De zwijgteksten van Paulus: mogen vrouwen spreken in de Gemeente?

Gods Woord gehoorzamen of passend maken bij onze tijd?

Er zijn Bijbelteksten waarbij ongeveer niemand zegt:

 “Dat gold alleen voor de eerste eeuw.”

Maar zodra een tekst botst met moderne opvattingen over man, vrouw, gezag en leiderschap, verschijnt opvallend snel het bekende:

“Ja, maar…”

Dat gebeurt misschien wel nergens zo duidelijk als bij de zogenoemde zwijgteksten van Paulus.

“Dat uw vrouwen in de Gemeenten zwijgen; want het is haar niet toegelaten te spreken, maar bevolen onderworpen te zijn, gelijk ook de wet zegt. En zo zij iets willen leren, laat haar te huis haar eigen mannen vragen; want het staat lelijk voor de vrouwen, dat zij in de Gemeente spreken.” (1 Korinthe 14:34-35, STV)

En:

“Een vrouw late zich leren in stilheid, in alle onderdanigheid. Doch ik laat de vrouw niet toe, dat zij lere, noch over den man heerse, maar wil, dat zij in stilheid zij.” (1 Timotheüs 2:11-12, STV)

Dat klinkt voor ons niet echt eigentijds….

En misschien ligt daar wel de echte beproeving van onze opvattingen over Schriftgezag.

Geloven we dat de Bijbel Gods Woord is zolang hij zegt wat wij toch al acceptabel vonden? Of mag Gods Woord ook onze moderne overtuigingen corrigeren?

Maar er is tegelijkertijd een waarschuwing nodig voor de andere kant. Want ook een traditionele uitleg kan meer in een tekst leggen dan er werkelijk staat.

De vraag is dus niet:

wat wil links of rechts hiervan maken?

De vraag is:

Wat staat er echt?

 

vrouwen zwijgen in de gemeente?
De zwijgteksten van Paulus

Wat betekent “zwijgen” in 1 Korinthe 14?

Als Korinthe 14:34 geïsoleerd geciteerd wordt, lijkt de conclusie eenvoudig: vrouwen moeten tijdens de gemeentelijke samenkomst hun klep houden.

Maar zo eenvoudig ligt het niet.

Een paar hoofdstukken eerder schrijft Paulus namelijk:

“Maar een iedere vrouw, die bidt of profeteert met ongedekten hoofde, onteert haar eigen hoofd…” (1 Korinthe 11:5, STV)

Wat we verder ook van de hoofdbedekking en het profeteren vinden, één ding kunnen we moeilijk ontkennen: Paulus spreekt over vrouwen die bidden en profeteren.

Daarmee wordt een uitleg van absoluut “zwijgen” problematisch.

Als Paulus in hoofdstuk 11 rekening houdt met een vrouw die bidt of profeteert, kan hij in hoofdstuk 14 moeilijk bedoelen dat een vrouw onder geen enkele omstandigheid één woord hoorbaar zou mogen uitspreken.

We moeten dus naar de context.

 

Paulus laat meer mensen zwijgen

En hier wordt het interessant.

Het woord “zwijgen” wordt in 1 Korinthe 14 namelijk helemaal niet uitsluitend voor vrouwen gebruikt.

Over iemand die in een vreemde taal spreekt terwijl er geen uitlegger aanwezig is, schrijft Paulus:

“Maar zo er geen uitlegger is, dat hij zwijge in de Gemeente; doch dat hij tot zichzelven spreke, en tot God.” (1 Korinthe 14:28, STV)

Even later gaat het over profeten:

“Doch indien een ander, die er zit, iets geopenbaard is, dat de eerste zwijge.” (1 Korinthe 14:30, STV)

En daarna pas:

“Dat uw vrouwen in de Gemeenten zwijgen…” (1 Korinthe 14:34, STV)

Dat plaatst de zwijgtekst ineens in een veel duidelijker kader.

De spreker in een vreemde taal moet onder bepaalde omstandigheden zwijgen.

Een profeet moet onder bepaalde omstandigheden zwijgen.

En vrouwen wordt binnen diezelfde geordende samenkomst eveneens opgedragen te zwijgen.

“Zwijgen” betekent in dit hoofdstuk dus niet automatisch: de betreffende persoon mag tijdens een samenkomst nooit enig woord uitspreken.

Het gaat over orde.

 

God is geen God van verwarring

Dat is de hele context van 1 Korinthe 14.

Paulus behandelt een samenkomst waarin gesproken, geprofeteerd en in talen gesproken wordt. Maar geestelijke activiteit is geen vrijbrief voor chaos.

Hij schrijft:

“Want God is geen God van verwarring, maar van vrede, gelijk in al de Gemeenten der heiligen.” (1 Korinthe 14:33, STV)

En het hoofdstuk eindigt met:

“Laat alle dingen eerlijk en met orde geschieden.” (1 Korinthe 14:40, STV)

Daar moeten we de zwijgteksten dus in plaatsen.

