Is de man de priester van het gezin?

Wat zegt de Bijbel?

Je kan de uitspraak regelmatig tegenkomen onder gelovigen;

De man is de priester van het gezin.

Vooral wanneer het gaat over de geestelijke verantwoordelijkheid van echtgenoten en vaders, komt deze uitdrukking voorbij. Soms wordt zelfs gesproken over het priesterlijk gezag van de man.

Maar waar staat dat in de Bijbel?

Hero banner promoting Bible studies: open Bible on a wooden table at sunrise with the Dutch title 'Wat zegt de Bijbel over...' and a blue footer menu showing topics like Schrift met Schrift and Christus centraal.
Wat zegt de Bijbel over

Ik kan me niet herinneren ooit een Bijbelgedeelte gelezen te hebben waarin de man als priester van zijn gezin wordt aangesteld. En dat roept vragen op. Want als we aan de man een priesterlijke functie toekennen, moeten we toch kunnen uitleggen waarop die gedachte gebaseerd is?

Dat de man verantwoordelijkheid draagt voor zijn vrouw en kinderen, staat buiten kijf. Maar verantwoordelijkheid dragen en priester zijn, zijn twee verschillende zaken.

Bovendien vraag ik me af of achter deze manier van spreken niet een groter probleem schuilgaat. In het christendom is men door de eeuwen heen gewend geraakt aan allerlei vormen van geestelijke hiërarchie. Het onderscheid tussen geestelijken en leken is daar een bekend voorbeeld van. Zou het kunnen dat dat denken ook invloed heeft gehad op onze opvattingen over huwelijk en gezin?

Want is de verhouding tussen man en vrouw volgens de Bijbel niet in de eerste plaats een verhouding van eenheid?

 

Man en vrouw zijn één vlees

Als we willen begrijpen hoe God de verhouding tussen man en vrouw heeft bedoeld, moeten we beginnen bij de schepping.

“Daarom zal de man zijn vader en zijn moeder verlaten, en zijn vrouw aankleven; en zij zullen tot één vlees zijn.” (Genesis 2:24, STV)

Dat is de grondslag van het huwelijk. Man en vrouw worden aan elkaar verbonden in een eenheid die zo nauw is dat de Schrift spreekt over één vlees.

Er staat niet dat de man een afzonderlijke geestelijke positie boven zijn vrouw krijgt, waardoor zij voor haar verhouding tot God op hem aangewezen zou zijn.

De vrouw wordt in Genesis 2:18 aangeduid als een hulp die tegenover de man is. Zij wordt hem gegeven als iemand die bij hem past. De eenheid van man en vrouw vormt vervolgens de grondslag voor hun gezamenlijke leven.

Dat betekent niet dat de Schrift geen onderscheid maakt tussen hun verantwoordelijkheden. Maar die verantwoordelijkheden moeten binnen de huwelijksgemeenschap worden verstaan, niet als een systeem van geestelijke rangen en standen.

Wie het huwelijk voornamelijk benadert vanuit de vraag wie er gezag heeft over wie, loopt het risico dat de eenheid naar de achtergrond verdwijnt.

 

Waar komt het idee van de man als gezinspriester vandaan?

Mogelijk speelt de geschiedenis van de aartsvaders hierin een rol.

Noach bouwde na de zondvloed een altaar en bracht offers aan de HEERE. Abraham deed hetzelfde. Ook Job bracht offers voor zijn kinderen, omdat hij rekening hield met de mogelijkheid dat zij gezondigd hadden (Job 1:5).

Daaruit wordt soms de gedachte gedestilleerd dat de vader van oudsher als priester van zijn gezin optrad.

Maar daarmee is nog niet aangetoond dat God iedere vader een blijvend priesterlijk ambt heeft gegeven.

Bovendien gebeurden genoemde gebeurtenissen lang vóór de instelling van het Levitische priesterschap. Onder de wet van Mozes was het priesterschap juist niet aan iedere vader of echtgenoot verbonden. Het was voorbehouden aan Aäron en zijn nakomelingen.

En met de komst van Jezus Christus is er op dit terrein een radicale verandering gekomen.

 

Jezus Christus is onze Hogepriester

De Hebreeënbrief laat uitvoerig en gedetailleerd zien dat het priesterschap van het oude verbond zijn vervulling heeft gevonden in Christus. Zijn offer is volkomen en Zijn priesterschap blijvend.

