Is de man de priester van het gezin?

Wat zegt de Bijbel?

Je kan de uitspraak regelmatig tegenkomen onder gelovigen;

De man is de priester van het gezin.

Vooral wanneer het gaat over de geestelijke verantwoordelijkheid van echtgenoten en vaders, komt deze uitdrukking voorbij. Soms wordt zelfs gesproken over het priesterlijk gezag van de man.

Maar waar staat dat in de Bijbel?

Hero banner promoting Bible studies: open Bible on a wooden table at sunrise with the Dutch title 'Wat zegt de Bijbel over...' and a blue footer menu showing topics like Schrift met Schrift and Christus centraal.
Wat zegt de Bijbel over

Ik kan me niet herinneren ooit een Bijbelgedeelte gelezen te hebben waarin de man als priester van zijn gezin wordt aangesteld. En dat roept vragen op. Want als we aan de man een priesterlijke functie toekennen, moeten we toch kunnen uitleggen waarop die gedachte gebaseerd is?

Dat de man verantwoordelijkheid draagt voor zijn vrouw en kinderen, staat buiten kijf. Maar verantwoordelijkheid dragen en priester zijn, zijn twee verschillende zaken.

Bovendien vraag ik me af of achter deze manier van spreken niet een groter probleem schuilgaat. In het christendom is men door de eeuwen heen gewend geraakt aan allerlei vormen van geestelijke hiërarchie. Het onderscheid tussen geestelijken en leken is daar een bekend voorbeeld van. Zou het kunnen dat dat denken ook invloed heeft gehad op onze opvattingen over huwelijk en gezin?

Want is de verhouding tussen man en vrouw volgens de Bijbel niet in de eerste plaats een verhouding van eenheid?

 

Man en vrouw zijn één vlees

Als we willen begrijpen hoe God de verhouding tussen man en vrouw heeft bedoeld, moeten we beginnen bij de schepping.

“Daarom zal de man zijn vader en zijn moeder verlaten, en zijn vrouw aankleven; en zij zullen tot één vlees zijn.” (Genesis 2:24, STV)

Dat is de grondslag van het huwelijk. Man en vrouw worden aan elkaar verbonden in een eenheid die zo nauw is dat de Schrift spreekt over één vlees.

Er staat niet dat de man een afzonderlijke geestelijke positie boven zijn vrouw krijgt, waardoor zij voor haar verhouding tot God op hem aangewezen zou zijn.

De vrouw wordt in Genesis 2:18 aangeduid als een hulp die tegenover de man is. Zij wordt hem gegeven als iemand die bij hem past. De eenheid van man en vrouw vormt vervolgens de grondslag voor hun gezamenlijke leven.

Dat betekent niet dat de Schrift geen onderscheid maakt tussen hun verantwoordelijkheden. Maar die verantwoordelijkheden moeten binnen de huwelijksgemeenschap worden verstaan, niet als een systeem van geestelijke rangen en standen.

Wie het huwelijk voornamelijk benadert vanuit de vraag wie er gezag heeft over wie, loopt het risico dat de eenheid naar de achtergrond verdwijnt.

 

Waar komt het idee van de man als gezinspriester vandaan?

Mogelijk speelt de geschiedenis van de aartsvaders hierin een rol.

Noach bouwde na de zondvloed een altaar en bracht offers aan de HEERE. Abraham deed hetzelfde. Ook Job bracht offers voor zijn kinderen, omdat hij rekening hield met de mogelijkheid dat zij gezondigd hadden (Job 1:5).

Daaruit wordt soms de gedachte gedestilleerd dat de vader van oudsher als priester van zijn gezin optrad.

Maar daarmee is nog niet aangetoond dat God iedere vader een blijvend priesterlijk ambt heeft gegeven.

Bovendien gebeurden genoemde gebeurtenissen lang vóór de instelling van het Levitische priesterschap. Onder de wet van Mozes was het priesterschap juist niet aan iedere vader of echtgenoot verbonden. Het was voorbehouden aan Aäron en zijn nakomelingen.

En met de komst van Jezus Christus is er op dit terrein een radicale verandering gekomen.

 

Jezus Christus is onze Hogepriester

De Hebreeënbrief laat uitvoerig en gedetailleerd zien dat het priesterschap van het oude verbond zijn vervulling heeft gevonden in Christus. Zijn offer is volkomen en Zijn priesterschap blijvend.

