De wet onder een nieuw etiket als “Tien kernwaarden voor het leven van een christen?”

Het recyclen of heretiketteren van de Tien Geboden als “tien kernwaarden voor het christelijk leven” kan klinken als een onschuldige moderne parafrasering. In werkelijkheid is het, zacht uitgedrukt, onjuist en in het slechtste geval theologisch misleidend. De terminologie verandert, maar de functie niet. Wat niet langer wet wordt genoemd, blijft in de praktijk functioneren als wet.

Niet geïnternaliseerd, maar de relatie beëindigd


Paulus laat geen ruimte voor deze herinterpretatie. Hij zegt niet dat de wet is verzacht, geïnternaliseerd of omgevormd tot waarden. Hij zegt dat de gelovige niet onder de wet is:

“Want de zonde zal over u niet heersen; want gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade.”
(Romeinen 6:14, SV)

Meer nog, hij zegt dat de gelovige voor de wet gestorven is:

“6 Maar nu zijn wij vrijgemaakt van de wet, overmits wij dien gestorven zijn, onder welken wij gehouden waren; alzo dat wij dienen in nieuwheid des Geestes, en niet in de oudheid der letter.”
(Romeinen 7:6, SV)

En hij trekt de beslissende conclusie:

“Want het einde (doel) der wet is Christus, tot rechtvaardigheid een iegelijk die gelooft.”
(Romeinen 10:4, SV)

Deze uitspraken laten geen ruimte voor het voortbestaan van de wet onder een moreel masker.

Een bediening die voorbij is


Dit wordt nog scherper bevestigd in 2 Korinthe 3. Paulus identificeert de Tien Geboden expliciet als:

“En indien de bediening des doods, in letteren bestaande en in stenen ingedrukt, in heerlijkheid is geweest, ”
(2 Korinthe 3:7, SV)

En hij stelt zonder omwegen dat deze bediening teniet gedaan is:

“Want indien hetgeen te niet gedaan wordt, door heerlijkheid was, veel meer is hetgeen blijft, in heerlijkheid.”
(2 Korinthe 3:11, SV)

Wat teniet gedaan is, wordt niet voortgezet onder een andere naam. Spreken over kernwaarden suggereert continuïteit, terwijl Paulus juist over discontinuïteit spreekt.

In plaats daarvan introduceert hij geen nieuw moreel kader, maar een geheel andere bediening:

“Want de letter doodt, maar de Geest maakt levend.”
(2 Korinthe 3:6, SV)

En hij vat het resultaat samen:

“De Heere nu is de Geest; en waar de Geest des Heeren is, aldaar is vrijheid.”
(2 Korinthe 3:17, SV)

“Kernwaarden” is geen Bijbels begrip


Bovendien is “kernwaarden” helemaal geen Bijbels begrip. Het komt voort uit moderne management- en organisatietaal, waar het verwijst naar vaste principes die gedrag sturen, beoordelen en reguleren.

Dit concept in de theologie introduceren betekent dat men een vreemd denkkader importeert en dat vervolgens op de Schrift projecteert. Dat is geen exegese, maar herinterpretatie , of,sterker nog.-inlegkunde.

Paulus spreekt niet in termen van waarden of principes, maar in relationele categorieën:
onder de wet of onder de genade,
in Adam of in Christus,
naar het vlees of naar de Geest.

Het centrum van het christelijk leven is geen moreel systeem, maar een Persoon:

“Ik ben met Christus gekruist; en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij.”
(Galaten 2:20, SV)

Leerstellige en pastorale gevolgen


De taal van kernwaarden bevrijdt niet; zij belast. Waarden blijven gedrag beoordelen, meten en aanspreken. Ze kunnen richting geven, maar ze geven geen leven. Op die manier wordt de druk van de wet functioneel hersteld — precies waarvoor Paulus waarschuwt:

“Staat dan in de vrijheid, met welke ons Christus vrijgemaakt heeft, en wordt niet wederom met het juk der dienstbaarheid bevangen.”
(Galaten 5:1, SV)

Wat is nu de plaats van de Tien Geboden?

De Tien Geboden behouden hun betekenis als openbaring van Gods heiligheid en als spiegel van menselijke onmacht en tekort:

“Daarom zal uit de werken der wet geen vlees gerechtvaardigd worden voor Hem; want door de wet is de kennis der zonde.”
(Romeinen 3:20, SV)

Maar zij zijn niet de kernwaarden van het christelijk leven. Dat leven wordt niet gevormd door waarden, maar door gemeenschap met Christus, door de Geest.