“Daar wij dan een groten Hogepriester hebben, Die door de hemelen doorgegaan is, namelijk Jezus, den Zoon van God, zo laat ons deze belijdenis vasthouden.” (Hebreeën 4:14, STV)

Door Zijn offer heeft Christus de toegang tot God geopend. De gelovige heeft geen aardse priester nodig om namens hem of haar tot God te naderen.

Paulus schrijft aan Timotheüs :

“Want er is één God, er is ook één Middelaar Gods en der mensen, de Mens Christus Jezus;” (1 Timotheüs 2:5, STV)

Dat heeft ook betekenis voor het huwelijk.

Een gelovige vrouw heeft geen echtgenoot nodig om toegang tot God te krijgen. Zij mag zelf tot de Vader naderen, op dezelfde grond als haar man: het volbrachte werk van Jezus Christus.

Een man kan voor zijn vrouw bidden, haar ondersteunen en samen met haar Gods Woord onderzoeken. Maar hij staat niet tussen haar en God.

Die plaats behoort uitsluitend aan Christus toe.

 

Het priesterschap van alle gelovigen

Het Nieuwe Testament spreekt over een priesterschap waarin alle gelovigen delen.

Petrus schrijft:

“Zo wordt gij ook zelven, als levende stenen, gebouwd tot een geestelijk huis, tot een heilig priesterdom, om geestelijke offeranden op te offeren, die Gode aangenaam zijn door Jezus Christus.” (1 Petrus 2:5, STV)

En verder:

“Maar gij zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk; opdat gij zoudt verkondigen de deugden Desgenen, Die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht;” (1 Petrus 2:9, STV)

Het priesterschap van de gelovigen is geen voorrecht van mannen, gehuwde mannen of gezinshoofden.

Ook vrouwen delen daarin.

Een gelovige vrouw heeft geen lagere geestelijke positie dan haar man. Beiden behoren tot hetzelfde lichaam van Christus, hebben dezelfde Hogepriester en mogen op dezelfde grond tot God naderen.

Dat brengt ons bij een uitspraak van Paulus die in dit vraagstuk van groot belang is.

 

In Christus is noch man noch vrouw

Paulus schrijft aan de Galaten:

“Daarin is noch Jood noch Griek; daarin is noch dienstbare noch vrije; daarin is geen man en vrouw; want gij allen zijt één in Christus Jezus.” (Galaten 3:28, STV)

De context gaat over het geloof in Christus, het zoonschap en het erfgenaam zijn van de belofte. Paulus maakt duidelijk dat afkomst, maatschappelijke positie en geslacht geen onderscheid maken in de geestelijke positie die gelovigen in Christus ontvangen.

Dat betekent niet dat het onderscheid tussen mannen en vrouwen is opgeheven. Evenmin verdwijnen daarmee alle verschillen in taken en verantwoordelijkheden.

Maar voor God staat een gelovige man niet op een hogere geestelijke trede dan een gelovige vrouw.

Beiden zijn één in Christus Jezus.

Het zou dan ook vreemd zijn wanneer we binnen het huwelijk alsnog een bijzondere priesterlijke positie voor de man zouden invoeren.

Daarmee ontstaat een geestelijk onderscheid waarvoor Paulus in zijn onderwijs over onze positie in Christus geen ruimte biedt.

 

Van geestelijken en leken naar de priester van het gezin

Hier ligt mogelijk een belangrijke verklaring voor het ontstaan en voortbestaan van de uitdrukking de man is de priester van het gezin.

Het priesterschap van alle gelovigen is in de kerkgeschiedenis lang niet altijd tot zijn recht gekomen.

In de gevestigde kerkelijke tradities groeide een onderscheid tussen een afzonderlijke geestelijke stand en de gewone gelovigen. Binnen de rooms-katholieke traditie kreeg het ambtelijke priesterschap bovendien een eigen sacramentele betekenis.

De Reformatie heeft het priesterschap van alle gelovigen opnieuw onder de aandacht gebracht. Toch is daarmee het denken in geestelijke rangen en standen niet verdwenen.

Ook in protestantse en evangelische gemeenten kan een voorganger of leider een positie krijgen die verder gaat dan de verantwoordelijkheid die de Schrift aan zijn bediening verbindt.

