Gods Woord verandert niet: de onveranderlijke waarheid van de Bijbel

De onveranderlijke waarheid in een veranderende wereld

Onze wereld heeft één groot geloofsartikel: alles verandert. Opvattingen veranderen, normen veranderen, wetenschap verandert, cultuur verandert. Wat gisteren nog vanzelfsprekend was, kan morgen achterhaald worden verklaard.

Dat denken is helaas ook diep het christendom binnengedrongen.

“Ja, dat staat wel in de Bijbel, maar…”

Wat na dat “maar” komt, verschilt.

“Dat was voor die tijd.”

“Dat gold alleen voor Israël.”

“Dat moet je tegenwoordig anders lezen.”

“De cultuur is veranderd.”

“Paulus wist toen nog niet alles.”

Of:

“God doet nu iets nieuws.”

Maar daarmee komen we bij een fundamentele vraag: is Gods Woord echt de onveranderlijke waarheid van de onveranderlijke God, of moet de Bijbel voortdurend worden aangepast aan de veranderlijke mens?

Johannes begint zijn Evangelie niet bij de mens, maar bij God:

“In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God.” (Johannes 1:1, STV)

Dát is het uitgangspunt: God heeft gesproken.

En wat God gesproken heeft, blijft staan.

de Bijbel is betrouwbaar
Gods Woord verandert niet

Geloof in God is geloof in Zijn Woord

“Geloof in God” wordt tegenwoordig gemakkelijk gereduceerd tot geloven dat er ergens “iets” of “Iemand” boven ons bestaat. Maar Bijbels geloof gaat veel verder.

God maakt Zich bekend doordat Hij spreekt.

Dat zien we onmiddellijk aan het begin van de Schrift:

“En God zeide: Daar zij licht; en daar werd licht.” (Genesis 1:3, STV)

God spreekt en er gebeurt iets. Zijn Woord is geen vrijblijvende gedachte, suggestie of religieuze inspiratie. Zijn Woord heeft gezag.

Daarom betekent geloven in God niet slechts geloven dat God bestaat, maar vertrouwen op wat God gesproken heeft.

Dat maakt onze omgang met de Bijbel zo ernstig. Wie zegt in God te geloven maar ondertussen Zijn Woord voortdurend corrigeert, relativeert of aanpast, moet zich afvragen waarin hij eigenlijk gelooft.

Een zelfgemaakte god die altijd precies zegt wat wij zelf al vonden, is immers niet de God Die spreekt. Het is onze eigen stem met een religieus etiket erop.

 

De God Die spreekt verandert niet

Gods Woord is betrouwbaar omdat Degene Die spreekt betrouwbaar en onveranderlijk is.

Over de Here Jezus Christus lezen we:

“Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en in der eeuwigheid.” (Hebreeën 13:8, STV)

Dat betekent niet dat God door de hele heilsgeschiedenis heen op precies dezelfde wijze met mensen handelt. De Bijbel laat verschillende tijden, bedelingen, verantwoordelijkheden en onderscheiden roepingen zien.

Maar dat is iets heel anders dan beweren dat God Zijn voornemen verandert omdat Zijn eerdere plan mislukt is.

God werkt Zijn voornemen in de geschiedenis in verschillende fasen uit. Die geschiedenis loopt Hem echter niet uit de hand. Hij werd niet verrast door het ongeloof van Israël. Hij werd niet overvallen door de verwerping van Christus. En de Gemeente is geen goddelijk noodverband omdat een eerder plan mislukte.

Paulus spreekt juist over:

“Naar het eeuwig voornemen, dat Hij gemaakt heeft in Christus Jezus, onzen Heere;” (Efeze 3:11, STV)

Let op dat ene woord: eeuwig.

Geen geïmproviseerd voornemen. Geen plan B. Geen noodgreep.

Een eeuwig voornemen.

 

Israël werd niet vervangen, God bedacht Zich niet!

Hier wordt de onveranderlijkheid van Gods Woord onmiddellijk belangrijk voor onze uitleg van de Bijbel.

Een groot deel van de verwarring rond Israël en de Gemeente ontstaat wanneer men redeneert alsof Gods beloften afhankelijk zouden zijn van menselijke betrouwbaarheid.

Israël was ongelovig. Christus werd verworpen. Dus, zo luidt dan vervolgens de redenering, is God verdergegaan met de kerk en zijn de beloften aan Israël voortaan geestelijk op de kerk van toepassing.

Maar dan ontstaat een enorm probleem.

Als Gods concrete beloften aan Israël vanwege Israëls ontrouw uiteindelijk iets anders kunnen gaan betekenen, waarom zouden Gods beloften aan de Gemeente dan wel betrouwbaar zijn?

Gods trouw rust gelukkig niet op Israëls trouw.

Paulus stelt zelf de vraag:

“Want wat is het, al zijn sommigen ongelovig geweest? Zal hun ongelovigheid het geloof van God te niet doen? Dat zij verre.” (Romeinen 3:3-4, STV)

Menselijk ongeloof kan Gods Woord niet herschrijven.

Dat betekent uiteraard niet dat iedere Israëliet automatisch behouden wordt. Ongeloof blijft ongeloof. Maar Gods beloften aan Israël worden niet ineens eigendom van iemand anders omdat Israël ongelovig is geweest.

God vergeet niet wat Hij gesproken heeft.

 

Ook de bedelingenleer mag Gods Woord niet versnipperen

Het andere uiterste is evenmin gezond.

Het Bijbelse onderscheid tussen Israël en de Gemeente mag niet ontaarden in een systeem waarin steeds grotere gedeelten van de Bijbel praktisch buiten werking worden gesteld.

