Hebreeën 12: niet terug naar Sinaï, maar zien op Jezus

Hebreeën 12: geen vriendelijk stukje geestelijke coaching

Hebreeën 12 is geen vriendelijk stukje geestelijke coaching voor mensen die wat meer motivatie nodig hebben. Het is een ernstige en indringende waarschuwing aan gelovigen die dreigen te verflauwen, terug te vallen en hun hemelse roeping in te ruilen voor zichtbare religie.

De Hebreeën stonden onder druk. Zij hadden tegenstand en lijden ervaren. Daardoor werden zij verleid om terug te keren naar het oude, tastbare godsdienstige bestel. Terug naar de zekerheid van regels, rituelen, priesters, offers en zichtbare heiligdommen. Terug naar datgene wat vertrouwd, aards en menselijk controleerbaar was.

Maar Hebreeën 12 roept niet op om een comfortabeler geloof te zoeken. Het hoofdstuk wijst de gelovige weg van zichzelf, van menselijke godsdienst en van zichtbare zekerheden:

“Laat ons met lijdzaamheid lopen de loopbaan die ons voorgesteld is; ziende op den oversten Leidsman en Voleinder des geloofs, Jezus.” (Hebreeën 12:1-2, STV)

Dat is de kern van Hebreeën 12. Niet zien op onszelf. Niet zien op religieuze leiders. Niet zien op omstandigheden. Niet zien op onze geestelijke prestaties.

Zie(n) op Jezus.

 

De wolk der getuigen wijst ons op Gods trouw

Hebreeën 12 is het directe vervolg op Hebreeën 11. Daar worden Abel, Henoch, Noach, Abraham, Mozes en vele anderen genoemd. Zij vormen de grote wolk der getuigen.

Dat betekent niet in de eerste plaats dat zij vanuit de hemel als toeschouwers naar onze levens kijken. Zij zijn getuigen doordat hun levens getuigen van Gods trouw.

Zij hebben geloofd zonder alles tijdens hun aardse leven te ontvangen. Zij hebben vertrouwd zonder de volledige vervulling van Gods beloften te zien. Hun levens verklaren dat God betrouwbaar is, ook wanneer de omstandigheden het tegendeel lijken te zeggen.

Daarom volgt de oproep:

“Laat ons afleggen allen last en de zonde die ons lichtelijk omringt.” (Hebreeën 12:1, STV)

Niet iedere last is op zichzelf zondig. Sommige dingen zijn misschien geoorloofd, maar belemmeren ons wel. Zij nemen onze aandacht gevangen, voeden onze bezorgdheid of binden ons aan aardse zekerheid.

Daarnaast is er de zonde die ons gemakkelijk omringt. Zij fluistert dat volhouden geen zin heeft. Dat Gods beloften te lang op zich laten wachten. Dat wij beter kunnen leven bij wat wij zien, voelen en onmiddellijk kunnen grijpen.

Het geloof zegt echter niet dat de omstandigheden onwerkelijk zijn. Het geloof ziet door de omstandigheden heen op Hem Die getrouw is.

 

Het christenleven leven draait niet om onze prestaties

De loopbaan van het geloof is geen geestelijke wedstrijd waarin wij zouden moeten bewijzen dat wij sterker, heiliger of meer toegewijd zouden zijn dan anderen.

De Schrift zegt:

“Ziende op den oversten Leidsman en Voleinder des geloofs, Jezus.” (Hebreeën 12:2, STV)

Hij is de Leidsman omdat Hij de weg geopend heeft. Hij is de Voleinder omdat Hij het geloof tot zijn bestemming brengt.

Veel hedendaagse prediking legt de last juist opnieuw op de gelovige. Jij moet doorbreken. Jij moet je bestemming grijpen. Jij moet het Koninkrijk zichtbaar maken. Jij moet een hoger geestelijk niveau bereiken. Jij moet meer geloof produceren. Jij moet jezelf onder het juiste leiderschap plaatsen.

Hebreeën 12 zegt niet: zie hoe ver u inmiddels gekomen bent.

Het zegt: zie op Jezus.

De vraag is niet hoeveel geestelijke kracht wij kunnen opbrengen. De vraag is of ons oog gericht blijft op Hem Die het kruis heeft verdragen, de schande heeft veracht en nu gezeten is aan de rechterhand van God.

Wanneer Christus slechts als beginpunt van het geloof wordt voorgesteld en daarna plaats moet maken voor onze prestaties, is het Evangelie al snel ingeruild voor religieuze zelfwerkzaamheid.

Christus is niet alleen Degene door Wie wij begonnen zijn. Hij is ook de Voleinder.

 

Christus verdroeg het kruis en verachtte de schande

De Heere Jezus zag door het lijden heen op de vreugde die Hem was voorgesteld:

“Dewelke voor de vreugde die Hem voorgesteld was, het kruis heeft verdragen en schande veracht, en is gezeten aan de rechterhand van den troon Gods.” (Hebreeën 12:2, STV)

Het kruis was geen overwinning omdat het lijden slechts schijn zou zijn geweest. Christus heeft werkelijk geleden. Hij heeft het kruis verdragen. Hij heeft de schande niet ontkend, maar veracht.

De schande kreeg niet het laatste woord. Het lijden was werkelijk, maar de heerlijkheid die volgde was groter.

Daarom staat er:

“Want aanmerkt Dezen, Die zodanig een tegenspreken van de zondaren tegen Zich heeft verdragen, opdat gij niet verflauwt en bezwijkt in uw zielen.” (Hebreeën 12:3, STV)

Wie alleen op zichzelf ziet, zal uiteindelijk verflauwen. Wie voortdurend zijn eigen geloof meet, zijn eigen geestelijke toestand beoordeelt en zijn eigen tekortkomingen onderzoekt zonder op Christus te zien, zal bezwijken in zijn ziel.

Zelfonderzoek heeft zijn plaats, maar het is geen redder. Onze zekerheid ligt niet in de vaststelling dat wij voldoende geloof, voldoende vrucht of voldoende geestelijke groei kunnen aantonen.

Onze zekerheid ligt in Christus.