Daarbij moeten we onderscheid maken tussen geestelijk leiderschap en geestelijke verhevenheid.

Het Nieuwe Testament spreekt over oudsten, herders en leraren. Hun taak is onder meer de gelovigen toe te rusten, zodat het lichaam van Christus wordt opgebouwd en de gelovigen tot volwassenheid komen (Efeze 4:11-16).

Dat is iets anders dan een geestelijke bovenlaag vormen waarvan de overige gelovigen afhankelijk blijven.

Zou een vergelijkbare gedachte ook binnen het gezin kunnen zijn ontstaan?

De man wordt dan niet alleen gezien als iemand met een eigen verantwoordelijkheid, maar krijgt als het ware een bijzondere geestelijke positie tegenover zijn vrouw en kinderen. Hij wordt de priester van het gezin genoemd, alsof er binnen die kleine gemeenschap eveneens een geestelijke ambtsdrager nodig is.

Dat verband is aannemelijk, al kunnen we daarmee niet zomaar de historische oorsprong van de uitdrukking vaststellen.

Opmerkelijk blijft wel dat met name in evangelische maar ook charismatische kringen, waar men doorgaans geen afzonderlijke priesterstand erkent, deze benaming regelmatig wordt gebruikt.

Blijkbaar is het denken in geestelijke hiërarchie hardnekkiger dan we soms beseffen.

 

Maar de man is toch het hoofd van zijn vrouw?

Paulus schrijft:

“Want de man is het hoofd der vrouw, gelijk ook Christus het Hoofd der Gemeente is; en Hij is de Behouder des lichaams.” (Efeze 5:23, STV)

Dat staat er, en daar hoeven we niets van af te doen.

Maar het is belangrijk om deze woorden te lezen binnen het verband waarin Paulus ze gebruikt.

Efeze 5 begint dit gedeelte met de oproep:

“Elkander onderdanig zijnde in de vreze Gods.” (Efeze 5:21, STV)

Vervolgens spreekt Paulus over de verhouding tussen man en vrouw. De vrouw wordt aangesproken op haar houding tegenover haar man, terwijl de man wordt opgeroepen zijn vrouw lief te hebben zoals Christus de Gemeente heeft liefgehad en Zichzelf voor haar heeft overgegeven.

De nadruk ligt op de wijze waarop beiden zich binnen het huwelijk tegenover elkaar behoren te gedragen.

Paulus werkt de eenheid van man en vrouw zelfs verder uit:

“Alzo zijn de mannen schuldig hun eigen vrouwen lief te hebben gelijk hun eigen lichamen. Die zijn eigen vrouw liefheeft, die heeft zichzelven lief.” (Efeze 5:28, STV)

En daarna verwijst hij opnieuw naar Genesis 2:24, waar gesproken wordt over het één vlees zijn.

Dat zegt wel wat!

Het hoofd-zijn van de man staat niet los van de eenheid met zijn vrouw. Het is allesbehalve een  vrijbrief om haar te overheersen of zichzelf een bijzondere geestelijke status toe te kennen.

Wie zijn vrouw liefheeft als zijn eigen lichaam, kan haar onmogelijk behandelen als iemand die geestelijk onder hem staat.

De man heeft een eigen verantwoordelijkheid, maar hij is niet de middelaar tussen zijn vrouw en God.

 

De geestelijke verantwoordelijkheid van beide ouders

Paulus schrijft:

“En gij vaders, verwekt uw kinderen niet tot toorn, maar voedt hen op in de lering en vermaning des Heeren.” (Efeze 6:4, STV)

Een vader heeft dus een duidelijke verantwoordelijkheid in de opvoeding van zijn kinderen. Hij hoort hen vertrouwd te maken met Gods Woord en zelf een voorbeeld te zijn in zijn geloof en  levenswandel.

Maar ook de moeder heeft daarin een belangrijke plaats.

Paulus herinnert Timotheüs aan het geloof van zijn grootmoeder Loïs en zijn moeder Eunice. Bovendien kende Timotheüs van kinds af aan de heilige Schriften (2 Timotheüs 1:5; 3:15).

Het Nieuwe Testament geeft ons geen aanleiding om de geestelijke opvoeding uitsluitend aan de vader toe te vertrouwen.

