De Bergrede

De Bergrede

De principes van het Koninkrijk

Matthéüs 5, 6 en 7

Matthéüs 5

De Bergrede is geen Evangelie van redding

Over weinig gedeelten van de Bijbel bestaat zoveel verwarring als over de Bergrede. Die verwarring ontstaat vooral doordat men geen onderscheid maakt tussen wat de Schrift zegt over het Evangelie van de Genade en wat zij zegt over het toekomstige Koninkrijk. Daardoor wordt de Bergrede vaak behandeld alsof zij de weg tot behoudenis aanwijst.

In veel moderne prediking wordt het kruis naar de achtergrond geschoven en wordt de Bergrede naar voren gehaald als levensweg voor verloren mensen. Dan klinkt het alsof een mens behouden kan worden door arm van geest te worden, te treuren, zachtmoedig te leven of naar gerechtigheid te verlangen. Maar dat is niet het Evangelie. Een gevallen mens kan zichzelf niet veranderen tot iemand die God behaagt. Een zondaar kan zichzelf niet rein van hart maken, evenmin als hij zichzelf levend kan maken.

Wie de Bergrede als weg tot behoud predikt, maakt van de woorden van de Heere Jezus een nieuwe wet voor verloren mensen. Daarmee verzwakt men de noodzaak van het kruis. Maar er is geen tegenstelling tussen Jezus en Paulus. De Heere Jezus sprak zelf over wedergeboorte en over de noodzaak van Zijn dood. En Paulus verkondigde niet een ander Evangelie, maar werkte juist uit wat de opgestane Christus hem had toevertrouwd over de Gemeente en de Genade.

 

Niet de leefregel voor de Gemeente

De Bergrede is dus niet bedoeld als weg tot behoud voor de zondaar. Zij is ook niet in de eerste plaats gegeven als leefregel voor de Gemeente. Toen de Heere Jezus deze rede uitsprak, was de Gemeente als lichaam van Christus nog niet geopenbaard. De leer voor de Gemeente wordt later vooral ontvouwd in de apostolische brieven.

De Bergrede moet daarom verstaan worden als onderwijs over het Koninkrijk der hemelen: het Koninkrijk dat aan Israël werd aangeboden, door het volk werd verworpen en in de toekomst alsnog openbaar zal worden wanneer de Messias terugkeert. Dan zal Jeruzalem het centrum van Zijn regering zijn en zal Zijn wet uitgaan van Sion.

Dat betekent niet dat de Bergrede voor gelovigen vandaag geen waarde heeft. Integendeel. Heel de Schrift is nuttig tot onderwijs. Maar niet alles wat in de Schrift staat, is rechtstreeks aan de Gemeente gericht. De Bergrede bevat wel blijvende, geestelijke beginselen die ook nu gezag hebben, maar zij mag niet losgemaakt worden van haar plaats in Gods heilsplan.

De zaligsprekingen

De Heer spreekt in de zaligsprekingen niet over mensen die zichzelf omhoogwerken tot een geestelijk ideaal. Hij tekent de erfgenamen van het Koninkrijk zoals Gods Genade hen maakt.

Zalig zijn de armen van geest. Dat zijn mensen die hun geestelijke armoede voor God hebben leren kennen. Juist wie niets in zichzelf heeft, ontvangt alles uit Genade.

Zalig zijn zij die treuren. Zij delen in het lijden van Christus, zien de nood van de wereld en worden innerlijk bewogen. Hun troost ligt in de toekomstige vervulling van Gods werk.

Zalig zijn de zachtmoedigen. Zachtmoedigheid is geen menselijke prestatie, maar vrucht van Gods Geest. Zij zullen de aarde beërven, omdat zij met Christus verbonden zijn.

Zalig zijn zij die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid. De natuurlijke mens verlangt niet naar Gods gerechtigheid, maar de erfgenaam van het Koninkrijk wel. Hij ziet uit naar een wereld waarin Gods wil volmaakt heerst.

Zalig zijn de barmhartigen. Zij hebben eerst zelf barmhartigheid ontvangen en tonen daarom barmhartigheid aan anderen.

Zalig zijn de reinen van hart. Het gaat hier om een oprecht en onverdeeld hart, gericht op God.

