieken 5:1 (STV)

Dat is een sleuteltekst.

Ruben bleef biologisch de eerstgeborene, maar de eerstgeboorte werd aan Jozef gegeven.

De Schrift maakt dus zelf onderscheid tussen als eerste geboren worden en de positie van eerstgeboorte bezitten.

Het volgende vers is nog opmerkelijker:

“Want Juda werd machtig onder zijn broederen, en uit hem is de Vorst voortgekomen; doch de eerstgeboorte was van Jozef.” — 1 Kronieken 5:2 (STV)

Uit Juda komt de Vorst.

Maar het eerstgeboorterecht ligt bij Jozef.

Dat onderscheid is belangrijk en laat zien hoe nauwkeurig de Schrift met deze begrippen omgaat.

 

Waarom kreeg Jozef een dubbel deel?

Dan begrijpen we ook waarom Jozef via zijn zonen Efraïm en Manasse twee plaatsen binnen Israël krijgt.

Jakob zegt:

“Nu dan, uw twee zonen, die u in Egypteland geboren waren, eer ik tot u in Egypte gekomen ben, zijn mijne; Efraïm en Manasse zullen mijne zijn, als Ruben en Simeon.” — Genesis 48:5 (STV)

Efraïm en Manasse worden daarmee als het ware naast Jakobs eigen zonen geplaatst.

Jozef ontvangt via hen twee stamdelen.

En wat was het bijzondere erfdeel van de eerstgeborene?

Het dubbele deel.

Genesis 48 en 1 Kronieken 5 sluiten daarmee nauw op elkaar aan.

Het eerstgeboorterecht had dus concrete gevolgen voor de erfenis.

 

Efraïm en Manasse: de natuurlijke volgorde wordt opnieuw doorbroken

Zelfs binnen het huis van Jozef gebeurt hetzelfde patroon opnieuw.

Manasse was de oudste. Jozef zorgt er daarom bewust voor dat Manasse bij Jakobs rechterhand staat wanneer zijn vader de jongens zegent.

Maar Jakob kruist zijn handen en legt zijn rechterhand op Efraïm, de jongste.

Jozef denkt dat zijn vader zich vergist:

“Niet alzo, mijn vader! want deze is de eerstgeborene; leg uw rechterhand op zijn hoofd.” — Genesis 48:18 (STV)

Jakob antwoordt:

“Ik weet het, mijn zoon! ik weet het; hij zal ook tot een volk worden, en hij zal ook groot worden; maar nochtans zal zijn kleinste broeder groter worden dan hij…” — Genesis 48:19 (STV)

Opnieuw wordt de natuurlijke volgorde bewust doorbroken.

Gods toekenning van positie wordt niet eenvoudig bepaald door geboortevolgorde.

Dat patroon zien we vaker:

Kaïn vóór Seth.

Ismaël vóór Izak.

Ezau vóór Jakob.

Ruben vóór Jozef.

Manasse vóór Efraïm.

Dat is te consequent om als toevallig detail af te serveren.

Eerst het natuurlijke, daarna het geestelijke

Paulus geeft later woorden die dit patroon veel dieper plaatsen:

“Doch het geestelijke is niet eerst, maar het natuurlijke, daarna het geestelijke.” — 1 Korinthe 15:46 (STV)

En vervolgens:

“De eerste mens is uit de aarde, aards; de tweede Mens is de Heere uit den hemel.” — 1 Korinthe 15:47 (STV)

Daar staat de grote tegenstelling:

Adam tegenover Christus.

De eerste mens tegenover de Tweede Mens.

Het natuurlijke tegenover het geestelijke.

De oude schepping tegenover de nieuwe.

De geschiedenis van het eerstgeboorterecht loopt daardoor uiteindelijk niet dood bij Jakob, Jozef of Efraïm.

Zij wijst vooruit naar Christus.

 

Christus als Eerstgeborene van heel de schepping

Kolossenzen 1 is daarom van groot apologetisch belang.

“Dewelke het Beeld is des onzienlijken Gods, de Eerstgeborene aller kreaturen.” — Kolossenzen 1:15 (STV)

Wie daaruit concludeert dat Christus een schepsel is, negeert de directe context.

Paulus vervolgt:

“Want door Hem zijn alle dingen geschapen…” — Kolossenzen 1:16 (STV)

En:

“En Hij is vóór alle dingen, en alle dingen bestaan te zamen door Hem.” — Kolossenzen 1:17 (STV)

En tenslotte:

“…opdat Hij in allen de Eerste zou zijn.” — Kolossenzen 1:18 (STV)

Door Hem zijn alle dingen geschapen.

Tot Hem zijn alle dingen geschapen.

Hij is vóór alle dingen.

Door Hem bestaan alle dingen.

Hij moet in alles de Eerste zijn.

Dat is geen beschrijving van een geschapen wezen.

“Eerstgeborene” spreekt hier over Zijn hoogste positie boven de schepping.