En wat te denken van een gezin waarin de vrouw gelovig is en de man niet? Zou zij dan geen geestelijke verantwoordelijkheid kunnen dragen, omdat de vermeende priester van het gezin niet gelooft?

De Bijbel leert dat niet.

Man en vrouw mogen elkaar juist ondersteunen in het geloof. Zij mogen samen bidden, samen Gods Woord onderzoeken en samen hun kinderen onderwijzen.

Daarvoor hoeft geen van beiden een bijzondere priesterlijke positie te krijgen.

 

Wanneer verantwoordelijkheid verandert in gezagsdenken

Er is niets mis met gezag wanneer het de plaats krijgt die de Schrift eraan geeft. Ouders dragen verantwoordelijkheid voor hun kinderen. Oudsten hebben een taak binnen de Gemeente. En binnen het huwelijk spreekt Paulus over het hoofd-zijn van de man.

Maar het wordt problematisch wanneer zulke verantwoordelijkheden worden opgevat als een geestelijke rangorde.

Dan verschuift de aandacht van dienen naar positie, van verantwoordelijkheid naar bevoegdheid en van de gezamenlijke afhankelijkheid van Christus naar afhankelijkheid van mensen.

De uitdrukking de man is de priester van het gezin kan ongewild en onbedoeld aan die verschuiving bijdragen.

Niet iedereen die deze woorden gebruikt, zal daarmee bedoelen dat de vrouw voor haar verhouding tot God afhankelijk is van haar man. Vaak wil men eenvoudig benadrukken dat mannen hun verantwoordelijkheid serieus moeten nemen.

Die bedoeling kan op zichzelf heel goed zijn.

Maar waarom zouden we daarvoor een benaming gebruiken die de Schrift niet aan de man geeft?

Het woord priester heeft een eigen betekenis in de Bijbel. Wanneer we het gebruiken als een algemene aanduiding voor geestelijk leiderschap, raakt die betekenis op de achtergrond.

En wanneer vervolgens aan die titel ook nog een bijzonder geestelijk gezag wordt verbonden, ontstaat een opvatting die moeilijk te verenigen is met het priesterschap van alle gelovigen.

 

Het huwelijk is geen geestelijke hiërarchie

Misschien moeten we onszelf vaker de vraag stellen of ons denken over het huwelijk niet te veel wordt bepaald door gezagsverhoudingen.

Wie staat boven wie? Wie heeft het laatste woord? Wie draagt de geestelijke eindverantwoordelijkheid?

Het zijn vragen die binnen bepaalde christelijke kringen veel aandacht krijgen.

Maar wanneer Paulus over het huwelijk schrijft, spreekt hij uitvoerig over liefde, trouw, zelfverloochening en eenheid.

De man moet zijn vrouw liefhebben als zijn eigen lichaam. De vrouw wordt aangesproken op haar verhouding tot haar man. Beiden leven voor Gods aangezicht en zijn aan Hem verantwoording verschuldigd.

De eenheid van man en vrouw wordt niet opgeheven door hun onderscheiden verantwoordelijkheden. Die verantwoordelijkheden horen binnen die eenheid gestalte te krijgen.

Bovendien zijn zij, als beiden gelovig zijn, samen leden van het lichaam van Christus.

Daar is geen afzonderlijke priesterlijke positie voor de echtgenoot nodig.

De vrouw hoeft niet via haar man tot God te naderen. De man heeft evenmin een geestelijke voorsprong op zijn vrouw.

Beiden leven uit dezelfde genade.

 

Geen gezinspriester, maar samen afhankelijk van Christus

Een christelijke man hoeft geen priester van zijn gezin te zijn om zijn verantwoordelijkheid serieus te nemen.

Hij hoort zijn vrouw lief te hebben, zijn kinderen in Gods Woord te onderwijzen en zelf te leven uit het geloof. Dat is een opdracht die om toewijding, wijsheid en zelfverloochening vraagt.

Zijn vrouw heeft ondertussen dezelfde Hogepriester als hij. Zij deelt in hetzelfde priesterschap en heeft dezelfde toegang tot de Vader.

De Hebreeënbrief zegt:

“Daar wij dan, broeders, vrijmoedigheid hebben, om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus,” (Hebreeën 10:19, STV)

Die vrijmoedigheid rust niet op de geestelijke positie van een echtgenoot, een voorganger of welke andere menselijke gezagsdrager dan ook.