Het probleem wordt niet opgelost door eenvoudig te zeggen:

“Vrouwen mogen nooit spreken.”

Maar evenmin door te zeggen:

“Dat was toen en heeft ons niets meer te zeggen.”

Beide reacties zijn te kort door de bocht

1 Timotheüs 2 maakt het moeilijker om weg te redeneren

Wie vervolgens 1 Timotheüs 2 leest, ontdekt dat Paulus nog specifieker wordt.

“Doch ik laat de vrouw niet toe, dat zij lere, noch over den man heerse, maar wil, dat zij in stilheid zij.” (1 Timotheüs 2:12, STV)

Nu gaat het niet maar over spreken.

Paulus noemt leren en over de man heersen.

Dat maakt het moeilijk om de zwijgteksten uitsluitend te verklaren vanuit wanorde tijdens de samenkomsten in Korinthe.

Maar dan gebeurt iets wat voor de hedendaagse discussie nog belangrijker is.

Paulus vertelt namelijk zelf waarom hij deze orde geeft.

 

Paulus beroept zich niet op de cultuur maar op de schepping

Direct na zijn woorden over leren en gezag schrijft Paulus:

“Want Adam is eerst gemaakt, daarna Eva.” (1 Timotheüs 2:13, STV)

En vervolgens:

“En Adam is niet verleid geworden; maar de vrouw, verleid zijnde, is in overtreding geweest.” (1 Timotheüs 2:14, STV)

Dat maakt het populaire argument dat Paulus uitsluitend rekening hield met de cultuur van zijn tijd behoorlijk lastig.

Paulus schrijft niet:

“Want zo hoort dat in onze cultuur.”

Hij schrijft niet:

“Want vrouwen hebben in Efeze onvoldoende onderwijs genoten.”

Hij schrijft niet:

“Want de maatschappelijke verhoudingen laten op dit moment niets anders toe.”

Hij gaat terug naar Adam en Eva.

Naar Genesis.

Naar de schepping.

Je kunt natuurlijk proberen aannemelijk te maken dat bijzondere omstandigheden in Efeze een rol speelden. Maar je kunt vervolgens niet doen alsof Paulus zelf zijn argument daarop baseert.

Dat doet hij niet.

En daar begint het bekende

“Ja, maar…”

gevaarlijk te worden.

 

Wie bepaalt eigenlijk wat cultureel bepaald is?

Want waar eindigt dat argument?

Wanneer een Bijbelse opdracht die ons niet bevalt cultureel bepaald wordt genoemd, moeten we een objectief criterium hebben waarmee we dat kunnen aantonen.

Anders wordt “cultureel bepaald” slechts een keurige kerkelijke uitdrukking voor:

“Wij vinden dit tegenwoordig niet meer acceptabel.”

En dan hebben we een levensgroot probleem.

Want dan bepaalt de cultuur dus welke gedeelten van de Bijbel nog gezag hebben.

Niet de Schrift beoordeelt onze cultuur.

Onze cultuur beoordeelt de Schrift.

Dat is precies de verkeerde volgorde.

 

Gelijkheid betekent niet dat iedere functie identiek is

Een ander veelgehoord argument is dat man en vrouw in Christus gelijk zijn.

Dat is waar.

Paulus schrijft:

“Daarin is noch Jood noch Griek; daarin is noch dienstbare noch vrije; daarin is geen man en vrouw; want gij allen zijt één in Christus Jezus.” (Galaten 3:28, STV)

Maar wat bewijst deze tekst?

Dat alle gelovigen dezelfde positie in Christus hebben.

Niet dat alle onderlinge verschillen in verantwoordelijkheid, roeping en functie opgeheven zijn.

De Jood houdt na zijn bekering immers niet op een Jood te zijn en de Griek houdt niet op een Griek te zijn. Een man houdt evenmin op man te zijn en een vrouw houdt niet op vrouw te zijn.

Gelijke waarde is niet hetzelfde als identieke functie.

Dat onderscheid zijn we in onze tijd grotendeels verleerd.

We denken al snel dat verschil automatisch ongelijkheid betekent en dat gezag automatisch onderdrukking inhoudt.

Maar dat is geen Bijbels uitgangspunt.

 

Onderdanigheid betekent geen minderwaardigheid

Dat wordt nog duidelijker in 1 Korinthe 11:

“Doch ik wil, dat gij weet, dat Christus het Hoofd is eens iegelijken mans, en de man het hoofd der vrouw, en God het Hoofd van Christus.” (1 Korinthe 11:3, STV)

Als onderdanigheid noodzakelijk minderwaardigheid betekent, krijgen we hier onmiddellijk een enorm leerstellig probleem.

