Gods Woord verandert niet: de onveranderlijke waarheid van de Bijbel

De onveranderlijke waarheid in een veranderende wereld

Onze wereld heeft één groot geloofsartikel: alles verandert. Opvattingen veranderen, normen veranderen, wetenschap verandert, cultuur verandert. Wat gisteren nog vanzelfsprekend was, kan morgen achterhaald worden verklaard.

Dat denken is helaas ook diep het christendom binnengedrongen.

“Ja, dat staat wel in de Bijbel, maar…”

Wat na dat “maar” komt, verschilt.

“Dat was voor die tijd.”

“Dat gold alleen voor Israël.”

“Dat moet je tegenwoordig anders lezen.”

“De cultuur is veranderd.”

“Paulus wist toen nog niet alles.”

Of:

“God doet nu iets nieuws.”

Maar daarmee komen we bij een fundamentele vraag: is Gods Woord echt de onveranderlijke waarheid van de onveranderlijke God, of moet de Bijbel voortdurend worden aangepast aan de veranderlijke mens?

Johannes begint zijn Evangelie niet bij de mens, maar bij God:

“In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God.” (Johannes 1:1, STV)

Dát is het uitgangspunt: God heeft gesproken.

En wat God gesproken heeft, blijft staan.

de Bijbel is betrouwbaar
Gods Woord verandert niet

Geloof in God is geloof in Zijn Woord

“Geloof in God” wordt tegenwoordig gemakkelijk gereduceerd tot geloven dat er ergens “iets” of “Iemand” boven ons bestaat. Maar Bijbels geloof gaat veel verder.

God maakt Zich bekend doordat Hij spreekt.

Dat zien we onmiddellijk aan het begin van de Schrift:

“En God zeide: Daar zij licht; en daar werd licht.” (Genesis 1:3, STV)

God spreekt en er gebeurt iets. Zijn Woord is geen vrijblijvende gedachte, suggestie of religieuze inspiratie. Zijn Woord heeft gezag.

Daarom betekent geloven in God niet slechts geloven dat God bestaat, maar vertrouwen op wat God gesproken heeft.

Dat maakt onze omgang met de Bijbel zo ernstig. Wie zegt in God te geloven maar ondertussen Zijn Woord voortdurend corrigeert, relativeert of aanpast, moet zich afvragen waarin hij eigenlijk gelooft.

Een zelfgemaakte god die altijd precies zegt wat wij zelf al vonden, is immers niet de God Die spreekt. Het is onze eigen stem met een religieus etiket erop.

 

De God Die spreekt verandert niet

Gods Woord is betrouwbaar omdat Degene Die spreekt betrouwbaar en onveranderlijk is.

Over de Here Jezus Christus lezen we:

“Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en in der eeuwigheid.” (Hebreeën 13:8, STV)

Dat betekent niet dat God door de hele heilsgeschiedenis heen op precies dezelfde wijze met mensen handelt. De Bijbel laat verschillende tijden, bedelingen, verantwoordelijkheden en onderscheiden roepingen zien.

Maar dat is iets heel anders dan beweren dat God Zijn voornemen verandert omdat Zijn eerdere plan mislukt is.

God werkt Zijn voornemen in de geschiedenis in verschillende fasen uit. Die geschiedenis loopt Hem echter niet uit de hand. Hij werd niet verrast door het ongeloof van Israël. Hij werd niet overvallen door de verwerping van Christus. En de Gemeente is geen goddelijk noodverband omdat een eerder plan mislukte.

Paulus spreekt juist over:

“Naar het eeuwig voornemen, dat Hij gemaakt heeft in Christus Jezus, onzen Heere;” (Efeze 3:11, STV)

Let op dat ene woord: eeuwig.

Geen geïmproviseerd voornemen. Geen plan B. Geen noodgreep.

Een eeuwig voornemen.

 

Israël werd niet vervangen, God bedacht Zich niet!

Hier wordt de onveranderlijkheid van Gods Woord onmiddellijk belangrijk voor onze uitleg van de Bijbel.

Een groot deel van de verwarring rond Israël en de Gemeente ontstaat wanneer men redeneert alsof Gods beloften afhankelijk zouden zijn van menselijke betrouwbaarheid.

Israël was ongelovig. Christus werd verworpen. Dus, zo luidt dan vervolgens de redenering, is God verdergegaan met de kerk en zijn de beloften aan Israël voortaan geestelijk op de kerk van toepassing.

Maar dan ontstaat een enorm probleem.

Als Gods concrete beloften aan Israël vanwege Israëls ontrouw uiteindelijk iets anders kunnen gaan betekenen, waarom zouden Gods beloften aan de Gemeente dan wel betrouwbaar zijn?

Gods trouw rust gelukkig niet op Israëls trouw.

Paulus stelt zelf de vraag:

“Want wat is het, al zijn sommigen ongelovig geweest? Zal hun ongelovigheid het geloof van God te niet doen? Dat zij verre.” (Romeinen 3:3-4, STV)

Menselijk ongeloof kan Gods Woord niet herschrijven.

Dat betekent uiteraard niet dat iedere Israëliet automatisch behouden wordt. Ongeloof blijft ongeloof. Maar Gods beloften aan Israël worden niet ineens eigendom van iemand anders omdat Israël ongelovig is geweest.

God vergeet niet wat Hij gesproken heeft.

 

Ook de bedelingenleer mag Gods Woord niet versnipperen

Het andere uiterste is evenmin gezond.

Het Bijbelse onderscheid tussen Israël en de Gemeente mag niet ontaarden in een systeem waarin steeds grotere gedeelten van de Bijbel praktisch buiten werking worden gesteld.

Dan horen we een andere versie van hetzelfde

“ja, maar”:

“Dat staat er wel, maar dat was vóór Paulus.”

Of:

“Paulus schreef dat wel, maar dat was vóór zijn gevangenschap.”

En voordat we het weten, vragen we niet meer wat Gods Woord ons leert, maar zoeken we vooral naar redenen waarom een bepaald Schriftgedeelte niet meer relevant zou zijn.