De oplossing voor geestelijke moedeloosheid is daarom niet eindeloos in onszelf graven. De oplossing is Christus aanmerken. Overdenken wat Hij heeft verdragen. Zien waar Hij nu is: niet meer aan het kruis, maar aan de rechterhand van God.

 

Kastijding is géén betaling voor onze zonden

Hebreeën 12 spreekt vervolgens over kastijding. Dat woord is vaak hard en onbarmhartig gebruikt.

Sommige predikers wekken de indruk dat iedere ziekte, tegenslag of moeilijkheid een rechtstreekse straf van God is voor een bepaalde verborgen zonde. Daarmee worden gewonde gelovigen nog verder verwond.

Hebreeën 12 leert niet dat wij bij ieder lijden onmiddellijk moeten zoeken naar een concrete overtreding waarvoor God ons zou straffen. De zonden van de gelovige zijn geoordeeld in het offer van Christus.

God rekent niet alsnog met de gelovige af alsof het bloed van Christus onvoldoende was.

Kastijding betekent in Hebreeën 12 vooral vaderlijke opvoeding, vorming en correctie:

“Want dien de Heere liefheeft, kastijdt Hij, en Hij geselt een iegelijken zoon dien Hij aanneemt.” (Hebreeën 12:6, STV)

God kastijdt ons niet om ons tot zonen te maken. Hij behandelt ons zo omdat Hij ons als zonen heeft aangenomen.

Dat onderscheid is van levensbelang.

De gelovige ontvangt zijn positie niet als beloning voor een goede wandel. Zijn wandel wordt gevormd omdat hij in Christus een positie ontvangen heeft.

Gods opvoeding is dus geen teken dat Hij ons heeft verstoten. Zij bewijst juist dat Hij ons niet aan onszelf overlaat. Hij behandelt ons niet als vreemdelingen, maar als kinderen.

 

De positie van de gelovige staat vast in Christus

Er moet onderscheid worden gemaakt tussen de positie van de gelovige en zijn praktische toestand.

De positie van de gelovige is volmaakt omdat zij rust op het volbrachte werk van Christus. De praktische wandel is nog onvolmaakt en heeft vorming, correctie en groei nodig.

God geeft niet eerst een onzekere proefpositie om af te wachten of wij goed genoeg zullen presteren. Hij neemt de gelovige aan in Christus en vormt hem vervolgens in overeenstemming met die ontvangen positie.

De kastijding van God heeft daarom niet tot doel onze positie in Christus onzeker te maken. Zij heeft tot doel onze levenswandel in overeenstemming te brengen met wie wij in Christus geworden zijn.

Onze positie is niet het resultaat van een volmaakt karakter. Ons karakter behoort de vrucht te worden van de volmaakte positie die wij in Christus ontvangen hebben.

Dat maakt de opvoeding niet aangenaam:

“En alle kastijding, als die tegenwoordig is, schijnt geen zaak van vreugde, maar van droefheid te zijn.” (Hebreeën 12:11, STV)

De Schrift doet niet alsof lijden prettig is. Zij noemt droefheid gewoon droefheid.

Bijbels geloof is geen toneelstuk van voortdurende overwinning waarin verdriet, zwakheid, verwarring en teleurstelling niet mogen bestaan. Maar de droefheid hoeft niet het laatste woord te hebben:

“Doch daarna geeft zij van zich een vreedzame vrucht der gerechtigheid dengenen die door dezelve geoefend zijn.” (Hebreeën 12:11, STV)

Niet ieder mens die lijdt, wordt automatisch geestelijk rijper. De vrucht ontstaat bij degenen die door de omstandigheden geoefend worden. Zij leren hun vertrouwen niet meer te stellen op zichzelf, hun gezondheid, hun positie of hun eigen plannen, maar op God.

 

Wat kreupel is, moet genezen worden

Na het onderwijs over kastijding volgt een herderlijke vermaning:

“Daarom, richt wederop de trage handen en de slappe knieën.” (Hebreeën 12:12, STV)

Dat is niet alleen een oproep om onszelf te herpakken. Het is ook een opdracht om naar elkaar om te zien.

De Gemeente behoort geen plaats te zijn waar vermoeide mensen nog een extra last op de schouders krijgen. Zij is geen bedrijf waarin alleen sterke, zichtbare, succesvolle en productieve mensen meetellen.

Waar Christus centraal staat, worden trage handen opgericht en slappe knieën versterkt.

Daarom staat er:

“En maakt rechte paden voor uw voeten, opdat hetgeen kreupel is, niet verdraaid worde, maar dat het veelmeer genezen worde.” (Hebreeën 12:13, STV)

Wat kreupel is, moet niet worden vertrapt. Het moet genezen worden.

Dit is een scherpe aanklacht tegen religieuze systemen waarin zwakheid wordt gezien als geestelijk falen. Tegen leiders die mensen onder druk zetten om meer te presteren, meer te geven, meer te dienen en meer geloof te tonen, terwijl hun innerlijk langzaam breekt.

Ook het misbruik van woorden als toewijding, gehoorzaamheid, gezag en onderwerping kan zwakke mensen verder beschadigen.

Christus is niet gekomen om het gekrookte riet te breken. Wie namens Hem optreedt, behoort dat evenmin te doen.

Herderlijke zorg bestaat niet uit het ontkennen van zwakheid. Zij bestaat uit het wijzen van de zwakke op Christus en het dragen van elkanders lasten.

 

Heiligmaking is geen zelfverbeteringsproject

Hebreeën 12 roept op om vrede en heiligmaking na te jagen:

“Jaagt den vrede na met allen, en de heiligmaking, zonder welke niemand den Heere zien zal.” (Hebreeën 12:14, STV)

Deze tekst leert niet dat wij door voldoende heiligmaking alsnog onze behoudenis moeten verdienen. Heiligmaking is geen ladder waarlangs wij onszelf naar God opwerken.

Heiligmaking is afzondering tot God. Zij vloeit voort uit de genade die wij ontvangen hebben.

De gelovige wordt niet heilig door zijn eigen inspanning tot grond van zijn aanvaarding te maken. Hij is in Christus tot God gebracht en wordt vervolgens opgeroepen overeenkomstig die positie te wandelen.