 

Christus is de Eerstgeborene uit de doden

Paulus noemt Christus ook:

“…de Eerstgeborene uit de doden…” — Kolossenzen 1:18 (STV)

Ook dat kan niet simpelweg chronologisch betekenen dat Hij de eerste persoon was die ooit uit de dood werd opgewekt.

Voor Zijn opstanding waren immers al mensen uit de dood opgewekt.

Maar zij keerden terug in een sterfelijk bestaan.

Christus niet.

“Wetende dat Christus, opgewekt zijnde uit de doden, niet meer sterft; de dood heerst niet meer over Hem.” — Romeinen 6:9 (STV)

Zijn opstanding is van een andere orde.

Hij stond op in onvergankelijk leven.

Daarom noemt Paulus Hem ook:

“Maar nu, Christus is opgewekt uit de doden, en is de Eersteling geworden dergenen die ontslapen zijn.” — 1 Korinthe 15:20 (STV)

Eerstgeborene.

Eersteling.

Begin.

Christus staat aan het begin van een nieuwe orde.

 

De Laatste Adam en de Tweede Mens

Paulus schrijft:

“Alzo is er ook geschreven: De eerste mens Adam is geworden tot een levende ziel; de laatste Adam tot een levendmakenden Geest.” — 1 Korinthe 15:45 (STV)

Christus is niet een verbeterde versie van Adam.

Hij is de Laatste Adam.

En:

“De eerste mens is uit de aarde, aards; de tweede Mens is de Heere uit den hemel.” — 1 Korinthe 15:47 (STV)

De boodschap van de Schrift is dus niet dat God de oude mens door religieuze inspanning probeert te verbeteren.

In Christus ontstaat iets nieuws.

“Zo dan, indien iemand in Christus is, die is een nieuw schepsel; het oude is voorbijgegaan, ziet, het is alles nieuw geworden.” — 2 Korinthe 5:17 (STV)

Hier krijgt het patroon uit Genesis zijn diepste betekenis.

Eerst Adam.

Daarna Christus.

Eerst het natuurlijke.

Daarna het geestelijke.

 

De Eerstgeborene onder vele broederen

Romeinen 8 gaat nog verder:

“Want die Hij tevoren gekend heeft, die heeft Hij ook tevoren verordineerd den beelde Zijns Zoons gelijkvormig te zijn, opdat Hij de Eerstgeborene zij onder vele broederen.” — Romeinen 8:29 (STV)

Christus is dus niet alleen Eerstgeborene.

Hij is de Eerstgeborene onder vele broederen.

Zijn positie blijft uniek.

Hij blijft Degene Die in alles de Eerste is.

Maar God verbindt anderen met Hem.

Daarmee komen we bij een begrip dat nauw samenhangt met eerstgeboorterecht: zoonstelling.

 

Zoonstelling, erfenis en eerstgeboorterecht

Paulus schrijft:

“Die ons tevoren verordineerd heeft tot aanneming tot kinderen, door Jezus Christus, in Zichzelven…” — Efeze 1:5 (STV)

Het gaat hier om de gedachte van zoonstelling: geplaatst worden in de positie van zoon.

En waar zoonstelling verschijnt, is er ook sprake van erfenis.

“En indien wij kinderen zijn, zo zijn wij ook erfgenamen, erfgenamen Gods en mede-erfgenamen van Christus…” — Romeinen 8:17 (STV)

Dat is veel rijker dan de versmalling van het christelijke geloof tot:

Mijn zonden zijn vergeven en later ga ik naar de hemel.

Vergeving is onmisbaar.

Maar Gods voornemen gaat verder.

Hij spreekt over zoonstelling.

Over erfenis.

Over mede-erfgenamen.

Over gelijkvormigheid aan Zijn Zoon.

Over heerlijkheid.

En over Christus als Eerstgeborene onder vele broederen.

 

De Gemeente der eerstgeborenen

Dan krijgt Hebreeën 12 ineens veel meer betekenis:

“…tot de algemene vergadering en de Gemeente der eerstgeborenen, die in de hemelen opgeschreven zijn…” — Hebreeën 12:23 (STV)

De Gemeente der eerstgeborenen.

Hoe kan een hele Gemeente uit eerstgeborenen bestaan wanneer eerstgeborene alleen geboortevolgorde zou betekenen?

Dat kan niet.

Maar wanneer eerstgeboorte spreekt over positie en erfenis, wordt de uitdrukking begrijpelijk.

En precies die taal gebruikt Paulus wanneer hij spreekt over degenen die in Christus zijn.

Zij zijn geen eerstgeborenen los van Hem.

Hun hele positie bestaat in Christus.

“Gezegend zij de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in den hemel in Christus.” — Efeze 1:3 (STV)

Alles ligt in Hem.

Niet in religieuze prestaties.

Niet in menselijke waardigheid.

Niet in het onderhouden van een systeem.

Maar in Christus.