Dan horen we een andere versie van hetzelfde

“ja, maar”:

“Dat staat er wel, maar dat was vóór Paulus.”

Of:

“Paulus schreef dat wel, maar dat was vóór zijn gevangenschap.”

En voordat we het weten, vragen we niet meer wat Gods Woord ons leert, maar zoeken we vooral naar redenen waarom een bepaald Schriftgedeelte niet meer relevant zou zijn.

Onderscheiden is iets anders dan wegstrepen.

Israël is niet de Gemeente.

De Gemeente is niet Israël.

Maar beide staan binnen het ene soevereine voornemen van de God Die van den beginne gesproken heeft.

Een gezonde leer maakt Gods Woord niet kleiner, maar helpt juist om Gods verschillende handelingen binnen Zijn ene onveranderlijke voornemen te onderscheiden.

 

De Gemeente is géén noodoplossing

Dit is daarom ook belangrijk voor het verstaan van de Gemeente.

Wanneer Paulus over de verborgenheid en de bijzondere roeping van de Gemeente spreekt, presenteert hij haar niet als een oplossing die God bedacht nadat Israël Christus had verworpen.

Integendeel.

Hij spreekt over het eeuwig voornemen van God.

De Gemeente behoort dus niet tot Gods reparatiewerk. Haar roeping lag besloten in Zijn voornemen, ook toen die verborgenheid nog niet openbaar gemaakt was.

Daarmee vervallen twee tegenovergestelde dwalingen.

We hoeven Israël niet door de Gemeente te vervangen.

En we hoeven de Gemeente evenmin tot Israël te maken.

God weet Zelf heel goed wat Hij beloofd heeft, aan wie Hij het beloofd heeft en hoe Hij Zijn beloften zal vervullen.

 

De Bijbel vertelt meer dan alleen geschiedenis

Dat brengt ons bij een fascinerend kenmerk van de Schrift.

De oudtestamentische geschiedenissen zijn niet slechts verslagen van gebeurtenissen uit een ver verleden. Zij bevatten ook onderwijs voor latere generaties.

Paulus schrijft:

“En deze dingen alle zijn hunlieden overkomen tot voorbeelden; en zijn beschreven tot waarschuwing van ons, op dewelke de einden der eeuwen gekomen zijn.” (1 Korinthe 10:11, STV)

Dat zien we bijvoorbeeld wanneer Paulus in Galaten 4 teruggrijpt op Abraham, Sara, Hagar, Izak en Ismaël. Historische personen en gebeurtenissen blijken tegelijkertijd grotere geestelijke waarheden te illustreren.

Daarom is nauwkeurige Bijbelstudie zo belangrijk.

Wie alleen losse teksten verzamelt, mist de patronen.

Wie eerst een kerkelijk dogma vaststelt en dat daarna over de Bijbel legt, vindt vooral zijn eigen systeem terug.

Maar wie Schrift met Schrift vergelijkt, ontdekt hoe vroeg God lijnen heeft uitgezet die pas veel later volledig zichtbaar worden.

 

Gods Woord is leven

Johannes gaat verder:

“In Hetzelve was het Leven, en het Leven was het Licht der mensen.” (Johannes 1:4, STV)

Let op de samenhang:

Woord – leven – licht.

God spreekt en Zijn Woord brengt leven.

Daarom is het Evangelie niet slechts informatie over redding. Paulus schrijft:

“Want ik schaam mij des Evangelies van Christus niet; want het is een kracht Gods tot zaligheid een iegelijk, die gelooft…” (Romeinen 1:16, STV)

Het Evangelie vertelt niet alleen over Gods reddende kracht. Het is de boodschap waardoor de mens tot geloof geroepen wordt.

Petrus verbindt wedergeboorte eveneens rechtstreeks met het Woord:

“Gij, die wedergeboren zijt, niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad, door het levende en eeuwig blijvende Woord van God.” (1 Petrus 1:23, STV)

Daar ligt dezelfde lijn:

God spreekt → de mens hoort → de mens gelooft → Gods Woord brengt leven.

Daarom is het zo merkwaardig wanneer christenen voortdurend zoeken naar iets naast het Woord om hun geestelijk leven werkelijk kracht te geven.

Een nieuwe ervaring.

Een nieuwe zalving.

Een nieuwe profetie.

Een persoonlijk woord.

Een bijzondere manifestatie.

Een nieuwe methode.

Maar ondertussen blijft dan de Bijbel dicht.

Alsof het levende en eeuwig blijvende Woord van God niet genoeg zou zijn.

 

Het Woord brengt licht in een donkere wereld

Het leven wordt vervolgens het Licht der mensen genoemd:

“En het Licht schijnt in de duisternis, en de duisternis heeft hetzelve niet begrepen.” (Johannes 1:5, STV)

De wereld verkeert niet in duisternis omdat er onvoldoende menselijke informatie beschikbaar is.

We beschikken over universiteiten, wetenschappers, filosofen, bibliotheken, internet en een vrijwel onbeperkte hoeveelheid kennis.

En toch blijft de fundamentele duisternis bestaan.

Waarom?

Omdat het probleem in essentie niet een gebrek aan informatie is, maar de afwijzing van Gods openbaring.

Een samenleving kan technologisch steeds slimmer worden en geestelijk tegelijkertijd steeds verder verdwalen.

Licht komt niet uit de mens.

Het Licht komt van God.