Genade is daarom niet hetzelfde als vrijblijvendheid. Wie door God is vrijgemaakt, wordt niet vrijgemaakt om opnieuw voor zichzelf te leven.

Genade verlost ons niet alleen van de schuld van de zonde. Zij onderwijst ons ook om de goddeloosheid te verzaken.

 

Bitterheid verontreinigt meer dan één mens

Het hoofdstuk waarschuwt indringend voor de wortel van bitterheid:

“Toeziende dat niet iemand verachtere van de genade Gods; dat niet enige wortel der bitterheid, opwaarts spruitende, beroerte make, en door dezelve velen ontreinigd worden.” (Hebreeën 12:15, STV)

Bitterheid begint vaak verborgen. Zij groeit onder de oppervlakte. Zij kan gevoed worden door werkelijk onrecht, teleurstelling, vernedering, geestelijk misbruik en onverwerkte boosheid.

Die pijn mag niet worden ontkend. De Schrift roept ons nergens op om kwaad goed te noemen of misbruik te bedekken met een valse oproep tot vergeving.

Onrecht moet benoemd worden. Zonde moet in het licht komen. Geestelijke leiders zijn niet boven correctie verheven.

Maar de gelovige mag zijn hart niet aan bitterheid uitleveren.

Bitterheid blijft zelden beperkt tot degene die gekwetst werd. Zij spruit op, veroorzaakt beroering en verontreinigt velen. Zij verandert pijn in een bron waaruit steeds opnieuw wantrouwen, boosheid en verdeeldheid voortkomen.

De genade van God leert ons niet om onrecht te ontkennen. Zij leert ons om het uiteindelijke oordeel aan God over te laten en te voorkomen dat het kwaad dat ons is aangedaan, ook ons eigen hart gaat regeren.

 

Ezau koos het onmiddellijke boven de erfenis

Ezau wordt in Hebreeën 12 als waarschuwing genoemd:

“Gelijk Ezau, die om één spijze het recht van zijn eerstgeboorte weggaf.” (Hebreeën 12:16, STV)

Ezau ruilde het blijvende in voor het onmiddellijke. Het eerstgeboorterecht had betrekking op erfenis, positie en toekomst. Maar op dat moment zag hij alleen zijn honger.

Dat is de verleiding die telkens terugkeert.

Wij kunnen geestelijke rijkdom inruilen voor onmiddellijke bevrediging. Waarheid voor acceptatie. De hemelse roeping voor aardse invloed. Christus voor religieuze ervaring. Bijbelse eenvoud voor indrukwekkende geestelijke systemen.

Ook kerken kunnen zich gedragen als Ezau.

Zij verkopen waarheid voor maatschappelijke relevantie. Zij ruilen genade in voor controle. Zij verruilen de hemelse roeping voor politieke of culturele macht.

Zij spreken over het Koninkrijk, maar bedoelen menselijke invloed.

Zij spreken over ‘apostolisch gezag’, maar bouwen een hiërarchie.

Zij spreken over eenheid, maar verdragen geen toetsing.

Zij spreken over zalving, maar dulden geen tegenspraak.

Zij spreken over geestelijke vaders, maar maken volwassen gelovigen afhankelijk van menselijke leiders.

Hebreeën 12 waarschuwt: geef de erfenis niet prijs voor één maaltijd.

 

Niet gekomen tot Sinaï

Het hoogtepunt van Hebreeën 12 ligt in de tegenstelling tussen Sinaï en Sion:

“Want gij zijt niet gekomen tot den tastelijken berg, en het brandende vuur, en donkerheid, en duisternis, en onweder.” (Hebreeën 12:18, STV)

Sinaï spreekt van wet, afstand, vrees en oordeel. De berg kon worden aangeraakt, maar mocht niet worden aangeraakt. Het volk stond op afstand. Zelfs Mozes was bevreesd en bevende.

De wet brengt de mens niet vrijmoedig bij God. Zij openbaart juist hoe onmogelijk het is voor de zondaar om op grond van eigen gerechtigheid voor God te bestaan.

Toch keren veel christenen in de praktijk terug naar Sinaï. Niet door letterlijk naar die berg te reizen, maar door opnieuw een godsdienstig systeem van voorwaarden te bouwen.

God zal u zegenen wanneer u genoeg doet.

God zal u aannemen wanneer uw toewijding groot genoeg is.

God zal u genezen wanneer uw geloof sterk genoeg is.

God zal u gebruiken wanneer u zich aan de juiste leider onderwerpt.

God zal u bevrijden wanneer u de juiste geestelijke techniek toepast.

Dat is geen Evangelie van genade. Dat is Sinaï, gecamoufleerd met christelijke terminologie.

Wetticisme bestaat niet alleen uit het opleggen van oudtestamentische voorschriften. Het ontstaat overal waar de zekerheid, aanvaarding en zegen van de gelovige opnieuw afhankelijk worden gemaakt van menselijke prestaties.

 

Gij zijt gekomen tot Sion

Tegenover Sinaï staat Sion:

“Maar gij zijt gekomen tot den berg Sion en de stad des levenden Gods, tot het hemelse Jeruzalem.” (Hebreeën 12:22, STV)

Niet: gij zult misschien ooit komen wanneer u voldoende volhardt.

Er staat: gij zijt gekomen.

Dit beschrijft de positie van de gelovige in Christus. Hij behoort niet langer bij het aardse systeem van afstand en veroordeling, maar bij het hemelse Jeruzalem.

Hij is gekomen:

“Tot de algemene vergadering en de gemeente der eerstgeborenen, die in de hemelen opgeschreven zijn.” (Hebreeën 12:23, STV)

De Gemeente heeft een hemelse positie, een hemelse roeping en een hemelse erfenis. Zij is geen organisatie die geroepen is om de wereld over te nemen. Zij is het lichaam van Christus, verbonden met haar hemelse Hoofd.

Dit ontneemt de gelovige niet zijn verantwoordelijkheid op aarde. Het bepaalt juist hoe hij hier behoort te leven: als vreemdeling, getuige en dienaar.

Niet als machthebber die door menselijke strategie het Koninkrijk moet oprichten.