 

Waarom veel christelijke prediking hier tekortschiet

Veel prediking stopt feitelijk bij de ingang van het Evangelie.

De mens is zondaar.

Christus stierf voor zonden.

Wie gelooft, ontvangt vergeving.

Dat is helemaal waar.

Maar het is niet het hele verhaal.

Paulus stopt daar niet.

De gelovige is gerechtvaardigd, maar ook met Christus verbonden.

Hij behoort tot Zijn Lichaam.

Hij is gezegend met geestelijke zegeningen in de hemel.

Hij heeft een hemelse roeping.

Hij ontvangt zoonstelling.

Hij is erfgenaam.

Hij is mede-erfgenaam van Christus.

Zijn leven is met Christus verborgen in God.

En zijn toekomst is met Christus verbonden.

“Wanneer nu Christus zal geopenbaard zijn, Die ons Leven is, dan zult ook gij met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid.” — Kolossenzen 3:4 (STV)

Dat is veel rijker dan een Evangelie dat uiteindelijk nauwelijks verder komt dan de vraag waar iemand na zijn dood terechtkomt.

De Schrift spreekt niet alleen over waar wij van verlost zijn.

Zij spreekt ook over waartoe wij in Christus geroepen zijn.

 

Eerstgeboorterecht en behoud zijn niet hetzelfde

Juist hier moet zorgvuldig onderscheiden worden.

Het eeuwige leven is een gave.

“Want de bezoldiging der zonde is de dood, maar de genadegift Gods is het eeuwige leven, door Jezus Christus, onzen Heere.” — Romeinen 6:23 (STV)

Een gave verdien je niet.

Daarom moeten we van Ezau ook geen verhaal maken waarin iemand zogenaamd zijn behoudenis verloor omdat hij één maaltijd belangrijker vond.

De tekst zegt iets anders.

Hij verkocht zijn eerstgeboorterecht.

Dat ging over positie en erfenis.

Wanneer behoudenis, erfenis en eerstgeboorterecht zonder onderscheid door elkaar worden gebruikt, ontstaan onnodige tegenstrijdigheden.

De Schrift maakt onderscheid.

Wij zouden dat daarom ook moeten doen.

Waarom het eerstgeboorterecht belangrijk is voor Bijbeluitleg

Het eerstgeboorterecht blijkt een sleutel te zijn die verschillende Schriftgedeelten met elkaar verbindt.

Het helpt verklaren waarom Christus “Eerstgeborene aller kreaturen” genoemd wordt zonder dat Hij een schepsel is.

Het verklaart waarom Israël Gods eerstgeborene genoemd wordt zonder het eerste volk op aarde te zijn.

Het verklaart waarom Ruben biologisch eerstgeborene was en toch zijn eerstgeboorte verloor.

Het verklaart waarom Jozef een dubbel erfdeel ontvangt.

Het verklaart waarom Efraïm vóór Manasse wordt geplaatst.

Het verbindt zoonschap met erfenis.

Het werpt licht op Christus als Eerstgeborene onder vele broederen.

En het helpt ons de uitdrukking “Gemeente der eerstgeborenen” te verstaan.

Dit is daarom geen vrijblijvende studie over oude familiegebruiken.

Het raakt rechtstreeks aan de Persoon en positie van Christus.

 

Het eerstgeboorterecht vindt zijn vervulling in Christus

Wanneer we de hele Bijbelse lijn overzien, wordt het patroon steeds duidelijker.

De natuurlijke eerstgeborene is niet vanzelfsprekend degene die uiteindelijk de positie ontvangt.

Het eerstgeboorterecht is verbonden met erfenis.

Het kan aan een ander worden gegeven.

Een compleet volk kan eerstgeborene worden genoemd vanwege zijn positie.

En uiteindelijk verschijnt Christus als:

de Eerstgeborene aller kreaturen,

de Eerstgeborene uit de doden,

de Eerstgeborene onder vele broederen.

Daarna spreekt Hebreeën over:

de Gemeente der eerstgeborenen.

Dat zijn geen toevallige overeenkomsten.

De Schrift verklaart de Schrift.

Een begrip dat al vroeg in Genesis zichtbaar wordt, krijgt zijn volle betekenis in de opgestane en verheerlijkte Christus.

Paulus vat het uiteindelijk prachtig samen:

“En Hij is het Hoofd des lichaams, namelijk der Gemeente, Hij, Die het Begin is, de Eerstgeborene uit de doden, opdat Hij in allen de Eerste zou zijn.” — Kolossenzen 1:18 (STV)

Daar moet iedere studie over het eerstgeboorterecht eindigen.

Niet bij Jakob.

Niet bij Jozef.

Niet bij Israël.

En ook niet bij ons.

Maar bij Christus.

Hij is de Eerstgeborene. Hij is het Hoofd. Hij is de Erfgenaam. Hij is het Begin van de nieuwe schepping.