Conclusie

>>Wat Paulus als beëindigd verklaart, kan niet worden voortgezet door het dan maar een andere naam te geven<<

Waren gelovigen uit de volken ooit onder de Wet?

In gesprekken over wet en genade wordt vaak verondersteld dat alle mensen in dezelfde positie beginnen: eerst onder de wet, daarna door geloof bevrijd. Die gedachte klinkt logisch, maar zij is niet naar de Schrift. Paulus maakt namelijk een fundamenteel onderscheid tussen Israël en de volken. Dat onderscheid is bepalend voor de vraag of gelovigen uit de volken ooit onder de Wet zijn geweest.

Het korte antwoord is: nee.
En dat antwoord is niet gebaseerd op een systeem, maar op de Schrift zelf.

De Wet is aan Israël gegeven

De Wet is niet universeel gegeven aan de mensheid, maar specifiek aan Israël, binnen het kader van het Sinaïtisch verbond. Dat wordt in het Oude Testament expliciet gezegd:

“Hij maakt Jakob Zijn woorden bekend,
Israël Zijn inzettingen en Zijn rechten.
Alzo heeft Hij geen volk gedaan;
en Zijn rechten, die kennen zij niet.”

(Psalm 147:19–20)

De volken stonden buiten dit verbond. Zij kenden de Wet niet, droegen haar niet, en stonden er niet juridisch onder.

Paulus bevestigt dit onderscheid

Paulus neemt dit onderscheid over en werkt het verder uit. In Romeinen 2 maakt hij duidelijk dat heidenen niet onder de Wet stonden:

“Wanneer de heidenen, die de wet niet hebben…”
(Romeinen 2:14)

Paulus zegt niet dat zij de Wet hadden overtreden, maar dat zij haar niet hadden. Hun verantwoordelijkheid lag niet in een verbondswet, maar in het geweten. Dat is een wezenlijk verschil.

Ook in Romeinen 2:12 wordt dit onderscheid scherp getrokken:

“Zovelen als er zonder wet gezondigd hebben,
zullen ook zonder wet verloren gaan.”

De maatstaf verschilt, de schuld niet.

“Wij” onder de Wet — niet “zij”

In Galaten 3 spreekt Paulus over mensen die onder de Wet stonden:

“Maar eer het geloof kwam, waren wij onder de wet in bewaring gesteld.”
(Galaten 3:23)

Het woord wij is hier doorslaggevend. Paulus spreekt als Jood, namens Israël. Hij kan niet spreken over heidenen, want zij stonden nooit onder de Wet. Dat blijkt ook uit de context: de Wet als tuchtmeester behoort tot het Joodse bestel.

Christus verlost wie onder de Wet waren

Dat onderscheid wordt nog duidelijker in Galaten 4:

“God heeft Zijn Zoon uitgezonden, geworden onder de wet,
opdat Hij degenen, die onder de wet waren, verlossen zou.”

(Galaten 4:4–5)

Christus werd onder de Wet om hen te verlossen die onder de Wet stonden. Dat zijn Israëlieten. Als heidenen ook onder de Wet hadden gestaan, zou deze formulering geen enkele betekenis hebben.

Heidenen: onder zonde, niet onder de Wet

Dat heidenen niet onder de Wet stonden, betekent niet dat zij onschuldig waren. Paulus is daar helder over:

“Want allen hebben gezondigd.”
(Romeinen 3:23)

Maar schuld is iets anders dan wetsonderwerping. Heidenen stonden:

  • onder zonde,
  • onder afgoderij,
  • onder dood,

maar niet onder de Wet van Mozes.

Daarom ook geen “vrijmaking van de Wet” voor heidenen

Dit is een belangrijk gevolg. Paulus zegt tegen gelovigen uit Israël dat zij:

  • voor de Wet gestorven zijn,
  • van de Wet vrijgemaakt zijn.

Dat zegt hij niet over heidenen. Zij hoefden niet van de Wet bevrijd te worden, maar tot Christus gebracht te worden.

Dat verwoordt Paulus scherp in Efeze 2:

“Dat gij te dien tijde waart zonder Christus,
vervreemd van het burgerschap Israëls,
en vreemdelingen van de verbonden der belofte.”

