Charismatische leer toetsen

Waarom ik hierover blijf schrijven

Ik wil graag een tipje van de sluier oplichten over de reden waarom ik op dit blog regelmatig bepaalde onderwerpen behandel.

Een oplettende bezoeker zal inmiddels hebben gemerkt dat het hier opvallend vaak gaat over zaken die raken aan de charismatische praktijk en leer. Dat is niet toevallig. Binnen dat gedachtegoed worden regelmatig claims gedaan, verwachtingen gewekt en uitspraken gedaan waarvan ik mij steeds vaker afvraag:

waar staat dit eigenlijk in de Bijbel?

En die vraag is voor mij niet onderhandelbaar.

Na mijn ongeluk ben ik verschillende keren terug geweest in een gemeente waar ik vroeger vaker kwam. Omdat daar inmiddels een leiderschapswissel had plaatsgevonden, was ik aanvankelijk behoorlijk optimistisch. Ik was benieuwd naar de prediking, de aanpak, en, plat gezegd,  de koers die men zou gaan varen.

Langzamerhand is duidelijk geworden welke richting gekozen is.

En je raadt het waarschijnlijk al: de afslag richting het pinkster- en charismatisch christendom is genomen. Inmiddels is ook gecommuniceerd dat de gemeente zich heeft aangesloten bij de VPE. Wie mijn eerdere artikel daarover heeft gelezen, zal begrijpen dat ik daar bepaald niet enthousiast over ben. Dat is dan nog voorzichtig uitgedrukt.

 

Het gaat mij niet om een of het etiket

Laat ik meteen iets duidelijk maken. Mijn bezwaar zit nadrukkelijk niet in een naam, een organisatie of een etiket. Ook niet in het feit dat iemand zichzelf pinksterchristen, evangelisch, reformatorisch of wat dan ook noemt.

De vraag is veel simpeler:

Wat leert de Schrift?

Dáár moet uiteindelijk alles aan getoetst worden.

Mijn zorg is dat binnen het charismatisch gedachtegoed een belangrijk Bijbels onderscheid onvoldoende of zelfs niet wordt gezien: het onderscheid tussen Gods handelen met Israël en Gods roeping van de Gemeente, het Lichaam van Christus.

Wanneer dat onderscheid verdwijnt, wordt vrijwel automatisch ook het boek Handelingen anders gelezen. Handelingen wordt dan gemakkelijk behandeld als een blauwdruk voor hoe iedere plaatselijke gemeente vandaag zou behoren te functioneren. Wonderen, tekenen, bijzondere manifestaties, profetieën en bovennatuurlijke ervaringen worden vervolgens niet alleen mogelijk geacht, maar dikwijls ook verwacht.

Daar zit voor mij een fundamenteel probleem.

Niet omdat ik wil voorschrijven wat God wel of niet zou kunnen doen, maar omdat de Schrift zelf bepaalt wat wij voor deze tijd als normgevende leer en praktijk mogen verwachten.

Het verschil tussen beschrijving en voorschrift is daarbij essentieel.

Niet alles wat in Handelingen gebeurde, is daarmee  een opdracht of model voor de Gemeente vandaag.

 

Wanneer ervaring de plaats van het Woord inneemt

Het gevolg van zo’n koers blijft bovendien niet beperkt tot een leerstellig verschil van inzicht.

Het beïnvloedt hoe gelovigen leren denken.

Waar het Woord niet langer praktisch de maatstaf is waaraan alles wordt getoetst, ontstaat gemakkelijk een geloofscultuur waarin ervaring steeds belangrijker wordt.

Wat voelde je?

Wat ervoer je?

Wat kreeg je op je hart?

Welke indruk ontving je?

Was er een bijzondere sfeer?

Was er “kracht”?

Heeft iemand een woord voor je?

Daarmee wil ik gevoel of emotie niet verdacht maken. Een mens zonder gevoel bestaat niet en ook geloof raakt vanzelfsprekend ons hart. Maar gevoel is geen openbaringsbron. Een indruk is geen Schriftwoord. Een bijzondere ervaring bewijst niet dat iets van God afkomstig is.

Daarom zegt de Bijbel ook:

“Beproeft alle dingen; behoudt het goede.” (1 Thessalonicenzen 5:21, STV)

Dat is geen oproep tot cynisme. Het is een opdracht tot groei, tot geestelijke volwassenheid.