Onderscheiden is iets anders dan wegstrepen.

Israël is niet de Gemeente.

De Gemeente is niet Israël.

Maar beide staan binnen het ene soevereine voornemen van de God Die van den beginne gesproken heeft.

Een gezonde leer maakt Gods Woord niet kleiner, maar helpt juist om Gods verschillende handelingen binnen Zijn ene onveranderlijke voornemen te onderscheiden.

 

De Gemeente is géén noodoplossing

Dit is daarom ook belangrijk voor het verstaan van de Gemeente.

Wanneer Paulus over de verborgenheid en de bijzondere roeping van de Gemeente spreekt, presenteert hij haar niet als een oplossing die God bedacht nadat Israël Christus had verworpen.

Integendeel.

Hij spreekt over het eeuwig voornemen van God.

De Gemeente behoort dus niet tot Gods reparatiewerk. Haar roeping lag besloten in Zijn voornemen, ook toen die verborgenheid nog niet openbaar gemaakt was.

Daarmee vervallen twee tegenovergestelde dwalingen.

We hoeven Israël niet door de Gemeente te vervangen.

En we hoeven de Gemeente evenmin tot Israël te maken.

God weet Zelf heel goed wat Hij beloofd heeft, aan wie Hij het beloofd heeft en hoe Hij Zijn beloften zal vervullen.

 

De Bijbel vertelt meer dan alleen geschiedenis

Dat brengt ons bij een fascinerend kenmerk van de Schrift.

De oudtestamentische geschiedenissen zijn niet slechts verslagen van gebeurtenissen uit een ver verleden. Zij bevatten ook onderwijs voor latere generaties.

Paulus schrijft:

“En deze dingen alle zijn hunlieden overkomen tot voorbeelden; en zijn beschreven tot waarschuwing van ons, op dewelke de einden der eeuwen gekomen zijn.” (1 Korinthe 10:11, STV)

Dat zien we bijvoorbeeld wanneer Paulus in Galaten 4 teruggrijpt op Abraham, Sara, Hagar, Izak en Ismaël. Historische personen en gebeurtenissen blijken tegelijkertijd grotere geestelijke waarheden te illustreren.

Daarom is nauwkeurige Bijbelstudie zo belangrijk.

Wie alleen losse teksten verzamelt, mist de patronen.

Wie eerst een kerkelijk dogma vaststelt en dat daarna over de Bijbel legt, vindt vooral zijn eigen systeem terug.

Maar wie Schrift met Schrift vergelijkt, ontdekt hoe vroeg God lijnen heeft uitgezet die pas veel later volledig zichtbaar worden.

 

Gods Woord is leven

Johannes gaat verder:

“In Hetzelve was het Leven, en het Leven was het Licht der mensen.” (Johannes 1:4, STV)

Let op de samenhang:

Woord – leven – licht.

God spreekt en Zijn Woord brengt leven.

Daarom is het Evangelie niet slechts informatie over redding. Paulus schrijft:

“Want ik schaam mij des Evangelies van Christus niet; want het is een kracht Gods tot zaligheid een iegelijk, die gelooft…” (Romeinen 1:16, STV)

Het Evangelie vertelt niet alleen over Gods reddende kracht. Het is de boodschap waardoor de mens tot geloof geroepen wordt.

Petrus verbindt wedergeboorte eveneens rechtstreeks met het Woord:

“Gij, die wedergeboren zijt, niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad, door het levende en eeuwig blijvende Woord van God.” (1 Petrus 1:23, STV)

Daar ligt dezelfde lijn:

God spreekt → de mens hoort → de mens gelooft → Gods Woord brengt leven.

Daarom is het zo merkwaardig wanneer christenen voortdurend zoeken naar iets naast het Woord om hun geestelijk leven werkelijk kracht te geven.

Een nieuwe ervaring.

Een nieuwe zalving.

Een nieuwe profetie.

Een persoonlijk woord.

Een bijzondere manifestatie.

Een nieuwe methode.

Maar ondertussen blijft dan de Bijbel dicht.

Alsof het levende en eeuwig blijvende Woord van God niet genoeg zou zijn.

 

Het Woord brengt licht in een donkere wereld

Het leven wordt vervolgens het Licht der mensen genoemd:

“En het Licht schijnt in de duisternis, en de duisternis heeft hetzelve niet begrepen.” (Johannes 1:5, STV)

De wereld verkeert niet in duisternis omdat er onvoldoende menselijke informatie beschikbaar is.

We beschikken over universiteiten, wetenschappers, filosofen, bibliotheken, internet en een vrijwel onbeperkte hoeveelheid kennis.

En toch blijft de fundamentele duisternis bestaan.

Waarom?

Omdat het probleem in essentie niet een gebrek aan informatie is, maar de afwijzing van Gods openbaring.

Een samenleving kan technologisch steeds slimmer worden en geestelijk tegelijkertijd steeds verder verdwalen.

Licht komt niet uit de mens.

Het Licht komt van God.

 

Johannes bracht geen nieuwe waarheid

Daarom verschijnt Johannes de Doper in Johannes 1 niet als uitvinder van een nieuwe godsdienst:

“Hij was het Licht niet, maar was gezonden, opdat hij van het Licht getuigen zou.” (Johannes 1:8, STV)

Johannes getuigde.

Dat is ook vandaag een heilzame correctie voor iedereen die meent namens God te moeten spreken.

De taak van een prediker is niet om Gods Woord interessanter te maken.

Niet om nieuwe openbaringen aan de Bijbel toe te voegen.

Niet om voortdurend met “God zei tegen mij” gezag voor persoonlijke gedachten op te eisen.

Niet om een “woord voor deze tijd” te produceren dat bij nader onderzoek nauwelijks in het geschreven Woord terug te vinden is.

Wij hebben geen gebrek aan nieuwe woorden van God.

Wij hebben doorgaans een schrijnend gebrek aan kennis van het Woord dat Hij al gegeven heeft.