 

Johannes bracht geen nieuwe waarheid

Daarom verschijnt Johannes de Doper in Johannes 1 niet als uitvinder van een nieuwe godsdienst:

“Hij was het Licht niet, maar was gezonden, opdat hij van het Licht getuigen zou.” (Johannes 1:8, STV)

Johannes getuigde.

Dat is ook vandaag een heilzame correctie voor iedereen die meent namens God te moeten spreken.

De taak van een prediker is niet om Gods Woord interessanter te maken.

Niet om nieuwe openbaringen aan de Bijbel toe te voegen.

Niet om voortdurend met “God zei tegen mij” gezag voor persoonlijke gedachten op te eisen.

Niet om een “woord voor deze tijd” te produceren dat bij nader onderzoek nauwelijks in het geschreven Woord terug te vinden is.

Wij hebben geen gebrek aan nieuwe woorden van God.

Wij hebben doorgaans een schrijnend gebrek aan kennis van het Woord dat Hij al gegeven heeft.

 

“Het Woord is vlees geworden”

Dan komen we bij een van de bekendste uitspraken van Johannes:

“En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond…” (Johannes 1:14, STV)

Deze woorden worden vrijwel altijd gelezen als een technische omschrijving van de geboorte van Christus te Bethlehem. Maar binnen de gedachtegang van Johannes verdient ook de bredere betekenis aandacht: het Woord van God krijgt gestalte; hetgeen God gesproken en beloofd heeft, wordt werkelijkheid.

Wat God gesproken heeft, blijft niet als een onvervulde belofte in de lucht hangen.

Hij brengt Zijn Woord tot vervulling.

Dat sluit rechtstreeks aan bij het begin van de eerste brief van Johannes.

 

Het Leven is geopenbaard

Johannes schrijft:

“Hetgeen van den beginne was, hetgeen wij gehoord hebben, hetgeen wij gezien hebben met onze ogen, hetgeen wij aanschouwd hebben, en onze handen getast hebben, van het Woord des levens;” (1 Johannes 1:1, STV)

En vervolgens:

“Want het Leven is geopenbaard, en wij hebben het gezien, en wij getuigen, en verkondigen ulieden dat eeuwige Leven, hetwelk bij den Vader was, en ons is geopenbaard.” (1 Johannes 1:2, STV)

Wat beloofd was, is openbaar geworden.

Daarbij komt uiteindelijk de opgestane Here Jezus Christus centraal te staan. In Hem wordt zichtbaar dat Gods Woord niet faalt. De dood heeft niet het laatste woord. Het door God beloofde leven verschijnt daadwerkelijk.

Christelijk geloof rust daarom niet op religieuze wensdromen.

Het rust op de God Die handelt overeenkomstig hetgeen Hij gesproken heeft.

 

Eén Woord, één leven, één gemeenschap

Johannes trekt vervolgens de lijn door naar gemeenschap:

“Hetgeen wij dan gezien en gehoord hebben, dat verkondigen wij u, opdat ook gij met ons gemeenschap zoudt hebben; en deze onze gemeenschap ook zij met den Vader, en met Zijn Zoon Jezus Christus.” (1 Johannes 1:3, STV)

Daar ontstaat een prachtige samenhang:

Woord → geloof → leven → gemeenschap.

Gelovigen vormen niet het Lichaam van Christus omdat zij toevalligdezelfde muziek mooi vinden, dezelfde kerk bezoeken, onder dezelfde denominatie vallen of dezelfde menselijke leider volgen.

Paulus schrijft:

“Want ook wij allen zijn door één Geest tot één lichaam gedoopt…” (1 Korinthe 12:13, STV)

Dáár ligt de werkelijke eenheid van de Gemeente.

Niet organisatorische eenheid.

Niet institutionele uniformiteit.

Niet onderwerping aan een kerkelijke hiërarchie.

Maar één Geest, één leven en één Lichaam.

 

Wij hebben geen nieuwe openbaring nodig

Hier wordt de boodschap ongemakkelijk actueel.

Binnen bepaalde delen van het christendom lijkt het geschreven Woord haast niet meer voldoende te zijn.

Er moet nog een profetisch woord komen.

God moet nog persoonlijk iets “in je hart leggen”.

Er moet nog een apostel opstaan.

Er moet nog een bijzondere zalving worden overgedragen.

Er moet nog iets nieuws gebeuren.

Maar waarom eigenlijk?

Wanneer God gesproken heeft, waarom zouden wij dan voortdurend verlangen naar iets wat méér gezag lijkt te krijgen dan hetgeen Hij reeds gesproken heeft?

Het probleem is niet dat God te weinig heeft gezegd.

Het probleem is dat wij zo weinig aandacht hebben voor wat Hij gezegd heeft.

Daarom moet iedere profetische claim, geestelijke ervaring, kerkelijke traditie en menselijke leer worden getoetst aan de Schrift.

Niet andersom.

De Bijbel hoeft niet bewezen te worden door onze ervaring.

Onze ervaring moet worden beoordeeld door de Bijbel.

 

God is Licht

Johannes vat uiteindelijk samen:

“En dit is de verkondiging, die wij van Hem gehoord hebben, en wij u verkondigen, dat God een Licht is, en gans geen duisternis in Hem is.” (1 Johannes 1:5, STV)

Daar verdwijnt alle ruimte voor een waarheid die voortdurend met de tijd mee verandert.

God is Licht.

Niet: God past Zijn licht aan onze duisternis aan.

Niet: iedere generatie mag opnieuw bepalen wat waarheid betekent.

Niet: de cultuur bepaalt welke gedeelten van Gods Woord nog acceptabel zijn.

God is Licht.

Daarom moet niet de Bijbel door onze cultuur worden beoordeeld.