En alles wat de gelovige ontvangen heeft, bezit hij uitsluitend in Hem.

Daarom is het eerstgeboorterecht geen belegen, stoffig detail uit Genesis.

Het is een vergeten sleutel tot het verstaan van Gods voornemen in Christus.

Zie ook:

zoonstelling – Bijbelse basis

extern:

Bijbelstudie: Het eerstgeboorterecht – Bijbels Panorama

Wat zegt de Bijbel over Zoonschap en Zoonstelling?

Zoonstelling: geen bijzaak, maar de volle positie van de gelovige in Christus

Hero banner promoting Bible studies: open Bible on a wooden table at sunrise with the Dutch title 'Wat zegt de Bijbel over...' and a blue footer menu showing topics like Schrift met Schrift and Christus centraal.
Wat zegt de Bijbel over

Zoonstelling in de Bijbel: wat betekent ‘aanneming tot kinderen’?

Er zijn woorden die in de Bijbel veel zwaarder wegen dan ze in onze oren klinken. “Aanneming tot kinderen” is er zo een.

Voor veel lezers klinkt dat als: God neemt mij liefdevol aan als Zijn kind. Dat is op zichzelf niet verkeerd, maar het dekt niet de volle lading van wat Paulus zegt. Het gaat niet alleen om erbij mogen horen. Het gaat om positie. Om erfdeel. Om heerlijkheid. Om de officiële plaats van de gelovige in Christus.

De Schrift spreekt over wedergeboorte, kindschap, zoonschap, erfgenaamschap en de verwachting van de verlossing van het lichaam. Wie dat allemaal op één hoop gooit, verliest de scherpte van Paulus’ betoog. Dan wordt zoonstelling iets warms en vaags. Een soort geestelijke knuffelterm. Terwijl het in de Bijbel juist gaat over de hoge, vaste en toekomstige positie van de gelovige in Christus.

Niet Sinaï. Niet slavernij. Niet geestelijke onvolwassenheid.. Maar zoonstelling.

 

Kindschap: geboren uit God

De basis ligt bij wedergeboorte. Een mens wordt geen kind van God door natuurlijke geboorte, kerkelijke aansluiting, doopregister, religieuze opvoeding of algemene scheppingsverwantschap. De Schrift spreekt veel scherper.

“Maar zovelen Hem aangenomen hebben, dien heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden, namelijk die in Zijn Naam geloven;” Johannes 1:12 (STV)

Johannes zegt niet dat alle mensen kinderen van God zijn. Hij zegt dat zij die Christus aangenomen hebben, macht ontvangen kinderen Gods te worden. Dat kindschap is verbonden aan geloof in Zijn Naam.

Ook in zijn eerste brief is Johannes helder:

“Een iegelijk, die gelooft, dat Jezus is de Christus, die is uit God geboren; en een iegelijk, die liefheeft Dengene, Die geboren heeft, die heeft ook lief dengene, die uit Hem geboren is.” 1 Johannes 5:1 (STV)

Kindschap is dus geboorte-taal. De gelovige is uit God geboren. Dat is geen morele verbetering van de oude mens, maar nieuw leven uit God. Geen religieuze renovatie, maar wedergeboorte.

Hier begint de fout vaak. Men spreekt over Gods vaderschap alsof het vanzelf over de hele mensheid uitgesmeerd kan worden. Maar de Schrift maakt onderscheid. God is Schepper van alle mensen, maar Vader in deze heilrijke zin alleen van hen die uit Hem geboren zijn.

Zoonstelling, meer dan aaanneming tot kinderen

 

Zoonschap: niet alleen geboren, maar gesteld in positie

Paulus gebruikt in Galaten, Romeinen en Efeze een woord dat in de Statenvertaling weergegeven wordt met “aanneming tot kinderen”. Het Griekse woord is huiothesia. Dat woord bestaat uit huios, zoon, en thesis, plaatsing of stelling. Letterlijk gaat het dus om zoonstelling.

Dat is méér dan adoptie in onze moderne betekenis. Het wijst op de officiële plaatsing in de positie van zoon en erfgenaam. “Aanneming tot kinderen” is bij huiothesia eigenlijk te zwak of misleidend weergegeven; bedoeld is “zoonstelling”, de officiële aanstelling in het eerstgeboorterecht.

Dat helpt enorm om Paulus te verstaan.

“Die ons tevoren verordineerd heeft tot aanneming tot kinderen, door Jezus Christus, in Zichzelven, naar het welbehagen van Zijn wil.” Efeze 1:5 (STV)

Hier gaat het niet om een onzeker proces waarin God nog maar moet zien of Hij ons uiteindelijk wel wil hebben. Het staat in Gods raadsbesluit. De gelovige is in Christus bestemd tot zoonstelling. Dat is geen prestatie, geen opklimmen, geen religieus diploma. Het is naar het welbehagen van Zijn wil.