Paulus noemt immers ook God het Hoofd van Christus.

Orde betekent dus niet dat degene die zich onderwerpt minder waard is.

En gezag betekent Bijbels evenmin dat degene aan wie verantwoordelijkheid gegeven wordt belangrijker is.

En daar heeft menselijke hoogmoed veel schade veroorzaakt.

De Bijbelse orde is geen vrijbrief voor mannen om over vrouwen te heersen alsof zij geestelijk tweederangs zijn.

Maar misbruik van een Bijbelse waarheid maakt die waarheid nog niet onwaar.

 

De zwijgteksten gaan niet over de waarde van vrouwen

Dat moeten we nadrukkelijk vaststellen.

Nergens leert Paulus dat een vrouw geestelijk minderwaardig zou zijn.

Integendeel, het Nieuwe Testament kent tal van vrouwen die actief betrokken zijn bij het werk van het Evangelie.

Het probleem ontstaat wanneer we vanuit hun belangrijke plaats vervolgens concluderen dat iedere functie daarom voor iedereen identiek moet zijn.

Die conclusie volgt niet automatisch.

De vraag bij 1 Timotheüs 2 is niet of vrouwen bekwaam, intelligent, geestelijk volwassen of waardevol kunnen zijn.

De vraag is wat Paulus leert over orde, leren en gezag binnen de Gemeente.

Dat zijn verschillende vragen.

Wie ze door elkaar haalt, krijgt onvermijdelijk verwarring.

 

En wat betekent dit voor vrouwelijke voorgangers?

Hier wordt het wel spannend.

Want 1 Timotheüs 2 staat niet ergens geïsoleerd.

Onmiddellijk daarna behandelt Paulus in 1 Timotheüs 3 het opzienerschap:

“Dit is een getrouw woord: zo iemand tot eens opzieners ambt lust heeft, die begeert een treffelijk werk.” (1 Timotheüs 3:1, STV)

En vervolgens:

“Een opziener dan moet onberispelijk zijn, ener vrouwe man…” (1 Timotheüs 3:2, STV)

Dat volgt direct op het gedeelte waarin Paulus grenzen stelt aan het leren en gezag uitoefenen over de man.

Die samenhang mogen we niet negeren.

Wanneer tegenwoordig wordt beweerd dat het geslacht van een voorganger of opziener principieel geen enkele rol meer kan spelen, moeten we daarom niet allereerst vragen of dat maatschappelijk wenselijk is.

We moeten vragen:

Hoe wordt die conclusie uit deze teksten afgeleid?

Dat is dus een andere vraag.

 

Maar dan moeten traditionele christenen óók consequent zijn

Nu komt de andere kant.

Want het is makkelijk om 1 Timotheüs 2:12 als een hamer te gebruiken en vervolgens 1 Korinthe 11:5 zorgvuldig te vergeten.

Dat mag evenmin.

Paulus spreekt daar daadwerkelijk over een vrouw die bidt of profeteert.

Wie dus beweert:

“Een vrouw mag tijdens een samenkomst onder geen enkele omstandigheid hoorbaar spreken”,

moet óók uitleggen waarom Paulus enkele hoofdstukken eerder spreekt over een vrouw die bidt en profeteert.

We mogen niet tegen moderne christenen zeggen dat zij moeilijke teksten moeten laten staan, terwijl we vervolgens zelf een tekst die niet in ons traditionele systeem past stilletjes overslaan.

Ook conservatisme kent zijn “Ja, maar…”

Dat is misschien minder populair om te zeggen, maar het is wel eerlijk.

 

Schriftgezag werkt naar twee kanten

Daarom moeten we deze discussie niet voeren als een wedstrijd tussen progressief en conservatief.

De Bijbel behoort aan geen van beide kampen.

De echte en belangrijke vraag is:

Mag de Schrift ons allemaal corrigeren?

De moderne lezer moet bereid zijn te erkennen dat Paulus zijn onderwijs over man en vrouw niet eenvoudig opzij laat zetten door onze huidige culturele opvattingen.

De traditionele lezer moet bereid zijn te erkennen dat “zwijgen” niet zonder meer gelijkgesteld kan worden aan een absoluut verbod voor iedere vrouw om tijdens iedere samenkomst iets te zeggen.

We moeten alle Schriftgegevens laten staan.

Ook wanneer dat ons eigen systeem minder overzichtelijk maakt.

 

Misschien leggen we wel de verkeerde persoon het zwijgen op

En daar zit een wrange ironie in de hele discussie over de zwijgteksten.

Aan de ene kant worden deze teksten soms gebruikt om vrouwen veel meer beperkingen op te leggen dan de tekst werkelijk zegt.

Aan de andere kant worden de teksten zo cultureel gerelativeerd dat Paulus uiteindelijk zelf niets meer mag zeggen.

