God geneest, maar heeft Hij genezing beloofd?

Waarom genezingsleer voorbijgaat aan de apostolische brieven

“Jezus genas alle zieken. Hij is gisteren en heden Dezelfde. Dus wil Hij ook vandaag iedereen genezen. Ga maar danken voor je genezing.”

Ik tekende deze bewering nog heel recent op uit de mond van een zelfbenoemd gebedsgenezer

Het klinkt allemaal overtuigend. En wie zou durven ontkennen dat God zieken kan genezen? De Heere Jezus gaf blinden het gezicht, reinigde melaatsen, deed verlamden wandelen en wekte zelfs doden op. Ook de apostelen verrichtten wonderen en tekenen. De Bijbel laat daar geen enkele twijfel over bestaan.

Maar achter deze redenering gaat een vraag schuil die veel belangrijker is dan deze op het eerste gezicht lijkt:

Omdat God kán genezen, heeft Hij daarom ook beloofd dát iedere gelovige genezen zal worden?

Hero banner promoting Bible studies: open Bible on a wooden table at sunrise with the Dutch title 'Wat zegt de Bijbel over...' and a blue footer menu showing topics like Schrift met Schrift and Christus centraal.

Dat zijn twee heel verschillende zaken. Toch worden ze in charismatische kring voortdurend met elkaar verward. Genezing wordt voorgesteld als een recht van iedere gelovige. Ziekte zou niet bij het christelijke leven horen. Wie voldoende geloof heeft, mag zijn genezing opeisen. Blijft herstel uit, dan wordt gezocht naar ongeloof, verborgen zonde of een geestelijke blokkade.

De Bijbel wordt daarbij veelvuldig aangehaald. Maar opvallend genoeg blijven juist de apostolische brieven vaak buiten beeld.

En daar begint het vraagstuk.

God geneest maar belooft Hij dat ook?

De wonderen van de Here Jezus waren géén genezingsdiensten

Als we de Evangeliën lezen, valt iets op wat in veel hedendaagse genezingsbijeenkomsten ontbreekt.

Jezus genas niet gedeeltelijk. Hij sprak niet over een genezingsproces dat door geloof verder moest worden geactiveerd. Hij verklaarde mensen niet genezen terwijl hun lichamelijke klachten onveranderd bleven.

Een melaatse werd gereinigd. Een verlamde stond op. Een blindgeborene kon zien. Een man die 38 jaar ziek was geweest, nam zijn bed op en wandelde. Lazarus, die vier dagen in het graf had gelegen, kwam naar buiten.

Dit waren geen subjectieve ervaringen. Het waren zichtbare, onmiskenbare gebeurtenissen.

En de Here Jezus gebruikte geen vaste methode. Soms genas Hij door aanraking, soms door Zijn woord, soms zelfs op afstand. Niet iedere genezene had vooraf persoonlijk geloof getoond. De jongeling te Naïn was dood en kon helemaal niets geloven. Christus handelde vanuit Zijn eigen goddelijke macht en ontferming.

Daarom is het misleidend wanneer hedendaagse predikers hun bediening zonder meer gelijkstellen aan die van Jezus.

De vraag is niet of iemand zich na een bijeenkomst beter voelt. De vraag is of de geclaimde wonderen dezelfde aard hebben als de wonderen die de Schrift beschrijft.

Wie beweert dezelfde genezingsmacht te bezitten, moet ook bereid zijn die aanspraak aan dezelfde maatstaf te laten toetsen.

Waarom genas Jezus de zieken?

De genezingen van Christus hadden een veel diepere betekenis dan alleen het wegnemen van lichamelijk lijden.

Ze getuigden van Zijn Godheid. Hij sprak met gezag dat geen mens bezit.

Wanneer Hij zei:

“Ik wil, word gereinigd”,

was Zijn woord voldoende.

Maar de wonderen waren ook tekenen van Zijn Messiaanse waardigheid.

Jesaja had aangekondigd dat bij de komst van het beloofde heil de ogen van de blinden geopend zouden worden, de oren van de doven zouden worden ontsloten en de kreupele zou springen als een hert (Jesaja 35:5-6).

Toen Johannes de Doper vanuit de gevangenis vroeg of Jezus de Beloofde was, verwees de Heere niet naar een theoretische uiteenzetting. Hij wees op wat er gebeurde:

“De blinden worden ziende, en de kreupelen wandelen; de melaatsen worden gereinigd, en de doven horen; de doden worden opgewekt, en den armen wordt het Evangelie verkondigd.” (Mattheüs 11:5, STV)

De wonderen bevestigden dat Hij de beloofde Messias was.

Daarom mogen we Zijn genezingen niet losmaken van de verkondiging van het Koninkrijk aan Israël. Zijn wonderen waren tekenen van de Koning en een voorafschaduwing van de zegeningen die met Zijn toekomstige heerschappij verbonden zijn.

Wie deze betekenis negeert, maakt van de genezingswonderen een algemene formule die iedere christen zou moeten kunnen toepassen.

Maar dat is niet waarvoor de Evangeliën geschreven zijn.

 

De opdracht aan de twaalf was niet zomaar een opdracht aan iedereen

Een veelgebruikte tekst is Mattheüs 10:8:

“Geneest de kranken; reinigt de melaatsen; wekt de doden op; werpt de duivelen uit. Gij hebt het om niet ontvangen, geeft het om niet.” (STV)

Deze woorden worden regelmatig gebruikt om moderne genezingsbedieningen te legitimeren.

Maar wie leest wat eraan voorafgaat?

Jezus zond de twaalf discipelen uit en gaf hun uitdrukkelijk de opdracht niet naar de heidenen of de Samaritanen te gaan, maar naar de verloren schapen van het huis Israëls.

Hun boodschap was:

“Het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen.”

Hun genezingswonderen dienden als bevestiging van die boodschap.

Dat was een bijzondere opdracht, aan bijzondere personen, in een bijzondere fase van Gods handelen met Israël.

Waarom wordt die context zo gemakkelijk overgeslagen?

En wanneer Mattheüs 10:8 rechtstreeks voor iedere gelovige vandaag zou gelden, waarom wordt dan vrijwel uitsluitend gesproken over het genezen van zieken? Waar blijven de opwekkingen van doden? Waarom wordt de opdracht om zonder vergoeding te dienen zo gemakkelijk vergeten?

Wie een Bijbeltekst als rechtstreeks gebod voor vandaag gebruikt, moet eerst aantonen dat die opdracht ook daadwerkelijk aan ons is gegeven.

Niet alles wat in de Bijbel geschreven staat, is rechtstreeks aan de Gemeente gericht. Alles is tot ons onderwijs geschreven, maar dat maakt niet iedere opdracht tot een algemeen gebod.

Het boek Handelingen is geen handboek voor genezingscampagnes

Ook Handelingen wordt veelvuldig gebruikt om de hedendaagse genezingsleer te ondersteunen.

Petrus genas de verlamde man bij de Schone Poort. Door Paulus vonden buitengewone wonderen plaats. Zelfs zweetdoeken die met hem in aanraking waren geweest, werden naar zieken gebracht.

Maar waarom gebeurden deze dingen?

De apostelen verkondigden het getuigenis van de gekruisigde en opgestane Christus. Hun boodschap werd door God bevestigd met tekenen en wonderen.

Hebreeën 2:3-4 spreekt uitdrukkelijk over deze bevestiging van het verkondigde heil door tekenen, wonderen en menigerlei krachten.

De wonderen stonden dus in dienst van het apostolische getuigenis.

Bovendien is Handelingen een boek waarin belangrijke overgangen plaatsvinden: van Jeruzalem naar de volken, van de bijzondere verkondiging aan Israël naar de verdere bekendmaking van Gods genade.

Wat in deze overgangsperiode gebeurde, is niet zomaar een blijvende norm voor de Gemeente.

Neem Handelingen 19. God deed buitengewone krachten door de handen van Paulus. Juist het woord “buitengewone” verdient aandacht.

Toch worden zulke gebeurtenissen ook gebruikt om het verspreiden van zogenaamde gezalfde zakdoeken, kledingstukken of andere voorwerpen te rechtvaardigen.