Onze cultuur moet door Gods Woord worden beoordeeld.

Dat schuurt.

Dat confronteert.

En dat is precies wat licht doet wanneer het in de duisternis schijnt.

Het gevaarlijke woordje “maar”

Misschien is dit wel een van de gevaarlijkste zinnen binnen het christendom:

“Ja, dat staat wel in de Bijbel, maar…”

Daarna kan vrijwel alles volgen.

“…dat was toen.”

“…mijn ervaring is anders.”

“…mijn kerk leert het anders.”

“…de wetenschap zegt iets anders.”

“…God heeft mij persoonlijk iets anders laten zien.”

“…dat kun je tegenwoordig niet meer zo zeggen.”

Maar sinds wanneer is onze ervaring de rechtbank waarvoor Gods Woord zich moet verantwoorden?

De volgorde is anders.

God heeft gesproken. Daarom luisteren wij.

Niet omdat wij alles onmiddellijk begrijpen.

Niet omdat iedere tekst aansluit bij onze voorkeur.

Niet omdat de Bijbel onze bestaande overtuigingen bevestigt.

Maar omdat Hij God is.

 

Gods waarheid heeft geen update nodig

Gods Woord hoeft niet gemoderniseerd te worden om waar te blijven.

God hoeft Zijn beloften niet te herzien.

Israël hoeft niet uit Gods voornemen geschrapt te worden om plaats te maken voor de Gemeente.

De Gemeente hoeft niet tot Israël gemaakt te worden.

Wij hebben geen moderne apostelen nodig om het Woord aan te vullen.

Wij hebben geen nieuwe profetieën nodig om het Woord actueel te maken.

En Gods waarheid hoeft zeker niet aangepast te worden aan iedere culturele wind die voorbijwaait.

De tijd holt verder.

Mensen komen en gaan.

Rijken ontstaan en verdwijnen.

Wetenschappelijke inzichten worden bijgesteld.

Kerkelijke systemen ontstaan, splitsen en verdwijnen.

Menselijke zekerheden blijken morgen onzeker.

Maar boven al die veranderlijkheid staat de God Die gesproken heeft.

Daarom rust ons geloof uiteindelijk niet op een kerk, voorganger, ervaring, traditie of menselijke leer.

Het rust op Gods onveranderlijke Woord.

“Het gras verdort, de bloem valt af; maar het Woord des Heeren blijft in der eeuwigheid; en dit is het Woord, dat onder u verkondigd is.” (1 Petrus 1:24-25, STV)

Dat Woord heeft geen update nodig.

Wij hebben dat Woord nodig.

zie ook:

YouTube player

Charismatische leer toetsen

Waarom ik hierover blijf schrijven

Ik wil graag een tipje van de sluier oplichten over de reden waarom ik op dit blog regelmatig bepaalde onderwerpen behandel.

Een oplettende bezoeker zal inmiddels hebben gemerkt dat het hier opvallend vaak gaat over zaken die raken aan de charismatische praktijk en leer. Dat is niet toevallig. Binnen dat gedachtegoed worden regelmatig claims gedaan, verwachtingen gewekt en uitspraken gedaan waarvan ik mij steeds vaker afvraag:

waar staat dit eigenlijk in de Bijbel?

En die vraag is voor mij niet onderhandelbaar.

Na mijn ongeluk ben ik verschillende keren terug geweest in een gemeente waar ik vroeger vaker kwam. Omdat daar inmiddels een leiderschapswissel had plaatsgevonden, was ik aanvankelijk behoorlijk optimistisch. Ik was benieuwd naar de prediking, de aanpak, en, plat gezegd,  de koers die men zou gaan varen.

Langzamerhand is duidelijk geworden welke richting gekozen is.

En je raadt het waarschijnlijk al: de afslag richting het pinkster- en charismatisch christendom is genomen. Inmiddels is ook gecommuniceerd dat de gemeente zich heeft aangesloten bij de VPE. Wie mijn eerdere artikel daarover heeft gelezen, zal begrijpen dat ik daar bepaald niet enthousiast over ben. Dat is dan nog voorzichtig uitgedrukt.

 

Het gaat mij niet om een of het etiket

Laat ik meteen iets duidelijk maken. Mijn bezwaar zit nadrukkelijk niet in een naam, een organisatie of een etiket. Ook niet in het feit dat iemand zichzelf pinksterchristen, evangelisch, reformatorisch of wat dan ook noemt.

De vraag is veel simpeler:

Wat leert de Schrift?

Dáár moet uiteindelijk alles aan getoetst worden.

Mijn zorg is dat binnen het charismatisch gedachtegoed een belangrijk Bijbels onderscheid onvoldoende of zelfs niet wordt gezien: het onderscheid tussen Gods handelen met Israël en Gods roeping van de Gemeente, het Lichaam van Christus.

Wanneer dat onderscheid verdwijnt, wordt vrijwel automatisch ook het boek Handelingen anders gelezen. Handelingen wordt dan gemakkelijk behandeld als een blauwdruk voor hoe iedere plaatselijke gemeente vandaag zou behoren te functioneren. Wonderen, tekenen, bijzondere manifestaties, profetieën en bovennatuurlijke ervaringen worden vervolgens niet alleen mogelijk geacht, maar dikwijls ook verwacht.

Daar zit voor mij een fundamenteel probleem.

Niet omdat ik wil voorschrijven wat God wel of niet zou kunnen doen, maar omdat de Schrift zelf bepaalt wat wij voor deze tijd als normgevende leer en praktijk mogen verwachten.