De ene kant laat de vrouw zwijgen waar Paulus dat niet noodzakelijk doet.

De andere kant laat Paulus zwijgen waar hij juist heel duidelijk spreekt.

Beide zijn problematisch.

Want uiteindelijk heeft niet onze cultuur het laatste woord.

Ook onze kerkelijke traditie niet.

En onze persoonlijke voorkeur evenmin.

 

Het gevaarlijke “Ja, maar…” keert terug

Daarmee zijn we terug bij de kern.

“Ja, Paulus zegt dat wel, maar…”

“Ja, 1 Timotheüs 2 staat er wel, maar…”

“Ja, Paulus verwijst naar Adam en Eva, maar…”

We moeten ontzettend voorzichtig worden wanneer onze uitleg voornamelijk bestaat uit argumenten waarom een Bijbeltekst niet kan of mag betekenen wat er kennelijk staat.

Soms is uitleg noodzakelijk.

Context is noodzakelijk.

Taalstudie kan noodzakelijk zijn.

Schrift met Schrift vergelijken is noodzakelijk.

Maar uitleg behoort duidelijk te maken wat de Schrift zegt, niet hoe wij eraan kunnen ontsnappen.

Dat verschil is beslissend.

 

De Bijbel hoeft niet met onze tijd mee te gaan

De zwijgteksten zijn veel meer dan een discussie over de positie van vrouwen in de Gemeente.

Ze stellen uiteindelijk een diepere vraag:

Wie heeft het hoogste gezag?

Onze cultuur?

Onze denominatie?

Onze persoonlijke ervaring?

Onze ideeën over gelijkheid?

Onze kerkelijke traditie?

Of het Woord van God?

Paulus sluit zijn behandeling van de orde in de samenkomst opvallend scherp af:

“Indien iemand meent een profeet te zijn, of geestelijk, die erkenne, dat hetgeen ik u schrijf, des Heeren geboden zijn.” (1 Korinthe 14:37, STV)

Dat vers verdient in deze discussie misschien wel veel meer aandacht dan het gewoonlijk krijgt.

Paulus zegt niet: dit zijn mijn persoonlijke voorkeuren als eerste-eeuwse Jood.

Hij beroept zich op het gezag des Heeren.

Daarom moeten we zorgvuldig uitleggen.

We moeten de context onderzoeken.

We moeten Schrift met Schrift vergelijken.

We moeten verkeerde toepassingen corrigeren.

Maar één ding niet:

Gods Woord passend maken bij onze tijd omdat onze tijd moeite heeft met Gods Woord.

Misschien is dat uiteindelijk wel de grootste ironie van de hele discussie over de zwijgteksten:

In onze poging te bepalen wanneer de vrouw moet zwijgen, moeten we ervoor oppassen dat we niet uiteindelijk Gods Woord Zelf het zwijgen opleggen.

 

Gods Woord verandert niet: de onveranderlijke waarheid van de Bijbel

De onveranderlijke waarheid in een veranderende wereld

Onze wereld heeft één groot geloofsartikel: alles verandert. Opvattingen veranderen, normen veranderen, wetenschap verandert, cultuur verandert. Wat gisteren nog vanzelfsprekend was, kan morgen achterhaald worden verklaard.

Dat denken is helaas ook diep het christendom binnengedrongen.

“Ja, dat staat wel in de Bijbel, maar…”

Wat na dat “maar” komt, verschilt.

“Dat was voor die tijd.”

“Dat gold alleen voor Israël.”

“Dat moet je tegenwoordig anders lezen.”

“De cultuur is veranderd.”

“Paulus wist toen nog niet alles.”

Of:

“God doet nu iets nieuws.”

Maar daarmee komen we bij een fundamentele vraag: is Gods Woord echt de onveranderlijke waarheid van de onveranderlijke God, of moet de Bijbel voortdurend worden aangepast aan de veranderlijke mens?

Johannes begint zijn Evangelie niet bij de mens, maar bij God:

“In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God.” (Johannes 1:1, STV)

Dát is het uitgangspunt: God heeft gesproken.

En wat God gesproken heeft, blijft staan.

de Bijbel is betrouwbaar
Gods Woord verandert niet

Geloof in God is geloof in Zijn Woord

“Geloof in God” wordt tegenwoordig gemakkelijk gereduceerd tot geloven dat er ergens “iets” of “Iemand” boven ons bestaat. Maar Bijbels geloof gaat veel verder.

God maakt Zich bekend doordat Hij spreekt.

Dat zien we onmiddellijk aan het begin van de Schrift:

“En God zeide: Daar zij licht; en daar werd licht.” (Genesis 1:3, STV)

God spreekt en er gebeurt iets. Zijn Woord is geen vrijblijvende gedachte, suggestie of religieuze inspiratie. Zijn Woord heeft gezag.