(Efeze 2:12)

Niet onder de Wet — maar erbuiten.

De bron van veel verwarring

Veel verwarring ontstaat wanneer men het cruciale onderscheid tussen Israël en de volken loslaat. Dan lijkt het alsof iedereen eerst onder de Wet staat en daarna wordt bevrijd. Paulus leert dat niet.

Hij onderscheidt:

  • Israël → onder de Wet → verlost van de Wet
  • De volken → zonder Wet → ingevoegd in Christus

Wie dat onderscheid negeert, maakt van de Wet een universeel systeem en verliest zowel de helderheid van Paulus als de vrijheid van de gelovige.

Gelovigen uit de volken zijn nooit onder de Wet geweest.
De Wet was:

  • nationaal,
  • verbondsmatig,
  • tijdelijk,
  • en gericht tot Israël.

Heidenen hadden geen Wet om van verlost te worden,
maar een Redder nodig om in Christus geplaatst te worden.

Dit onderscheid bewaart:

  • de eenheid van de Schrift,
  • de kracht van het evangelie,
  • en de vrijheid van de gelovige.

.

De Wet, alleen de vloek weggenomen?

 

Onlangs hoorde ik een spreker zeggen dat Christus alleen de vloek van de wet heeft weggenomen, terwijl de wet zelf zou blijven gelden als norm voor het christelijk leven. Die uitspraak bleef bij mij hangen, niet omdat die nieuw is, maar omdat deze wordt gebruikt zonder getoetst te worden aan wat Paulus hierover zegt.

Wanneer men de brieven van Paulus leest, blijkt deze opvatting niet houdbaar.

De vloek losmaken van de wet?

De redenering luidt meestal ongeveer zo:

“Christus droeg de straf van de wet, maar de wet zelf blijft een goede en geldige leefregel.”

Dat klinkt evenwichtig, maar het veronderstelt een scheiding die Paulus zelf niet maakt. Paulus schrijft:

Galaten 3:13
Christus heeft ons verlost van den vloek der wet.

Dat is waar — maar dit vers staat niet op zichzelf. Paulus gebruikt het als onderdeel van een betoog, niet als eindpunt.

De wet als tijdelijke orde

Enkele verzen later zegt hij:

Galaten 3:24
Zo dan, de wet is onze tuchtmeester (Grieks: pedagoog of opvoeder) geweest tot Christus.

En hij voegt daaraan toe:

Galaten 3:25
Maar als het geloof gekomen is, zo zijn wij niet meer onder den tuchtmeester.

De wet wordt niet beschreven als een blijvende norm zonder sanctie, maar als een tijdelijke opvoeder met een duidelijk eindpunt.

Als alleen de vloek was weggenomen, had Paulus moeten zeggen dat de tuchtmeester blijft, maar zijn roede heeft neergelegd. Dat zegt hij niet. Hij zegt dat wij niet meer onder hem zijn.

In de Romeinenbrief laat Paulus geen ruimte voor nuance. Nog duidelijker zegt hij daar:

Romeinen 7:6
Maar nu zijn wij van de wet vrijgemaakt, overmits wij dien gestorven zijn, onder welken wij gehouden waren.

Hier gaat het niet over straf, maar over binding. Men sterft niet aan een vloek, maar vanwege een rechtsverhouding. Paulus zegt niet dat de wet haar kracht verloren heeft, maar dat de gelovige voor haar gestorven is. Dat is juridisch taalgebruik. En het is definitief.

De vloek is geen los element

De gedachte dat de vloek kan worden weggenomen terwijl de wet blijft functioneren, veronderstelt dat de vloek iets bijkomstigs is. Paulus zegt het tegenovergestelde:

Galaten 3:10
Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen.

De vloek is geen extra sanctie, maar het onvermijdelijke gevolg van onder de wet staan. De wet eist volkomen gehoorzaamheid; en waar die ontbreekt, volgt de vloek.

Wie zegt dat de wet blijft maar de vloek verdwenen is, laat een systeem staan dat alleen kan eisen, maar niet meer kan oordelen. Dat is geen bijbels evenwicht, maar een innerlijke tegenspraak. Onhoudbaar

Christus is het einde (doel) der wet

Paulus vat zijn betoog samen in een enkele zin:

Romeinen 10:4
Want Christus is het einde der wet tot rechtvaardigheid voor een iegelijk, die gelooft.