“Daar wij dan een groten Hogepriester hebben, Die door de hemelen doorgegaan is, namelijk Jezus, den Zoon van God, zo laat ons deze belijdenis vasthouden.” (Hebreeën 4:14, STV)

Door Zijn offer heeft Christus de toegang tot God geopend. De gelovige heeft geen aardse priester nodig om namens hem of haar tot God te naderen.

Paulus schrijft aan Timotheüs :

“Want er is één God, er is ook één Middelaar Gods en der mensen, de Mens Christus Jezus;” (1 Timotheüs 2:5, STV)

Dat heeft ook betekenis voor het huwelijk.

Een gelovige vrouw heeft geen echtgenoot nodig om toegang tot God te krijgen. Zij mag zelf tot de Vader naderen, op dezelfde grond als haar man: het volbrachte werk van Jezus Christus.

Een man kan voor zijn vrouw bidden, haar ondersteunen en samen met haar Gods Woord onderzoeken. Maar hij staat niet tussen haar en God.

Die plaats behoort uitsluitend aan Christus toe.

 

Het priesterschap van alle gelovigen

Het Nieuwe Testament spreekt over een priesterschap waarin alle gelovigen delen.

Petrus schrijft:

“Zo wordt gij ook zelven, als levende stenen, gebouwd tot een geestelijk huis, tot een heilig priesterdom, om geestelijke offeranden op te offeren, die Gode aangenaam zijn door Jezus Christus.” (1 Petrus 2:5, STV)

En verder:

“Maar gij zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk; opdat gij zoudt verkondigen de deugden Desgenen, Die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht;” (1 Petrus 2:9, STV)

Het priesterschap van de gelovigen is geen voorrecht van mannen, gehuwde mannen of gezinshoofden.

Ook vrouwen delen daarin.

Een gelovige vrouw heeft geen lagere geestelijke positie dan haar man. Beiden behoren tot hetzelfde lichaam van Christus, hebben dezelfde Hogepriester en mogen op dezelfde grond tot God naderen.

Dat brengt ons bij een uitspraak van Paulus die in dit vraagstuk van groot belang is.

 

In Christus is noch man noch vrouw

Paulus schrijft aan de Galaten:

“Daarin is noch Jood noch Griek; daarin is noch dienstbare noch vrije; daarin is geen man en vrouw; want gij allen zijt één in Christus Jezus.” (Galaten 3:28, STV)

De context gaat over het geloof in Christus, het zoonschap en het erfgenaam zijn van de belofte. Paulus maakt duidelijk dat afkomst, maatschappelijke positie en geslacht geen onderscheid maken in de geestelijke positie die gelovigen in Christus ontvangen.

Dat betekent niet dat het onderscheid tussen mannen en vrouwen is opgeheven. Evenmin verdwijnen daarmee alle verschillen in taken en verantwoordelijkheden.

Maar voor God staat een gelovige man niet op een hogere geestelijke trede dan een gelovige vrouw.

Beiden zijn één in Christus Jezus.

Het zou dan ook vreemd zijn wanneer we binnen het huwelijk alsnog een bijzondere priesterlijke positie voor de man zouden invoeren.

Daarmee ontstaat een geestelijk onderscheid waarvoor Paulus in zijn onderwijs over onze positie in Christus geen ruimte biedt.

 

Van geestelijken en leken naar de priester van het gezin

Hier ligt mogelijk een belangrijke verklaring voor het ontstaan en voortbestaan van de uitdrukking de man is de priester van het gezin.

Het priesterschap van alle gelovigen is in de kerkgeschiedenis lang niet altijd tot zijn recht gekomen.

In de gevestigde kerkelijke tradities groeide een onderscheid tussen een afzonderlijke geestelijke stand en de gewone gelovigen. Binnen de rooms-katholieke traditie kreeg het ambtelijke priesterschap bovendien een eigen sacramentele betekenis.

De Reformatie heeft het priesterschap van alle gelovigen opnieuw onder de aandacht gebracht. Toch is daarmee het denken in geestelijke rangen en standen niet verdwenen.

Ook in protestantse en evangelische gemeenten kan een voorganger of leider een positie krijgen die verder gaat dan de verantwoordelijkheid die de Schrift aan zijn bediening verbindt.