Daarom betekent geloven in God niet slechts geloven dat God bestaat, maar vertrouwen op wat God gesproken heeft.

Dat maakt onze omgang met de Bijbel zo ernstig. Wie zegt in God te geloven maar ondertussen Zijn Woord voortdurend corrigeert, relativeert of aanpast, moet zich afvragen waarin hij eigenlijk gelooft.

Een zelfgemaakte god die altijd precies zegt wat wij zelf al vonden, is immers niet de God Die spreekt. Het is onze eigen stem met een religieus etiket erop.

 

De God Die spreekt verandert niet

Gods Woord is betrouwbaar omdat Degene Die spreekt betrouwbaar en onveranderlijk is.

Over de Here Jezus Christus lezen we:

“Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en in der eeuwigheid.” (Hebreeën 13:8, STV)

Dat betekent niet dat God door de hele heilsgeschiedenis heen op precies dezelfde wijze met mensen handelt. De Bijbel laat verschillende tijden, bedelingen, verantwoordelijkheden en onderscheiden roepingen zien.

Maar dat is iets heel anders dan beweren dat God Zijn voornemen verandert omdat Zijn eerdere plan mislukt is.

God werkt Zijn voornemen in de geschiedenis in verschillende fasen uit. Die geschiedenis loopt Hem echter niet uit de hand. Hij werd niet verrast door het ongeloof van Israël. Hij werd niet overvallen door de verwerping van Christus. En de Gemeente is geen goddelijk noodverband omdat een eerder plan mislukte.

Paulus spreekt juist over:

“Naar het eeuwig voornemen, dat Hij gemaakt heeft in Christus Jezus, onzen Heere;” (Efeze 3:11, STV)

Let op dat ene woord: eeuwig.

Geen geïmproviseerd voornemen. Geen plan B. Geen noodgreep.

Een eeuwig voornemen.

 

Israël werd niet vervangen, God bedacht Zich niet!

Hier wordt de onveranderlijkheid van Gods Woord onmiddellijk belangrijk voor onze uitleg van de Bijbel.

Een groot deel van de verwarring rond Israël en de Gemeente ontstaat wanneer men redeneert alsof Gods beloften afhankelijk zouden zijn van menselijke betrouwbaarheid.

Israël was ongelovig. Christus werd verworpen. Dus, zo luidt dan vervolgens de redenering, is God verdergegaan met de kerk en zijn de beloften aan Israël voortaan geestelijk op de kerk van toepassing.

Maar dan ontstaat een enorm probleem.

Als Gods concrete beloften aan Israël vanwege Israëls ontrouw uiteindelijk iets anders kunnen gaan betekenen, waarom zouden Gods beloften aan de Gemeente dan wel betrouwbaar zijn?

Gods trouw rust gelukkig niet op Israëls trouw.

Paulus stelt zelf de vraag:

“Want wat is het, al zijn sommigen ongelovig geweest? Zal hun ongelovigheid het geloof van God te niet doen? Dat zij verre.” (Romeinen 3:3-4, STV)

Menselijk ongeloof kan Gods Woord niet herschrijven.

Dat betekent uiteraard niet dat iedere Israëliet automatisch behouden wordt. Ongeloof blijft ongeloof. Maar Gods beloften aan Israël worden niet ineens eigendom van iemand anders omdat Israël ongelovig is geweest.

God vergeet niet wat Hij gesproken heeft.

 

Ook de bedelingenleer mag Gods Woord niet versnipperen

Het andere uiterste is evenmin gezond.

Het Bijbelse onderscheid tussen Israël en de Gemeente mag niet ontaarden in een systeem waarin steeds grotere gedeelten van de Bijbel praktisch buiten werking worden gesteld.

Dan horen we een andere versie van hetzelfde

“ja, maar”:

“Dat staat er wel, maar dat was vóór Paulus.”

Of:

“Paulus schreef dat wel, maar dat was vóór zijn gevangenschap.”

En voordat we het weten, vragen we niet meer wat Gods Woord ons leert, maar zoeken we vooral naar redenen waarom een bepaald Schriftgedeelte niet meer relevant zou zijn.

Onderscheiden is iets anders dan wegstrepen.

Israël is niet de Gemeente.

De Gemeente is niet Israël.

Maar beide staan binnen het ene soevereine voornemen van de God Die van den beginne gesproken heeft.

Een gezonde leer maakt Gods Woord niet kleiner, maar helpt juist om Gods verschillende handelingen binnen Zijn ene onveranderlijke voornemen te onderscheiden.

 

De Gemeente is géén noodoplossing

Dit is daarom ook belangrijk voor het verstaan van de Gemeente.

Wanneer Paulus over de verborgenheid en de bijzondere roeping van de Gemeente spreekt, presenteert hij haar niet als een oplossing die God bedacht nadat Israël Christus had verworpen.

Integendeel.