 

Toetsing is geen gebrek aan geloof

Wat mij daarom eveneens zorgen baart, is wanneer kritische vragen weliswaar in theorie welkom worden genoemd, maar in de praktijk als lastig worden ervaren.

Er kan gezegd worden dat alles bespreekbaar is en dat de deur altijd openstaat. Maar de werkelijke vraag is wat er gebeurt wanneer iemand daadwerkelijk binnenkomt en vraagt:

Waar staat dit?

Waarom leren wij dit?

Is deze praktijk werkelijk uit de Schrift af te leiden?

Is dit voorschrift voor de Gemeente, of lezen wij iets in de tekst wat er niet staat?

Wie echt overtuigd is van de Bijbelse basis van zijn leer, hoeft zulke vragen niet te vrezen.

Sterker nog: een gemeente zou zulke vragen moeten verwelkomen.

De Bereërs werden immers niet geprezen omdat zij alles wat Paulus zei onmiddellijk als zoete koek aannamen, maar juist omdat zij onderzochten of hetgeen hun verteld werd met de Schrift overeenkwam:

“En dezen waren edeler, dan die te Thessalonica waren, als die het woord ontvingen met alle toegenegenheid, onderzoekende dagelijks de Schriften, of deze dingen alzo waren.” (Handelingen 17:11, STV)

Dat is geen ongeestelijke houding.

Dat is een geestelijke houding.

 

Gelovigen moeten toegerust worden

Een van mijn grootste bezwaren tegen een sterk ervaringsgerichte geloofspraktijk is daarom dat gelovigen er uiteindelijk afhankelijk door kunnen worden.

Afhankelijk van leiders.

Afhankelijk van bijeenkomsten.

Afhankelijk van sfeer.

Afhankelijk van bijzondere ervaringen.

Afhankelijk van iemand die zegt iets “voor jou ontvangen” te hebben.

Maar de Bijbelse bedoeling is juist dat gelovigen worden opgebouwd, onderwezen en toegerust, zodat zij zelf leren staan.

Niet op de ervaring van een ander.

Niet op de charisma’s van een leider.

Niet op de emotionele intensiteit van een samenkomst.

Maar op het geopenbaarde Woord van God.

Daarom blijft dat Woord mijn uitgangspunt.

“Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad.” (Psalm 119:105, STV)

 

Geen stormram

Je zult begrijpen dat ik mij in zo’n ontwikkeling niet thuis voel.

Tegelijkertijd voel ik mij ook niet geroepen om met een stormram een gemeente binnen te gaan en daar de boel op stelten te zetten. Dat zou waarschijnlijk weinig opbouwen en vooral loopgraven veroorzaken.

Maar zwijgen is iets anders.

Ik kan schrijven.

Ik kan onderzoeken.

Ik kan vergelijken.

Ik kan vragen stellen.

En ik kan anderen aansporen hetzelfde te doen.

In de afgelopen jaren heb ik het voorrecht gehad veel te mogen bestuderen en daardoor bepaalde patronen te leren herkennen. Niet omdat ik alles weet,  verre van dat, maar omdat ik steeds beter heb leren zien hoe belangrijk het is om Schriftgedeelten in hun verband te lezen en onderscheid te maken tussen Israël en de Gemeente, tussen Wet en Genade, tussen beschrijving en voorschrift en tussen menselijke ervaring en Goddelijke openbaring.

Daar zal ik dus voorlopig over blijven schrijven.

Niet om mensen belachelijk te maken.

Niet omdat ik ruzie zoek.

Niet omdat ik beweer dat iedereen die in een charismatische gemeente zit onoprecht is.

Integendeel. Ik twijfel er niet aan dat daar vele oprechte gelovigen zijn die werkelijk de Here Jezus Christus willen dienen.

Juist daarom vind ik dit onderwerp belangrijk.

Oprechtheid maakt een leer namelijk nog niet Bijbels.

 

Het gaat mij om die ene lezer

Ik ga met dit blog niet voor enorme bezoekersaantallen.

Natuurlijk is het leuk wanneer een artikel veel gelezen wordt, maar dat is niet mijn drijfveer.

Het gaat mij veel meer om het individu.

Als één iemand door een artikel opnieuw zijn Bijbel opent en denkt: wacht eens even, klopt hetgeen mij geleerd wordt eigenlijk wel?