Maar Handelingen 19 geeft geen opdracht om deze praktijk voort te zetten. Het beschrijft wat God destijds op bijzondere wijze door Paulus deed.

Een beschrijving van een wonder is nog geen voorschrift voor een genezingsmethode.

 

Waarom worden de brieven zo vaak genegeerd?

Hier raken we het hart van de zaak.

Wie de hedendaagse genezingsleer wil verdedigen, verwijst meestal naar de Evangeliën, Handelingen, Jesaja 53 en enkele afzonderlijke beloften.

Maar waar is de uitvoerige aandacht voor Romeinen, Korinthe, Filippenzen en de brieven aan Timotheüs?

Juist daar ontvangen we onderwijs over het leven van de gelovige en de Gemeente.

En wat lezen we daar?

Geen algemeen recht op lichamelijke genezing.

Geen opdracht aan iedere gemeente om genezingsdiensten te organiseren.

Geen belofte dat de gelovige gevrijwaard zal blijven van ziekte.

Sterker nog: we lezen verschillende voorbeelden die de moderne genezingsleer rechtstreeks tegenspreken.

 

Paulus had een doorn in het vlees

In 2 Korinthe 12:7-10 beschrijft Paulus zijn doorn in het vlees.

Hij had buitengewone openbaringen ontvangen. Toch werd hem een doorn in het vlees gegeven, opdat hij zich niet zou verheffen.

Driemaal bad hij de Heere dat deze van hem zou wijken.

En wat was het antwoord?

“Mijn genade is u genoeg; want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht.” (2 Korinthe 12:9, STV)

Let goed op.

Paulus bad. Maar de doorn werd niet weggenomen.

Hij kreeg niet te horen dat hij onvoldoende geloof had. Er werd hem geen verborgen zonde aangewezen. Hij kreeg geen instructie om zijn genezing eenvoudigweg te claimen.

Hij ontving een ander antwoord: Gods genade was voldoende.

Over de precieze aard van de doorn bestaat verschil van inzicht, maar dat verandert de kern niet. Paulus vroeg om bevrijding van een blijvende kwelling, en die bevrijding werd hem niet gegeven.

Wat betekent dat voor de stelling dat iedere gelovige altijd genezing kan ontvangen wanneer hij maar voldoende gelooft?

Als zelfs Paulus niet van iedere kwelling werd verlost, op welke grond wordt een zieke christen vandaag dan verweten dat zijn geloof tekortschiet?

Timotheüs: waarom schreef Paulus geen genezingsgebed voor?

In 1 Timotheüs 5:23 schrijft Paulus:

“Drink niet langer water alleen, maar gebruik een weinig wijn, om uw maag en uw menigvuldige zwakheden.” (STV)

Dit is een opmerkelijke passage.

Timotheüs was een trouwe medewerker van Paulus. Hij kende de apostolische verkondiging. Hij had van nabij meegemaakt hoe God door Paulus werkte.

Toch had hij herhaaldelijk lichamelijke klachten.

Wat adviseerde Paulus?

Geen genezingscampagne.

Geen krachtige zalving.

Geen berisping vanwege ongeloof.

Hij gaf een praktisch advies voor zijn gezondheid.

Dat is moeilijk te verenigen met de gedachte dat lichamelijke genezing een vanzelfsprekend recht van iedere gelovige is.

Paulus had zelf zieken genezen. Waarom genas hij Timotheüs dan niet gewoon?

Omdat de gave om wonderen te verrichten kennelijk geen macht was waarover een apostel naar eigen believen kon beschikken.

God handelde door de apostelen wanneer Hij dat wilde. Niet als een mens dat nodig vond.

 

Trofimus bleef ziek achter

Een nog kortere, maar minstens zo veelzeggende tekst staat in 2 Timotheüs 4:20:

“Trofimus heb ik te Milete krank gelaten.” (STV)

Eén zin.

Maar deze ene zin vormt een ernstig probleem voor de leer van genezing.

Paulus had buitengewone wonderen verricht. In Handelingen lezen we zelfs dat zieken door zijn bediening herstelden wanneer zij in aanraking kwamen met doeken die van zijn lichaam afkomstig waren.

Maar Trofimus bleef ziek achter.

Waarom?

De Schrift zegt niet dat Trofimus onvoldoende geloof bezat. Spreekt niet over verborgen zonde of een gebrek aan geestelijke overgave.

Paulus vermeldt gewoon dat hij hem ziek heeft achtergelaten.

Daarmee wordt duidelijk dat ook tijdens de apostolische tijd niet iedere zieke gelovige werd genezen.

Wie vandaag beweert dat genezing altijd beschikbaar is voor iedere gelovige, moet deze tekst serieus nemen.

 

Epafroditus: ziek tot nabij de dood

In Filippenzen 2:25-30 vertelt Paulus over Epafroditus.

Deze toegewijde medewerker was ernstig ziek geworden. Zijn ziekte was zelfs zo zwaar dat hij de dood nabij was.

Paulus schrijft:

“Want hij is ook krank geweest tot nabij den dood; maar God heeft Zich zijner ontfermd.” (Filippenzen 2:27, STV)

Epafroditus herstelde.

Maar hoe beschrijft Paulus dat herstel?

Als Gods ontferming.

Niet als een afdwingbaar recht. Niet als het onvermijdelijke gevolg van een bepaalde geloofstechniek.

God ontfermde Zich over hem.

Dat maakt zijn herstel niet minder bijzonder. Het plaatst het alleen waar het thuishoort: bij Gods genadige handelen.

Genezing is geen prestatie van het geloof, maar een daad van God.

 

De verlossing van ons lichaam ligt nog vóór ons

Romeinen 8 geeft het perspectief dat in veel moderne genezingsprediking ontbreekt.

Paulus schrijft dat de schepping zucht en als in barensnood verkeert. Vervolgens zegt hij dat ook wijzelf, die de eerstelingen des Geestes hebben, in onszelf zuchten.

Waarom?

Omdat wij de verlossing van ons lichaam verwachten.

Zie Romeinen 8:23.

Dat is een cruciaal onderscheid.

De gelovige is in Christus verlost. Zijn zonden zijn vergeven. Hij heeft de Heilige Geest ontvangen. Hij bezit eeuwig leven.

Maar zijn lichaam is nog sterfelijk.

Het kan ziek worden. Het wordt ouder. Het raakt vermoeid. Het kan beschadigd raken. En tenzij Christus terugkomt tijdens zijn leven, zal de gelovige uiteindelijk sterven.

De volledige lichamelijke verlossing ligt nog in de toekomst.

Bij de komst van Christus zullen de gestorven gelovigen worden opgewekt en de levende gelovigen worden veranderd. Dan zal het vergankelijke onvergankelijkheid aandoen.

Daar ligt de Bijbelse hoop op een lichaam dat nooit meer ziek wordt.

Wie die toekomstige verlossing naar het heden verplaatst en vervolgens volledige gezondheid belooft, loopt vooruit op wat God heeft toegezegd.

 

“Door Zijn striemen is ons genezing geworden”

Jesaja 53:5 is misschien wel de meest gebruikte tekst in de hedendaagse genezingsleer.

“En door Zijn striemen is ons genezing geworden.” (STV)

Daaruit wordt geconcludeerd dat Christus aan het kruis niet alleen onze zonden heeft gedragen, maar ook iedere lichamelijke ziekte, zodat wij nu aanspraak mogen maken op genezing.

Maar deze conclusie gaat voorbij aan het verband van de tekst.

Jesaja 53 spreekt over de Knecht des HEEREN Die om onze overtredingen verwond en om onze ongerechtigheden verbrijzeld werd.

Het centrale onderwerp is de zonde en de verzoening.

Bovendien verklaart Mattheüs 8:16-17 dat de woorden over het dragen van onze krankheden en ziekten vervuld werden toen Jezus tijdens Zijn aardse bediening zieken genas.

Dat gebeurde vóór het kruis.

Petrus verwijst eveneens naar de striemen van Christus in 1 Petrus 2:24, maar verbindt dit uitdrukkelijk met het afsterven aan de zonden en het leven voor de gerechtigheid.

Het gaat daar niet over een belofte dat iedere lichamelijke aandoening onmiddellijk zal verdwijnen.