De Gemeente is niet geroepen om Sinaï te herstellen, de wereld te beheersen of een religieus machtsblok te bouwen. Zij is geroepen om Christus te verkondigen, de waarheid vast te houden en te wandelen in overeenstemming met haar hemelse roeping.

 

Het bloed van Christus spreekt betere dingen

De gelovige is gekomen:

“Tot den Middelaar des Nieuwen Testaments, Jezus, en het bloed der besprenging, dat betere dingen spreekt dan Abel.” (Hebreeën 12:24, STV)

Het bloed van Abel riep om recht en vergelding. Het bloed van Christus spreekt van verzoening, reiniging en rechtvaardiging.

Abels bloed getuigde tegen de schuldige. Het bloed van Christus getuigt vóór degene die gelooft.

Daarom is iedere leer die de zekerheid van de gelovige opnieuw afhankelijk maakt van menselijke prestaties een aantasting van de betekenis van het bloed van Christus.

Iedere geestelijke leider die mensen door angst, dreiging en manipulatie aan zich bindt, voert hen in de praktijk terug naar Sinaï.

Iedere prediking die meer spreekt over onze offers dan over Zijn Offer, is uit evenwicht.

Iedere leer die beweert dat wij nog een aanvullende zalving, bemiddeling, impartatie of geestelijke bedekking nodig hebben om werkelijk aanvaard en bruikbaar te zijn, doet tekort aan de volheid die de gelovige in Christus ontvangen heeft.

Het bloed van Christus spreekt betere dingen.

De vraag is : luisteren wij ook?

 

Verwerp Hem Die spreekt niet

Genade is geen vrijblijvendheid. Juist omdat God vanuit de hemel spreekt door Zijn Zoon, is de verantwoordelijkheid groot:

“Ziet toe dat gij Dien Die spreekt, niet verwerpt.” (Hebreeën 12:25, STV)

De Hebreeën dreigden Christus niet noodzakelijk openlijk te vervloeken. Zij dreigden terug te keren naar een godsdienst waarin Hij in de praktijk niet langer voldoende was.

Dat gevaar bestaat nog steeds.

Christus wordt zelden openlijk uit de kerk verwijderd. Veel vaker wordt Hij bedolven onder programma’s, methoden, visies, leiderschapsmodellen, ervaringen en menselijk bedachte terminologie.

Zijn Naam wordt nog genoemd, maar Zijn volbrachte werk is niet langer genoeg.

Er moet een nieuwe zalving bij.

Een nieuwe doorbraak.

Een apostolische orde.

Een profetisch woord.

Een geestelijke vader.

Een strategie om het Koninkrijk zichtbaar te maken.

Hebreeën 12 snijdt door deze religieuze rook heen.

Wij hebben geen nieuwe middelaar nodig.

Wij zijn gekomen tot Jezus, de Middelaar van het Nieuwe Verbond.

 

Wij bouwen het Koninkrijk niet, wij ontvangen het

Hebreeën 12 eindigt met het onbeweeglijke Koninkrijk:

“Daarom, alzo wij een onbeweeglijk Koninkrijk ontvangen, laat ons de genade vasthouden, door dewelke wij welbehaaglijk God mogen dienen, met eerbied en godvruchtigheid.” (Hebreeën 12:28, STV)

Let op het woord ontvangen.

Wij bouwen het Koninkrijk niet. Wij vestigen het niet door menselijke invloed. Wij maken het niet zichtbaar door politieke macht, culturele dominantie of apostolische strategieën.

Wij ontvangen het.

Het Koninkrijk is onbeweeglijk omdat het niet rust op kerkelijke organisaties, maatschappelijke bewegingen of geestelijke beroemdheden. Het rust op Christus.

Hij is opgewekt. Hij is verhoogd. Hij is gezeten aan de rechterhand van God. Zijn Koninkrijk zal op Gods tijd volledig openbaar worden.

Wie beweert dat de Gemeente het Koninkrijk op aarde moet realiseren, legt een opdracht op die Hebreeën 12 niet geeft.

Het hoofdstuk zegt niet: bouw het Koninkrijk.

Het zegt: ontvang het Koninkrijk, houd de genade vast en dien God.

Niet triomfantelijk alsof wij de wereld al moeten beheersen.

Niet zelfverzekerd alsof het succes van Gods plan van onze strategie afhankelijk is.

Maar:

“Met eerbied en godvruchtigheid.” (Hebreeën 12:28, STV)

 

Onze God is een verterend vuur

De slotwoorden van Hebreeën 12 zijn zeer serieus:

“Want onze God is een verterend vuur.” (Hebreeën 12:29, STV)

De God van Sion is niet minder heilig dan de God van Sinaï.

Genade betekent niet dat God de zonde onbelangrijk vindt. Genade betekent dat het oordeel over de zonde volledig gedragen is door Christus.

Daarom is oppervlakkigheid misplaatst. Daarom kunnen wij niet met de waarheid spelen. Daarom mogen wij de genade niet veranderen in een vrijbrief voor zonde, hoogmoed of religieuze zelfverheffing.

Dezelfde God Die ons in Christus nabijgebracht heeft, is een verterend vuur.

Dat moet de gelovige niet terugdrijven in slaafse angst. Het behoort hem te brengen tot eerbied, ootmoed en dankbaarheid.

Wie werkelijk begrijpt wat genade gekost heeft, gaat niet lichtvaardig met de zonde om.

 

Blijf zien op Jezus

Misschien zijn uw handen moe geworden. Misschien zijn uw knieën slap. Misschien hebt u geleden onder harde religie, manipulatief leiderschap of prediking die u voortdurend het gevoel gaf dat u tekortschiet.

Hebreeën 12 zegt niet dat u uzelf moet redden.

Het zegt: zie op Jezus.

Misschien voelt de weg zwaar. Misschien begrijpt u Gods handelen niet. Misschien lijkt de vreugde ver weg.

Zie op Jezus.

Hij heeft het kruis verdragen. Hij heeft de schande veracht. Hij is gezeten aan de rechterhand van God.

Keer niet terug naar Sinaï. Zoek geen zekerheid in religieuze systemen, menselijke leiders, geestelijke ervaringen of uw eigen prestaties.