Hij spreekt over het eeuwig voornemen van God.

De Gemeente behoort dus niet tot Gods reparatiewerk. Haar roeping lag besloten in Zijn voornemen, ook toen die verborgenheid nog niet openbaar gemaakt was.

Daarmee vervallen twee tegenovergestelde dwalingen.

We hoeven Israël niet door de Gemeente te vervangen.

En we hoeven de Gemeente evenmin tot Israël te maken.

God weet Zelf heel goed wat Hij beloofd heeft, aan wie Hij het beloofd heeft en hoe Hij Zijn beloften zal vervullen.

 

De Bijbel vertelt meer dan alleen geschiedenis

Dat brengt ons bij een fascinerend kenmerk van de Schrift.

De oudtestamentische geschiedenissen zijn niet slechts verslagen van gebeurtenissen uit een ver verleden. Zij bevatten ook onderwijs voor latere generaties.

Paulus schrijft:

“En deze dingen alle zijn hunlieden overkomen tot voorbeelden; en zijn beschreven tot waarschuwing van ons, op dewelke de einden der eeuwen gekomen zijn.” (1 Korinthe 10:11, STV)

Dat zien we bijvoorbeeld wanneer Paulus in Galaten 4 teruggrijpt op Abraham, Sara, Hagar, Izak en Ismaël. Historische personen en gebeurtenissen blijken tegelijkertijd grotere geestelijke waarheden te illustreren.

Daarom is nauwkeurige Bijbelstudie zo belangrijk.

Wie alleen losse teksten verzamelt, mist de patronen.

Wie eerst een kerkelijk dogma vaststelt en dat daarna over de Bijbel legt, vindt vooral zijn eigen systeem terug.

Maar wie Schrift met Schrift vergelijkt, ontdekt hoe vroeg God lijnen heeft uitgezet die pas veel later volledig zichtbaar worden.

 

Gods Woord is leven

Johannes gaat verder:

“In Hetzelve was het Leven, en het Leven was het Licht der mensen.” (Johannes 1:4, STV)

Let op de samenhang:

Woord – leven – licht.

God spreekt en Zijn Woord brengt leven.

Daarom is het Evangelie niet slechts informatie over redding. Paulus schrijft:

“Want ik schaam mij des Evangelies van Christus niet; want het is een kracht Gods tot zaligheid een iegelijk, die gelooft…” (Romeinen 1:16, STV)

Het Evangelie vertelt niet alleen over Gods reddende kracht. Het is de boodschap waardoor de mens tot geloof geroepen wordt.

Petrus verbindt wedergeboorte eveneens rechtstreeks met het Woord:

“Gij, die wedergeboren zijt, niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad, door het levende en eeuwig blijvende Woord van God.” (1 Petrus 1:23, STV)

Daar ligt dezelfde lijn:

God spreekt → de mens hoort → de mens gelooft → Gods Woord brengt leven.

Daarom is het zo merkwaardig wanneer christenen voortdurend zoeken naar iets naast het Woord om hun geestelijk leven werkelijk kracht te geven.

Een nieuwe ervaring.

Een nieuwe zalving.

Een nieuwe profetie.

Een persoonlijk woord.

Een bijzondere manifestatie.

Een nieuwe methode.

Maar ondertussen blijft dan de Bijbel dicht.

Alsof het levende en eeuwig blijvende Woord van God niet genoeg zou zijn.

 

Het Woord brengt licht in een donkere wereld

Het leven wordt vervolgens het Licht der mensen genoemd:

“En het Licht schijnt in de duisternis, en de duisternis heeft hetzelve niet begrepen.” (Johannes 1:5, STV)

De wereld verkeert niet in duisternis omdat er onvoldoende menselijke informatie beschikbaar is.

We beschikken over universiteiten, wetenschappers, filosofen, bibliotheken, internet en een vrijwel onbeperkte hoeveelheid kennis.

En toch blijft de fundamentele duisternis bestaan.

Waarom?

Omdat het probleem in essentie niet een gebrek aan informatie is, maar de afwijzing van Gods openbaring.

Een samenleving kan technologisch steeds slimmer worden en geestelijk tegelijkertijd steeds verder verdwalen.

Licht komt niet uit de mens.

Het Licht komt van God.

 

Johannes bracht geen nieuwe waarheid

Daarom verschijnt Johannes de Doper in Johannes 1 niet als uitvinder van een nieuwe godsdienst:

“Hij was het Licht niet, maar was gezonden, opdat hij van het Licht getuigen zou.” (Johannes 1:8, STV)

Johannes getuigde.

Dat is ook vandaag een heilzame correctie voor iedereen die meent namens God te moeten spreken.

De taak van een prediker is niet om Gods Woord interessanter te maken.

Niet om nieuwe openbaringen aan de Bijbel toe te voegen.