Natuurlijk hoort ook de toekomstige verlossing van ons lichaam tot de uiteindelijke zegeningen van Christus’ verlossingswerk.

Maar de vraag is niet of Christus de overwinning op de gevolgen van de zonde heeft verworven.

De vraag is wanneer al die gevolgen definitief worden weggenomen.

De brieven plaatsen de volledige lichamelijke verlossing in de toekomst.

 

Jakobus 5: een gebed voor zieken, geen genezingsformule

Jakobus 5:14-16 wordt vaak aangehaald als bewijs dat iedere zieke door gebed en zalving genezen moet worden.

Maar ook hier is een zorgvuldige lezing noodzakelijk.

Jakobus spreekt over een zieke die de ouderlingen van de gemeente bij zich laat komen. Zij moeten over hem bidden en hem zalven met olie in de Naam des Heeren.

Het gaat dus niet over een rondreizende genezer die grote groepen mensen bijeenbrengt om zijn bijzondere gave te demonstreren.

Het gaat over de zorg van de gemeente voor een zieke.

Bovendien wordt in het gedeelte gesproken over de belijdenis en vergeving van zonden. Die context mag niet worden genegeerd.

Dat God gebeden kan verhoren en zieken kan oprichten, staat buiten twijfel.

Maar Jakobus 5 mag niet worden gebruikt om alle andere Schriftplaatsen over ziekte en lichamelijke zwakheid terzijde te schuiven.

Paulus bleef met zijn doorn in het vlees zitten. Timotheüs had terugkerende klachten. Trofimus bleef ziek achter. Epafroditus was bijna gestorven.

De Schrift spreekt zichzelf niet tegen. Daarom moeten we Jakobus 5 lezen in samenhang met het onderwijs van de apostolische brieven, niet geïsoleerd als een formule waarmee genezing gegarandeerd wordt.

 

Wat is er mis met genezingsclaims?

Ook vandaag horen we uitspraken als:

“God wil dat je altijd gezond bent.”

“Ziekte hoort niet bij een kind van God.”

“Je genezing is al volbracht, je moet haar alleen ontvangen.”

“Spreek niet over je ziekte, want daarmee houd je haar in stand.”

“Als je niet geneest, is er ergens ongeloof.”

“Je moet de ziekte bestraffen en je genezing uitspreken.”

Sommige van deze uitspraken worden verpakt in Bijbelse taal. Er wordt gesproken over geloof, autoriteit, de kracht van Jezus’ Naam en de overwinning van het kruis.

Maar woorden worden niet Bijbels doordat men er een Bijbeltekst aan toevoegt.

De vraag blijft of de leer zelf uit de Schrift voortkomt.

Wanneer een prediker beweert dat God altijd geneest, moet hij uitleggen waarom Paulus’ gebeden niet het gewenste resultaat hadden.

Wanneer ziekte wordt voorgesteld als bewijs van ongeloof, moet worden uitgelegd waarom Timotheüs herhaaldelijk ziek was.

Wanneer genezing een algemeen recht van de gelovige zou zijn, moet worden verklaard waarom Trofimus ziek achterbleef.

En wanneer lichamelijke zwakheid niet bij het leven van een christen zou horen, moet Romeinen 8 opnieuw worden gelezen.

De brieven vormen geen hinderlijk bijverschijnsel dat we mogen negeren om een aantrekkelijk genezingsverhaal overeind te houden.

Ze horen bij het geïnspireerde Woord van God.

 

De pijnlijke gevolgen van een verkeerde leer

De schade van deze leer is niet alleen leerstellig.

Het kan diep ingrijpen in het leven van zieke mensen.

Stel je een gelovige voor die jarenlang met pijn, vermoeidheid of een lichamelijke beperking leeft. Hij bidt. Zijn gemeente bidt. Hij vertrouwt op de Heere, maar herstel blijft uit.

Dan hoort hij dat God altijd wil genezen en dat voldoende geloof onvermijdelijk tot herstel leidt.

Wat moet hij daaruit concluderen?

Dat zijn geloof tekortschiet?

Dat hij verborgen zonden heeft?

Dat God hem niet wil zegenen?

Dat hij zijn genezing niet voldoende heeft uitgesproken?

Zo wordt aan lichamelijk lijden een geestelijke last toegevoegd die de Schrift de zieke niet oplegt.

Nog gevaarlijker wordt het wanneer gelovigen wordt aangeraden medicijnen te laten staan of noodzakelijke medische behandeling af te wijzen.

Dat is geen bewijs van groot geloof.

De apostel Paulus adviseerde Timotheüs juist een praktisch middel te gebruiken voor zijn lichamelijke klachten. Lukas wordt in Kolossenzen 4:14 de geliefde medicijnmeester genoemd.

Geloof in Gods macht en het gebruik van medische middelen sluiten elkaar niet uit.

Een gelovige mag om genezing bidden en tegelijkertijd een arts bezoeken. Hij mag dankbaar gebruikmaken van behandelingen en geneesmiddelen, terwijl hij zijn vertrouwen op de Heere stelt.

Gods kracht wordt ook in zwakheid volbracht

Misschien is dit wel het gedeelte van de Schrift dat binnen de hedendaagse genezingsbeweging het meest wordt verwaarloosd.

Gods kracht wordt niet uitsluitend zichtbaar wanneer een ziekte verdwijnt.

Zij kan ook openbaar worden wanneer een gelovige met lichamelijke zwakheid blijft leven en daarin Gods genade ondervindt.

Paulus had liever gezien dat zijn doorn werd weggenomen.

Maar uiteindelijk leerde hij zich te beroemen in zijn zwakheden, opdat de kracht van Christus in hem zou wonen.

Dat staat haaks op de gedachte dat iedere lichamelijke beperking een nederlaag is die de gelovige door een krachtiger geloof moet overwinnen.

Het christelijke leven is niet een voortdurende demonstratie van lichamelijke gezondheid.

Het is een leven uit genade.

En die genade blijft genoeg, óók wanneer het lichaam zwak is.

 

De Bijbelse hoop is veel groter dan tijdelijke genezing

Wie vandaag genezen wordt, zal uiteindelijk toch sterven.

Ook Lazarus, die uit het graf werd opgewekt, kreeg niet meteen een verheerlijkt, onvergankelijk lichaam.

Zijn opwekking was een indrukwekkend teken van Christus’ macht over de dood, maar nog niet de definitieve overwinning op de sterfelijkheid van zijn lichaam.

De gelovige ziet uit naar iets groters.

Naar de komst van de Here Jezus Christus.

Naar de opstanding.

Naar een lichaam dat niet meer onderworpen is aan ziekte, verval en dood.

Daarom is de christelijke hoop niet afhankelijk van de vraag of iemand in dit leven lichamelijk herstelt.

Zij rust op de opgestane Heer, Die de Zijnen uiteindelijk volkomen zal verlossen.

Niet de genezingsprediker, maar de Schrift heeft het laatste woord

God kán zieken genezen. Dat staat vast.

We mogen vrijmoedig bidden om herstel. Ook dat is Bijbels.

Maar nergens ontvangen wij het recht om van God te eisen dat Hij iedere gelovige in dit leven lichamelijk gezond maakt.

De wonderen van Jezus hadden een bijzondere betekenis. De wonderen van de apostelen bevestigden hun bediening. De apostolische brieven leren vervolgens hoe gelovigen leven in deze tijd, waarin de verlossing van het lichaam nog verwacht wordt.

En juist die brieven worden zo vaak overgeslagen.

Want zij brengen een boodschap die minder spectaculair klinkt, maar veel dieper gaat.

Paulus werd niet van zijn doorn verlost.

Timotheüs had terugkerende lichamelijke klachten.

Trofimus bleef ziek achter.

Epafroditus was de dood nabij.

En toch waren deze mannen geliefde en toegewijde dienstknechten van de Heere.

Hun lichamelijke toestand was geen maatstaf voor hun geloof.

Daarom moeten we ophouden de zieke gelovige een last op te leggen die God hem niet oplegt.

Gods genade is niet pas genoeg wanneer de ziekte verdwenen is. Gods genade is voldoende, ook wanneer de ziekte blijft.

Dat is geen ongeloof.

Dat is het onderwijs van de Schrift.