Zij berust op het bloed van Jezus Christus.

Daarom vind ik de uitdrukking de man is de priester van het gezin niet alleen overbodig, maar ook ongelukkig. Deze kan een gezagsdenken in stand houden dat géén recht doet aan de eenheid van man en vrouw en aan hun gezamenlijke positie in Christus.

Het huwelijk is geen kleine kerkelijke hiërarchie, met de man als geestelijke ambtsdrager en zijn vrouw en kinderen als degenen die onder zijn priesterschap vallen.

 

Man en vrouw zijn één vlees. Als gelovigen zijn ze bovendien één in Christus Jezus. Zij hebben dezelfde Hogepriester, dezelfde toegang tot de Vader en delen in hetzelfde priesterschap.

Dat maakt de verantwoordelijkheid van de man niet kleiner. Het zet deze waar het huishoort: binnen de eenheid van het huwelijk en onder het gezag van Jezus Christus.

Niet de man, maar Christus is onze (Hoge)priester.

 

Geschapen naar Gods beeld en de laatste Adam

De grote lijn van de Bijbel

Wanneer de Bijbel over de mens spreekt, begint hij met een indrukwekkende uitspraak: de mens is geschapen naar Gods beeld. Maar de Schrift stopt daar niet. Zij laat ook zien hoe dat beeld door de zonde werd aangetast en hoe het uiteindelijk wordt hersteld in Christus, de laatste Adam.

Wie deze lijn begrijpt, ziet hoe de hele Bijbel één groot verhaal vertelt: schepping, val en herstel.

De mens geschapen naar Gods beeld

De eerste hoofdstukken van Genesis beschrijven de unieke plaats van de mens in de schepping.

“En God zeide: Laat Ons mensen maken naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis; en dat zij heerschappij hebben over de vissen der zee, en over het gevogelte des hemels, en over het vee, en over de gehele aarde, en over al het kruipend gedierte dat op de aarde kruipt.”
— Genesis 1:26 (STV)

“En God schiep den mens naar Zijn beeld; naar het beeld van God schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij hen.”
— Genesis 1:27 (STV)

Hier zien we twee belangrijke waarheden.

De mens is geschapen naar Gods beeld, en hij ontvangt heerschappij over de aarde.

Het beeld van God betekent dat de mens als het ware God vertegenwoordigt in de schepping. Hij heeft verstand, bewustzijn, moreel besef en verantwoordelijkheid. De mens staat daardoor in een unieke positie binnen de schepping.

God gaf hem ook een opdracht.

“En God zegende hen, en God zeide tot hen: Weest vruchtbaar, en vermenigvuldigt, en vervult de aarde, en onderwerpt haar; en hebt heerschappij over de vissen der zee, en over het gevogelte des hemels, en over al het gedierte dat op de aarde kruipt.”
— Genesis 1:28 (STV)

De mens was bedoeld als rentmeester van Gods schepping.

De val van de eerste Adam

Maar het verhaal van Genesis neemt een dramatische wending. De eerste mens, Adam, komt in opstand tegen God. Daardoor komt de zonde in de wereld.

Paulus beschrijft de gevolgen later zo:

“Daarom, gelijk door één mens de zonde in de wereld ingekomen is, en door de zonde de dood; en alzo de dood tot alle mensen doorgegaan is, in welken allen gezondigd hebben.”
— Romeinen 5:12 (STV)

Adam wordt zo het hoofd van een gevallen mensheid.

De mens draagt nog steeds Gods beeld, maar het is diep beschadigd. Toch blijft de waardigheid van het menselijk leven bestaan. Zelfs na de zondvloed zegt God:

“Wie des mensen bloed vergiet, diens bloed zal door den mens vergoten worden; want God heeft den mens naar Zijn beeld gemaakt.”
— Genesis 9:6 (STV)

De mens blijft dus drager van Gods beeld, maar leeft nu onder de macht van zonde en dood.

Christus als de laatste Adam

Het Nieuwe Testament openbaart vervolgens een indrukwekkend contrast. Paulus zet Adam en Christus tegenover elkaar.

“Alzo is er ook geschreven: De eerste mens Adam is geworden tot een levende ziel; de laatste Adam tot een levendmakenden Geest.”
— 1 Korinthe 15:45 (STV)

Adam ontving leven.
Christus geeft leven.