Niet het einde van de straf. Niet het einde van het misbruik. Maar het einde van de wet als weg tot gerechtigheid.

Dat is geen nuance verschil, maar een principiële breuk.

Gevolgen voor het christelijk leven

De leer dat alleen de vloek is weggenomen, laat de christen feitelijk onder de wet staan, alleen zonder veroordeling. In de praktijk betekent dat:

  • voortdurende druk
  • onzekerheid over vrijheid
  • een verschuiving van Christus naar normering

Daarom waarschuwt Paulus:

Galaten 5:1
Staat dan in de vrijheid, met welke ons Christus vrijgemaakt heeft, en wordt niet wederom met het juk der dienstbaarheid bevangen.

Waartoe vrijgemaakt?

Romeinen 7:4
Zo dan, mijne broeders, gij zijt ook der wet gedood door het lichaam van Christus, opdat gij zoudt worden eens Anderen, namelijk Desgenen Die van de doden opgewekt is, opdat wij Gode vruchten dragen zouden.

Tot Slot

Paulus leert niet dat Christus de vloek heeft weggenomen zodat de wet veilig kan blijven staan. Hij leert dat de gelovige voor de wet gestorven is, omdat Christus haar doel heeft vervuld en haar functie heeft beëindigd.

Niet de wet regeert het leven van de christen. Niet eens een wet zonder vloek.

Christus, Hij alleen.

 

De Bergrede is geen wet voor de christen

Wie de Bergrede gebruikt als leefregel voor de christen, plaatst de gelovige terug onder de wet en miskent daarmee de volle betekenis van het kruis. De Bergrede werd uitgesproken vóór Golgotha, tot mensen die onder de wet stonden. De vrijheid van de gelovige — “niet onder de wet, maar onder de genade” — was toen nog niet geopenbaard.

“Maar eer het geloof kwam, waren wij onder de wet in bewaring gesteld, en besloten tot het geloof dat geopenbaard zou worden.”
(Galaten 3:23)

“Welke verborgenheid van alle eeuwen en van alle geslachten verborgen is geweest, maar nu geopenbaard is aan Zijn heiligen.”
(Kolossenzen 1:26)

Wie de Bergrede na het kruis als wet oplegt, negeert deze breuklijn.

Geen verzachting, maar verzwaring van de wet

Jezus verzacht in de Bergrede de wet niet, Hij verdiept haar tot in het hart. Niet alleen de daad wordt geoordeeld, maar ook de begeerte:

“Maar Ik zeg u, dat een iegelijk, die een vrouw aanziet om haar te begeren, die heeft alrede overspel met haar gedaan in zijn hart.”
(Mattheüs 5:28)

“Maar Ik zeg u, dat een iegelijk, die tegen zijn broeder zonder oorzaak toornig is, schuldig zal zijn door het gericht.
(Mattheüs 5:22)

Deze woorden maken de wet niet uitvoerbaar, maar onontkoombaar.

“Want wie de gehele wet zal houden, en in één zal struikelen, die is schuldig geworden aan alle.”
(Jakobus 2:10)

De Bergrede spreekt de mens niet vrij, maar sluit hem op onder schuld.

Wettisch gebruik ontkent het kruis

Christus heeft de gelovige van de wet verlost, niet haar verfijnd.

“Maar nu zijn wij van de wet vrijgemaakt, overmits wij dien gestorven zijn, onder welken wij gehouden waren.”
(Romeinen 7:6)

“Christus heeft ons verlost van den vloek der wet.”
(Galaten 3:13)

Wie de Bergrede tot wet maakt, herintroduceert wat Christus heeft beëindigd.

Niet eis, maar leven

Het christelijke leven wordt niet gevormd door geboden, maar door een nieuwe identiteit:

“Ik ben met Christus gekruist; en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij.”
(Galaten 2:20)

“Zo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn.”
(Romeinen 8:1)

De gerechtigheid die de wet eist, wordt niet door de wet vervuld, maar door de Geest:

“Opdat het recht der wet vervuld zou worden in ons, die niet naar het vlees wandelen, maar naar den Geest.”
(Romeinen 8:4)

Conclusie

De Bergrede is geen nieuw Sinaï decreet en geen christelijke leefregel. Zij openbaart wat volmaakte gerechtigheid is, opdat de mens tot Christus zou vluchten.