En aan dat Woord moeten ook de indrukwekkendste genezingsclaims worden getoetst.

Leestip: Een gedegen boek uit 1925: The Healing Question (pdf)

zie ook:

genezing – Bijbelse basis

Door Zijn striemen genezen, waarvan?

Nog eens Jesaja 53:5 in de spotlight

Er zijn Bijbelteksten die steeds opnieuw worden losgescheurd uit hun verband. Jesaja 53:5 is daar een schrijnend voorbeeld van.

“Door Zijn striemen is ons genezing geworden.”

Voor veel mensen is dat een uitgemaakte zaak.

‘”Zie je wel”, zeggen ze, “lichamelijke genezing ligt vast in de verzoening. Christus heeft niet alleen onze zonden gedragen, maar ook onze ziekten. Dus wie ziek blijft, heeft iets nog niet begrepen. Of niet genoeg geloof. Of moet nog leren claimen wat zogenaamd al van hem is.”

Dat klinkt geestelijk.

Maar het kan verwoestend zijn.

Want zodra je van Jesaja 53:5 een algemeen principe maakt, leg je een last op zieke gelovigen die de Schrift zelf niet oplegt. Dan wordt het kruis niet langer verkondigd als de plaats waar Christus onze zonden droeg, maar als een soort hemelse zorgpolis die nu al lichamelijke gezondheid garandeert.

En als die gezondheid uitblijft?

Dan blijft de zieke achter met de rekening.

Niet alleen lichamelijk gebroken, maar ook geestelijk verdacht gemaakt.

claims op lichamelijke genezing

De vraag is niet of God kán genezen

Laten we daar eerlijk over zijn. God kán genezen. God heeft genezen. God geneest soms ook vandaag. Niemand die de Schrift serieus neemt, hoeft dat te ontkennen.

Maar dat is niet de vraag.

De vraag is: leert Jesaja 53:5 dat iedere gelovige op grond van het kruis recht heeft op lichamelijke genezing hier en nu?

Dat is iets heel anders.

De Bijbel vraagt niet of wij groot genoeg durven geloven. De Bijbel vraagt of wij de tekst recht snijden.

En daar gaat het vaak mis.

Jesaja 53 wordt dan behandeld alsof het een losse troefkaart is. Een geestelijke tegoedbon. Een vers dat je kunt pakken, claimen, uitspreken en toepassen op elke ziekte.

Maar Jesaja 53 is geen toverformule tegen kanker, artrose, depressie, hersenletsel of chronische pijn.

Jesaja 53 is het diepe hoofdstuk over de lijdende Knecht des HEEREN Die de zonde van velen draagt.

Waar gaat Jesaja 53 eigenlijk over?

De lijn van Jesaja 53 is niet onduidelijk.

De Knecht wordt veracht.

Hij wordt verworpen.

Hij draagt smarten.

Hij wordt verwond om overtredingen.

Hij wordt verbrijzeld om ongerechtigheden.

De straf die vrede aanbrengt, is op Hem.

Het hele hoofdstuk ademt plaatsvervanging, schuld, oordeel, verzoening en vrede met God.

Dat is de bedding van de tekst. Niet een genezingsdienst. Niet een podium met applaus. Niet een rij mensen die naar voren moeten komen om hun wonder te ontvangen.

Het gaat over de Messias Die onder het oordeel gaat staan dat zondaren verdiend hebben.

Daarom is het zo ernstig wanneer men uitgerekend dit hoofdstuk gebruikt om zieke mensen onder druk te zetten. De blik wordt verschoven van schuld naar symptoom, van zonde naar ziekte, van verzoening naar lichamelijk herstel.

Maar Jesaja 53 zegt niet: door Zijn striemen is elke kwaal nu al verdwenen.

Jesaja 53 zegt: door Zijn lijden wordt de kloof tussen God en zondaren overbrugd.

Dat is geen kleine genezing. Dat is de grootste genezing die er bestaat.

Petrus legt Jesaja 53 uit

Wie wil weten hoe “door Zijn striemen genezen” moet worden verstaan, hoeft niet te gissen. Het Nieuwe Testament past deze tekst zelf toe.

Petrus schrijft:

“Die Zelf onze zonden in Zijn lichaam gedragen heeft op het hout; opdat wij, der zonden afgestorven zijnde, der gerechtigheid leven zouden; door Wiens striemen gij genezen zijt.”
1 Petrus 2:24 (STV)

Let op de woorden.

Niet: opdat wij altijd gezond zouden zijn.

Niet: opdat wij geen lichamelijke kwalen meer zouden dragen.

Niet: opdat elke ziekte nu al moet wijken.

Maar:

opdat wij, der zonden afgestorven zijnde, der gerechtigheid leven zouden.

Petrus zet de genezing rechtstreeks in verband met zonde en gerechtigheid. Met sterven aan de zonde en leven voor God. Met verzoening en heiliging. Met bevrijding uit de macht van de zonde.

Dat is geen bijzaak. Dat is de apostolische uitleg.

Wie Jesaja 53 gebruikt om gegarandeerde lichamelijke genezing te beloven, moet langs Petrus heen. En dat is geen kleine exegetische vergissing. Dat is het negeren van de uitleg die de Heilige Geest Zelf in het Nieuwe Testament geeft.

Het gevaar

De moderne genezingsclaim klinkt vaak aantrekkelijk omdat zij direct aansluit bij ons verlangen. Niemand wil ziek zijn. Niemand wil pijn. Niemand wil aftakeling, scans, uitslagen, behandelingen, beperkingen of uitbehandeld zijn.

Juist daarom is deze leer zo gevaarlijk.

Zij grijpt mensen op hun kwetsbaarste punt.

Ze zegt: Christus heeft het al voor je gekocht. Je hoeft het alleen nog te ontvangen. Ziekte hoort niet bij jou. Spreek het uit. Claim het. Wijs het af. Laat je niet beroven.

Maar onder die vrome taal zit vaak een harde redenering: als genezing niet komt, ligt het probleem niet bij de leer, maar bij jou.

Jij gelooft niet genoeg.

Jij spreekt verkeerd.

Jij laat twijfel toe.

Jij hebt nog blokkades.

Jij moet nog doorbraak hebben.

Zo wordt de zieke gelovige langzaam van troost beroofd. Eerst wordt hem genezing beloofd. Daarna wordt zijn uitblijvende genezing tegen hem gebruikt.

Dat is geen herderlijke zorg.

Dat is geestelijke drukverkoop.

Het kruis wordt kleiner gemaakt

Het tragische is dat deze leer vaak zegt het kruis groot te maken, maar het in werkelijkheid versmalt.

Want het kruis wordt dan vooral nuttig voor mijn directe behoefte: mijn lichaam, mijn pijn, mijn herstel, mijn doorbraak, mijn overwinning nu.

Maar het kruis van Christus is dieper dan dat.

Aan het kruis droeg Christus niet slechts tijdelijke gevolgen van de gebroken schepping. Hij droeg schuld. Hij droeg oordeel. Hij droeg zonde. Hij droeg wat ons werkelijk van God scheidde.

Een genezen lichaam dat nog onder de schuld staat, is niet gered.

Een gezond mens zonder verzoening is nog steeds verloren.

Maar een zieke gelovige die in Christus is, is verzoend met God, gerechtvaardigd, levend gemaakt en bestemd voor de heerlijkheid waarin ook het lichaam eenmaal verlost zal worden.

Dat is de Bijbelse volgorde.

Niet: nu al volledige lichamelijke gezondheid.

Maar: nu vergeving, nieuw leven en hoop; straks ook de verlossing van het lichaam.

De verlossing van het lichaam is toekomstig

De Bijbel ontkent het lichaam niet. Het christelijk geloof is geen zwevende zielenspiritualiteit. God heeft het lichaam geschapen. Christus is lichamelijk opgestaan. De gelovige verwacht de opstanding van het lichaam.

Maar zeker ook  daarom moeten we eerlijk zijn over de tijdlijn.

Paulus schrijft dat wij zuchten, verwachtende de aanneming tot kinderen, namelijk de verlossing van ons lichaam. Die verlossing is dus nog toekomstig. Wij hebben de Geest als eersteling, maar wij leven nog in een lichaam dat sterft.

De schepping zucht nog.