Het verschil tussen beschrijving en voorschrift is daarbij essentieel.

Niet alles wat in Handelingen gebeurde, is daarmee  een opdracht of model voor de Gemeente vandaag.

 

Wanneer ervaring de plaats van het Woord inneemt

Het gevolg van zo’n koers blijft bovendien niet beperkt tot een leerstellig verschil van inzicht.

Het beïnvloedt hoe gelovigen leren denken.

Waar het Woord niet langer praktisch de maatstaf is waaraan alles wordt getoetst, ontstaat gemakkelijk een geloofscultuur waarin ervaring steeds belangrijker wordt.

Wat voelde je?

Wat ervoer je?

Wat kreeg je op je hart?

Welke indruk ontving je?

Was er een bijzondere sfeer?

Was er “kracht”?

Heeft iemand een woord voor je?

Daarmee wil ik gevoel of emotie niet verdacht maken. Een mens zonder gevoel bestaat niet en ook geloof raakt vanzelfsprekend ons hart. Maar gevoel is geen openbaringsbron. Een indruk is geen Schriftwoord. Een bijzondere ervaring bewijst niet dat iets van God afkomstig is.

Daarom zegt de Bijbel ook:

“Beproeft alle dingen; behoudt het goede.” (1 Thessalonicenzen 5:21, STV)

Dat is geen oproep tot cynisme. Het is een opdracht tot groei, tot geestelijke volwassenheid.

 

Toetsing is geen gebrek aan geloof

Wat mij daarom eveneens zorgen baart, is wanneer kritische vragen weliswaar in theorie welkom worden genoemd, maar in de praktijk als lastig worden ervaren.

Er kan gezegd worden dat alles bespreekbaar is en dat de deur altijd openstaat. Maar de werkelijke vraag is wat er gebeurt wanneer iemand daadwerkelijk binnenkomt en vraagt:

Waar staat dit?

Waarom leren wij dit?

Is deze praktijk werkelijk uit de Schrift af te leiden?

Is dit voorschrift voor de Gemeente, of lezen wij iets in de tekst wat er niet staat?

Wie echt overtuigd is van de Bijbelse basis van zijn leer, hoeft zulke vragen niet te vrezen.

Sterker nog: een gemeente zou zulke vragen moeten verwelkomen.

De Bereërs werden immers niet geprezen omdat zij alles wat Paulus zei onmiddellijk als zoete koek aannamen, maar juist omdat zij onderzochten of hetgeen hun verteld werd met de Schrift overeenkwam:

“En dezen waren edeler, dan die te Thessalonica waren, als die het woord ontvingen met alle toegenegenheid, onderzoekende dagelijks de Schriften, of deze dingen alzo waren.” (Handelingen 17:11, STV)

Dat is geen ongeestelijke houding.

Dat is een geestelijke houding.

 

Gelovigen moeten toegerust worden

Een van mijn grootste bezwaren tegen een sterk ervaringsgerichte geloofspraktijk is daarom dat gelovigen er uiteindelijk afhankelijk door kunnen worden.

Afhankelijk van leiders.

Afhankelijk van bijeenkomsten.

Afhankelijk van sfeer.

Afhankelijk van bijzondere ervaringen.

Afhankelijk van iemand die zegt iets “voor jou ontvangen” te hebben.

Maar de Bijbelse bedoeling is juist dat gelovigen worden opgebouwd, onderwezen en toegerust, zodat zij zelf leren staan.

Niet op de ervaring van een ander.

Niet op de charisma’s van een leider.

Niet op de emotionele intensiteit van een samenkomst.

Maar op het geopenbaarde Woord van God.

Daarom blijft dat Woord mijn uitgangspunt.

“Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad.” (Psalm 119:105, STV)

 

Geen stormram

Je zult begrijpen dat ik mij in zo’n ontwikkeling niet thuis voel.

Tegelijkertijd voel ik mij ook niet geroepen om met een stormram een gemeente binnen te gaan en daar de boel op stelten te zetten. Dat zou waarschijnlijk weinig opbouwen en vooral loopgraven veroorzaken.

Maar zwijgen is iets anders.

Ik kan schrijven.

Ik kan onderzoeken.

Ik kan vergelijken.

Ik kan vragen stellen.

En ik kan anderen aansporen hetzelfde te doen.

In de afgelopen jaren heb ik het voorrecht gehad veel te mogen bestuderen en daardoor bepaalde patronen te leren herkennen. Niet omdat ik alles weet,  verre van dat, maar omdat ik steeds beter heb leren zien hoe belangrijk het is om Schriftgedeelten in hun verband te lezen en onderscheid te maken tussen Israël en de Gemeente, tussen Wet en Genade, tussen beschrijving en voorschrift en tussen menselijke ervaring en Goddelijke openbaring.

Daar zal ik dus voorlopig over blijven schrijven.

Niet om mensen belachelijk te maken.

Niet omdat ik ruzie zoek.

Niet omdat ik beweer dat iedereen die in een charismatische gemeente zit onoprecht is.

Integendeel. Ik twijfel er niet aan dat daar vele oprechte gelovigen zijn die werkelijk de Here Jezus Christus willen dienen.

Juist daarom vind ik dit onderwerp belangrijk.

Oprechtheid maakt een leer namelijk nog niet Bijbels.

 

Het gaat mij om die ene lezer

Ik ga met dit blog niet voor enorme bezoekersaantallen.

Natuurlijk is het leuk wanneer een artikel veel gelezen wordt, maar dat is niet mijn drijfveer.

Het gaat mij veel meer om het individu.