“Alzo is dan de wet onze tuchtmeester geweest tot Christus.”
(Galaten 3:24)

Wie de Bergrede wettisch toepast, keert terug tot slavernij.

“Staat dan in de vrijheid, met welke ons Christus vrijgemaakt heeft, en wordt niet wederom met het juk der dienstbaarheid bevangen.”
(Galaten 5:1)

Niet de Bergrede regeert het leven van de christen, maar Christus alleen.

Galaten 5:13 en de Christelijke vrijheid als oorzaak voor het vlees / de fles? (Whisky you’re the devil)

Ooit (lang geleden 🙂 ) van dichtbij gezien hoe een liefdevol en verstandig mens verandert onder invloed van grote hoeveelheden drank. Zodanig dat er een hardvochtig, manipulerend, en kwaadaardig karakter aan de oppervlakte verscheen. Was de drank uitgewerkt dan was er verwarring, ontkenning, wrok en zelfmedelijden. (“Iedereen is tegen me”)

Toen ik later gelovig werd las ik ook de Galatenbrief. En ik ontdekte dat deze door gelovigen als excuus (oorzaak, aanleiding) werd aangegrepen om ‘lekker hun gang te kunnen gaan’. (!!!)

De Genade van God was immers altijd groter…..

Maar de realiteit ligt dan toch veel genunanceerder.

Galaten 5:13 en Christelijke Vrijheid 

Galaten 5:13 (Statenvertaling) zegt: “Want gij zijt tot vrijheid geroepen, broeders, alleenlijk gebruikt de vrijheid niet tot een oorzaak voor het vlees; maar dient elkander door de liefde.”

Dit vers spreekt over de vrijheid die we hebben in Christus. Het is een vrijheid van de wet en van de zonde, maar het is allesbehalve een vrijbrief om er dan maar ‘op los te leven’ en onverstandige, ongezonde en zelfs gevaarlijke gewoontes te koesteren en cultiveren.

In Christus zijn we daadwerkelijk bevrijd van de wet van zonde en dood. Deze vrijheid is  niet bedoeld om ons vlees, onze oude natuur, te dienen. In tegendeel zelfs. Het is een oproep om door de Geest geleid te worden en niet door onze menselijke begeerten.

En in eerste instantie daarmee Christus en vervolgens onze broeders en zusters en zelfs ook ‘zij die buiten zijn’ te dienen.

Kan dat met een drankkegel? 

Ik weet het antwoord wel denk ik.

“De Fles” als voorbeeld

Alcoholmisbruik is een daarom een aansprekend voorbeeld van het misbruiken van die vrijheid. Het kan leiden tot gezondheidsproblemen, verslaving, manipulatie, vergaand egoisme en schade aan relaties en verantwoordelijkheden. Het is het dienen van het vlees, wat Paulus ons waarschuwt niet te doen.

Christelijke Vrijheid

De Christelijke vrijheid heeft als doel dat we door de Geest geleid worden en de vruchten van de Geest voortbrengen: liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, matigheid (Galaten 5:22-23). Zuipen, wat in feite gebondenheid is, staat haaks op deze vruchten, vooral op matigheid, en kan ons ervan weerhouden de wil van God te volgen. Ook de groei naar geestelijke volwassenheid komt in de knel. Rondrennen in vicueze of poreuze cirkeltjes….

Als Christenen zouden we deze vrijheid gebruiken (en dus niet misbruiken als vrijbrief voor het vlees) om Christus en elkaar lief te hebben en te dienen, dus niet om ons over te geven aan vleselijke begeerten. We zouden waakzaam zijn en ons niet laten leiden door dingen die ons van Christus kunnen scheiden.

Galaten 5:13 spoort ons aan, sterker: vermaant ons om onze vrijheid in Christus verantwoordelijk te gebruiken. We zijn geroepen om elkaar lief te hebben en te dienen. Laten we daarom streven naar een leven dat de vruchten van de Geest voortbrengt en wat liefde van Christus toont aan de wereld om ons heen.

Weet dat er loon is weggelegd voor degenen die Hem dienen en van harte gehoorzaam willen zijn.  En ja, dit zeg ik allemaal in eerste instantie tegen mijzelf. Ik ben zelf namelijk een verslavingsgevoelig tiepje, maar ik weiger daar aan toe te geven.