Niet om voortdurend met “God zei tegen mij” gezag voor persoonlijke gedachten op te eisen.

Niet om een “woord voor deze tijd” te produceren dat bij nader onderzoek nauwelijks in het geschreven Woord terug te vinden is.

Wij hebben geen gebrek aan nieuwe woorden van God.

Wij hebben doorgaans een schrijnend gebrek aan kennis van het Woord dat Hij al gegeven heeft.

 

“Het Woord is vlees geworden”

Dan komen we bij een van de bekendste uitspraken van Johannes:

“En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond…” (Johannes 1:14, STV)

Deze woorden worden vrijwel altijd gelezen als een technische omschrijving van de geboorte van Christus te Bethlehem. Maar binnen de gedachtegang van Johannes verdient ook de bredere betekenis aandacht: het Woord van God krijgt gestalte; hetgeen God gesproken en beloofd heeft, wordt werkelijkheid.

Wat God gesproken heeft, blijft niet als een onvervulde belofte in de lucht hangen.

Hij brengt Zijn Woord tot vervulling.

Dat sluit rechtstreeks aan bij het begin van de eerste brief van Johannes.

 

Het Leven is geopenbaard

Johannes schrijft:

“Hetgeen van den beginne was, hetgeen wij gehoord hebben, hetgeen wij gezien hebben met onze ogen, hetgeen wij aanschouwd hebben, en onze handen getast hebben, van het Woord des levens;” (1 Johannes 1:1, STV)

En vervolgens:

“Want het Leven is geopenbaard, en wij hebben het gezien, en wij getuigen, en verkondigen ulieden dat eeuwige Leven, hetwelk bij den Vader was, en ons is geopenbaard.” (1 Johannes 1:2, STV)

Wat beloofd was, is openbaar geworden.

Daarbij komt uiteindelijk de opgestane Here Jezus Christus centraal te staan. In Hem wordt zichtbaar dat Gods Woord niet faalt. De dood heeft niet het laatste woord. Het door God beloofde leven verschijnt daadwerkelijk.

Christelijk geloof rust daarom niet op religieuze wensdromen.

Het rust op de God Die handelt overeenkomstig hetgeen Hij gesproken heeft.

 

Eén Woord, één leven, één gemeenschap

Johannes trekt vervolgens de lijn door naar gemeenschap:

“Hetgeen wij dan gezien en gehoord hebben, dat verkondigen wij u, opdat ook gij met ons gemeenschap zoudt hebben; en deze onze gemeenschap ook zij met den Vader, en met Zijn Zoon Jezus Christus.” (1 Johannes 1:3, STV)

Daar ontstaat een prachtige samenhang:

Woord → geloof → leven → gemeenschap.

Gelovigen vormen niet het Lichaam van Christus omdat zij toevalligdezelfde muziek mooi vinden, dezelfde kerk bezoeken, onder dezelfde denominatie vallen of dezelfde menselijke leider volgen.

Paulus schrijft:

“Want ook wij allen zijn door één Geest tot één lichaam gedoopt…” (1 Korinthe 12:13, STV)

Dáár ligt de werkelijke eenheid van de Gemeente.

Niet organisatorische eenheid.

Niet institutionele uniformiteit.

Niet onderwerping aan een kerkelijke hiërarchie.

Maar één Geest, één leven en één Lichaam.

 

Wij hebben geen nieuwe openbaring nodig

Hier wordt de boodschap ongemakkelijk actueel.

Binnen bepaalde delen van het christendom lijkt het geschreven Woord haast niet meer voldoende te zijn.

Er moet nog een profetisch woord komen.

God moet nog persoonlijk iets “in je hart leggen”.

Er moet nog een apostel opstaan.

Er moet nog een bijzondere zalving worden overgedragen.

Er moet nog iets nieuws gebeuren.

Maar waarom eigenlijk?

Wanneer God gesproken heeft, waarom zouden wij dan voortdurend verlangen naar iets wat méér gezag lijkt te krijgen dan hetgeen Hij reeds gesproken heeft?

Het probleem is niet dat God te weinig heeft gezegd.

Het probleem is dat wij zo weinig aandacht hebben voor wat Hij gezegd heeft.

Daarom moet iedere profetische claim, geestelijke ervaring, kerkelijke traditie en menselijke leer worden getoetst aan de Schrift.

Niet andersom.

De Bijbel hoeft niet bewezen te worden door onze ervaring.

Onze ervaring moet worden beoordeeld door de Bijbel.

 

God is Licht

Johannes vat uiteindelijk samen:

“En dit is de verkondiging, die wij van Hem gehoord hebben, en wij u verkondigen, dat God een Licht is, en gans geen duisternis in Hem is.” (1 Johannes 1:5, STV)

Daar verdwijnt alle ruimte voor een waarheid die voortdurend met de tijd mee verandert.