U bent gekomen tot Sion. Tot het hemelse Jeruzalem. Tot de Middelaar van het Nieuwe Verbond. Tot het bloed dat betere dingen spreekt.

Leg daarom de lasten af. Houd de genade vast. Richt de slappe knieën op. Maak rechte paden. Bewaar uw hart voor bitterheid.

En loop de loopbaan die u is voorgesteld:

“Ziende op den oversten Leidsman en Voleinder des geloofs, Jezus.” (Hebreeën 12:2, STV)

Wat zegt de Bijbel over Zoonschap en Zoonstelling?

Zoonstelling: geen bijzaak, maar de volle positie van de gelovige in Christus

Hero banner promoting Bible studies: open Bible on a wooden table at sunrise with the Dutch title 'Wat zegt de Bijbel over...' and a blue footer menu showing topics like Schrift met Schrift and Christus centraal.
Wat zegt de Bijbel over

Zoonstelling in de Bijbel: wat betekent ‘aanneming tot kinderen’?

Er zijn woorden die in de Bijbel veel zwaarder wegen dan ze in onze oren klinken. “Aanneming tot kinderen” is er zo een.

Voor veel lezers klinkt dat als: God neemt mij liefdevol aan als Zijn kind. Dat is op zichzelf niet verkeerd, maar het dekt niet de volle lading van wat Paulus zegt. Het gaat niet alleen om erbij mogen horen. Het gaat om positie. Om erfdeel. Om heerlijkheid. Om de officiële plaats van de gelovige in Christus.

De Schrift spreekt over wedergeboorte, kindschap, zoonschap, erfgenaamschap en de verwachting van de verlossing van het lichaam. Wie dat allemaal op één hoop gooit, verliest de scherpte van Paulus’ betoog. Dan wordt zoonstelling iets warms en vaags. Een soort geestelijke knuffelterm. Terwijl het in de Bijbel juist gaat over de hoge, vaste en toekomstige positie van de gelovige in Christus.

Niet Sinaï. Niet slavernij. Niet geestelijke onvolwassenheid.. Maar zoonstelling.

 

Kindschap: geboren uit God

De basis ligt bij wedergeboorte. Een mens wordt geen kind van God door natuurlijke geboorte, kerkelijke aansluiting, doopregister, religieuze opvoeding of algemene scheppingsverwantschap. De Schrift spreekt veel scherper.

“Maar zovelen Hem aangenomen hebben, dien heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden, namelijk die in Zijn Naam geloven;” Johannes 1:12 (STV)

Johannes zegt niet dat alle mensen kinderen van God zijn. Hij zegt dat zij die Christus aangenomen hebben, macht ontvangen kinderen Gods te worden. Dat kindschap is verbonden aan geloof in Zijn Naam.

Ook in zijn eerste brief is Johannes helder:

“Een iegelijk, die gelooft, dat Jezus is de Christus, die is uit God geboren; en een iegelijk, die liefheeft Dengene, Die geboren heeft, die heeft ook lief dengene, die uit Hem geboren is.” 1 Johannes 5:1 (STV)

Kindschap is dus geboorte-taal. De gelovige is uit God geboren. Dat is geen morele verbetering van de oude mens, maar nieuw leven uit God. Geen religieuze renovatie, maar wedergeboorte.

Hier begint de fout vaak. Men spreekt over Gods vaderschap alsof het vanzelf over de hele mensheid uitgesmeerd kan worden. Maar de Schrift maakt onderscheid. God is Schepper van alle mensen, maar Vader in deze heilrijke zin alleen van hen die uit Hem geboren zijn.

Zoonstelling, meer dan aaanneming tot kinderen

 

Zoonschap: niet alleen geboren, maar gesteld in positie

Paulus gebruikt in Galaten, Romeinen en Efeze een woord dat in de Statenvertaling weergegeven wordt met “aanneming tot kinderen”. Het Griekse woord is huiothesia. Dat woord bestaat uit huios, zoon, en thesis, plaatsing of stelling. Letterlijk gaat het dus om zoonstelling.

Dat is méér dan adoptie in onze moderne betekenis. Het wijst op de officiële plaatsing in de positie van zoon en erfgenaam. “Aanneming tot kinderen” is bij huiothesia eigenlijk te zwak of misleidend weergegeven; bedoeld is “zoonstelling”, de officiële aanstelling in het eerstgeboorterecht.

Dat helpt enorm om Paulus te verstaan.

“Die ons tevoren verordineerd heeft tot aanneming tot kinderen, door Jezus Christus, in Zichzelven, naar het welbehagen van Zijn wil.” Efeze 1:5 (STV)

Hier gaat het niet om een onzeker proces waarin God nog maar moet zien of Hij ons uiteindelijk wel wil hebben. Het staat in Gods raadsbesluit. De gelovige is in Christus bestemd tot zoonstelling. Dat is geen prestatie, geen opklimmen, geen religieus diploma. Het is naar het welbehagen van Zijn wil.

Daarom staat het ook direct in de sfeer van genade:

“Tot prijs der heerlijkheid Zijner genade, door welke Hij ons begenadigd heeft in den Geliefde.” Efeze 1:6 (STV)

Let op die laatste woorden: in den Geliefde. De zoonstelling van de gelovige staat nooit los van Christus. Wij hebben geen zelfstandig zoonschap naast Hem. Wij zijn in Hem begenadigd, in Hem aangenomen, in Hem gesteld in positie.

 

Galaten: van knecht naar zoon

In Galaten krijgt het woord zijn scherpe rand. Paulus strijdt daar tegen vermenging van wet en genade. Tegen religieuze terugkeer naar minderjarigheid. Tegen een geloof dat na Christus alsnog onder voogden en verzorgers kruipt.

Hij schrijft:

“Maar wanneer de volheid des tijds gekomen is, heeft God Zijn Zoon uitgezonden, geworden uit een vrouw, geworden onder de wet; Opdat Hij degenen, die onder de wet waren, verlossen zou, en opdat wij de aanneming tot kinderen verkrijgen zouden.” Galaten 4:4-5 (STV)

De lijn is glashelder. Christus kwam onder de wet. Niet omdat Hij bevrijd moest worden, maar om hen die onder de wet waren te verlossen. Het doel is niet dat de gelovige opnieuw onder de wet gezet wordt met een christelijk sausje eroverheen. Het doel is zoonstelling.