Daarbij moeten we onderscheid maken tussen geestelijk leiderschap en geestelijke verhevenheid.

Het Nieuwe Testament spreekt over oudsten, herders en leraren. Hun taak is onder meer de gelovigen toe te rusten, zodat het lichaam van Christus wordt opgebouwd en de gelovigen tot volwassenheid komen (Efeze 4:11-16).

Dat is iets anders dan een geestelijke bovenlaag vormen waarvan de overige gelovigen afhankelijk blijven.

Zou een vergelijkbare gedachte ook binnen het gezin kunnen zijn ontstaan?

De man wordt dan niet alleen gezien als iemand met een eigen verantwoordelijkheid, maar krijgt als het ware een bijzondere geestelijke positie tegenover zijn vrouw en kinderen. Hij wordt de priester van het gezin genoemd, alsof er binnen die kleine gemeenschap eveneens een geestelijke ambtsdrager nodig is.

Dat verband is aannemelijk, al kunnen we daarmee niet zomaar de historische oorsprong van de uitdrukking vaststellen.

Opmerkelijk blijft wel dat met name in evangelische maar ook charismatische kringen, waar men doorgaans geen afzonderlijke priesterstand erkent, deze benaming regelmatig wordt gebruikt.

Blijkbaar is het denken in geestelijke hiërarchie hardnekkiger dan we soms beseffen.

 

Maar de man is toch het hoofd van zijn vrouw?

Paulus schrijft:

“Want de man is het hoofd der vrouw, gelijk ook Christus het Hoofd der Gemeente is; en Hij is de Behouder des lichaams.” (Efeze 5:23, STV)

Dat staat er, en daar hoeven we niets van af te doen.

Maar het is belangrijk om deze woorden te lezen binnen het verband waarin Paulus ze gebruikt.

Efeze 5 begint dit gedeelte met de oproep:

“Elkander onderdanig zijnde in de vreze Gods.” (Efeze 5:21, STV)

Vervolgens spreekt Paulus over de verhouding tussen man en vrouw. De vrouw wordt aangesproken op haar houding tegenover haar man, terwijl de man wordt opgeroepen zijn vrouw lief te hebben zoals Christus de Gemeente heeft liefgehad en Zichzelf voor haar heeft overgegeven.

De nadruk ligt op de wijze waarop beiden zich binnen het huwelijk tegenover elkaar behoren te gedragen.

Paulus werkt de eenheid van man en vrouw zelfs verder uit:

“Alzo zijn de mannen schuldig hun eigen vrouwen lief te hebben gelijk hun eigen lichamen. Die zijn eigen vrouw liefheeft, die heeft zichzelven lief.” (Efeze 5:28, STV)

En daarna verwijst hij opnieuw naar Genesis 2:24, waar gesproken wordt over het één vlees zijn.

Dat zegt wel wat!

Het hoofd-zijn van de man staat niet los van de eenheid met zijn vrouw. Het is allesbehalve een  vrijbrief om haar te overheersen of zichzelf een bijzondere geestelijke status toe te kennen.

Wie zijn vrouw liefheeft als zijn eigen lichaam, kan haar onmogelijk behandelen als iemand die geestelijk onder hem staat.

De man heeft een eigen verantwoordelijkheid, maar hij is niet de middelaar tussen zijn vrouw en God.

 

De geestelijke verantwoordelijkheid van beide ouders

Paulus schrijft:

“En gij vaders, verwekt uw kinderen niet tot toorn, maar voedt hen op in de lering en vermaning des Heeren.” (Efeze 6:4, STV)

Een vader heeft dus een duidelijke verantwoordelijkheid in de opvoeding van zijn kinderen. Hij hoort hen vertrouwd te maken met Gods Woord en zelf een voorbeeld te zijn in zijn geloof en  levenswandel.

Maar ook de moeder heeft daarin een belangrijke plaats.

Paulus herinnert Timotheüs aan het geloof van zijn grootmoeder Loïs en zijn moeder Eunice. Bovendien kende Timotheüs van kinds af aan de heilige Schriften (2 Timotheüs 1:5; 3:15).

Het Nieuwe Testament geeft ons geen aanleiding om de geestelijke opvoeding uitsluitend aan de vader toe te vertrouwen.

En wat te denken van een gezin waarin de vrouw gelovig is en de man niet? Zou zij dan geen geestelijke verantwoordelijkheid kunnen dragen, omdat de vermeende priester van het gezin niet gelooft?