Als één iemand door een artikel opnieuw zijn Bijbel opent en denkt: wacht eens even, klopt hetgeen mij geleerd wordt eigenlijk wel?

Als één gelovige ontdekt dat hij niet afhankelijk hoeft te zijn van religieuze ervaringen maar mag rusten in wat God heeft gesproken.

Als één iemand leert onderscheiden tussen wat de Bijbel werkelijk zegt en wat wij er in de loop der jaren van hebben gemaakt.

Dan vind ik dat al heel waardevol.

 

Geen dichtgespijkerd systeem

Mijn uitgangspunt blijft daarom het Woord van God.

Niet een geloofsbelijdenis.

Niet een kerkelijke traditie.

Niet een denominatie.

Niet een dogmatisch systeem waarin iedere vraag bij voorbaat al van een antwoord is voorzien.

En óók niet de leer van een favoriete Bijbelleraar.

Iedere menselijke uitleg moet uiteindelijk opnieuw langs de Schrift.

Ook de mijne.

Paulus schrijft:

“Beijver u om uzelven Gode beproefd voor te stellen, een arbeider, die niet beschaamd wordt, die het Woord der waarheid recht snijdt.” (2 Timotheüs 2:15, STV)

Dat vraagt studie. Dat vraagt soms correctie. Dat vraagt ook de bereidheid om geliefde overtuigingen los te laten wanneer blijkt dat zij onvoldoende Bijbelse grond hebben.

Juist in een tijd waarin we op vrijwel ieder terrein overspoeld worden met informatie, halve waarheden, stellige claims en regelrechte desinformatie, zou de Gemeente een plaats van onversneden helderheid moeten zijn.

Niet van nieuwe mist.

Niet van nóg meer onbewezen claims.

Maar van waarheid.

Daarom schrijf ik.

En daarom kun je de komende tijd naast opbouwende artikelen en korte Bijbelstudies ook artikelen blijven verwachten die kritisch kijken naar charismatische leer en praktijk.

Soms voorzichtig.

Soms scherp.

En soms zal het ongetwijfeld een beetje schuren.

Maar hopelijk altijd met dezelfde vraag op de achtergrond:

Wat zegt de Schrift echt?

Want uiteindelijk is dat niet alleen de veiligste vraag.

Het is de enige vraag die echt beslissend is.

 

1 Petrus 5:6-11 lijden, zorgen, de duivel en Gods genade

Als de leeuw brult, maar God zorgt; 1 Petrus 5:6-11 Leven uit vertrouwen

Er bestaat christelijke prediking waarin lijden bijna als een storing in het geloofsleven wordt beschouwd. Als je werkelijk gelooft, zou je moeten overwinnen. Als je dicht bij God leeft, zou je voortdurend doorbraken moeten meemaken. Zegen wordt zichtbaar in succes, gezondheid en voorspoed. Tegenslag vraagt dan al snel om een verklaring: heb je wel voldoende geloof? Staat er misschien ergens een deur open voor de vijand?

Lees daar eens rustig 1 Petrus 5:6-11 naast.

1 Petrus 5:6-11 Leven uit vertrouwen

Petrus schrijft niet aan mensen die God verlaten hebben. Hij schrijft aan gelovigen. En toch spreekt hij zonder omwegen over vernedering, bekommernis, geestelijke strijd en lijden.

Maar daar eindigt hij niet.

Boven dit alles plaatst Petrus de machtige werkelijkheid van Gods zorg, Gods genade en de eeuwige heerlijkheid waartoe de gelovige in Christus geroepen is.

Dat maakt dit gedeelte tegelijk ontmaskerend en buitengewoon sterk vertroostend.

Verneder u onder de krachtige hand van God

Petrus schrijft:

“Vernedert u dan onder de krachtige hand Gods, opdat Hij u verhoge te Zijner tijd.” (1 Petrus 5:6, STV)

Bijbelse nederigheid betekent niet dat een christen zichzelf voortdurend waardeloos moet vinden. Het betekent dat hij zijn plaats tegenover God kent.

Hij is God.

Wij zijn het niet.

Dat klinkt eenvoudig, maar juist in moeilijke omstandigheden wordt dit op de proef gesteld. Wij willen begrijpen waarom iets gebeurt. Wij willen oplossingen. Wij willen controle. En als het even kan willen wij ook weten wanneer het voorbijgaat.

Petrus geeft geen methode waarmee de gelovige Gods hand kan dwingen.

Hij zegt:

“…opdat Hij u verhoge te Zijner tijd.” (STV)

Let vooral op die laatste woorden: te Zijner tijd.

Niet op mijn tijd.

Niet wanneer ik voldoende geloof heb geproduceerd.

Niet wanneer ik de juiste geestelijke formule heb gevonden.

God bepaalt de tijd.

Dat vraagt geloof.

 

God vraagt niet dat u uw zorgen ontkent

Onmiddellijk daarna volgen misschien wel de bekendste woorden uit dit gedeelte:

“Werpt al uw bekommernis op Hem, want Hij zorgt voor u.” (1 Petrus 5:7, STV)

Dit vers wordt vaak los geciteerd, maar het woordje dan uit vers 6 helpt ons de samenhang te zien. Het werpen van onze zorgen op God behoort bij het ons vernederen onder Zijn krachtige hand.

Dat is belangrijk.

Bijbels geloof betekent namelijk niet dat wij doen alsof onze zorgen niet bestaan.

Petrus zegt niet: ontken uw bekommernis.

Hij zegt:

werp haar op Hem.

Je mag dus bezorgd zijn over je toekomst. Je mag verdriet kennen. Je mag niet begrijpen waarom een bepaalde weg door je leven loopt. Je mag met vragen bij God komen.