Zalig zijn de vredestichters. Zij brengen de boodschap van verzoening en worden daarom kinderen van God genoemd.

 

De zegen en de smaad van de erfgenamen

Na de zaligsprekingen laat de Heere zien dat de erfgenamen van het Koninkrijk met tegenstand te maken krijgen. Wie om de gerechtigheid vervolgd wordt, is zalig. Smaad en verdrukking zijn geen teken dat God afwezig is, maar juist dat men aan de zijde van de Koning staat.

Daarom noemt de Heere Zijn discipelen het zout der aarde en het licht der wereld. Zout bewaart tegen bederf, licht verdrijft duisternis. Hun roeping is zichtbaar. Niet om zichzelf te verheffen, maar opdat de Vader verheerlijkt wordt.

De wet en haar vervulling

De Heere Jezus kwam niet om de wet en de profeten te ontbinden, maar om die te vervullen. Hij neemt de wet niet weg alsof zij onbelangrijk was. Integendeel, Hij brengt haar volle strekking aan het licht. In Zijn Koninkrijk blijft Gods heilige norm volledig van kracht.

Daarom gaat Hij verder dan alleen uiterlijke gehoorzaamheid. Niet alleen moord wordt veroordeeld, maar ook de toorn die eraan voorafgaat. Niet alleen overspel, maar ook de begeerte van het hart. Niet alleen meineed, maar iedere onwaarachtigheid. In het Koninkrijk zal Gods wil niet alleen uitwendig worden opgelegd, maar ook innerlijk openbaar komen.

Oog om oog en liefde tot vijanden

Onder het oude bestel gold de regel van vergelding: oog om oog en tand om tand. In de Bergrede tekent de Heere de gezindheid die past bij Zijn Koninkrijk. Geen persoonlijke wraak, geen vergeldingsdrang, maar bereidheid om onrecht te verdragen. Ook de vijand moet niet gehaat maar liefgehad worden.

Daarin moeten de discipelen op hun Vader lijken. De oproep om volmaakt te zijn zoals de hemelse Vader volmaakt is, is niet oppervlakkig. Zij wijst op het doel: een leven dat het karakter van God weerspiegelt.

Matthéüs 6

Onze Vader in de hemelen

Voor Joodse oren moet het bijzonder hebben geklonken dat de Heere Jezus zo vaak over God sprak als Vader. In het Oude Testament was Gods liefde wel geopenbaard, maar de vrije, kinderlijke toegang tot Hem was nog niet zo bekendgemaakt als in het onderwijs van Christus.

De Heere spreekt in dit hoofdstuk herhaaldelijk over “uw Vader” en leert Zijn discipelen bidden tot “Onze Vader in de hemelen”. Daarmee opent Hij een kostbare waarheid. Tegelijk moet die waarheid niet vervalst worden.

Geen algemeen vaderschap van God in zaligmakende zin

Juist hier is veel dwaling ontstaan. Men spreekt graag over het algemene vaderschap van God en de broederschap van alle mensen. In de zin van de schepping is er een zekere waarheid in die uitdrukking: alle mensen zijn door God gemaakt. Maar in de zaligmakende zin is zij onjuist.

De Heere Jezus heeft zelf duidelijk gemaakt dat niet ieder mens vanzelf kind van God is. In het Evangelie naar Johannes blijkt dat alleen wie de Zoon aanneemt en uit God geboren wordt, kind van God genoemd kan worden. Het nieuwe leven, de wedergeboorte, is onmisbaar. Zonder wedergeboorte kan niemand het Koninkrijk Gods binnengaan.

Daarom mag de troostrijke waarheid van Gods vaderschap nooit gebruikt worden om kruis, bekering, geloof en wedergeboorte overbodig te maken. Buiten Christus is de mens geen kind van God in de volle, verlossende betekenis.

Verborgen godsdienst

Matthéüs 6 waarschuwt krachtig tegen uiterlijk vertoon in godsdienstige zaken. Geven, bidden en vasten mogen niet gedaan worden om gezien te worden door mensen. Wie leeft voor menselijke waardering, heeft zijn loon al ontvangen. Maar wie leeft voor God, zoekt het verborgene, want de Vader ziet in het verborgene.