Gelovigen zuchten nog.

Ook apostelen werden ziek, zwak, vervolgd en gedood.

Trofimus bleef ziek achter. Timotheüs had zijn maagklachten. Paulus droeg een doorn in het vlees. Epafroditus was de dood nabij geweest.

Blijkbaar leefden deze mannen niet in een systeem waarin elke ziekte eenvoudig geclaimd kon worden weg te zijn.

En juist dat maakt de moderne genezingsleer zo kunstmatig. Zij moet voortdurend teksten isoleren en voorbeelden wegduwen. Ze heeft een eigen logica nodig, omdat de Schrift zelf veel nuchterder spreekt.

God geneest soms, maar niet als claimrecht

Dat God soms lichamelijk geneest, is waar. Maar een gave van Gods barmhartigheid is iets anders dan een afdwingbaar recht.

Gebed om genezing is Bijbels.

Zorg voor zieken is Bijbels.

Zalving, voorbede, medeleven, praktische hulp: allemaal Bijbels.

Maar het claimen van genezing alsof Golgotha een automatische garantie heeft afgegeven voor lichamelijke gezondheid hier en nu, is iets anders.

Dat maakt van geloof een drukmiddel.

Van gebed een techniek.

Van het kruis een transactie.

Van ziekte een verdacht dossier.

En van de zieke een gelovige die blijkbaar ergens tekortschiet.

Dat is niet de geur van Christus. Dat is de rook van een systeem dat niet kan omgaan met lijden.

De echte genezing is groter dan de slogan

“Door Zijn striemen genezen” is geen zwakke tekst. Integendeel. Het is een machtige tekst.

Maar zij wordt zwak gemaakt wanneer men haar versmalt tot lichamelijke genezing.

Want wat is groter?

Dat een mens tijdelijk geneest en later alsnog sterft?

Of dat een zondaar wordt verzoend met God, uit de macht van de zonde wordt bevrijd, een nieuw leven ontvangt en eenmaal lichamelijk zal opstaan in heerlijkheid?

De Bijbel kiest voor het laatste.

De genezing van Jesaja 53 is niet minder dan lichamelijke genezing. Zij is dieper. Zij raakt de wortel. Niet alleen het symptoom van de gevallen wereld, maar de schuld van de gevallen mens.

Christus kwam niet slechts om ons tijdelijk comfortabeler door een stervende wereld te dragen. Hij kwam om zondaren te redden.

Dat is waarom Petrus schrijft dat Christus onze zonden droeg op het hout.

Dat is waarom hij spreekt over sterven aan de zonde en leven voor de gerechtigheid.

Dat is waarom “door Zijn striemen” niet eindigt bij een genezen rug, knie, prostaat of long, maar bij een verzoende zondaar die leeft voor God.

De puinhoop van verkeerde toepassing

De schade van deze verkeerde toepassing is niet theoretisch.

Wie ernstig ziek is en telkens hoort dat genezing al beschikbaar is, raakt gemakkelijk verstrikt in angst. Heb ik te weinig geloof? Heb ik verkeerd gebeden? Heb ik negatieve woorden uitgesproken? Zit er zonde in mijn leven? Houd ik mijn eigen wonder tegen?

Zo wordt een ziekbed een rechtbank.

Terwijl juist daar herderlijke troost nodig is.

Een zieke gelovige heeft geen geestelijke zweep nodig. Hij heeft Christus nodig. Niet als leverancier van een wonder op bestelling, maar als Zaligmaker, Hogepriester, Herder en Voorbidder.

Hij heeft geen podiumtaal nodig, maar Schriftuurlijke waarheid.

Geen applaus, maar nabijheid.

Geen valse zekerheid, maar vaste hoop.

Geen claimcultuur, maar genade.

Het Evangelie is beter dan de genezingsclaim

Het evangelie zegt niet: als je goed genoeg gelooft, word je nu altijd gezond.

Het evangelie zegt: Christus heeft zondaren liefgehad en Zichzelf voor hen gegeven.

Het evangelie zegt: uw schuld is gedragen.

Het evangelie zegt: er is vrede met God door het bloed van het kruis.

Het evangelie zegt: de dood heeft niet het laatste woord.

Het evangelie zegt: ook uw lichaam zal eenmaal verlost worden.

Dat is veel steviger dan de opgefokte taal van genezingsclaims. Want die claim stort in zodra het lichaam niet meewerkt. Maar het evangelie blijft staan, ook in het ziekenhuisbed. Ook na een slechte uitslag. Ook bij chronische pijn. Ook wanneer de genezing niet komt.

Christus is niet minder Zaligmaker wanneer het lichaam ziek blijft.

Zijn kruis is niet minder krachtig wanneer de scan slecht is.

Zijn genade is niet minder echt wanneer de pijn niet verdwijnt.

Terug naar de tekst

Jesaja 53:5 moet terug naar zijn eigen context Naar de lijdende Knecht. Naar schuld en verzoening. Naar de straf die vrede aanbrengt. Naar de Messias Die verwond werd om overtredingen en verbrijzeld om ongerechtigheden.

En 1 Petrus 2:24 moet serieus genomen worden als apostolische uitleg.

Daar ligt de kern.

Christus droeg onze zonden.

Wij zijn geroepen om aan de zonde te sterven.

Wij mogen leven voor de gerechtigheid.

Door Zijn striemen zijn wij genezen.

Niet omdat elke ziekte nu al verdwijnt.

Maar omdat de dodelijkste kwaal is aangepakt: onze zonde voor God.

De genezingsleer die Jesaja 53:5 gebruikt als garantie voor lichamelijk herstel klinkt misschien krachtig, maar zij is in werkelijkheid wankel. Zij belooft meer dan de tekst belooft en troost minder dan het evangelie troost.

Zij wijst de zieke naar zijn geloof.

De Schrift wijst de zondaar naar Christus.

En dat is precies het verschil.

Want uiteindelijk ligt onze zekerheid niet in de vraag of wij genezing genoeg kunnen claimen, maar in de Heere Jezus Christus Die werkelijk droeg wat ons van God scheidde.

Door Zijn striemen zijn wij genezen.

Niet goedkoop.

Niet oppervlakkig.

Niet als slogan voor een genezingscampagne.

Maar diep, werkelijk en eeuwig: van schuld, van dood, van slavernij aan de zonde

tot vrede met God en leven voor Hem.

zie ook:

genezing – Bijbelse basis

Als een genezingsdienst eindigt in het graf: de harde werkelijkheid achter charismatische genezingsclaims

Als genezing wordt geclaimd maar de zieke sterft: de gevaarlijke misleiding van charismatische genezingsclaims

Als een genezingsdienst eindigt in het graf

leugenachtige charismatische genezingsclaims

Er zijn verhalen die je niet zomaar “gevallen” kunt noemen. Daarvoor komen ze té dichtbij. Te pijnlijk. Te echt.

Dit betreft namelijk een zeer nabij familielid.

Het gebeurde ruim 20 jaar geleden.

Een man op leeftijd  krijgt prostaatkanker. Hij verlangt naar genezing. Hij bidt. Hij hoopt. Hij strekt zich uit. Hij reist stad en land af naar genezingsdiensten, omdat hem steeds wordt voorgehouden dat God ook vandaag lichamelijke genezing wil en kan geven, en dat je die genezing mag verwachten, ontvangen, vasthouden, uitspreken.

Dan komt hij terecht bij een bekende maar hier niet nader genoemde gebedsgenezer. die op campagne is zoals dat heet.

Tijdens de genezingsdienst klinkt de uitspraak:

“Er zijn hier vier mannen met prostaatkanker.”

Wie ernstig ziek is, hoort zo’n zin niet neutraal. Die hoort hoop. Die hoort misschien zelfs: dit is mijn moment. God heeft mij gezien. God roept mij naar voren.

Zo ook deze man. Hij gaat naar voren. Hij wordt ter plekke genezen verklaard.

Maar later overlijdt hij.

Aan prostaatkanker.

En dan komt de vraag die niemand in zulke kringen ooit hardop stelt:

Hoe kan dat?

Niet hoe het medisch kan. Dat is duidelijk genoeg.
Maar hoe het geestelijk kan.