 

“Het Woord is vlees geworden”

Dan komen we bij een van de bekendste uitspraken van Johannes:

“En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond…” (Johannes 1:14, STV)

Deze woorden worden vrijwel altijd gelezen als een technische omschrijving van de geboorte van Christus te Bethlehem. Maar binnen de gedachtegang van Johannes verdient ook de bredere betekenis aandacht: het Woord van God krijgt gestalte; hetgeen God gesproken en beloofd heeft, wordt werkelijkheid.

Wat God gesproken heeft, blijft niet als een onvervulde belofte in de lucht hangen.

Hij brengt Zijn Woord tot vervulling.

Dat sluit rechtstreeks aan bij het begin van de eerste brief van Johannes.

 

Het Leven is geopenbaard

Johannes schrijft:

“Hetgeen van den beginne was, hetgeen wij gehoord hebben, hetgeen wij gezien hebben met onze ogen, hetgeen wij aanschouwd hebben, en onze handen getast hebben, van het Woord des levens;” (1 Johannes 1:1, STV)

En vervolgens:

“Want het Leven is geopenbaard, en wij hebben het gezien, en wij getuigen, en verkondigen ulieden dat eeuwige Leven, hetwelk bij den Vader was, en ons is geopenbaard.” (1 Johannes 1:2, STV)

Wat beloofd was, is openbaar geworden.

Daarbij komt uiteindelijk de opgestane Here Jezus Christus centraal te staan. In Hem wordt zichtbaar dat Gods Woord niet faalt. De dood heeft niet het laatste woord. Het door God beloofde leven verschijnt daadwerkelijk.

Christelijk geloof rust daarom niet op religieuze wensdromen.

Het rust op de God Die handelt overeenkomstig hetgeen Hij gesproken heeft.

 

Eén Woord, één leven, één gemeenschap

Johannes trekt vervolgens de lijn door naar gemeenschap:

“Hetgeen wij dan gezien en gehoord hebben, dat verkondigen wij u, opdat ook gij met ons gemeenschap zoudt hebben; en deze onze gemeenschap ook zij met den Vader, en met Zijn Zoon Jezus Christus.” (1 Johannes 1:3, STV)

Daar ontstaat een prachtige samenhang:

Woord → geloof → leven → gemeenschap.

Gelovigen vormen niet het Lichaam van Christus omdat zij toevalligdezelfde muziek mooi vinden, dezelfde kerk bezoeken, onder dezelfde denominatie vallen of dezelfde menselijke leider volgen.

Paulus schrijft:

“Want ook wij allen zijn door één Geest tot één lichaam gedoopt…” (1 Korinthe 12:13, STV)

Dáár ligt de werkelijke eenheid van de Gemeente.

Niet organisatorische eenheid.

Niet institutionele uniformiteit.

Niet onderwerping aan een kerkelijke hiërarchie.

Maar één Geest, één leven en één Lichaam.

 

Wij hebben geen nieuwe openbaring nodig

Hier wordt de boodschap ongemakkelijk actueel.

Binnen bepaalde delen van het christendom lijkt het geschreven Woord haast niet meer voldoende te zijn.

Er moet nog een profetisch woord komen.

God moet nog persoonlijk iets “in je hart leggen”.

Er moet nog een apostel opstaan.

Er moet nog een bijzondere zalving worden overgedragen.

Er moet nog iets nieuws gebeuren.

Maar waarom eigenlijk?

Wanneer God gesproken heeft, waarom zouden wij dan voortdurend verlangen naar iets wat méér gezag lijkt te krijgen dan hetgeen Hij reeds gesproken heeft?

Het probleem is niet dat God te weinig heeft gezegd.

Het probleem is dat wij zo weinig aandacht hebben voor wat Hij gezegd heeft.

Daarom moet iedere profetische claim, geestelijke ervaring, kerkelijke traditie en menselijke leer worden getoetst aan de Schrift.

Niet andersom.

De Bijbel hoeft niet bewezen te worden door onze ervaring.

Onze ervaring moet worden beoordeeld door de Bijbel.

 

God is Licht

Johannes vat uiteindelijk samen:

“En dit is de verkondiging, die wij van Hem gehoord hebben, en wij u verkondigen, dat God een Licht is, en gans geen duisternis in Hem is.” (1 Johannes 1:5, STV)

Daar verdwijnt alle ruimte voor een waarheid die voortdurend met de tijd mee verandert.

God is Licht.

Niet: God past Zijn licht aan onze duisternis aan.

Niet: iedere generatie mag opnieuw bepalen wat waarheid betekent.

Niet: de cultuur bepaalt welke gedeelten van Gods Woord nog acceptabel zijn.

God is Licht.

Daarom moet niet de Bijbel door onze cultuur worden beoordeeld.

Onze cultuur moet door Gods Woord worden beoordeeld.

Dat schuurt.

Dat confronteert.

En dat is precies wat licht doet wanneer het in de duisternis schijnt.

Het gevaarlijke woordje “maar”

Misschien is dit wel een van de gevaarlijkste zinnen binnen het christendom:

“Ja, dat staat wel in de Bijbel, maar…”

Daarna kan vrijwel alles volgen.

“…dat was toen.”

“…mijn ervaring is anders.”

“…mijn kerk leert het anders.”

“…de wetenschap zegt iets anders.”

“…God heeft mij persoonlijk iets anders laten zien.”

“…dat kun je tegenwoordig niet meer zo zeggen.”

Maar sinds wanneer is onze ervaring de rechtbank waarvoor Gods Woord zich moet verantwoorden?

De volgorde is anders.

God heeft gesproken. Daarom luisteren wij.

Niet omdat wij alles onmiddellijk begrijpen.

Niet omdat iedere tekst aansluit bij onze voorkeur.

Niet omdat de Bijbel onze bestaande overtuigingen bevestigt.

Maar omdat Hij God is.

 

Gods waarheid heeft geen update nodig

Gods Woord hoeft niet gemoderniseerd te worden om waar te blijven.

God hoeft Zijn beloften niet te herzien.

Israël hoeft niet uit Gods voornemen geschrapt te worden om plaats te maken voor de Gemeente.

De Gemeente hoeft niet tot Israël gemaakt te worden.