De Bijbel leert dat niet.

Man en vrouw mogen elkaar juist ondersteunen in het geloof. Zij mogen samen bidden, samen Gods Woord onderzoeken en samen hun kinderen onderwijzen.

Daarvoor hoeft geen van beiden een bijzondere priesterlijke positie te krijgen.

 

Wanneer verantwoordelijkheid verandert in gezagsdenken

Er is niets mis met gezag wanneer het de plaats krijgt die de Schrift eraan geeft. Ouders dragen verantwoordelijkheid voor hun kinderen. Oudsten hebben een taak binnen de Gemeente. En binnen het huwelijk spreekt Paulus over het hoofd-zijn van de man.

Maar het wordt problematisch wanneer zulke verantwoordelijkheden worden opgevat als een geestelijke rangorde.

Dan verschuift de aandacht van dienen naar positie, van verantwoordelijkheid naar bevoegdheid en van de gezamenlijke afhankelijkheid van Christus naar afhankelijkheid van mensen.

De uitdrukking de man is de priester van het gezin kan ongewild en onbedoeld aan die verschuiving bijdragen.

Niet iedereen die deze woorden gebruikt, zal daarmee bedoelen dat de vrouw voor haar verhouding tot God afhankelijk is van haar man. Vaak wil men eenvoudig benadrukken dat mannen hun verantwoordelijkheid serieus moeten nemen.

Die bedoeling kan op zichzelf heel goed zijn.

Maar waarom zouden we daarvoor een benaming gebruiken die de Schrift niet aan de man geeft?

Het woord priester heeft een eigen betekenis in de Bijbel. Wanneer we het gebruiken als een algemene aanduiding voor geestelijk leiderschap, raakt die betekenis op de achtergrond.

En wanneer vervolgens aan die titel ook nog een bijzonder geestelijk gezag wordt verbonden, ontstaat een opvatting die moeilijk te verenigen is met het priesterschap van alle gelovigen.

 

Het huwelijk is geen geestelijke hiërarchie

Misschien moeten we onszelf vaker de vraag stellen of ons denken over het huwelijk niet te veel wordt bepaald door gezagsverhoudingen.

Wie staat boven wie? Wie heeft het laatste woord? Wie draagt de geestelijke eindverantwoordelijkheid?

Het zijn vragen die binnen bepaalde christelijke kringen veel aandacht krijgen.

Maar wanneer Paulus over het huwelijk schrijft, spreekt hij uitvoerig over liefde, trouw, zelfverloochening en eenheid.

De man moet zijn vrouw liefhebben als zijn eigen lichaam. De vrouw wordt aangesproken op haar verhouding tot haar man. Beiden leven voor Gods aangezicht en zijn aan Hem verantwoording verschuldigd.

De eenheid van man en vrouw wordt niet opgeheven door hun onderscheiden verantwoordelijkheden. Die verantwoordelijkheden horen binnen die eenheid gestalte te krijgen.

Bovendien zijn zij, als beiden gelovig zijn, samen leden van het lichaam van Christus.

Daar is geen afzonderlijke priesterlijke positie voor de echtgenoot nodig.

De vrouw hoeft niet via haar man tot God te naderen. De man heeft evenmin een geestelijke voorsprong op zijn vrouw.

Beiden leven uit dezelfde genade.

 

Geen gezinspriester, maar samen afhankelijk van Christus

Een christelijke man hoeft geen priester van zijn gezin te zijn om zijn verantwoordelijkheid serieus te nemen.

Hij hoort zijn vrouw lief te hebben, zijn kinderen in Gods Woord te onderwijzen en zelf te leven uit het geloof. Dat is een opdracht die om toewijding, wijsheid en zelfverloochening vraagt.

Zijn vrouw heeft ondertussen dezelfde Hogepriester als hij. Zij deelt in hetzelfde priesterschap en heeft dezelfde toegang tot de Vader.

De Hebreeënbrief zegt:

“Daar wij dan, broeders, vrijmoedigheid hebben, om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus,” (Hebreeën 10:19, STV)

Die vrijmoedigheid rust niet op de geestelijke positie van een echtgenoot, een voorganger of welke andere menselijke gezagsdrager dan ook.

Zij berust op het bloed van Jezus Christus.