Hoe kan iemand in de Naam van God genezen verklaard worden, terwijl diezelfde ziekte later het lichaam sloopt en het graf wint?

Daar moet je niet omheen praten. Daar moet je niet vroom omheen dansen. Daar moet je niet achteraf een mistgordijn van “misschien”, “innerlijk”, “procesmatig”, “je moet het geestelijk zien” of “hij had het moeten vasthouden” overheen kwakken.

Het eerlijke antwoord is even eenvoudig als onthutsend:

Die genezingsverklaring was niet waar.

Het probleem is niet gebed, maar valse pretentie

Laat dit meteen duidelijk zijn: het probleem is niet dát er voor zieken gebeden wordt.

Daar mag geen misverstand over bestaan. Een christen mag bidden voor genezing. Een gemeente mag bidden voor zieken. Oudsten mogen bij een zieke komen. Jakobus 5 spreekt daar openlijk over. Er is niets mis met vrijmoedig gebed, met smeking, met tranen, met hoop, met het vragen om Gods ontferming.

Het probleem begint waar bidden verandert in verklaren.

Bidden zegt:

Heere, ontferm U. Genees als het U behaagt. Draag deze zieke. Geef kracht. Geef vrede. Geef genade.

Maar verklaren zegt:

U bent genezen. De ziekte is weg. God heeft het gedaan. Ontvang het. Twijfel niet. Spreek het uit.

Dat is van een andere orde.

Het eerste buigt onder God.
Het tweede spreekt namens God.

En dáár gaat het doorgaans mis in charismatische genezingskringen. Men bidt niet alleen. Men claimt. Men verklaart. Men spreekt uit. Men benoemt ziekten vanaf het podium. Men wekt de indruk dat God op dat moment concreet en aantoonbaar handelt.

Maar als de zieke later overlijdt aan precies diezelfde ziekte, dan blijkt dat er niet namens God is gesproken, maar voor God uit.

En dat is zeer ernstig.

“Er zijn hier vier mannen met prostaatkanker”

Die zin klinkt indrukwekkend. Bijna profetisch. Alsof er een hemelse radar door de zaal gaat. Alsof God Zelf via de spreker de verborgen ziekten aanwijst.

 

Maar laten we nuchter zijn

In een grote samenkomst is het statistisch helemaal niet wonderlijk dat er mannen met prostaatkanker aanwezig zijn. Prostaatkanker komt veel voor, zeker onder oudere mannen. In een zaal met honderden mensen is de kans aanzienlijk dat meerdere mannen met die diagnose aanwezig zijn of zijn geweest.

Een algemene uitspraak kan dan klinken als een bovennatuurlijke openbaring, terwijl ze in werkelijkheid breed genoeg is om doel te treffen.

Maar de pijn zit nog dieper.

Want zelfs als de spreker werkelijk dacht dat hij iets van God ontving, blijft de vraag:

Is het waar gebleken?

Dat is de Bijbelse toets.

Niet: klonk het indrukwekkend?
Niet: raakte het iemand emotioneel?
Niet: kwam er beweging in de zaal?
Niet: voelde iemand warmte, tinteling, kracht of hoop?

Maar: is het waar?

Wanneer iemand met prostaatkanker naar voren wordt geroepen, genezen wordt verklaard en later aan prostaatkanker overlijdt, dan heeft de toetsing plaatsgevonden.

De claim is door de mand gezakt.

Niet een beetje. Niet bijna. Niet “anders dan verwacht”.

Keihard.Gezakt.

 

Achteraf vergeestelijken is laf

In zulke situaties zie je vaak een bekende uitweg.

Men zegt dan:

“Misschien was hij geestelijk genezen.”
“Misschien ging het om innerlijke genezing.”
“Misschien is er toch iets gebeurd wat wij niet kunnen zien.”

Dat klinkt heilig, maar het is vaak niets anders dan een reddingsboei voor een mislukte claim.

Want laten we eerlijk zijn: als iemand naar voren komt vanwege prostaatkanker, in een genezingsdienst, na een aanwijzing over prostaatkanker, en vervolgens genezen wordt verklaard, dan begrijpt iedereen wat er bedoeld wordt.

Niet: “u hebt innerlijke rust ontvangen.”
Niet: “u bent geestelijk bemoedigd.”
Niet: “u hebt kracht gekregen om te sterven.”

Nee

De boodschap is:

De kanker is aangepakt. U bent lichamelijk genezen.

Als later blijkt dat dit niet zo is, mag men niet ineens de betekenis veranderen.

Dat is geen uitleg.
Dat is laf vluchtgedrag.

Eerst lichamelijke genezing claimen en daarna, als de dood komt, zeggen dat het “misschien geestelijk bedoeld was”, is gewoon oneerlijk. Dan verschuif je de doelpalen nadat de bal naast is gegaan.

De zieke krijgt de rekening

De meest giftige uitweg is deze:

“Hij had het moeten vasthouden.”
“Hij is gaan twijfelen.”
“Hij heeft de genezing niet beleden.”
“Er was ongeloof.”
“De vijand heeft het geroofd.”

Daarmee wordt de lijder alsnog verantwoordelijk gemaakt voor de valse claim van de genezer.

Dat is ronduit wreed.

Een ernstig zieke man die stad en land afreist naar genezingsdiensten, is meestal geen cynicus. Dat is iemand die hoopt. Iemand die bidt. Iemand die zich vastklampt aan elke strohalm. Iemand die misschien bang is. Iemand die zijn vrouw, kinderen en kleinkinderen nog niet wil en kan loslaten. Iemand die leeft tussen scan, uitslag, behandeling, pijn, vermoeidheid en gebed.

En juist zo iemand wordt dan geestelijk belast met de gedachte:

Had ik maar meer geloof gehad.
Had ik maar minder getwijfeld.
Had ik maar beter beleden.
Had ik maar sterker gestaan.
Had ik maar meer verwacht.

Dat is géén herderlijke zorg.

Dat is zware geestelijke mishandeling in vrome verpakking

 

Christus genas echt

Wie de genezingen van de Heere Jezus leest, ziet iets heel anders dan wat in veel moderne genezingsdiensten gebeurt.

Wanneer Christus geneest, gebeurt het werkelijk. Zichtbaar. Concreet. Aantoonbaar.

Blinden zien.
Verlamden lopen.
Melaatsen worden gereinigd.
Doven horen.
Doden staan op.

Er is geen achteraf praat nodig. Geen verklaring dat iemand “in de geest” genezen is terwijl zijn lichaam zichtbaar ziek blijft. Geen podiumclaim die later door de werkelijkheid wordt ingehaald.

Bij Christus is genezing geen theater van verwachting. Geen suggestieve massapsychologie. Geen emotionele druk. Geen kunstig opgebouwde sfeer. Geen oproep om vooral niet te twijfelen aan iets wat niet aantoonbaar gebeurd is.

Zijn genezingen dragen gezag.

Dat is precies waarom de vergelijking tussen Christus en moderne gebedsgenezers zo gruwelijk pijnlijk is. Men leent de taal van Jezus’ wonderen, maar levert vaak iets totaal anders: claims, verwachtingen, sfeer, suggestie, en achteraf een stapel excuses.

 

Ook de apostelen waren geen genezingsmachines

Ook in het Nieuwe Testament zelf is het beeld veel nuchterder dan de harde charismatische genezingsleer suggereert.

Paulus had een bijzondere apostolische bediening. God deed krachtige tekenen door hem. En toch lezen we ook dit:

“Trofimus heb ik te Milete ziek achtergelaten.”
2 Timotheüs 4:20 (STV)

Dat ene zinnetje snijdt dwars door veel moderne genezingstheologie heen.

Waarom liet Paulus Trofimus ziek achter?
Waarom verklaarde hij hem niet genezen?
Waarom sprak hij geen “woord van geloof” over hem uit?
Waarom zei hij niet: “Trofimus, ontvang je genezing”?

Omdat zelfs de apostelen niet beschikten over een permanente genezingsknop.

Timotheüs had lichamelijke klachten. Paulus adviseert hem niet om zijn genezing te claimen, maar schrijft:

“Drink niet langer alleen water, maar gebruik een weinig wijn, om uw maag en uw menigvuldige zwakheden.”
1 Timotheüs 5:23 (STV)

Epafroditus was ernstig ziek, zelfs bijna gestorven. Paulus zegt niet dat dit onmogelijk was voor een trouwe dienaar van God. Hij beschrijft het gewoon als werkelijkheid.