Wij hebben geen moderne apostelen nodig om het Woord aan te vullen.

Wij hebben geen nieuwe profetieën nodig om het Woord actueel te maken.

En Gods waarheid hoeft zeker niet aangepast te worden aan iedere culturele wind die voorbijwaait.

De tijd holt verder.

Mensen komen en gaan.

Rijken ontstaan en verdwijnen.

Wetenschappelijke inzichten worden bijgesteld.

Kerkelijke systemen ontstaan, splitsen en verdwijnen.

Menselijke zekerheden blijken morgen onzeker.

Maar boven al die veranderlijkheid staat de God Die gesproken heeft.

Daarom rust ons geloof uiteindelijk niet op een kerk, voorganger, ervaring, traditie of menselijke leer.

Het rust op Gods onveranderlijke Woord.

“Het gras verdort, de bloem valt af; maar het Woord des Heeren blijft in der eeuwigheid; en dit is het Woord, dat onder u verkondigd is.” (1 Petrus 1:24-25, STV)

Dat Woord heeft geen update nodig.

Wij hebben dat Woord nodig.

zie ook:

YouTube player

Jezus is de Messias, óók in de Koran, maar…..

Wat dat betekent?

Een moslim zal zonder aarzeling zeggen dat Jezus de Messias is. Dat is geen christelijke claim die de islam van buitenaf is opgedrongen. De Koran zelf noemt Jezus ook:

المسيح “al-Masih”: de Messias. Wat betekent: de Gezalfde.

Maar stel je de eenvoudige vraag:

Wat betekent het volgens de Koran dat Jezus de Messias is?

Dan wordt het ineens muisstil.

Want de Koran gebruikt een titel die eeuwen ouder is dan de islam, maar legt niet uit wat die titel inhoudt.

Waarom is Jezus de Messias? Waarvoor is Hij gezalfd? Tot welk ambt? Welke beloften vervult Hij? Waarom draagt Jezus deze titel en Mohammed niet?

Dat zijn geen randzaken. Wanneer men iemand “de Messias” noemt, gebruikt men een titel met een voorgeschiedenis. En juist die voorgeschiedenis brengt ons niet naar Mekka of Medina, maar naar Mozes, de Psalmen, de Profeten en uiteindelijk naar het Evangelie.

Jezus is de Messias ook in de Koran. Wat betekent dat?
Jezus is de Messias, ook in de Koran

De Koran noemt Jezus uitdrukkelijk de Messias

In Soera 3:45 wordt aan Maria aangekondigd:

“Allah geeft u een blijde tijding van een Woord van Hem, wiens naam de Messias is, Jezus, zoon van Maria.”

Ook Soera 4:171 spreekt over:

“de Messias, Jezus, zoon van Maria.”

Soera 5:72 en 5:75 gebruiken opnieuw dezelfde titel.

Er bestaat dus geen discussie over de vraag óf de Koran Jezus de Messias noemt. Dat doet hij herhaaldelijk.

De vraag is veel lastiger:

Wat bedoelt de Koran ermee?

 

“Messias” is geen achternaam van Jezus

Soms lijkt het binnen de Koran bijna alsof “Messias” slechts een eretitel bij de naam Jezus is geworden. Maar historisch en Bijbels kan dat niet zo zijn.

Het Arabische “al-Masih” staat in dezelfde traditie als het Hebreeuwse “Mashiach”: de gezalfde. Het Griekse equivalent is “Christos”, waarvan ons woord “Christus” afkomstig is.

Daarom lezen we in Johannes 1:42:

“Wij hebben gevonden den Messias, hetwelk is, overgezet zijnde, de Christus.” (STV)

“Messias” en “Christus” verwijzen dus naar dezelfde Persoon: de Gezalfde.

Maar daarmee begint de vraag pas.

Gezalfd waarvoor?

Een titel zonder inhoud zegt immers heel weinig.

 

Waarvoor is Jezus volgens de Koran gezalfd?

Hier ligt het probleem.

De Koran noemt Jezus “de Messias”, maar geeft geen uitwerking van Zijn messiaanse ambt.

Waar lezen we in de Koran waarom Jezus de Messias is?

Waar wordt uitgelegd tot welk ambt Hij gezalfd werd?

Waar wordt Zijn Messias-schap verbonden met de beloften aan David?

Waar vinden we een uitgewerkte messiaanse verwachting?

Waar wordt verklaard waarom deze titel juist aan Jezus toebehoort?

En misschien nog opvallender:

Waarom is Mohammed niet de Messias?

Als “Messias” eenvoudig “een belangrijke boodschapper van Allah” zou betekenen, waarom krijgt Mohammed, volgens de islam de laatste en belangrijkste profeet, die titel dan niet?

Mozes wordt niet “de Messias” genoemd.

Abraham wordt niet “de Messias” genoemd.

Mohammed wordt niet “de Messias” genoemd.

Jezus wel.

Dat vraagt om een verklaring.

 

De Koran leent een titel uit een eerdere openbaringsgeschiedenis

En precies hier ontstaat de controverse.

De islam kan het begrip “Messias” niet zelf hebben voortgebracht. De titel bestond eeuwen vóór Mohammed en komt voort uit de geschiedenis en verwachting van Israël.

Wie echt wil weten wat “Messias” betekent, moet daarom terug naar de Schriften waarin deze verwachting ontwikkeld wordt.

En daar begint het voor de islam ongemakkelijk te worden.

Want de Messias van de Schrift is veel meer dan alleen ‘een profeet die een boodschap komt brengen.’

 

De beloofde Zoon van David

God beloofde David:

“Ik zal uw zaad na u doen opstaan, dat uit uw lijf voortkomen zal, en Ik zal zijn koninkrijk bevestigen.” (2 Samuel 7:12, STV)

En:

“Doch uw huis zal bestendig zijn, en uw koninkrijk tot in eeuwigheid, voor uw aangezicht; uw stoel zal vast zijn tot in eeuwigheid.” (2 Samuel 7:16, STV)

De Messiasverwachting is daardoor onlosmakelijk verbonden met het koningschap van David.