Daarom vind ik de uitdrukking de man is de priester van het gezin niet alleen overbodig, maar ook ongelukkig. Deze kan een gezagsdenken in stand houden dat géén recht doet aan de eenheid van man en vrouw en aan hun gezamenlijke positie in Christus.

Het huwelijk is geen kleine kerkelijke hiërarchie, met de man als geestelijke ambtsdrager en zijn vrouw en kinderen als degenen die onder zijn priesterschap vallen.

 

Man en vrouw zijn één vlees. Als gelovigen zijn ze bovendien één in Christus Jezus. Zij hebben dezelfde Hogepriester, dezelfde toegang tot de Vader en delen in hetzelfde priesterschap.

Dat maakt de verantwoordelijkheid van de man niet kleiner. Het zet deze waar het huishoort: binnen de eenheid van het huwelijk en onder het gezag van Jezus Christus.

Niet de man, maar Christus is onze (Hoge)priester.

 

Staat en toestand van de gelovige

Een belangrijk principe

Waarom tobben zoveel christenen over de vraag of ze wel “goed genoeg” zijn voor God? En hoe kan de apostel Paulus de gelovigen in Korinthe aan de ene kant “geheiligden in Christus Jezus” noemen, terwijl hij hen een paar hoofdstukken verder de mantel uitveegt om hun vleselijke gedrag en onderlinge strijd?

Het antwoord op deze vragen ligt in een belangrijk Bijbels principe: het onderscheid tussen staat (positie) en toestand (praktische wandel). Wie dit onderscheid eenmaal leert zien, ontdekt de sleutel tot de nieuwtestamentische brieven en ervaart de bevrijdende rust van Gods Genade.

 

De staat van de gelovige

De staat van een gelovige is de volmaakte, onveranderlijke en hemelse positie die hij voor God inneemt vanaf het allereerste moment dat hij in Jezus Christus gelooft.

  • Volkomen: Deze positie wordt niet opgebouwd door menselijke inspanning, gebed, kerkelijke ijver, vroomheid of goede werken. Het is een volstrekt onverdiende gave van God op grond van het volbrachte werk van Christus aan het kruis.
  • Voor iedere gelovige: In Gods ogen bezit de meest zwakke, pasbekeerde of onwetende gelovige exact dezelfde rechten, zekerheden en hemelse zegeningen als de meest ervaren en gezegende christen.
  • Onveranderlijk : Onze positie voor God kan in de hemel niet volmaakter worden dan zij nu al is. In Christus is de gelovige gerechtvaardigd, levend gemaakt, mede opgewekt, in de hemel gezet, verzegeld met de Heilige Geest en gemaakt tot een onmisbaar lid van het Lichaam van Christus.

De toestand van de gelovige

De toestand heeft betrekking op het praktische, dagelijkse leven; het leven van de gelovige hier en nu op aarde.

  • Nog in ontwikkeling: Waar de staat vanaf dag één volmaakt is, is de praktijk van het dagelijks leven vaak nog gebrekkig. De wandel en het karakter van een gelovige kunnen in de praktijk helaas nog ver beneden het niveau van zijn hemelse positie liggen.
  • De strijd tussen oude en nieuwe natuur: In het dagelijks leven ervaart de gelovige de aanwezigheid van de oude natuur (het vlees) en de nieuwe mens (het leven van Christus in ons). Die twee staan van nature tegenover elkaar.

 

Mefiboset bij David - Bijbels type
Mefiboseth bij David

Mefiboseth bij koning David

In de Bijbel wordt dit onderscheid prachtig geïllustreerd aan de hand van de geschiedenis van Mefiboseth uit 2 Samuël 9:

Mefiboseth was de kleinzoon van koning Saul. Hij was kreupel aan beide voeten door een val in zijn jeugd en woonde in Lo-Debar , een dorre plaats die “geen weide” betekent. Uit liefde voor zijn vriend Jonathan haalde koning David Mefiboseth op en schonk hem een vaste plaats aan de koninklijke tafel.

  • Zijn staat veranderde radicaal: Op het moment dat David hem aannam, werd Mefiboseths staat die van een koningszoon. Hij zat dagelijks aan de tafel van de koning en deelde in de rijkdom van het paleis.
  • Zijn toestand bleef hetzelfde: Hoewel zijn staat verheven was tot die van een koningskind, bleef zijn praktische toestand onveranderd: hij bleef kreupel aan beide voeten. Onder de koninklijke tafel waren zijn verlamde voeten echter bedekt door de genade van de koning.