“Want hij is ook ziek geweest tot nabij de dood; maar God heeft Zich over hem ontfermd.”
Filippenzen 2:27 (STV)

Let op de formulering: God ontfermde Zich. Dat is Genade. Geen techniek. Geen recht dat men afdwingt. Geen pakket dat automatisch geactiveerd wordt door genoeg geloof.

Paulus zelf kende ook zwakheid. Zijn doorn in het vlees werd niet weggenomen, ondanks herhaald gebed. Het antwoord van de Heere was:

“Mijn genade is u genoeg; want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht.”
2 Korinthe 12:9 (STV)

Dat is een heel andere toon dan: “U hoeft dit niet te dragen, want genezing ligt al klaar.”

 

De Bijbel belooft verlossing van het lichaam, maar niet volledige gezondheid nu

Hier zit een belangrijk punt.

De Bijbel leert dat het lichaam ertoe doet. Het christelijk geloof is niet zweverig. De opstanding is lichamelijk. De toekomst is niet dat wij als zielen ergens in een wolk verdwijnen, maar dat God Zijn schepping verlost en Zijn kinderen opwekt in heerlijkheid.

Maar die volledige lichamelijke verlossing is nog toekomstig.

Paulus schrijft dat ook gelovigen zuchten en wachten op de verlossing van hun lichaam. Zie Romeinen 8:23.

Dat betekent: wij leven nog in een gebroken lichaam, in een gevallen schepping, onder vergankelijkheid, ziekte en dood.

God kan nu genezen. Zeker.
God mag nu genezen. Zeker.
God geneest soms ook nu. Zeker.

Maar dat is niet hetzelfde als zeggen dat iedere gelovige recht heeft op lichamelijke genezing in dit leven, of dat ziekte altijd een indringer is die eenvoudig verdreven moet worden door genoeg geloof, verwachting of proclamatie.

De dood is een vijand.
Het lichaam is sterfelijk.
De schepping zucht.

Wie doet alsof de volle opstandingswerkelijkheid nu al opeisbaar is, schuift de toekomst naar voren en verkoopt een halve waarheid als hele waarheid.

En wat dat echt is weet iedereen.

Halve waarheden zijn vaak de gevaarlijkste leugens.

 

Genezing in de verzoening is geen vrijbrief voor genezingsclaims

Vaak wordt gezegd: “Maar door Zijn striemen zijn wij genezen.”

Daarmee wordt dan bedoeld: lichamelijke genezing is net zo gegarandeerd als vergeving van zonden. Een soort “one package deal”. Jezus droeg zonde én ziekte, dus een gelovige mag genezing claimen.

Maar dat gaat MANK.

Jesaja 53 spreekt in de kern over de Knecht Die de ongerechtigheid van velen draagt. De diepste wond van de mens is niet kanker, artrose, verlamming of pijn. De diepste wond is zonde, schuld, vervreemding van God, oordeel en verlorenheid.

De genezing waar Jesaja 53 in zijn diepste betekenis over spreekt, is allereerst de herstelling van de breuk tussen God en zondaren.

Lichamelijke genezing is niet los verkrijgbaar als bewijs dat je genoeg geloof hebt. En ze is ook niet gegarandeerd in dit leven alsof elke zieke christen eigenlijk al genezen zou moeten zijn.

De opstanding komt. De verlossing van het lichaam komt. Geen ziekte krijgt het laatste woord over wie in Christus is.

Maar dat betekent niet dat elke gelovige nu al uit elke ziekte wordt opgetild.

Wie dat wel beweert, moet niet alleen kijken naar triomfantelijke teksten, maar ook naar Trofimus, Timotheüs, Epafroditus, Paulus’ doorn, het zuchten van de schepping en de werkelijkheid van het sterven.

 

De grote schade: valse hoop in Gods Naam

Het ergste aan deze charismatische genezingsclaims is niet dat mensen hoop hebben.

Hoop is kostbaar.

Het ergste is dat mensen hoop krijgen op basis van woorden die God niet gesproken heeft.

Dat is geen kleine fout. Dat raakt aan Gods Naam.

Wanneer iemand zegt: “U bent genezen”, terwijl God dat niet aantoonbaar heeft gedaan, wordt Gods Naam verbonden aan menselijke overmoed. De zieke denkt: God heeft mij genezen. De familie denkt: God heeft gesproken.

De gemeente denkt: hier is een wonder gebeurd.

En als de ziekte daarna doorgaat, komt de verwarring.

Heeft God Zich bedacht?
Was de genezing tijdelijk?
Heeft satan het gestolen?
Hebben wij gefaald?
Was er verborgen zonde?
Was er ongeloof?
Waarom heeft God dit toegelaten?

Maar de vraag die veel eerder gesteld had moeten worden, is deze:

Wie gaf die genezer het recht om dit namens God uit te spreken?

Dat is de vraag die bijna nooit gesteld mag worden.

Want wie die vraag stelt, wordt al snel weggezet als kritisch, ongelovig, rationeel, koud, religieus, tegen de Geest of vijandig tegenover genezing.

Maar Bijbelvaste toetsing is geen ongeloof.
Toetsing is gehoorzaamheid.

 

Toetsing is geen zonde

In charismatische kringen wordt toetsing vaak verdacht gemaakt. Je mag niet “negatief spreken”. Je moet “ontvangen”. Je moet “in geloof blijven staan”. Je moet “de atmosfeer niet verstoren”. Je moet “niet redeneren”.

Maar de Bijbel roept dus op tot toetsen.

Niet alles wat geestelijk klinkt, komt van de Geest van God. Niet iedereen die met kracht spreekt, spreekt waarheid. Niet ieder “woord van kennis” is kennis. Niet iedere genezingsclaim is genezing. Niet ieder indrukwekkend podiummoment is een werk van God.

Een Bijbelvaste toets is eenvoudig:

Is de ziekte weg?
Is er medische bevestiging?
Is de claim controleerbaar?
Komt de uitspraak uit?
Wordt de zieke vrijgelaten of onder druk gezet?
Wordt Christus verheerlijkt of de genezer?
Wordt de Schrift recht gedaan of misbruikt?
Wordt er nederig gebeden of hoogmoedig verklaard?

Waar die vragen niet welkom zijn, is iets grondig mis.

Waar toetsing verboden wordt, krijgt misleiding ruimte.

 

“Raak Mijn gezalfde niet aan” is geen vrijbrief voor geestelijke onverantwoordelijkheid

Vaak wordt kritiek op bekende genezers afgeweerd met teksten als:

“Raak Mijn gezalfde niet aan.”

Maar dat is misbruik van de Schrift.

Niemand staat boven toetsing. Geen spreker, geen apostel, geen profeet, geen genezer, geen voorganger, geen bediening, geen beweging.

Als iemand publiekelijk zieken genezen verklaart, mag hij publiekelijk getoetst worden.

Wie grote woorden spreekt, moet grote toetsing verdragen.

En als blijkt dat iemand mensen genezen verklaart die later aan dezelfde ziekte overlijden, dan is de vraag niet of wij wel eerbiedig genoeg zijn voor zijn bediening.

De vraag is of zijn bediening wel eerbiedig genoeg is voor Gods Naam, Gods Woord en Gods kwetsbare kinderen.

 

De vrome taal maakt het niet minder ernstig

Juist de vrome taal maakt dit gevaarlijk.

Niemand zegt: “Ik geef u valse hoop.”
Niemand zegt: “Ik weet eigenlijk niet zeker of God dit doet.”
Niemand zegt: “Ik gebruik religieuze suggestie in een emotioneel geladen omgeving.”

Nee, men zegt:

“De Heilige Geest laat mij zien…”
“De Heer zegt…”
“Ik spreek genezing uit…”
“Ontvang het…”
“Het is volbracht…”
“De kanker moet wijken…”
“U bent genezen in Jezus’ Naam…”

Maar vrome woorden maken een onware uitspraak niet waar.