Daarom staat het ook direct in de sfeer van genade:

“Tot prijs der heerlijkheid Zijner genade, door welke Hij ons begenadigd heeft in den Geliefde.” Efeze 1:6 (STV)

Let op die laatste woorden: in den Geliefde. De zoonstelling van de gelovige staat nooit los van Christus. Wij hebben geen zelfstandig zoonschap naast Hem. Wij zijn in Hem begenadigd, in Hem aangenomen, in Hem gesteld in positie.

 

Galaten: van knecht naar zoon

In Galaten krijgt het woord zijn scherpe rand. Paulus strijdt daar tegen vermenging van wet en genade. Tegen religieuze terugkeer naar minderjarigheid. Tegen een geloof dat na Christus alsnog onder voogden en verzorgers kruipt.

Hij schrijft:

“Maar wanneer de volheid des tijds gekomen is, heeft God Zijn Zoon uitgezonden, geworden uit een vrouw, geworden onder de wet; Opdat Hij degenen, die onder de wet waren, verlossen zou, en opdat wij de aanneming tot kinderen verkrijgen zouden.” Galaten 4:4-5 (STV)

De lijn is glashelder. Christus kwam onder de wet. Niet omdat Hij bevrijd moest worden, maar om hen die onder de wet waren te verlossen. Het doel is niet dat de gelovige opnieuw onder de wet gezet wordt met een christelijk sausje eroverheen. Het doel is zoonstelling.

Daarom volgt:

“En overmits gij kinderen zijt, zo heeft God den Geest Zijns Zoons uitgezonden in uw harten, Die roept: Abba, Vader!” Galaten 4:6 (STV)

En dan de conclusie:

“Zo dan, gij zijt niet meer een dienstknecht, maar een zoon; en indien gij een zoon zijt, zo zijt gij ook een erfgenaam van God door Christus.” Galaten 4:7 (STV)

Niet meer een dienstknecht. Maar een zoon. Niet meer  minderjarigheid. Maar erfgenaamschap. Niet meer Sinaï als woonadres. Maar Christus als positie.

Daarom is Galaten zo scherp. Wie de gelovige weer principieel onder de wet zet, tast niet alleen een leerstuk aan. Hij tast de zoonstelling aan. Hij haalt de zoon terug naar de knechtenbank.

 

Romeinen: kinderen, zonen en erfgenamen

Romeinen 8 laat de volle rijkdom zien. Eerst spreekt Paulus over leiding door de Geest:

“Want zovelen als er door den Geest Gods geleid worden, die zijn kinderen Gods.” Romeinen 8:14 (STV)

Daarna komt de tegenstelling met slavernij:

“Want gij hebt niet ontvangen den Geest der dienstbaarheid wederom tot vreze; maar gij hebt ontvangen den Geest der aanneming tot kinderen, door Welken wij roepen: Abba, Vader!” Romeinen 8:15 (STV)

De Geest brengt de gelovige niet terug in angstige dienstbaarheid. Niet opnieuw onder het juk. Niet opnieuw in religieuze kramp. De Geest doet roepen:

Abba, Vader.

Dan komt het getuigenis:

“Dezelve Geest getuigt met onzen geest, dat wij kinderen Gods zijn.” Romeinen 8:16 (STV)

En meteen daarna verbindt Paulus kindschap aan erfenis:

“En indien wij kinderen zijn, zo zijn wij ook erfgenamen, erfgenamen Gods en mede-erfgenamen van Christus; zo wij anders met Hem lijden, opdat wij ook met Hem verheerlijkt worden.” Romeinen 8:17 (STV)

Dat is de volgorde: kinderen, dus erfgenamen. Erfgenamen Gods. Mede-erfgenamen van Christus. Maar ook: lijden met Hem, om met Hem verheerlijkt te worden.

De boodschap van Romeinen 8 is samen te vatten als volgt:  door de Geest realiseren gelovigen hun nieuwe positie als zonen Gods; Hij leidt hen, door Hem roepen zij “Abba, Vader”, en Hij getuigt dat zij kinderen Gods zijn. Daarna volgt dat zij, omdat zij kinderen zijn, ook erfgenamen Gods en mede-erfgenamen met Christus zijn.

Dat is geen oppervlakkig troostverhaal. Het is een diepe positionele waarheid. De gelovige leeft nu nog in zwakheid, strijd, zuchten en lijden, maar zijn positie ligt vast in Christus.

 

De zoonstelling is nu bezit en toch nog verwachting

Hier wordt het spannend. Want Paulus zegt enerzijds dat wij de Geest der zoonstelling ontvangen hebben. Anderzijds zegt hij dat wij de zoonstelling nog verwachten.

“En niet alleen dit, maar ook wij zelven, die de eerstelingen des Geestes hebben, wij ook zelven, zeg ik, zuchten in onszelven, verwachtende de aanneming tot kinderen, namelijk de verlossing onzes lichaams.” Romeinen 8:23 (STV)

Dat lijkt tegenstrijdig, maar is het niet.