Dat is niet alleen een les voor het toekomstige Koninkrijk. Het is ook voor ons een blijvend beginsel. God zoekt waarheid in het binnenste. Huichelarij, vroom uiterlijk vertoon en geestelijke schijn zijn Hem een gruwel.

Het gebed van het Koninkrijk

Het zogenaamde “Onze Vader” is een volmaakt gebed in zijn eigen verband. Het past bij de erfgenamen van het Koninkrijk en bij de omstandigheden waarin zij verkeren wanneer Gods Koninkrijk nabij is.

In dat gebed staat Gods naam, Gods Koninkrijk en Gods wil voorop. Daarna volgen de noden van de bidders: dagelijks brood, vergeving, bewaring en verlossing van de boze.

Voor de Gemeente gelden daarnaast de specifieke voorrechten die later duidelijk zijn geopenbaard. Gelovigen nu naderen God op grond van het volbrachte werk van Christus en bidden in de naam van de Heere Jezus. De apostolische brieven leren ons bovendien dat onze vergeving rust op Christus’ offer en niet op een voorwaarde die wij eerst moeten vervullen.

Dat neemt niet weg dat het “Onze Vader” een rijk en heilig voorbeeld blijft van gebed waarin Gods eer vooropstaat en de bidder leert leven uit afhankelijkheid.

Vergeving

In Matthéüs 6 wordt gesproken over vergeving in een koninkrijksverband. Daar blijkt dat een on  vergevingsgezinde houding onverenigbaar is met leven onder Gods regering. Wie zelf vergeving heeft ontvangen, zal ook anderen vergeven.

Voor de Gemeente is het fundament daarvan voluit geopenbaard: wij vergeven, omdat God ons in Christus vergeven heeft. Vergeving aan anderen is dus geen verdienste waardoor wij Gods genade verkrijgen, maar vrucht van de genade die wij al ontvangen hebben.

Schatten en het hart

De Heere waarschuwt ook tegen een verdeeld hart. Waar de schat is, daar zal het hart zijn. Wie leeft voor aardse rijkdom, leeft met een verduisterd oog. Wie leeft voor God, ontvangt licht.

Niemand kan twee heren dienen. Men kan niet tegelijk leven voor God en voor de mammon. Dat beginsel is onverminderd actueel. De vraag is steeds: waar ligt het zwaartepunt van het leven? In de hemel of op aarde? Bij God of bij het zichtbare?

Wees niet bezorgd

De erfgenamen van het Koninkrijk worden vervolgens vermaand niet bezorgd te zijn. De hemelse Vader weet wat zij nodig hebben. Daarom moeten zij eerst het Koninkrijk van God en Zijn gerechtigheid zoeken. Dan zal Hij geven wat nodig is.

Deze woorden zijn geen oproep tot zorgeloosheid of luiheid, maar tot vertrouwen. Wie de Vader kent, hoeft niet beheerst te worden door angst. De zorg voor morgen mag de gehoorzaamheid van vandaag niet verstikken.

Matthéüs 7

Principe en wet

In het laatste hoofdstuk van de Bergrede ontvouwt de Koning de grondbeginselen van Zijn Koninkrijk nog verder. Daarbij is het van belang onderscheid te maken tussen een moreel principe en een wettisch stelsel. De Gemeente staat niet onder de wet van Mozes en ook niet onder de koninkrijkswet van Matthéüs 5 tot 7. Maar de morele beginselen die daarin openbaar worden, blijven wel van kracht.

Oordeelt niet

De woorden “Oordeelt niet” worden vaak verkeerd gebruikt, alsof iedere vorm van geestelijk onderscheid of tucht verboden zou zijn. Dat kan niet juist zijn, want elders geeft de Schrift duidelijke aanwijzingen voor tucht in de Gemeente en voor het oordelen van openlijk kwaad.

De bedoeling is niet dat Gods volk nooit iets mag beoordelen, maar dat men niet hoogmoedig, blind of huichelachtig oordeelt. Wie een ander wil helpen, moet eerst de balk uit zijn eigen oog laten wegnemen. Zelfoordeel gaat vooraf aan het terechtbrengen van een ander.

De Schrift verbiedt vooral het oordelen over verborgen motieven van het hart. Die kent God alleen. Openbaar kwaad moet echter wel degelijk worden onderkend en veroordeeld.