Maar je hoeft die last niet zelf te dragen alsof alles uiteindelijk van jou afhankelijk is.

Waarom niet?

Niet omdat alles onmiddellijk goed zal komen volgens onze definitie van “goed”.

Maar omdat:

“…Hij zorgt voor u.” (STV)

Vier eenvoudige woorden.

En misschien behoren ze wel tot de meest herderlijke woorden van het Nieuwe Testament.

Hij zorgt voor u

 

Gods zorg betekent niet de afwezigheid van lijden

Hier wordt het apologetisch belangrijk.

Want vers 7 wordt soms gebruikt alsof Gods zorg betekent dat Hij de gelovige tegen alle ernstige moeilijkheden beschermt.

Maar dat kan Petrus onmogelijk bedoelen.

Een paar regels verder schrijft dezelfde apostel:

“…wetende, dat hetzelfde lijden aan uw broederschap, die in de wereld is, volbracht wordt.” (1 Petrus 5:9, STV)

En vervolgens:

“De God nu aller genade, Die ons geroepen heeft tot Zijn eeuwige heerlijkheid in Christus Jezus, nadat wij een weinig tijds zullen geleden hebben…” (1 Petrus 5:10, STV)

God zorgt voor u.

En:

u zult een weinig tijd lijden.

Die twee werkelijkheden staan in dezelfde alinea.

Daarmee valt een complete voorspoedsleer eigenlijk al om.

Gods zorg wordt in de Schrift niet bewezen door de afwezigheid van lijden

Integendeel: Gods zorg wordt juist zichtbaar doordat Hij de gelovige in en door het lijden heen vasthoudt en hem uiteindelijk tot Zijn bestemming brengt.

 

De duivel is reëel, maar Petrus zet hem op zijn plaats

Dan verschijnt ineens de tegenstander:

“Zijt nuchteren, en waakt; want uw tegenpartij, de duivel, gaat om als een briesende leeuw, zoekende, wien hij zou mogen verslinden.” (1 Petrus 5:8, STV)

Dat is ernstige taal.

De Bijbel bagatelliseert de duivel niet.

Maar merk tegelijk op hoe nuchter Petrus over geestelijke strijd spreekt.

Geen ingewikkelde technieken.

Geen geestelijke oorlogsvoering waarbij christenen demonen moeten identificeren die boven steden of gebieden zouden regeren.

Geen speciale gebedsformules.

Geen stappenplan.

Geen “profetische handelingen”.

Geen bevel om de duivel te binden.

Petrus zegt:

“Denwelken wederstaat, vast zijnde in het geloof…” (1 Petrus 5:9, STV)

Daar staat het.

Vaststaan in het geloof

De duivel wordt niet bestreden door spectaculaire geestelijke ervaringen, maar doordat de gelovige weigert zijn vertrouwen op God los te laten.

Dat is minder sensationeel.

Maar het is tenminste gewoon Bijbels.

 

Waarom juist tijdens het lijden waakzaam zijn?

De plaats van vers 8 is veelzeggend.

Petrus spreekt eerst over nederigheid en bekommernis. Daarna waarschuwt hij voor de tegenstander. Vervolgens spreekt hij opnieuw over lijden.

Dat suggereert een belangrijke geestelijke werkelijkheid.

Juist wanneer wij lijden, zijn wij kwetsbaar.

Niet alleen lichamelijk of emotioneel, maar ook geestelijk.

Dan kunnen gedachten opkomen als:

Waar is God nu?

Waarom laat Hij dit toe?

Zorgt Hij werkelijk voor mij?

Waarom wordt mijn gebed niet verhoord zoals ik had gehoopt?

Juist daar kan de briesende leeuw proberen binnen te komen.

Niet noodzakelijk met iets spectaculairs.

Soms is één leugen voldoende:

God heeft je verlaten

En daartegenover staat het eenvoudige Woord der waarheid:

“…want Hij zorgt voor u.” (STV)

Daarom moet de gelovige vaststaan in het geloof.

Niet vaststaan in zijn gevoel.

Niet in zijn omstandigheden.

Niet in zichtbare resultaten.

Maar in wat God gesproken heeft.

 

Lijden is geen bewijs van onvoldoende geloof

Dat verdient nadruk, juist in onze tijd.

Petrus schrijft:

“…wetende, dat hetzelfde lijden aan uw broederschap, die in de wereld is, volbracht wordt.” (1 Petrus 5:9, STV)

Lijden behoort blijkbaar niet tot een uitzonderingscategorie voor christenen die iets verkeerd hebben gedaan.

De broederschap in de wereld kent het.

Dat staat haaks op de gedachte dat ziekte, vervolging, verlies of tegenslag noodzakelijk betekenen dat iemand onvoldoende geloof heeft.

Soms wordt een gelovige door zulke prediking zelfs tweemaal getroffen.

Eerst is er het lijden zelf.

Daarna komt de beschuldiging dat het lijden blijkbaar iets zegt over zijn geloof.

Petrus doet precies het tegenovergestelde.

Hij maakt van het lijden geen aanklacht tegen de gelovige, maar plaatst het binnen het grotere perspectief van Gods eeuwige bedoeling.

 

Een weinig tijd tegenover eeuwige heerlijkheid

Dan komt het geweldige vers 10:

“De God nu aller genade, Die ons geroepen heeft tot Zijn eeuwige heerlijkheid in Christus Jezus, nadat wij een weinig tijds zullen geleden hebben, Dezelve volmake, bevestige, versterke, en fondere ulieden.” (1 Petrus 5:10, STV)

Hier verlegt Petrus onze blik op de tijd.