Daarom noemt Paulus Christus ook:

“De eerste mens is uit de aarde, aards; de tweede Mens is de Heere uit den hemel.”
— 1 Korinthe 15:47 (STV)

Hier verschijnen twee mensheden.

De mensheid in Adam
aards
sterfelijk
onder de zonde

De mensheid in Christus
hemels
nieuw leven
bestemd voor opstanding

Iedere mens staat uiteindelijk onder één van deze twee hoofden.

Waarom Christus de laatste Adam wordt genoemd

Paulus gebruikt bewust de term laatste Adam.

Dat betekent dat Christus het definitieve begin is van een nieuwe mensheid. Er komt geen nieuw hoofd meer na Hem.

In Adam begon de oude schepping.
In Christus begint de nieuwe.

Daarom zegt Paulus:

“Want gelijk zij allen in Adam sterven, alzo zullen zij ook in Christus allen levend gemaakt worden.”
— 1 Korinthe 15:22 (STV)

Christus is het begin van een nieuwe werkelijkheid.

Christus, de laatste Adam, als het volmaakte beeld van God

De Bijbel gaat nog verder. Christus is niet alleen de laatste Adam, maar ook het volmaakte beeld van God.

“Dewelke het Beeld is des onzienlijken Gods, de Eerstgeborene aller creaturen.”
— Kolossenzen 1:15 (STV)

Waar Adam faalde, verschijnt Christus als de ware Mens zoals God de mens bedoeld had.

Daarom wordt in Christus zichtbaar wat het betekent om werkelijk naar Gods beeld te leven.

Vernieuwing naar dat beeld

Voor gelovigen betekent dit dat zij deel krijgen aan dat nieuwe leven.

“En aangedaan hebt den nieuwen mens, die vernieuwd wordt tot kennis, naar het evenbeeld Desgenen, Die hem geschapen heeft.”
— Kolossenzen 3:10 (STV)

En Paulus zegt ook:

“Maar wij allen, met ongedekten aangezichte de heerlijkheid des Heeren als in een spiegel aanschouwende, worden naar hetzelfde beeld in gedaante veranderd van heerlijkheid tot heerlijkheid, als van des Heeren Geest.”
— 2 Korinthe 3:18 (STV)

Het doel van Gods werk is dus dat de mens opnieuw wordt gevormd naar het beeld van Christus.

De grote lijn van de Schrift

Door de hele Bijbel loopt één grote lijn.

De mens wordt geschapen naar Gods beeld.
Door Adam komt de zonde in de wereld.
Christus verschijnt als de laatste Adam.
In Hem begint een nieuwe mensheid.
En uiteindelijk zullen gelovigen volledig het beeld van Christus dragen.

Paulus vat dat samen met een indrukwekkende uitspraak:

“En gelijkerwijs wij het beeld des aardsen gedragen hebben, alzo zullen wij ook het beeld des Hemelsen dragen.”
— 1 Korinthe 15:49 (STV)

De moderne wereld probeert de mens te definiëren zonder God. De Bijbel doet precies het tegenovergestelde.

De Schrift zegt dat de mens alleen begrepen kan worden in het licht van twee personen:

Adam
en Christus.

De eerste bracht zonde en dood.
De tweede brengt leven en een nieuwe schepping.

 

De beslissende vraag is daarom niet: wie ben ik?

Maar:

Onder welk hoofd leef ik, Adam of Christus?

Want alleen in Christus wordt zichtbaar wat God bedoelde toen Hij de mens schiep naar Zijn beeld.

De toekomstige rol van de Gemeente

De toekomstige rol van de Gemeente

Wanneer wij de toekomstige rol van de Gemeente willen verstaan, moeten wij beginnen bij haar identiteit. Niet bij traditie. Niet bij kerkelijke formuleringen. Maar bij het beeld dat de Schrift zelf gebruikt.

De Gemeente is niet de verbondsvrouw van de HEERE.
Dát beeld hoort bij Israël.

De Gemeente is het Lichaam van Christus.

“En Hij is het Hoofd des lichaams, namelijk der Gemeente.” (Kolossenzen 1:18 STV)

Vanuit dat beeld moeten wij haar toekomst doordenken.