Daarom volgt:

“En overmits gij kinderen zijt, zo heeft God den Geest Zijns Zoons uitgezonden in uw harten, Die roept: Abba, Vader!” Galaten 4:6 (STV)

En dan de conclusie:

“Zo dan, gij zijt niet meer een dienstknecht, maar een zoon; en indien gij een zoon zijt, zo zijt gij ook een erfgenaam van God door Christus.” Galaten 4:7 (STV)

Niet meer een dienstknecht. Maar een zoon. Niet meer  minderjarigheid. Maar erfgenaamschap. Niet meer Sinaï als woonadres. Maar Christus als positie.

Daarom is Galaten zo scherp. Wie de gelovige weer principieel onder de wet zet, tast niet alleen een leerstuk aan. Hij tast de zoonstelling aan. Hij haalt de zoon terug naar de knechtenbank.

 

Romeinen: kinderen, zonen en erfgenamen

Romeinen 8 laat de volle rijkdom zien. Eerst spreekt Paulus over leiding door de Geest:

“Want zovelen als er door den Geest Gods geleid worden, die zijn kinderen Gods.” Romeinen 8:14 (STV)

Daarna komt de tegenstelling met slavernij:

“Want gij hebt niet ontvangen den Geest der dienstbaarheid wederom tot vreze; maar gij hebt ontvangen den Geest der aanneming tot kinderen, door Welken wij roepen: Abba, Vader!” Romeinen 8:15 (STV)

De Geest brengt de gelovige niet terug in angstige dienstbaarheid. Niet opnieuw onder het juk. Niet opnieuw in religieuze kramp. De Geest doet roepen:

Abba, Vader.

Dan komt het getuigenis:

“Dezelve Geest getuigt met onzen geest, dat wij kinderen Gods zijn.” Romeinen 8:16 (STV)

En meteen daarna verbindt Paulus kindschap aan erfenis:

“En indien wij kinderen zijn, zo zijn wij ook erfgenamen, erfgenamen Gods en mede-erfgenamen van Christus; zo wij anders met Hem lijden, opdat wij ook met Hem verheerlijkt worden.” Romeinen 8:17 (STV)

Dat is de volgorde: kinderen, dus erfgenamen. Erfgenamen Gods. Mede-erfgenamen van Christus. Maar ook: lijden met Hem, om met Hem verheerlijkt te worden.

De boodschap van Romeinen 8 is samen te vatten als volgt:  door de Geest realiseren gelovigen hun nieuwe positie als zonen Gods; Hij leidt hen, door Hem roepen zij “Abba, Vader”, en Hij getuigt dat zij kinderen Gods zijn. Daarna volgt dat zij, omdat zij kinderen zijn, ook erfgenamen Gods en mede-erfgenamen met Christus zijn.

Dat is geen oppervlakkig troostverhaal. Het is een diepe positionele waarheid. De gelovige leeft nu nog in zwakheid, strijd, zuchten en lijden, maar zijn positie ligt vast in Christus.

 

De zoonstelling is nu bezit en toch nog verwachting

Hier wordt het spannend. Want Paulus zegt enerzijds dat wij de Geest der zoonstelling ontvangen hebben. Anderzijds zegt hij dat wij de zoonstelling nog verwachten.

“En niet alleen dit, maar ook wij zelven, die de eerstelingen des Geestes hebben, wij ook zelven, zeg ik, zuchten in onszelven, verwachtende de aanneming tot kinderen, namelijk de verlossing onzes lichaams.” Romeinen 8:23 (STV)

Dat lijkt tegenstrijdig, maar is het niet.

De gelovige is nu al kind van God. Hij heeft nu al de Geest. Hij staat nu al in Christus. Hij is nu al erfgenaam. Maar de volle openbaring van die positie is nog toekomstig. Ons lichaam is nog niet verlost. Wij dragen nog zwakheid, sterfelijkheid, vernedering en strijd.

Daarom is zoonstelling tegelijk een huidige positie én een toekomstige openbaring.

Nu: de Geest der zoonstelling.

Straks: de verlossing van het lichaam.

Nu: Abba, Vader.

Straks: gelijkvormigheid aan Christus in heerlijkheid.

Nu: erfgenamen.

Straks: openbaar delen in de heerlijkheid.

Dat is precies waarom Romeinen 8 niet eindigt in triomfantalisme, maar in hoop. Geen Kingdom Now-branie. Geen “wij manifesteren nu alvast de volle heerlijkheid”. Paulus zegt dat wij zuchten. Niet ongelovig zuchten, maar gelovig zuchten. Zuchten in hoop.

“Want wij zijn in hope zalig geworden. De hoop nu, die gezien wordt, is geen hoop; want hetgeen iemand ziet, waarom zal hij het ook hopen?” Romeinen 8:24 (STV)

Wie de toekomstige zoonstelling naar het nu trekt alsof alles al zichtbaar moet worden, loopt vooruit op God. Wie de huidige positie ontkent, berooft de gelovige van zijn zekerheid. De Schrift houdt beide vast.

 

Christus is de Zoon; wij zijn zonen in Hem

Hier moet zorgvuldig onderscheiden worden. Christus is niet Zoon op dezelfde wijze als wij zonen worden. Hij is de eeuwige, unieke Zoon. Hij is de Eniggeborene van de Vader.

“En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond, en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als des Eniggeborenen van den Vader, vol van genade en waarheid.” Johannes 1:14 (STV)

Wij worden niet goddelijke zonen in Zijn unieke, eeuwige zin. Dat zou grensoverschrijding zijn. Maar wij worden in Hem gesteld in de positie van zonen. Hij is de Eerstgeborene onder vele broederen.