Jesaja bouwt daarop verder:

“Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij is op Zijn schouder; en men noemt Zijn Naam Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader der eeuwigheid, Vredevorst.” (Jesaja 9:5, STV)

En vervolgens:

“Der grootheid dezer heerschappij en des vredes zal geen einde zijn op den troon van David en in zijn koninkrijk.” (Jesaja 9:6, STV)

Dit is geen inhoudsloze titel.

Dit is een Koning.

 

Psalm 2 maakt het nog scherper

Psalm 2 spreekt uitdrukkelijk over Gods Gezalfde:

“De koningen der aarde stellen zich op, en de vorsten beraadslagen te zamen tegen den HEERE en tegen Zijn Gezalfde.” (Psalm 2:2, STV)

Dan zegt God:

“Ik toch heb Mijn Koning gezalfd over Sion, den berg Mijner heiligheid.” (Psalm 2:6, STV)

En dan:

“Ik zal van het besluit verhalen: de HEERE heeft tot Mij gezegd: Gij zijt Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd.” (Psalm 2:7, STV)

Let op hoe die begrippen bij elkaar komen:

Gezalfde. Koning. Zoon.

Dat is de Bijbelse achtergrond van de titel die de Koran vervolgens zonder uitgebreide verklaring aan Jezus geeft.

 

De Messias is óók de lijdende Knecht

Daar houdt het verhaal niet op.

Jesaja spreekt over de Knecht Die om de zonden van anderen lijdt:

“Maar Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld; de straf, die ons den vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijn striemen is ons genezing geworden.” (Jesaja 53:5, STV)

En:

“de HEERE heeft onzer aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen.” (Jesaja 53:6, STV)

Hier wordt zichtbaar waarom het Evangelie niet slechts vertelt dat Jezus een profeet was die goede dingen onderwees.

Hij kwam om Zijn leven te geven.

De Here Jezus Christus zegt Zelf:

“Gelijk de Zoon des mensen niet is gekomen om gediend te worden, maar om te dienen, en Zijn ziel te geven tot een rantsoen voor velen.” (Mattheüs 20:28, STV)

Dat raakt precies aan iets wat de Koran later ontkent: de kruisiging van Jezus.

 

De Koran behoudt de titel maar verwerpt de inhoud

En daarmee wordt de Messiascontroverse echt scherp.

De Koran noemt Jezus “de Messias”, maar verwerpt tegelijkertijd centrale elementen van de Bijbelse boodschap over Hem.

Soera 4:157 ontkent dat de Joden Jezus daadwerkelijk hebben gedood en gekruisigd.

Tegelijkertijd bestrijdt de Koran de christelijke belijdenis omtrent Zijn Goddelijke identiteit.

Maar daarmee ontstaat een fundamentele vraag:

Kun je de titel “Messias” uit de Bijbelse openbaringsgeschiedenis overnemen en vervolgens de inhoud waarmee die titel in diezelfde openbaringsgeschiedenis wordt gevuld grotendeels terzijde schuiven?

Dat is de kern van het probleem.

 

De Koran vertelt ons bovendien dat Jezus “Zijn Woord” is

Het wordt nog opmerkelijker wanneer we kijken naar de manier waarop de Koran Jezus omschrijft.

Soera 4:171 noemt Hem niet alleen de Messias, maar ook:

“Zijn Woord, dat Hij aan Maria gaf, en een geest van Hem.”

En Soera 3:45 spreekt eveneens over “een Woord van Hem”.

We moeten daar niet meer in lezen dan wat de Koran zelf zegt. De Koran leert hiermee niet automatisch de christelijke leer van Johannes 1.

Maar de vergelijking is desondanks opmerkelijk.

Want het Evangelie zegt:

“In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God.” (Johannes 1:1, STV)

En:

“En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond.” (Johannes 1:14, STV)

De Koran wil de christelijke belijdenis over Jezus corrigeren, maar gebruikt tegelijkertijd buitengewone titels voor Hem.

Hij is de Messias.

Hij is een Woord van Allah.

Hij wordt geboren uit Maria zonder menselijke vader.

Hij verricht uitzonderlijke wonderen.

En toch wordt de lezer gewaarschuwd vooral niet de conclusies over Jezus te trekken die het Evangelie trekt.

Dat verdient op zijn minst onderzoek.

 

Waarom Jezus?

Dit is misschien wel de eenvoudigste apologetische vraag die je een moslim kunt stellen:

Waarom Jezus?

Waarom wordt Mohammed niet uit een maagd geboren?

Waarom heet Mohammed niet “de Messias”?

Waarom wordt Mohammed niet “Zijn Woord” genoemd zoals Jezus in Soera 4:171?

Waarom staat juist Jezus zo uitzonderlijk in de Koran?

Het antwoord kan niet eenvoudig zijn: “Omdat Jezus een profeet was.”

Er staan immers veel profeten in de Koran.

De vraag is waarom deze Profeet zulke uitzonderlijke aanduidingen krijgt.

Ga terug naar de eerdere Schriften

Een moslim zou kunnen antwoorden dat wij de Koran zelf moeten laten bepalen wat “Messias” betekent.

Prima.

Waar doet de Koran dat dan?

Waar vinden we een duidelijke definitie?

Waar wordt het messiaanse ambt uitgelegd?

Waar wordt verklaard waarom Jezus en niemand anders “de Messias” is?

Wanneer de Koran dat niet uitlegt, ligt de volgende stap voor de hand: kijk naar de eerdere Schriften waaruit het begrip afkomstig is.

En dan komen we terecht bij de Torah, de Profeten, de Psalmen en het Evangelie.

Niet bij een hypothetisch verdwenen boek waarvan niemand een manuscript kan tonen.

Maar bij geschriften waarvan de messiaanse verwachting al eeuwen vóór de islam aantoonbaar bestond.

 

Jezus Zelf stelt de beslissende vraag

De Here Jezus Christus stelde Zijn discipelen niet de vraag of zij Hem als één profeet uit een lange rij profeten beschouwden.