Een hemelse roeping

De Gemeente heeft geen aardse roeping zoals Israël. Haar positie is hemels.

“En heeft ons mede opgewekt, en heeft ons mede gezet in den hemel in Christus Jezus.” (Efeze 2:6 STV)

“Want ons burgerschap is in de hemelen, waaruit wij ook den Zaligmaker verwachten, namelijk den Heere Jezus Christus.” (Filippenzen 3:20 STV)

Israël verwacht de Messias op aarde.
De Gemeente verwacht Hem uit de hemel.

Dat bepaalt ook haar toekomst.

De opname: het eerstvolgende moment

Voor de Gemeente is de eerstvolgende profetische gebeurtenis niet het Koninkrijk op aarde, maar de ontmoeting met de Heere in de lucht.

“Daarna wij, die levend overgebleven zijn, zullen tezamen met hen opgenomen worden in de wolken, den Heere tegemoet in de lucht; en alzo zullen wij altijd met den Heere wezen.” (1 Thessalonicenzen 4:17 STV)

Hier wordt geen aardse vestiging beschreven, maar een hemelse vereniging.

Dat past bij haar identiteit als Lichaam.

De rechterstoel van Christus

Na de opname volgt beoordeling van dienst.

“Want wij allen moeten geopenbaard worden voor den rechterstoel van Christus.” (2 Korinthe 5:10 STV)

Dit is geen oordeel tot verdoemenis.
Het betreft loon en verantwoordelijkheid.

De Gemeente zal niet geoordeeld worden als volk (zoals Israël in Mattheüs 25), maar individueel als leden van het Lichaam.

Verschijnen met Christus

Wanneer Christus verschijnt in heerlijkheid, verschijnt de Gemeente met Hem.

“Wanneer nu Christus zal geopenbaard zijn, Die ons leven is, dan zult ook gij met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid.” (Kolossenzen 3:4 STV)

Het Lichaam deelt in de openbaring van het Hoofd.

Dat is logisch.
Wat aan het Hoofd gebeurt, raakt het Lichaam.

Heersen met Christus

De Schrift leert dat gelovigen zullen delen in Zijn heerschappij.

“Indien wij verdragen, wij zullen ook met Hem heersen.” (2 Timotheüs 2:12 STV)

Dit heersen is geen overname van Israëls beloften.
Israël ontvangt het aardse Koninkrijk onder de Zoon van David.

De Gemeente deelt in de hemelse regering van Christus.

Het onderscheid blijft:

Israël — aards, koninklijk, nationaal.
Gemeente — hemels, organisch verbonden, mede-erfgenaam.

In de toekomende eeuwen

Paulus opent nog een breder perspectief:

“Opdat Hij zou betonen in de toekomende eeuwen den uitnemenden rijkdom Zijner genade, door de goedertierenheid over ons in Christus Jezus.” (Efeze 2:7 STV)

De Gemeente zal in de eeuwigheid een demonstratie zijn van Gods Genade.

Niet als natie.
Niet als verbondsvolk.
Maar als verlost Lichaam, verenigd met het Hoofd.

Waar de Gemeente niet toe is geroepen

De Gemeente is niet geroepen om:

  • het Koninkrijk nu te vestigen
  • politieke heerschappij te zoeken
  • de wereld te christianiseren

Zij is vreemdeling.

“Zo zijn wij dan gezanten van Christuswege.” (2 Korinthe 5:20 STV)

Een gezant vertegenwoordigt een ander rijk.

De toekomstige rol van de Gemeente is:

  • opgenomen worden tot Christus
  • voor Zijn rechterstoel verschijnen
  • met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid
  • delen in Zijn heerschappij
  • in de toekomende eeuwen Gods Genade openbaren

Dit alles vloeit voort uit één waarheid:

De Gemeente is het Lichaam van Christus.

En het Lichaam zal zijn waar het Hoofd is.

Onderzoek zelf de Schrift.
Vergelijk Schrift met Schrift.
Snijd het Woord recht.

zie ook:

De Gemeente is geen Israël

Het verschil tussen de tijd van het Koninkrijk en de tijd van de Gemeente

De toekomstige en zekere bekering van Israël, – geen automatisme

De grote verdrukking, voor wie bestemd

Schrift met Schrift vergelijken

Geverifieerd door MonsterInsights