Zo draagt ook de gelovige een zwak en vernederd lichaam met zich mee, terwijl hij door God geplaatst is op de hoogst denkbare koninklijke positie.

De volgorde

Een van de grootste bevrijdingen in het christelijk leven is het inzicht in Gods volgorde van handelen. Onder de Wet van Mozes eiste God eerst gehoorzaamheid voordat de mens zegen kon ontvangen (“Doe en leef”). Onder de Genade werkt God precies andersom (“Geloof en leef”):

  1. God geeft eerst de hoogst denkbare staat om niet, op grond van geloof.
  2. God vermaant de gelovige daarna om te wandelen in overeenstemming met de positie die hij al gekregen heeft.

Onze levenswandel is niet de voorwaarde om bij God te horen, maar het gevolg van het feit dat we bij Hem horen.

Ons karakter is niet de grond van onze positie, maar onze positie is de bron van ons nieuwe karakter.

 

Bijbels onderscheid tussen staat en toestand

In het Nieuwe Testament vinden we talloze teksten die elkaar op het eerste gezicht lijken tegen te spreken, maar die direct helder worden wanneer we letten op het verschil tussen staat en toestand:

Thema staat  toestand (vermaning)
Het licht “Gij zijt het licht der wereld” (Matthéüs 5:14) “Laat zo uw licht schijnen” (Matthéüs 5:16)
Heiliging “Eens voor altijd geheiligd” (Hebreeën 10:10) “De God des vredes heilige u geheel en al” (1 Thessalonicenzen 5:23)
Volmaaktheid “In eeuwigheid volmaakt” (Hebreeën 10:14) “Niet dat ik het reeds verkregen heb, maar ik jaag daarnaar” (Filippenzen 3:12)
Sterven met Christus “Der wet gedood door het lichaam van Christus” (Romeinen 7:4) “Doodt dan uw leden die op de aarde zijn” (Kolossenzen 3:5)

 

Leven vanuit een reeds geschonken positie

Als u niet weet dat u in Christus nú al een volmaakte positie inneemt, zult u steeds proberen uw eigen heil te bewerken om zelf Gods goedkeuring te verdienen. Dat leidt óf tot wettische hoogmoed óf tot diepe ontmoediging.

Gods opvoeding in ons leven, door de inwoning van de Heilige Geest, de tuchtiging van de Vader en de onderwijzing van het Woord,  heeft maar één doel: ons praktische leven (toestand) steeds meer gelijkvormig te maken aan de volmaakte positie (staat) die wij in Christus al bezitten.

U hoeft niet te werken náár een positie; u mag leven úit een positie die u al geschonken is.

Het Evangelie zonder omwegen

Het Evangelie zonder omwegen

Het Evangelie betekent letterlijk: goed nieuws. Maar goed nieuws veronderstelt eerst slecht nieuws. En dat slechte nieuws is dit: de mens is verloren zonder God.

Waarom is redding nodig?

Er wordt veel gesproken over geloof. Over spiritualiteit. Over kerk. Over traditie. Maar zelden wordt het Evangelie zelf nog helder en scherp uitgelegd. Zonder omwegen. Zonder religieuze mist.

Wat is het probleem van de mens?
Waarom is redding noodzakelijk?
Wat is de oorzaak van onze zondige natuur?
En waarom is het Evangelie geen religie, maar goed nieuws?

Hier volgt het Bijbelse antwoord:

De Bijbel begint niet bij menselijke waardigheid, maar bij menselijke schuld. Dat is zo confronterend, maar zo noodzakelijk.

“Want zij hebben allen gezondigd, en derven de heerlijkheid Gods.” (Romeinen 3:23 STV)

Allen. Géén uitzonderingen.

Zonde is niet slechts een verkeerde daad. Het is het missen van Gods heerlijkheid. Het niet beantwoorden aan Zijn heilige karakter. Het is opstand tegen onze Schepper, bewust of onbewust.

En de gevolgen zijn ernstig:

“Want de bezoldiging der zonde is de dood; maar de genadegift Gods is het eeuwige leven, door Jezus Christus, onze Heere.” (Romeinen 6:23 STV)

Zonde verdient loon. Dat loon is de dood — geestelijke scheiding van God.