God is Licht.

Niet: God past Zijn licht aan onze duisternis aan.

Niet: iedere generatie mag opnieuw bepalen wat waarheid betekent.

Niet: de cultuur bepaalt welke gedeelten van Gods Woord nog acceptabel zijn.

God is Licht.

Daarom moet niet de Bijbel door onze cultuur worden beoordeeld.

Onze cultuur moet door Gods Woord worden beoordeeld.

Dat schuurt.

Dat confronteert.

En dat is precies wat licht doet wanneer het in de duisternis schijnt.

Het gevaarlijke woordje “maar”

Misschien is dit wel een van de gevaarlijkste zinnen binnen het christendom:

“Ja, dat staat wel in de Bijbel, maar…”

Daarna kan vrijwel alles volgen.

“…dat was toen.”

“…mijn ervaring is anders.”

“…mijn kerk leert het anders.”

“…de wetenschap zegt iets anders.”

“…God heeft mij persoonlijk iets anders laten zien.”

“…dat kun je tegenwoordig niet meer zo zeggen.”

Maar sinds wanneer is onze ervaring de rechtbank waarvoor Gods Woord zich moet verantwoorden?

De volgorde is anders.

God heeft gesproken. Daarom luisteren wij.

Niet omdat wij alles onmiddellijk begrijpen.

Niet omdat iedere tekst aansluit bij onze voorkeur.

Niet omdat de Bijbel onze bestaande overtuigingen bevestigt.

Maar omdat Hij God is.

 

Gods waarheid heeft geen update nodig

Gods Woord hoeft niet gemoderniseerd te worden om waar te blijven.

God hoeft Zijn beloften niet te herzien.

Israël hoeft niet uit Gods voornemen geschrapt te worden om plaats te maken voor de Gemeente.

De Gemeente hoeft niet tot Israël gemaakt te worden.

Wij hebben geen moderne apostelen nodig om het Woord aan te vullen.

Wij hebben geen nieuwe profetieën nodig om het Woord actueel te maken.

En Gods waarheid hoeft zeker niet aangepast te worden aan iedere culturele wind die voorbijwaait.

De tijd holt verder.

Mensen komen en gaan.

Rijken ontstaan en verdwijnen.

Wetenschappelijke inzichten worden bijgesteld.

Kerkelijke systemen ontstaan, splitsen en verdwijnen.

Menselijke zekerheden blijken morgen onzeker.

Maar boven al die veranderlijkheid staat de God Die gesproken heeft.

Daarom rust ons geloof uiteindelijk niet op een kerk, voorganger, ervaring, traditie of menselijke leer.

Het rust op Gods onveranderlijke Woord.

“Het gras verdort, de bloem valt af; maar het Woord des Heeren blijft in der eeuwigheid; en dit is het Woord, dat onder u verkondigd is.” (1 Petrus 1:24-25, STV)

Dat Woord heeft geen update nodig.

Wij hebben dat Woord nodig.

zie ook:

YouTube player

Hardop gedacht

Een preek die eigenlijk een socio-therapeutisch verhaal is

Ik hoorde deze week een preek aan, zoals helaas vaker het geval is, die ging over onze pijn – heelwording – veiligheid – identiteit – afwijzing – patronen – generaties – potentie – herstel…

En daar werden dan tal van Bijbelteksten bij aangevoerd; ook teksten die bij nadere lezing dan toch over iets heel anders en veel diepere geestelijke waarheden bleken te gaan .

De hoofdgedachte kwam ongeveer hier op neer:

Jezus helpt jou de gezonde, geheelde persoon te worden die je bedoeld was te zijn.

Alsof dát dan de hoofdzaak van de Bijbelse boodschap zou zijn. En de noodzaak van Zijn verlossingswerk het plaatsvervangend lijden en sterven was om ons in onze heelheid te brengen?

Dat is, als ik mijn Bijbel goed versta, dan toch wel een brute versimpeling van de heilsboodschap zoals die tot ons komt. De Bijbel gaat helemaal niet over ons.

Waar is het ontzag trouwens voor die Ene Naam?

En er moet me bovendien nog iets van het hart. Het spreken over “Jezus” komt op mij over alsof het hier gaat over een werknemer.
Terwijl de Bijbel Hem dan toch duidelijk bij Zijn titels noemt:
Here Jezus Christus.
Kan dat nou niet met wat meer eerbied?
Hij heeft niet met u of mij geknikkerd immers?

Wees zorgvuldig

Ik wil hiermee eigenlijk ook een lans breken voor meer zorgvuldig Schriftgebruik; de Bijbel aan het woord laten en “kapstok prediking ” achterwege laten, en de Naam van de Here Jezus Christus met gepaste eerbied te gebruiken. Dat moet toch mogelijk zijn? Of is dat teveel gevraagd?

Geverifieerd door MonsterInsights