“Want die Hij te voren gekend heeft, die heeft Hij ook te voren verordineerd den beelde Zijns Zoons gelijkvormig te zijn, opdat Hij de Eerstgeborene zij onder vele broederen.” Romeinen 8:29 (STV)

Dat is geen aantasting van Christus’ heerlijkheid. Integendeel. Zijn heerlijkheid blijkt juist hierin, dat Hij als de Eerstgeborene vele zonen tot heerlijkheid leidt.

“Want het betaamde Hem, om Welken alle dingen zijn, en door Welken alle dingen zijn, dat Hij, vele kinderen tot de heerlijkheid leidende, den oversten Leidsman hunner zaligheid door lijden zou heiligen.” Hebreeën 2:10 (STV)

Christus is de Zoon. Wij zijn zonen in de Zoon. Christus is Erfgenaam. Wij zijn mede-erfgenamen met Christus. Christus is de Eerstgeborene. De Gemeente wordt verbonden met het eerstgeboorterecht.

De Schrift verbindt dit met Christus als Eersteling en Eerstgeborene: omdat de Gemeente het lichaam van Christus is en gezegend is met elke geestelijke zegening in Christus, is zij geroepen tot zoonstelling en eerstgeboorterecht; Hebreeën 12:23 spreekt daarom over de “Gemeente der eerstgeborenen”.

 

De Gemeente der eerstgeborenen

Hebreeën 12 zet de positie van de gelovige niet bij Sinaï, maar bij Sion, het hemelse Jeruzalem en de Gemeente der eerstgeborenen.

“Maar gij zijt gekomen tot den berg Sion, en de stad des levenden Gods, tot het hemelse Jeruzalem, en de vele duizenden der engelen; Tot de algemene vergadering en de Gemeente der eerstgeborenen, die in de hemelen opgeschreven zijn, en tot God, den Rechter over allen, en de geesten der volmaakte rechtvaardigen;” Hebreeën 12:22-23 (STV)

Dat is een geweldige tegenstelling. Niet de berg die brandt. Niet vreze en beving. Niet de afstand van Sinaï. Maar een hemelse positie.

De Gemeente is niet een aardse religieuze voortzetting van Israël onder een nieuw label. Zij heeft een hemelse roeping, hemelse zegeningen en een hemelse bestemming. Dat betekent niet dat Israël wordt wegverklaard. Integendeel. Juist door te onderscheiden wat God aan Israël en wat Hij aan de Gemeente geeft, blijft de Schrift helder.

De Gemeente der eerstgeborenen staat in verbinding met Christus, de Eerstgeborene. Haar positie is niet gebaseerd op nationale voorrechten, wetsonderhouding of aardse ordening, maar op Christus’ opstanding, verhoging en hemelse heerlijkheid.

 

Waarom “aanneming tot kinderen” al snel te zwak klinkt

De Statenvertaling is hier eerbiedwaardig, maar de formulering kan bij moderne lezers een verkeerd beeld oproepen. “Aanneming tot kinderen” klinkt alsof de nadruk ligt op adoptie van buitenstaanders tot kleine kinderen. Maar Paulus’ gedachte is rijker en scherper.

Het gaat om:

geboorte uit God;

bevrijding uit slavernij;

plaatsing als zoon;

erfgenaamschap;

de Geest Die “Abba, Vader” doet roepen;

toekomstige verheerlijking;

verlossing van het lichaam;

gelijkvormigheid aan Christus.

Zoonstelling is dus geen sentimentele adoptietaal, maar positie-taal. Koninklijke taal. Erfgenaamstaal. Eerstgeboortetaal.

Daarmee wordt ook duidelijk waarom Paulus zo fel is in Galaten. De wet maakt minderjarig in de zin van voogdij en tuchtmeesterschap. Christus brengt de gelovige in vrijheid en zoonstelling. Wie daarna de wet weer als heersend principe invoert, doet alsof de zoon nog steeds in de knechtenkamer thuishoort.

Dat is geen vrome voorzichtigheid. Dat is leerstellige achteruitgang.

 

De praktische vrucht: zekerheid zonder losbandigheid

Zoonstelling betekent niet dat de gelovige nu maar losbandig kan leven. Dat is de karikatuur die altijd opduikt zodra genade werkelijk genade mag zijn.

Paulus bestrijdt dat zelf:

“Wat zullen wij dan zeggen? Zullen wij in de zonde blijven, opdat de genade te meerder worde? Dat zij verre. Wij, die der zonde gestorven zijn, hoe zullen wij nog in dezelve leven?” Romeinen 6:1-2 (STV)

De zoon leeft niet heilig om zoon te worden. Hij leeft heilig omdat hij in Christus zoon is. Dat is een totaal andere motor.

Geen zweep.

Geen Sinaï als aandrijfsysteem.

Geen angst als brandstof.

Maar de Geest, de positie in Christus, de hoop der heerlijkheid en het Vader-roepen in het hart.

Johannes verbindt de toekomstige heerlijkheid direct met reiniging:

“Geliefden, nu zijn wij kinderen Gods, en het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen. Maar wij weten, dat als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem zullen gelijk wezen; want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is. En een iegelijk, die deze hoop op Hem heeft, die reinigt zichzelven, gelijk Hij rein is.” 1 Johannes 3:2-3 (STV)

Let op: Johannes zegt niet dat onzekerheid reinigt. Hij zegt dat hoop reinigt. De verwachting van Christus’ openbaring, en van onze gelijkvormigheid aan Hem, heeft een heiligende werking.

 

Waar het misgaat

Het gaat mis wanneer men kindschap, zoonstelling en erfgenaamschap losmaakt van Christus en vult met algemene godsdienstige taal.

Dan wordt God vooral “Vader van iedereen”.

Dan wordt Genade een warm gevoel.

Dan wordt zoonstelling een vroom woord voor acceptatie.

Dan wordt het erfdeel naar de achtergrond geschoven.

Dan wordt de toekomstige heerlijkheid vervangen door een ‘nu-al-theologie’ waarin de gelovige vooral moet heersen, claimen, bouwen, zichtbaar maken en manifesteren.

Maar Romeinen 8 zegt iets anders. De schepping zucht. Wij zuchten. De Geest bidt. De heerlijkheid komt. Het lichaam moet nog verlost worden. De zoonstelling zal nog openbaar worden.

Dat bewaart voor twee dwalingen.