Wij kijken naar vandaag.

God laat ons kijken naar de eeuwigheid.

Petrus noemt het lijden:

een weinig tijds.

En onze bestemming:

eeuwige heerlijkheid in Christus Jezus.

Dat betekent niet dat Petrus menselijk lijden bagatelliseert. Een nacht kan verschrikkelijk lang duren wanneer je pijn hebt. Een periode van verlies kan jaren doorwerken.

Maar tegenover de eeuwigheid krijgt zelfs een mensenleven een andere verhouding.

Paulus schrijft iets vergelijkbaars:

“Want ik houde het daarvoor, dat het lijden dezes tegenwoordigen tijds niet is te waarderen tegen de heerlijkheid, die aan ons zal geopenbaard worden.” (Romeinen 8:18, STV)

Daar ligt christelijke hoop.

Niet: het wordt morgen gemakkelijker.

Maar:

dit is niet het einde van het verhaal.

 

God is bezig,ook wanneer wij dat niet zien of voelen

Petrus gebruikt vervolgens vier prachtige woorden:

“…Dezelve volmake, bevestige, versterke, en fondere ulieden.” (STV)

Dat is opmerkelijk.

De gelovige kan tijdens beproeving het gevoel hebben dat alles wordt afgebroken.

Petrus zegt dat God ondertussen bezig is te funderen.

Wij voelen zwakheid.

God versterkt.

Wij ervaren onzekerheid.

God bevestigt.

Wij zien onvolkomenheid.

God volmaakt.

Dat is een heel andere boodschap dan: als je geloof sterk genoeg is, zal God de beproeving verwijderen.

Misschien doet Hij dat.

Maar misschien ook wel niet.

Zijn belofte is groter dan onmiddellijke verlichting.

Zijn uiteindelijke doel is de gelovige brengen tot Zijn eeuwige heerlijkheid in Christus Jezus.

 

Christelijke kracht begint waar zelfvertrouwen ophoudt

Daarmee raakt dit gedeelte ook aan een bredere Bijbelse lijn.

Wij denken bij geestelijke groei gemakkelijk aan steeds sterker worden. Maar Bijbels gezien betekent groeien vaak dat wij steeds minder vertrouwen stellen in onze eigen kracht en steeds meer leren leven uit Gods kracht.

Paulus schrijft:

“Ja, wij hadden al zelven in onszelven het vonnis des doods, opdat wij niet op onszelven vertrouwen zouden, maar op God, Die de doden verwekt.” (2 Korinthe 1:9, STV)

Dat is geen nederlaag.

Dat is geestelijke volwassenheid.

Het “ik red mij wel” moet plaatsmaken voor vertrouwen op Hem Die zelfs de doden opwekt.

Daarom begint Petrus ook met:

“Vernedert u dan onder de krachtige hand Gods…” (STV)

En hij eindigt met:

“Hem zij de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid. Amen.” (1 Petrus 5:11, STV)

Zie je de richting?

Van onze zwakheid naar Zijn kracht.

Van onze bekommernis naar Zijn zorg.

Van tijdelijk lijden naar eeuwige heerlijkheid.

Van de briesende leeuw naar de God aller genade.

 

Geef de briesende leeuw niet de hoofdrol

Misschien moeten we daar ook in onze prediking veel nuchterder in worden.

Ja, de duivel bestaat.

Ja, hij is onze tegenpartij.

Ja, Petrus waarschuwt ernstig voor hem.

Maar lees hoeveel aandacht hij uiteindelijk krijgt.

De leeuw brult.

Maar God bepaalt

De tegenstander zoekt wie hij kan verslinden.

Maar God zorgt voor u.

Het lijden is werkelijk.

Maar het duurt een weinig tijds.

Gods heerlijkheid daarentegen is eeuwig.

Daarom hoeft een christen niet voortdurend angstig bezig te zijn met wat de duivel mogelijk doet.

Petrus richt onze blik uiteindelijk niet op de tegenstander, maar op:

“De God nu aller genade…” (STV)

Dát is waar de ogen van de gelovige behoren te rusten.

 

Hij zorgt voor u

Misschien lees je dit wel terwijl er helemaal niets spectaculairs in je leven gebeurt.

Geen doorbraak.

Geen onmiddellijke oplossing.

Misschien bid je al lange tijd voor iets en lijkt de hemel gesloten.

Dan zegt Petrus niet dat je harder moet geloven en je best doen totdat God eindelijk in beweging komt.

Hij zegt:

                                                                                       “Werpt al uw bekommernis op Hem, want Hij zorgt voor u.” (1 Petrus 5:7, STV)

Leg het bij Hem.

Ook voor de honderdste keer.

En wanneer de tegenstander fluistert dat Gods stilte betekent dat God afwezig is, blijf dan staan.

Vast in het geloof

Want degene die jou geroepen heeft, is niet zomaar God.

Petrus noemt Hem:

De God aller genade.

En Hij heeft je niet geroepen tot een eindeloos bestaan van strijd en lijden.

Hij heeft je geroepen:

“…tot Zijn eeuwige heerlijkheid in Christus Jezus…” (STV)

De leeuw mag een tijdlang brullen.

Het lijden mag een tijdlang pijn doen.

De zorgen kunnen zwaar wegen.

Maar geen daarvan krijgt het laatste woord.

Dat woord behoort aan de God aller genade.

“Hem zij de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid. Amen.” (1 Petrus 5:11, STV)

Geverifieerd door MonsterInsights