Redding is dus geen luxe. Geen extraatje voor religieuze mensen. Het is noodzaak voor ieder mens.

De oorzaak van onze zondige natuur

Veel mensen denken: “Ik ben in wezen goed, maar maak soms fouten.”
De Bijbel zegt iets anders.

“Daarom, gelijk door één mens de zonde in de wereld ingekomen is, en door de zonde de dood; en alzo de dood tot alle mensen doorgegaan is, in welken allen gezondigd hebben.” (Romeinen 5:12 STV)

De wortel ligt bij Adam. Door zijn val kwam de zonde de wereld binnen. Sindsdien wordt ieder mens geboren met een gevallen natuur.

David wist dat ook, en zei:

“Zie, ik ben in ongerechtigheid geboren, en in zonde heeft mij mijn moeder ontvangen.” (Psalm 51:7 STV)

Wij worden niet zondaren doordat wij zondigen. Wij zondigen omdat wij zondaren zijn.

Dat verklaart waarom morele inspanning het probleem niet oplost. Opvoeding kan gedrag beïnvloeden. Religie kan uiterlijk fatsoen produceren. Maar het hart blijft onveranderd.

Het probleem zit dieper dan gedrag. Het zit in onze natuur.

Gods ingrijpen in Christus

Het Evangelie is dat God Zelf ingreep.

Niet omdat wij Hem zochten. Maar omdat Hij ons zocht.

“Maar God bevestigt Zijn liefde jegens ons, dat Christus voor ons gestorven is, als wij nog zondaars waren.” (Romeinen 5:8 STV)

Christus stierf niet voor verbeterde mensen. Niet voor zoekers. Niet voor rechtvaardigen.

Hij stierf voor zondaars.

“Want ook Christus heeft eenmaal voor de zonden geleden, Hij rechtvaardig voor de onrechtvaardigen, opdat Hij ons tot God zou brengen.” (1 Petrus 3:18 STV)

Dat is plaatsvervanging. Hij nam onze plaats in. Droeg onze schuld. Ontving ons oordeel.

Aan het kruis werd niet een voorbeeld gegeven — daar werd betaald.

De weg van behoud

Hoe wordt iemand gered?

Niet door werken. Niet door kerkelijkheid. Niet door wetsonderhouding, en ook niet door fatsoenlijk gedrag

“Want uit genade zijt gij zalig geworden, door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave; Niet uit de werken, opdat niemand roeme.” (Efeze 2:8-9 STV)

Genade is onverdiende gunst.
Geloof is vertrouwen.

Het is het ophouden met proberen zichzelf te redden. Het is zich toevertrouwen aan Christus alleen.

“Geloof in den Heere Jezus Christus, en gij zult zalig worden.” (Handelingen 16:31 STV)

Dat is geen ingewikkeld systeem. Geen sacramentele ladder. Geen religieuze prestatie.

Het is rusten in wat Christus volbracht heeft.

Waarom dit géén religie is

Religie draait om menselijke inspanning.

Het Evangelie draait om Gods volbrachte werk.

Religie zegt: doe!
Het Evangelie zegt: het is gedaan, geloof dat!

Géén religie, maar relatie

Religie probeert God gunstig te stemmen.
Het Evangelie verkondigt dat God in Christus verzoening heeft aangebracht.

“Want de Zoon des mensen is gekomen om te zoeken en zalig te maken dat verloren was.” (Lukas 19:10 STV)

Christelijk geloof in Bijbelse zin is daarom géén religieus systeem. Het is een levende relatie met de opgestane Christus.

Wanneer iemand gelooft, gebeurt er iets wezenlijks:

“Zo dan, indien iemand in Christus is, die is een nieuw schepsel; het oude is voorbijgegaan, ziet, het is alles nieuw geworden.” (2 Korinthe 5:17 STV)

Dat is wedergeboorte. Geen uiterlijke hervorming, maar innerlijke vernieuwing.

De mens is verloren.
Christus is gestorven en opgestaan.
Redding is uit Genade.
Door geloof alléén.
In Christus alléén.

lees ook:

Het Evangelie in lekentaal – geen mening, maar goed nieuws

Leven uit Genade

“Van in de garage staan word je geen auto”

Bekering – geen religieuze emotie, maar een noodzakelijke omkeer

Geverifieerd door MonsterInsights