De gelovige is nu al kind van God. Hij heeft nu al de Geest. Hij staat nu al in Christus. Hij is nu al erfgenaam. Maar de volle openbaring van die positie is nog toekomstig. Ons lichaam is nog niet verlost. Wij dragen nog zwakheid, sterfelijkheid, vernedering en strijd.

Daarom is zoonstelling tegelijk een huidige positie én een toekomstige openbaring.

Nu: de Geest der zoonstelling.

Straks: de verlossing van het lichaam.

Nu: Abba, Vader.

Straks: gelijkvormigheid aan Christus in heerlijkheid.

Nu: erfgenamen.

Straks: openbaar delen in de heerlijkheid.

Dat is precies waarom Romeinen 8 niet eindigt in triomfantalisme, maar in hoop. Geen Kingdom Now-branie. Geen “wij manifesteren nu alvast de volle heerlijkheid”. Paulus zegt dat wij zuchten. Niet ongelovig zuchten, maar gelovig zuchten. Zuchten in hoop.

“Want wij zijn in hope zalig geworden. De hoop nu, die gezien wordt, is geen hoop; want hetgeen iemand ziet, waarom zal hij het ook hopen?” Romeinen 8:24 (STV)

Wie de toekomstige zoonstelling naar het nu trekt alsof alles al zichtbaar moet worden, loopt vooruit op God. Wie de huidige positie ontkent, berooft de gelovige van zijn zekerheid. De Schrift houdt beide vast.

 

Christus is de Zoon; wij zijn zonen in Hem

Hier moet zorgvuldig onderscheiden worden. Christus is niet Zoon op dezelfde wijze als wij zonen worden. Hij is de eeuwige, unieke Zoon. Hij is de Eniggeborene van de Vader.

“En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond, en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als des Eniggeborenen van den Vader, vol van genade en waarheid.” Johannes 1:14 (STV)

Wij worden niet goddelijke zonen in Zijn unieke, eeuwige zin. Dat zou grensoverschrijding zijn. Maar wij worden in Hem gesteld in de positie van zonen. Hij is de Eerstgeborene onder vele broederen.

“Want die Hij te voren gekend heeft, die heeft Hij ook te voren verordineerd den beelde Zijns Zoons gelijkvormig te zijn, opdat Hij de Eerstgeborene zij onder vele broederen.” Romeinen 8:29 (STV)

Dat is geen aantasting van Christus’ heerlijkheid. Integendeel. Zijn heerlijkheid blijkt juist hierin, dat Hij als de Eerstgeborene vele zonen tot heerlijkheid leidt.

“Want het betaamde Hem, om Welken alle dingen zijn, en door Welken alle dingen zijn, dat Hij, vele kinderen tot de heerlijkheid leidende, den oversten Leidsman hunner zaligheid door lijden zou heiligen.” Hebreeën 2:10 (STV)

Christus is de Zoon. Wij zijn zonen in de Zoon. Christus is Erfgenaam. Wij zijn mede-erfgenamen met Christus. Christus is de Eerstgeborene. De Gemeente wordt verbonden met het eerstgeboorterecht.

De Schrift verbindt dit met Christus als Eersteling en Eerstgeborene: omdat de Gemeente het lichaam van Christus is en gezegend is met elke geestelijke zegening in Christus, is zij geroepen tot zoonstelling en eerstgeboorterecht; Hebreeën 12:23 spreekt daarom over de “Gemeente der eerstgeborenen”.

 

De Gemeente der eerstgeborenen

Hebreeën 12 zet de positie van de gelovige niet bij Sinaï, maar bij Sion, het hemelse Jeruzalem en de Gemeente der eerstgeborenen.

“Maar gij zijt gekomen tot den berg Sion, en de stad des levenden Gods, tot het hemelse Jeruzalem, en de vele duizenden der engelen; Tot de algemene vergadering en de Gemeente der eerstgeborenen, die in de hemelen opgeschreven zijn, en tot God, den Rechter over allen, en de geesten der volmaakte rechtvaardigen;” Hebreeën 12:22-23 (STV)

Dat is een geweldige tegenstelling. Niet de berg die brandt. Niet vreze en beving. Niet de afstand van Sinaï. Maar een hemelse positie.

De Gemeente is niet een aardse religieuze voortzetting van Israël onder een nieuw label. Zij heeft een hemelse roeping, hemelse zegeningen en een hemelse bestemming. Dat betekent niet dat Israël wordt wegverklaard. Integendeel. Juist door te onderscheiden wat God aan Israël en wat Hij aan de Gemeente geeft, blijft de Schrift helder.

De Gemeente der eerstgeborenen staat in verbinding met Christus, de Eerstgeborene. Haar positie is niet gebaseerd op nationale voorrechten, wetsonderhouding of aardse ordening, maar op Christus’ opstanding, verhoging en hemelse heerlijkheid.