Heilige dingen en geestelijk onderscheid

De erfgenaam van het Koninkrijk moet onderscheidingsvermogen hebben. Hij mag het heilige niet aan honden geven en zijn parels niet voor zwijnen werpen. Dat vraagt wijsheid van boven. Daarom klinkt ook de oproep om te vragen, te zoeken en te kloppen. God geeft wijsheid aan wie Hem daarom bidden.

Daarbij geldt de gouden regel: alles wat gij wilt dat u de mensen doen, doet gij hun ook zo. Daarmee vat de Heere de wet en de profeten samen in een praktisch beginsel van liefde en recht.

De enge poort en de smalle weg

Er zijn twee wegen en twee bestemmingen. De brede weg leidt tot het verderf. De smalle weg leidt tot het leven. De poort is eng en de weg is nauw, niet omdat Christus onvoldoende is, maar omdat er buiten Hem geen andere toegang is.

Dat is ook vandaag een indringende waarschuwing. De geest van de tijd prijst breedheid, vaagheid en grenzeloze verdraagzaamheid. Maar de Heere wijst één weg aan. Wie Hem volgt, moet bereid zijn smaad te dragen en buiten de brede stroom te staan.

Valse profeten

De Koning waarschuwt uitdrukkelijk voor valse profeten. Zij komen in schaapskleren, maar zijn van binnen roofgierige wolven. Hun ware aard blijkt uit hun vruchten. Een boom wordt gekend aan zijn vrucht. Valse leer en valse profetie moeten getoetst worden aan het Woord van God.

Uiterlijke godsdienstige activiteit is daarvoor geen afdoende maatstaf. Iemand kan spreken, wonderen doen en zelfs indrukwekkend optreden in de naam van de Heere, en toch door Hem niet gekend worden. Uiteindelijk gaat het niet om religieuze prestaties, maar om een werkelijke relatie tot Christus, zichtbaar in gehoorzaamheid aan Zijn wil.

Horen en doen


De Bergrede eindigt met de tegenstelling tussen twee bouwers. De wijze man hoort de woorden van de Heere en doet ze. Daarom bouwt hij op de rots. De dwaze man hoort ze ook, maar doet ze niet. Daarom stort zijn huis in.

Het beslissende punt is dus niet alleen horen, maar gehoorzamen. Niet bewondering voor Jezus, maar onderwerping aan Hem. Niet godsdienstig enthousiasme, maar een bestaan gebouwd op Zijn woord.

De grote Leraar en de komende Koning

De scharen stonden versteld over Zijn onderwijs, want Hij sprak met gezag. Dat gezag ligt niet alleen in de schoonheid van Zijn woorden, maar in Zijn Persoon. Hij is de grote Leraar, de eeuwige Rots en de komende Koning.

Nu roept Hij uit de volken een Gemeente voor Zijn naam. Maar daarmee is Gods plan met Israël en met het Koninkrijk niet vervallen. De profeten hebben gesproken over het herstel van Davids vervallen hut en over de dag waarop de Messias zal heersen over de aarde.

Dan zal Zijn Koninkrijk openbaar worden. Dan zal gerechtigheid bloeien, vrede de aarde vullen en de kennis van de heerlijkheid van de HEERE overal zijn. Daarop ziet de Bergrede vooruit. Zij tekent niet slechts een ideaal, maar de beginselen van de regering van de Koning.

De Bergrede mag daarom niet worden losgemaakt van het kruis, niet worden versmald tot algemene moraal en ook niet worden omgevormd tot een verdienstelijke weg naar God. Zij moet gelezen worden in het licht van Gods heilsplan, van het onderscheid tussen Koninkrijk en Gemeente, en van de komende openbaring van de Messias.

Juist dan krijgt dit onderwijs zijn volle gewicht. Dan blijkt hoe heilig Gods norm is, hoe volmaakt Zijn Koninkrijk zal zijn en hoe groot de Koning is Die sprak. En tegelijk leert de gelovige dan ook nu al leven uit de geestelijke beginselen die in deze rede oplichten: ootmoed, oprechtheid, afhankelijkheid, barmhartigheid, trouw, zelfoordeel, geestelijk onderscheid en verwachting van de komende Heer.

zie ook:

https://www.genade.info/?s=bergrede

Geef een reactie

Geverifieerd door MonsterInsights