Aan de ene kant: wetticisme, waarin zonen weer als knechten worden behandeld.

Aan de andere kant: triomfantalisme, waarin de toekomstige heerlijkheid nu alvast op aarde wordt geclaimd alsof de verlossing van het lichaam al heeft plaatsgevonden.

Beide missen de lijn van Paulus.

 

De kern

Zoonstelling betekent dat God de gelovige in Christus stelt in de positie van zoon en erfgenaam. Dat rust niet op de wet, niet op werken, niet op kerkelijke status, niet op geestelijke ervaring, maar op Gods welbehagen en Christus’ volbrachte werk.

De gelovige is nu al kind van God door wedergeboorte.

Hij heeft nu al de Geest der zoonstelling.

Hij roept nu al: Abba, Vader.

Hij is nu al erfgenaam van God en mede-erfgenaam van Christus.

Maar hij verwacht nog de volle openbaring daarvan: de verlossing van het lichaam.

Daarom is zoonstelling geen bijzaak. Het is de Bijbelse naam voor de hoge positie van de gelovige in Christus, tussen kruis en heerlijkheid, tussen wedergeboorte en verheerlijking, tussen de Geest als eersteling en het lichaam dat nog verlost zal worden.

Niet meer een dienstknecht.

Maar een zoon.

Niet meer onder de wet.

Maar onder Genade.

Niet meer in geestelijke onvolwassenheid

Maar in Christus gesteld tot erfgenaam.

“Zo dan, gij zijt niet meer een dienstknecht, maar een zoon; en indien gij een zoon zijt, zo zijt gij ook een erfgenaam van God door Christus.” Galaten 4:7 (STV)

 

Zoonschap: niet langer slaaf, maar zoon – Romeinen 8:14-15

Religie maakt slaven, het Evangelie maakt zonen

Deze tekst kreeg ik vanmiddag in gedachten na een app wisseling met een zuster

“Want zovelen als er door den Geest Gods geleid worden, die zijn kinderen Gods. Want gij hebt niet ontvangen den Geest der dienstbaarheid wederom tot vreze; maar gij hebt ontvangen den Geest der aanneming tot kinderen, door Welken wij roepen: Abba, Vader.” Romeinen 8:14-15 (STV)

Dit gedeelte snijdt messcherp door alle religieuze verwarring heen.

Aan de ene kant: dienstbaarheid en vreze
Aan de andere kant: aanneming — zoonschap — en vrijmoedigheid

Het gaat hier niet slechts om “kind zijn” in algemene zin.

Het Griekse woord dat Paulus gebruikt (huiothesia) betekent letterlijk:
plaatsing tot zoon

Dus niet alleen relatie
maar positie, erfgenaamschap en waardigheid

 

Geleid door de Geest; kenmerk van zonen

“Want zovelen als er door den Geest Gods geleid worden, die zijn kinderen Gods.” Romeinen 8:14 (STV)

Dit gaat niet over mystieke ingevingen of subjectieve ervaringen.

Dit gaat over identiteit.

Wie zonen van God zijn, leven niet meer onder de heerschappij van het vlees, maar worden geleid door de Geest.

Niet gestuurd door gevoel
maar bepaald door hun oorsprong: uit God

Leiding door de Geest is dus geen elite-ervaring
maar het normale kenmerk van zoonschap

Geen Geest van slavernij; geen leven in angst

“Want gij hebt niet ontvangen den Geest der dienstbaarheid wederom tot vreze…” Romeinen 8:15a (STV)

Hier ontmaskert Paulus religie in zijn kern.

Zodra het weer draait om:

presteren
voldoen
jezelf bewijzen

komt de slavernij terug.

En met slavernij komt altijd:

angst
onzekerheid
kramp

Maar Paulus zegt: dát is niet de Geest die je ontvangen hebt.

De Geest van zoonschap: volledige aanvaarding

“…maar gij hebt ontvangen den Geest der aanneming tot kinderen, door Welken wij roepen: Abba, Vader.” Romeinen 8:15b (STV)

Hier staat dus letterlijk:

Geest van het zoonschap

God geeft niet slechts toegang
maar plaatst je als zoon

Dat betekent:

volledige acceptatie
volledige toegang
volledig erfgenaamschap

Daarom volgt vanzelf:

“Abba, Vader”

Niet als formule
maar als werkelijkheid

Zoonschap en erfenis

Dit gaat veel verder dan gevoel of ervaring.

Romeinen 8:17 zegt:

“En indien wij kinderen zijn, zo zijn wij ook erfgenamen…” (STV)

Zoonschap betekent:

je behoort niet alleen tot het huis
maar ook tot de erfenis

Een slaaf werkt voor een meester
een zoon leeft uit wat van hem is

De grote misleiding: religie in christelijke vorm

Veel onderwijs brengt mensen ongemerkt terug onder slavernij.

Meer doen
meer presteren
meer bewijzen

Maar daarmee wordt precies ondermijnd wat Paulus hier zegt:

je bent geen slaaf
je bent een zoon

En zodra dat verdwijnt, komt de vreze terug.

Dit is het verschil

Slavernij zegt:
ik moet bewijzen dat ik erbij hoor

Zoonschap zegt:
ik hoor erbij — daarom leef ik anders

Slavernij leeft uit angst
Zoonschap leeft uit zekerheid

Slavernij kijkt naar zichzelf
Zoonschap kijkt naar de Vader

Romeinen 8:14-15 maakt het glashelder:

de Geest die je ontvangen hebt
maakt je geen slaaf
maar een ZOON

De vraag is dus niet hoe religieus/godsdienstig  je leeft
maar of je leeft vanuit zoonschap

Want alleen de Geest van God brengt een mens zover dat hij roept:

“Abba, Vader.”

lees ook:

De Zoon, onze Hogepiester – Bijbelse basis

Aanneming tot kinderen of zoonstelling? – Bijbelse basis

Zoonstelling – Meer dan wedergeboorte alleen – Bijbelse basis

extern:

Verandering van denken – Alleen Geloof – Sylvia Arlar-Simonse

Zoonschap! | Het waarde-volle evangelie

Geverifieerd door MonsterInsights