 

Waarom “aanneming tot kinderen” al snel te zwak klinkt

De Statenvertaling is hier eerbiedwaardig, maar de formulering kan bij moderne lezers een verkeerd beeld oproepen. “Aanneming tot kinderen” klinkt alsof de nadruk ligt op adoptie van buitenstaanders tot kleine kinderen. Maar Paulus’ gedachte is rijker en scherper.

Het gaat om:

geboorte uit God;

bevrijding uit slavernij;

plaatsing als zoon;

erfgenaamschap;

de Geest Die “Abba, Vader” doet roepen;

toekomstige verheerlijking;

verlossing van het lichaam;

gelijkvormigheid aan Christus.

Zoonstelling is dus geen sentimentele adoptietaal, maar positie-taal. Koninklijke taal. Erfgenaamstaal. Eerstgeboortetaal.

Daarmee wordt ook duidelijk waarom Paulus zo fel is in Galaten. De wet maakt minderjarig in de zin van voogdij en tuchtmeesterschap. Christus brengt de gelovige in vrijheid en zoonstelling. Wie daarna de wet weer als heersend principe invoert, doet alsof de zoon nog steeds in de knechtenkamer thuishoort.

Dat is geen vrome voorzichtigheid. Dat is leerstellige achteruitgang.

 

De praktische vrucht: zekerheid zonder losbandigheid

Zoonstelling betekent niet dat de gelovige nu maar losbandig kan leven. Dat is de karikatuur die altijd opduikt zodra genade werkelijk genade mag zijn.

Paulus bestrijdt dat zelf:

“Wat zullen wij dan zeggen? Zullen wij in de zonde blijven, opdat de genade te meerder worde? Dat zij verre. Wij, die der zonde gestorven zijn, hoe zullen wij nog in dezelve leven?” Romeinen 6:1-2 (STV)

De zoon leeft niet heilig om zoon te worden. Hij leeft heilig omdat hij in Christus zoon is. Dat is een totaal andere motor.

Geen zweep.

Geen Sinaï als aandrijfsysteem.

Geen angst als brandstof.

Maar de Geest, de positie in Christus, de hoop der heerlijkheid en het Vader-roepen in het hart.

Johannes verbindt de toekomstige heerlijkheid direct met reiniging:

“Geliefden, nu zijn wij kinderen Gods, en het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen. Maar wij weten, dat als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem zullen gelijk wezen; want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is. En een iegelijk, die deze hoop op Hem heeft, die reinigt zichzelven, gelijk Hij rein is.” 1 Johannes 3:2-3 (STV)

Let op: Johannes zegt niet dat onzekerheid reinigt. Hij zegt dat hoop reinigt. De verwachting van Christus’ openbaring, en van onze gelijkvormigheid aan Hem, heeft een heiligende werking.

 

Waar het misgaat

Het gaat mis wanneer men kindschap, zoonstelling en erfgenaamschap losmaakt van Christus en vult met algemene godsdienstige taal.

Dan wordt God vooral “Vader van iedereen”.

Dan wordt Genade een warm gevoel.

Dan wordt zoonstelling een vroom woord voor acceptatie.

Dan wordt het erfdeel naar de achtergrond geschoven.

Dan wordt de toekomstige heerlijkheid vervangen door een ‘nu-al-theologie’ waarin de gelovige vooral moet heersen, claimen, bouwen, zichtbaar maken en manifesteren.

Maar Romeinen 8 zegt iets anders. De schepping zucht. Wij zuchten. De Geest bidt. De heerlijkheid komt. Het lichaam moet nog verlost worden. De zoonstelling zal nog openbaar worden.

Dat bewaart voor twee dwalingen.

Aan de ene kant: wetticisme, waarin zonen weer als knechten worden behandeld.

Aan de andere kant: triomfantalisme, waarin de toekomstige heerlijkheid nu alvast op aarde wordt geclaimd alsof de verlossing van het lichaam al heeft plaatsgevonden.

Beide missen de lijn van Paulus.

 

De kern

Zoonstelling betekent dat God de gelovige in Christus stelt in de positie van zoon en erfgenaam. Dat rust niet op de wet, niet op werken, niet op kerkelijke status, niet op geestelijke ervaring, maar op Gods welbehagen en Christus’ volbrachte werk.

De gelovige is nu al kind van God door wedergeboorte.

Hij heeft nu al de Geest der zoonstelling.

Hij roept nu al: Abba, Vader.

Hij is nu al erfgenaam van God en mede-erfgenaam van Christus.

Maar hij verwacht nog de volle openbaring daarvan: de verlossing van het lichaam.

Daarom is zoonstelling geen bijzaak. Het is de Bijbelse naam voor de hoge positie van de gelovige in Christus, tussen kruis en heerlijkheid, tussen wedergeboorte en verheerlijking, tussen de Geest als eersteling en het lichaam dat nog verlost zal worden.

Niet meer een dienstknecht.