Sterker nog: vrome woorden kunnen een onware uitspraak extra gevaarlijk maken, omdat de zieke niet meer durft te twijfelen aan de spreker zonder te vrezen dat hij aan God twijfelt.

Dat is geestelijke druk.

En die druk hoort niet bij de goede Herder.

 

De goede Herder breekt het gekrookte riet niet

Christus gaat anders om met lijdende mensen.

Hij verplettert hen niet onder geloofsprestaties. Hij maakt van ziekte geen examen waarbij de uitslag afhangt van de intensiteit van je verwachting. Hij legt op stervende gelovigen geen extra last: “Als je maar genoeg gelooft, hoef je niet te sterven.”

De Heere is nabij in ziekte.
Hij is nabij in angst.
Hij is nabij in pijn.
Hij is nabij in chemo, bestraling, ziekenhuisbedden, slapeloze nachten en stille tranen.
Hij is nabij wanneer genezing komt.
En Hij is nabij wanneer genezing uitblijft.

Dat is geen zwak evangelie.

Dat is een dieper evangelie dan de glitter van genezingspodia.

Want de troost van Christus is niet afhankelijk van een geslaagde genezingsdienst. De hoop van de gelovige rust niet op een man met een microfoon, maar op de gekruisigde en opgestane Heere.

 

De dood van een gelovige is geen nederlaag van God

Wanneer een gelovige sterft aan kanker, is dat niet omdat kanker sterker is dan God.

Het is ook niet automatisch omdat iemand te weinig geloof had.
Niet omdat de familie verkeerd bad.
Niet omdat de gemeente onvoldoende verwachting had.
Niet omdat een genezing “geroofd” werd.

Een gelovige sterft omdat wij nog leven in een wereld waarin de dood nog werkelijkheid is. Maar voor wie in Christus is, heeft de dood niet het laatste woord.

Dat is het verschil tussen Bijbelse hoop en charismatische overmoed.

Charismatische overmoed zegt:

“Je hoeft niet ziek te zijn. Je hoeft niet te sterven. Claim je genezing.”

Bijbelse hoop zegt:

“God kan genezen. Maar ook als het lichaam sterft, is Christus de Opstanding en het Leven.”

Dat tweede klinkt misschien minder spectaculair op een podium. Maar het houdt wel stand bij een graf.

 

Een graf ontmaskert veel podiumtaal

Er is weinig zo ontnuchterend als een graf.

Een graf prikt door opgeklopte taal heen.
Een graf laat zien welke woorden standhouden.
Een graf vraagt niet naar sfeer, muziek, handoplegging of kippenvel.
Een graf vraagt: was het waar?

Als iemand genezen is verklaard en later aan dezelfde ziekte overlijdt, dan heeft het graf de claim ontmaskerd.

Niet God is ontmaskerd.
Niet het evangelie is ontmaskerd.
Niet de kracht van Christus is ontmaskerd.

De menselijke pretentie is ontmaskerd.

En dat moet gezegd worden.

Juist uit liefde voor zieken. Juist uit eerbied voor God. Juist uit zorg voor families die anders achterblijven met schuld, twijfel en geestelijke verwarring.

 

Noem het wat het is

We moeten ophouden met nette woorden voor geestelijke roekeloosheid.

Een zieke genezen verklaren zonder dat God aantoonbaar genezen heeft, is geen geloof.
Het is overmoed.

Een kankerdiagnose vanaf het podium benoemen en daarna iemand genezen verklaren zonder controleerbare werkelijkheid, is geen bewijs van apostolische kracht.
Het is gevaarlijk religieus theater.

Een stervende gelovige achterlaten met de gedachte dat hij zijn genezing misschien niet goed heeft vastgehouden, is geen pastorale zorg.
Het is geestelijke beschadiging.

Een mislukte genezingsclaim achteraf vergeestelijken, is geen diepe uitleg.
Het is damage control.

En Gods Naam verbinden aan een uitspraak die niet waar blijkt te zijn, is geen zalving.
Het is ijdel gebruik van Gods Naam.

 

Wat had men dan moeten zeggen?

Heel eenvoudig.

Men had mogen bidden.

Men had mogen zeggen:

“Broeder, wij bidden dat de Heere Zich over u ontfermt. Wij vragen om genezing. Wij vertrouwen Zijn macht. Wij leggen u in Zijn handen. En wat er ook gebeurt: Christus is getrouw.”

Dat is Bijbelvast.
Dat is eerlijk.
Dat is herderlijk.

Maar men had nooit mogen zeggen:

“U bent genezen.”

Tenzij het echt zo was.

En dan nog zou nederigheid passen. Laat medisch onderzoek het bevestigen. Laat de tijd het tonen. Laat God de eer krijgen zonder haastige podiumtriomf.

Echte genezing heeft geen marketing nodig.

 

De vraag aan iedere christen

Daarom moet iedere gelovige deze vraag eerlijk doordenken:

Wat geloof ik eigenlijk over ziekte, genezing en geloof?

Geloof ik dat God kan genezen?
Ja.

Geloof ik dat wij voor zieken mogen bidden?
Ja.

Geloof ik dat God soms wonderlijk ingrijpt?
Ja.

Maar geloof ik dat iedere zieke gelovige nu recht heeft op lichamelijke genezing?
Nee.

Geloof ik dat een genezer iemand zomaar genezen mag verklaren zonder aantoonbare werkelijkheid?
Nee.

Geloof ik dat uitblijvende genezing op het conto van de zieke mag worden gezet?
Nee.

Geloof ik dat de Schrift ruimte laat voor lijden, ziekte, zwakheid en sterven van gelovigen?
Ja.

Geloof ik dat Christus ook daarin genoeg is?
Ja.

En precies daar ligt het verschil tussen Bijbels geloof en charismatische verwarring.

 

Een scherpe conclusie

De vraag is dus niet of God kan genezen.

Natuurlijk kan God genezen.

De vraag is of mensen het recht hebben om namens God genezing uit te spreken wanneer God die genezing niet aantoonbaar geeft.

En het antwoord is: nee.

Een man met prostaatkanker naar voren roepen, hem genezen verklaren, en hem later aan prostaatkanker zien overlijden, is geen klein pastoraal misverstand. Het is een ernstige geestelijke ontsporing.

Daar mag de kerk niet omheen praten.

Want achter elke mislukte genezingsclaim staat geen abstract debat, maar een mens. Een gezin. Een sterfbed. Een graf. En vaak een spoor van verwarring dat nog jaren blijft liggen.

Daarom moet dit hardop gezegd worden:

 

Wie namens God genezing uitspreekt die God niet geeft, geneest geen zieken maar verwondt gewetens.

 

En nog scherper:

 

Een genezingsdienst die eindigt in schuld, verwarring en een graf, heeft geen bewijs geleverd van Gods kracht, maar van charismatische overmoed.

 

De hoop van de zieke gelovige ligt niet in een genezingsdienst. Niet in een “woord van kennis”. Niet in een bekende gebedsgenezer. Niet in een sfeer van verwachting. Niet in een uitgesproken claim.

De hoop van de zieke gelovige ligt in Christus.

Hij kan genezen.
Hij mag genezen.
Hij geeft soms genezing.

Maar als Hij niet geneest, is Hij nog stééds de goede Herder.

 

En wie in Zijn hand sterft, is niet mislukt. Die is niet tekortgeschoten. Die heeft geen nederlaag geleden door gebrek aan geloof.

Die is geborgen.

Niet omdat een genezer hem genezen verklaarde.

Maar omdat Christus Zijn eigendom nooit loslaat, ook niet door ziekte, kanker, dood en graf heen.

Zie ook

Is lichamelijke genezing inbegrepen in de verzoening? – Bijbelse basis

Moderne claims op lichamelijke genezing: Bijbels of misleidend? – Bijbelse basis

Genezingscampagne of het Evangelie? – Bijbelse basis

Genezingsbedieningen? – Bijbelse basis

(extern)

‘God geneest’-claim mag niet op flyer, wel online | Trouw

Minister waarschuwt voor controversiële gebedsgenezer Tom de Wal | NPO Radio 1

Zijn genezingsclaims van gebedsgenezers schadelijk?

Op zoek naar een wonder tijdens genezingsdienst Jan Zijlstra – Omroep Gelderland

 

Geverifieerd door MonsterInsights