Hij vroeg:

“Maar gij, wie zegt gij, dat Ik ben?” (Mattheüs 16:15, STV)

Petrus antwoordde:

“Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods.” (Mattheüs 16:16, STV)

Let opnieuw op: ‘de Christus.’

De Messias.

Maar Petrus stopt daar niet.

“De Zoon des levenden Gods.”

Daar ligt uiteindelijk het verschil.

De Koran behoudt voor Jezus de titel “Messias”, maar het Nieuwe Testament vertelt ons Wie deze Messias is.

 

Een vraag aan de islamitische lezer

Ik wil niet eindigen met spot, of “gotcha”maar met een eenvoudige uitnodiging.

Als jij als moslim gelooft dat Jezus inderdaad de Messias is, neem die belijdenis dan serieus.

Vraag niet wat christenen ervan gemaakt zouden hebben.

Vraag:

Wat betekent “Messias”?

Waarom draagt Jezus die titel?

Waar komt die titel vandaan?

Wat beloofden de eerdere Schriften over deze Messias?

En vooral:

Wie zegt Jezus Zelf dat Hij is?

Lees vervolgens de geschriften waarin de Messiasverwachting daadwerkelijk wordt uitgelegd.

Lees Psalm 2.

Lees Jesaja 9.

Lees Jesaja 53.

Lees Micha 5.

Lees het Evangelie naar Mattheüs.

Lees het Evangelie naar Johannes.

En stel dan opnieuw de vraag die al tweeduizend jaar niet aan kracht heeft verloren:

“Maar gij, wie zegt gij, dat Ik ben?”

De Koran noemt Hem de Messias.

De echt beslissende vraag is:

Weet je wat je daarmee over Jezus belijdt?

De Koran kan Jezus wel ‘de Messias’ noemen, maar voor de betekenis van die belijdenis moet hij lenen bij de Schriften die hij vervolgens op beslissende punten tegenspreekt.

lees ook:

Jezus in de Koran: waarom is Hij zó uitzonderlijk? – Bijbelse basis

De Koran en het Evangelie, claims en feiten – Bijbelse basis

extern:

Bijbelstudie: De betekenis van de naam Jezus Christus

https://www.gcvreugdenhil.nl/koran-en-jezus/

Alles geschonken: leven uit Gods beloften volgens 2 Petrus 1

Gods beloften in de Bijbel

2 Petrus 1:3 zegt niet dat God ons ooit alles zal geven wat wij nodig hebben, maar dat Hij het al “geschonken heeft”. Kennen wij eigenlijk de rijkdom en de beloften die God in Zijn Woord bekendgemaakt heeft? Misschien hebben we niet steeds iets nieuws nodig, maar moeten we leren leven uit wat God al geschonken heeft.

Wat meer heeft een christen eigenlijk nog nodig om een godvruchtig leven te kunnen leiden? Moeten we voortdurend bidden om meer kracht, een nieuwe zalving, een nieuwe aanraking of een bijzondere geestelijke toerusting? Of zegt de Bijbel iets heel anders en iets wat veel rijker is?

2 Petrus 1:3-4 geeft daarop een opvallend duidelijk antwoord. Petrus zegt niet dat God ons ooit alles zal geven wat wij nodig hebben. Hij zegt dat Gods Goddelijke kracht ons alles geschonken heeft wat tot het leven en de godzaligheid behoort. Direct daarna spreekt hij over de “grootste en dierbare beloften” die ons geschonken zijn.

Dat maakt kennis van Gods beloften in de Bijbel geen aardige aanvulling op het christelijke leven. Wie niet weet wat God heeft beloofd en geschonken, kan daar ook niet uit leven.

En misschien verklaart dat waarom christenen soms wanhopig zoeken naar iets wat God hun allang gegeven heeft.

Gods beloften in 2 Petrus 1
Leven uit Gods beloften 2 Petrus 1

Alles wat tot het leven en de godzaligheid behoort

Petrus schrijft:

“Gelijk ons Zijn Goddelijke kracht alles, wat tot het leven en de godzaligheid behoort, geschonken heeft, door de kennis Desgenen, Die ons geroepen heeft tot heerlijkheid en deugd;” (2 Petrus 1:3, STV)

Het woord alles verdient onze aandacht.

Petrus schrijft niet dat God ons een eerste geestelijke aanbetaling heeft gegeven en dat wij later nog op zoek moeten naar het ontbrekende deel. Evenmin maakt hij onderscheid tussen gewone christenen en een geestelijke elite die iets extra’s heeft ontvangen.

God heeft “alles, wat tot het leven en de godzaligheid behoort” geschonken.

Ook Paulus gebruikt soortgelijke taal:

“Gezegend zij de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in den hemel in Christus.” (Efeze 1:3, STV)

Niet:

God zal ons misschien zegenen.

Niet:

God kan ons zegenen wanneer wij aan bepaalde voorwaarden voldoen.

Maar:

Hij heeft ons gezegend.

Het christelijke leven begint daarom niet bij de vraag hoe wij God ertoe kunnen brengen ons eindelijk voldoende te geven. Het begint bij het geloof dat God in Christus heeft voorzien.

 

Gods beloften kennen is noodzakelijk

Meteen na 2 Petrus 1:3 schrijft Petrus:

“Door welke ons de grootste en dierbare beloften geschonken zijn, opdat gij door dezelve der Goddelijke natuur deelachtig zoudt worden, nadat gij ontvloden zijt het verderf, dat in de wereld is door de begeerlijkheid.” (2 Petrus 1:4, STV)

Opnieuw gebruikt Petrus het woord geschonken.

God heeft niet alleen voorzien in alles wat tot het leven en de godzaligheid behoort, Hij heeft ons ook Zijn “grootste en dierbare beloften” gegeven.

Daarmee komen we bij een pijnlijk probleem.

Hoe kun je leven uit Gods beloften wanneer je Gods beloften nauwelijks kent?

Veel christenen kennen uitspraken van bekende sprekers, filmpjes op sociale media, persoonlijke profetieën en populaire christelijke slogans beter dan de beloften die gewoon onverbloemd in Gods Woord staan.

Maar geloof kan niet leven van geestelijke slogans.