Maar een zoon.

Niet meer onder de wet.

Maar onder Genade.

Niet meer in geestelijke onvolwassenheid

Maar in Christus gesteld tot erfgenaam.

“Zo dan, gij zijt niet meer een dienstknecht, maar een zoon; en indien gij een zoon zijt, zo zijt gij ook een erfgenaam van God door Christus.” Galaten 4:7 (STV)

 

Zoonschap: niet langer slaaf, maar zoon – Romeinen 8:14-15

Religie maakt slaven, het Evangelie maakt zonen

Deze tekst kreeg ik vanmiddag in gedachten na een app wisseling met een zuster

“Want zovelen als er door den Geest Gods geleid worden, die zijn kinderen Gods. Want gij hebt niet ontvangen den Geest der dienstbaarheid wederom tot vreze; maar gij hebt ontvangen den Geest der aanneming tot kinderen, door Welken wij roepen: Abba, Vader.” Romeinen 8:14-15 (STV)

Dit gedeelte snijdt messcherp door alle religieuze verwarring heen.

Aan de ene kant: dienstbaarheid en vreze
Aan de andere kant: aanneming — zoonschap — en vrijmoedigheid

Het gaat hier niet slechts om “kind zijn” in algemene zin.

Het Griekse woord dat Paulus gebruikt (huiothesia) betekent letterlijk:
plaatsing tot zoon

Dus niet alleen relatie
maar positie, erfgenaamschap en waardigheid

 

Geleid door de Geest; kenmerk van zonen

“Want zovelen als er door den Geest Gods geleid worden, die zijn kinderen Gods.” Romeinen 8:14 (STV)

Dit gaat niet over mystieke ingevingen of subjectieve ervaringen.

Dit gaat over identiteit.

Wie zonen van God zijn, leven niet meer onder de heerschappij van het vlees, maar worden geleid door de Geest.

Niet gestuurd door gevoel
maar bepaald door hun oorsprong: uit God

Leiding door de Geest is dus geen elite-ervaring
maar het normale kenmerk van zoonschap

Geen Geest van slavernij; geen leven in angst

“Want gij hebt niet ontvangen den Geest der dienstbaarheid wederom tot vreze…” Romeinen 8:15a (STV)

Hier ontmaskert Paulus religie in zijn kern.

Zodra het weer draait om:

presteren
voldoen
jezelf bewijzen

komt de slavernij terug.

En met slavernij komt altijd:

angst
onzekerheid
kramp

Maar Paulus zegt: dát is niet de Geest die je ontvangen hebt.

De Geest van zoonschap: volledige aanvaarding

“…maar gij hebt ontvangen den Geest der aanneming tot kinderen, door Welken wij roepen: Abba, Vader.” Romeinen 8:15b (STV)

Hier staat dus letterlijk:

Geest van het zoonschap

God geeft niet slechts toegang
maar plaatst je als zoon

Dat betekent:

volledige acceptatie
volledige toegang
volledig erfgenaamschap

Daarom volgt vanzelf:

“Abba, Vader”

Niet als formule
maar als werkelijkheid

Zoonschap en erfenis

Dit gaat veel verder dan gevoel of ervaring.

Romeinen 8:17 zegt:

“En indien wij kinderen zijn, zo zijn wij ook erfgenamen…” (STV)

Zoonschap betekent:

je behoort niet alleen tot het huis
maar ook tot de erfenis

Een slaaf werkt voor een meester
een zoon leeft uit wat van hem is

De grote misleiding: religie in christelijke vorm

Veel onderwijs brengt mensen ongemerkt terug onder slavernij.

Meer doen
meer presteren
meer bewijzen

Maar daarmee wordt precies ondermijnd wat Paulus hier zegt:

je bent geen slaaf
je bent een zoon

En zodra dat verdwijnt, komt de vreze terug.

Dit is het verschil

Slavernij zegt:
ik moet bewijzen dat ik erbij hoor

Zoonschap zegt:
ik hoor erbij — daarom leef ik anders

Slavernij leeft uit angst
Zoonschap leeft uit zekerheid

Slavernij kijkt naar zichzelf
Zoonschap kijkt naar de Vader

Romeinen 8:14-15 maakt het glashelder:

de Geest die je ontvangen hebt
maakt je geen slaaf
maar een ZOON

De vraag is dus niet hoe religieus/godsdienstig  je leeft
maar of je leeft vanuit zoonschap

Want alleen de Geest van God brengt een mens zover dat hij roept:

“Abba, Vader.”

lees ook:

De Zoon, onze Hogepiester – Bijbelse basis

Aanneming tot kinderen of zoonstelling? – Bijbelse basis

Zoonstelling – Meer dan wedergeboorte alleen – Bijbelse basis

extern:

Verandering van denken – Alleen Geloof – Sylvia Arlar-Simonse

Zoonschap! | Het waarde-volle evangelie

Geverifieerd door MonsterInsights