“Zo is dan het geloof uit het gehoor, en het gehoor door het Woord Gods.” (Romeinen 10:17, STV)

Geloof heeft inhoud. God hééft gesproken en geloof vertrouwt op wat Hij gezegd heeft.

Daarom is Bijbelkennis geen hobby voor mensen die toevallig graag studeren.

Kennis van Gods Woord is noodzakelijk om uit Gods beloften te kunnen leven.

 

Wat je niet kent, kun je ook niet geloven

Een gelovige kan geestelijk arm leven terwijl hij in Christus rijk is.

Niet omdat God onvoldoende gegeven heeft, maar omdat de gelovige onvoldoende weet wat hij ontvangen heeft.

Dat is een belangrijk verschil.

Wie niet weet wat de Bijbel zegt over zijn positie in Christus, kan daar moeilijk uit leven. Wie Gods beloften niet kent, zal gemakkelijker heen en weer geslingerd worden door omstandigheden. En wie niet weet wat God daadwerkelijk gezegd heeft, wordt bovendien kwetsbaar voor mensen die namens God allerlei dingen beweren.

Daarom behoren Bijbelkennis, geestelijke groei en leven uit Gods beloften bij elkaar.

Het gaat niet om kennis om de kennis als doel opzich. Het doel is dat het Woord ons denken vormt, zodat ons geloof rust op wat God gezegd heeft.

 

“God heeft mij beloofd…”

Hier is enige nuchterheid nodig.

Er wordt in christelijke kring ontzettend veel aan God toegeschreven.

“God heeft tegen mij gezegd…”

“God liet mij zien…”

“God heeft iets bijzonders beloofd…”

“Ik kreeg een woord voor jou…”

“God zegt dat er een doorbraak aankomt…”

Het klinkt indrukwekkend. Maar ondertussen ligt er thuis misschien een vrijwel gesloten verstofte Bijbel.

Dat is op zijn minst merkwaardig.

Waarom zouden we voortdurend verlangen naar een nieuw persoonlijk “woord” terwijl we nauwelijks kennis hebben van het Woord dat God ons reeds gegeven heeft?

Petrus zelf had een buitengewone ervaring meegemaakt. Hij was getuige geweest van de majesteit van Christus op de berg en had de stem uit de hemel gehoord. Toch schrijft hij verderop in hetzelfde hoofdstuk:

“En wij hebben het profetische Woord, dat zeer vast is, en gij doet wel, dat gij daarop acht hebt, als op een licht, schijnende in een duistere plaats, totdat de dag aanlichte, en de Morgenster opga in uw harten.” (2 Petrus 1:19, STV)

Dat zou ons te denken moeten geven.

Wie Gods stem wil kennen, moet beginnen met aandacht te geven aan Gods Woord.

 

Niet iedere belofte in de Bijbel is automatisch mijn belofte

Er hoort echter een belangrijke waarschuwing bij een studie over Gods beloften in de Bijbel.

Niet iedere belofte die in de Bijbel staat, is rechtstreeks aan de Gemeente gegeven.

God deed beloften aan Abraham. Hij deed concrete beloften aan Israël. Er zijn beloften die verband houden met het land, het Koninkrijk en Israëls toekomstige herstel.

Daarnaast vinden we wat God bekendmaakt over de positie en toekomst van de Gemeente, het Lichaam van Christus.

Daarom kunnen we niet willekeurig een mooie tekst aanwijzen en zeggen: “Die claim ik.”

De Schrift moet recht gesneden worden:

“Benaarstig u, om uzelven Gode beproefd voor te stellen, een arbeider, die niet beschaamd wordt, die het Woord der waarheid recht snijdt.” (2 Timotheüs 2:15, STV)

Bij iedere Bijbelse belofte moeten we daarom vragen:

Wat staat er precies?

Tegen wie wordt dit gezegd?

In welk verband staat deze belofte?

En mogen wij deze belofte rechtstreeks op onszelf toepassen?

Dat is geen gebrek aan geloof.

Dat is eerbied voor Gods Woord.

 

Hebben christenen echt “meer van God” nodig?

Hier begint 2 Petrus 1:3 behoorlijk te schuren met bepaalde populaire christelijke ideeën.

Er wordt gesproken over “meer van God”, een “nieuwe zalving”, een “impartatie”, een “nieuwe aanraking” of een bijzondere bediening waardoor iemand geestelijk naar een hoger niveau zou kunnen worden gebracht.

Maar Petrus zegt:

“Gelijk ons Zijn Goddelijke kracht alles, wat tot het leven en de godzaligheid behoort, geschonken heeft…” (2 Petrus 1:3, STV)

Dan mag een eenvoudige vraag worden gesteld:

Welk gedeelte van “alles” ontbreekt er nog?

Dat is geen woordspelletje. Het is een serieuze leerstellige vraag.

Als Gods Goddelijke kracht alles geschonken heeft wat tot leven en godzaligheid behoort, waarom zou een gelovige dan afhankelijk gemaakt moeten worden van een “gezalfde” leider die hem iets zou moeten overdragen wat hij kennelijk nog mist?

Waarom een impartatie zoeken als Petrus zegt dat God voorzien heeft?

Waarom voortdurend zoeken naar “meer” zonder eerst te onderzoeken wat God volgens Zijn Woord reeds gegeven heeft?

De vraag is niet of een christen nog moet groeien. Natuurlijk moet hij groeien.

Maar geestelijke groei is iets anders dan geestelijk incompleet zijn.

 

Gods voorziening is niet het probleem

Misschien zoeken we daarom soms op de verkeerde plaats naar de oorzaak van geestelijke armoede.

We denken dat we iets missen. Petrus zegt dat God alles geschonken heeft.

We zoeken iets nieuws. Petrus wijst naar wat gegeven is.

We zoeken een nieuwe ervaring. Petrus spreekt over kennis.

We zoeken een nieuw woord. Petrus wijst naar

“het profetische Woord, dat zeer vast is”.

Misschien ontbreekt het ons niet aan geestelijke middelen, maar aan kennis van Gods beloften en vertrouwen op Gods Woord.

Dat is een wezenlijk verschil.

 

Leven uit Gods beloften betekent niet passief worden

Petrus laat geen ruimte voor de gedachte: als God alles geschonken heeft, hoef ik dus niets meer te doen.

Direct na vers 3 en 4 schrijft hij:

“En gij, tot hetzelve ook alle naarstigheid toebrengende, voegt bij uw geloof deugd, en bij de deugd kennis,” (2 Petrus 1:5, STV)

Vervolgens noemt Petrus matigheid, lijdzaamheid, godzaligheid, broederlijke liefde en liefde jegens allen.

Hier vinden we een prachtig evenwicht.

Wat God schenkt, wordt de basis waarop de gelovige wandelt.

Wij werken niet om God ertoe te bewegen ons uiteindelijk voldoende geestelijke middelen te geven. Wij mogen leven vanuit wat Hij uit genade geschonken heeft.

Gods gave maakt onze verantwoordelijkheid niet overbodig. Zij maakt onze wandel mogelijk.

Dat is ook waarom kennis zo belangrijk is. Petrus spreekt in dit hoofdstuk herhaaldelijk over kennis. De christen groeit niet door steeds nieuwe geestelijke sensaties te verzamelen, maar door Christus te kennen en vanuit Gods waarheid te leven.

 

Nieuw leven, geen opgeknapte oude mens

Hierbij is ook belangrijk te beseffen wat God eigenlijk geschonken heeft.

Het Evangelie is niet Gods programma om de oude mens wat godsdienstiger te maken. Het gaat om nieuw leven.

Christus kwam niet maar ‘betere idealen’ aanbieden aan de oude Adamitische mens. De gelovige ontvangt nieuw leven in Christus.

Dat maakt het verschil enorm.

Het christelijke leven is niet:

“Ik probeer met Gods hulp een betere/de beste versie van mezelf te worden.”

Het begint bij wat God gedaan heeft en bij het leven dat Hij gegeven heeft.

Daarom is het steeds opnieuw nodig dat de gelovige leert zien wie hij in Christus is, wat God hem geschonken heeft en hoe hij daaruit mag leven.

 

Vergeet niet wat God gedaan heeft

Petrus zegt iets opvallends over de gelovige bij wie de genoemde vrucht ontbreekt:

“Want bij welken deze dingen niet zijn, die is blind, van verre niet ziende, hebbende vergeten de reiniging zijner vorige zonden.” (2 Petrus 1:9, STV)

Let vooral op dat laatste woord: vergeten.

Niet: nooit ontvangen.

Niet: nooit gereinigd.

Maar vergeten wat God gedaan heeft.

Dat geeft een verrassend perspectief op geestelijke armoede. Misschien hebben we niet altijd iets nieuws nodig. Misschien moeten we opnieuw leren verstaan wat God al gedaan en gegeven heeft.

Steeds iets nieuws zoeken terwijl we het oude vergeten zijn, is geen geestelijke groei.

Het kan juist geestelijke onvolwassenheid zijn.

 

Bijbels bidden vanuit Gods beloften

Betekent dit dat we niet meer om geestelijke dingen mogen bidden? Natuurlijk niet.

Maar bidden vanuit Gods beloften ziet er anders uit dan bidden alsof God ons voortdurend iets essentieels onthoudt.

Paulus geeft daarvan een prachtig voorbeeld:

“Opdat de God van onzen Heere Jezus Christus, de Vader der heerlijkheid, u geve den Geest der wijsheid en der openbaring in Zijn kennis; Namelijk verlichte ogen uws verstands, opdat gij moogt weten, welke zij de hoop van Zijn roeping, en welke de rijkdom zij der heerlijkheid van Zijn erfenis in de heiligen;” (Efeze 1:17-18, STV)

Let op: “opdat gij moogt weten“.

Paulus bidt voor gelovigen dat zij gaan verstaan welke rijkdom hun deel is.

Dat is iets anders dan voortdurend bidden alsof God die rijkdom nog moet schenken.

Een prachtig gebed zou daarom kunnen zijn:

“Vader, leer mij kennen wat U in Christus geschonken hebt. Leer mij Uw Woord verstaan. Leer mij Uw beloften geloven en leer mij daaruit leven.”

 

Stop met zoeken naar en vragen om wat God al geschonken heeft

2 Petrus 1:3-4 zet ons uiteindelijk voor een eenvoudige maar confronterende vraag.

Zoeken wij voortdurend naar iets nieuws, of leren wij leven uit hetgeen God heeft geschonken?

Misschien moeten we minder vragen:

“Waar kan ik meer ontvangen?”

En vaker:

“Wat zegt Gods Woord dat God mij reeds geschonken heeft?”

Minder jagen op geestelijke ervaringen en meer kennis van Christus.

Minder afhankelijkheid van mensen die zeggen iets bijzonders te kunnen overdragen en meer vertrouwen op Gods beloften in de Bijbel.

Minder

“God zei tegen mij…”

en meer:

“Er staat geschreven.”

Want geestelijke volwassenheid bestaat niet uit een verzameling spectaculaire ervaringen. Zij groeit door kennis van Christus, kennis van Zijn Woord, geloof in Zijn beloften en een wandel die daarmee overeenkomt.

Petrus laat daar weinig onduidelijkheid over bestaan:

“Gelijk ons Zijn Goddelijke kracht alles, wat tot het leven en de godzaligheid behoort, geschonken heeft, door de kennis Desgenen, Die ons geroepen heeft tot heerlijkheid en deugd;” (2 Petrus 1:3, STV)

God heeft niet matig gegeven.

De vraag is of wij weten wat Hij geschonken heeft.

En wanneer wij onze rijkdom in Christus nauwelijks kennen, hebben we  niet in de eerste plaats een nieuwe zalving, nieuwe impartatie, nieuwe profetie of nieuwe geestelijke ervaring nodig.

Dan wordt het hoog tijd om onze Bijbel open te doen, Gods beloften te leren kennen, ze te geloven en daaruit te leven.

 

 

 

Geverifieerd door MonsterInsights