Als één gelovige ontdekt dat hij niet afhankelijk hoeft te zijn van religieuze ervaringen maar mag rusten in wat God heeft gesproken.

Als één iemand leert onderscheiden tussen wat de Bijbel werkelijk zegt en wat wij er in de loop der jaren van hebben gemaakt.

Dan vind ik dat al heel waardevol.

 

Geen dichtgespijkerd systeem

Mijn uitgangspunt blijft daarom het Woord van God.

Niet een geloofsbelijdenis.

Niet een kerkelijke traditie.

Niet een denominatie.

Niet een dogmatisch systeem waarin iedere vraag bij voorbaat al van een antwoord is voorzien.

En óók niet de leer van een favoriete Bijbelleraar.

Iedere menselijke uitleg moet uiteindelijk opnieuw langs de Schrift.

Ook de mijne.

Paulus schrijft:

“Beijver u om uzelven Gode beproefd voor te stellen, een arbeider, die niet beschaamd wordt, die het Woord der waarheid recht snijdt.” (2 Timotheüs 2:15, STV)

Dat vraagt studie. Dat vraagt soms correctie. Dat vraagt ook de bereidheid om geliefde overtuigingen los te laten wanneer blijkt dat zij onvoldoende Bijbelse grond hebben.

Juist in een tijd waarin we op vrijwel ieder terrein overspoeld worden met informatie, halve waarheden, stellige claims en regelrechte desinformatie, zou de Gemeente een plaats van onversneden helderheid moeten zijn.

Niet van nieuwe mist.

Niet van nóg meer onbewezen claims.

Maar van waarheid.

Daarom schrijf ik.

En daarom kun je de komende tijd naast opbouwende artikelen en korte Bijbelstudies ook artikelen blijven verwachten die kritisch kijken naar charismatische leer en praktijk.

Soms voorzichtig.

Soms scherp.

En soms zal het ongetwijfeld een beetje schuren.

Maar hopelijk altijd met dezelfde vraag op de achtergrond:

Wat zegt de Schrift echt?

Want uiteindelijk is dat niet alleen de veiligste vraag.

Het is de enige vraag die echt beslissend is.

 

De Godheid van Jezus in het Oude Testament

Geen late christelijke uitvinding

Wie beweert dat de eerste christenen van Jezus pas later God hebben gemaakt, loopt tegen een groot probleem aan: het Oude Testament zelf.

De gedachte dat Jezus Christus God is, maar toch onderscheiden is van de Vader, verschijnt namelijk niet ineens uit het niets in het Nieuwe Testament. Lang voordat Johannes schreef dat het Woord bij God was én God was, vinden we in de Hebreeuwse Schriften opmerkelijke passages waarin de HEERE Zich zichtbaar openbaart, waarin Hij van de HEERE onderscheiden wordt en toch Zelf als de HEERE wordt aangeduid.

Dat maakt een veelgehoorde moderne bewering uiterst kwetsbaar: de Godheid van Christus is niet het product van een kerkvergadering eeuwen na Jezus. De wortels ervan liggen diep verankerd in de Schrift zelf.

 

Godheid Jezus in het oude Testament

Eén God, en toch een opmerkelijk onderscheid

Het uitgangspunt van Israël was erg duidelijk:

“Hoor, Israël! de HEERE, onze God, is een enig HEERE!” (Deuteronomium 6:4, STV)

Het Bijbelse geloof is geen geloof in meerdere goden. De HEERE is één.

Juist daarom is Johannes 1 zo indrukwekkend:

“In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God.” (Johannes 1:1, STV)

Let op beide elementen.

Het Woord was bij God. Er is dus onderscheid.

En het Woord was God. Er is dus ook volledige Goddelijke identiteit.

Soms wordt beweerd dat Johannes hier onder invloed van Griekse filosofie een totaal nieuw concept introduceerde. Maar daarvoor hoeven we helemaal niet naar Plato of andere Griekse denkers. Johannes kende zijn eigen Schriften.

En juist daarin vinden we het Woord des HEEREN op een manier voorgesteld die veel verder gaat dan een geluid of een boodschap.

 

Een HEERE op aarde en een HEERE in de hemel?

Een van de opmerkelijkste teksten vinden we al in Genesis.

Bij het oordeel over Sodom en Gomorra lezen we:

“Toen deed de HEERE zwavel en vuur over Sodom en over Gomorra regenen, van den HEERE uit den hemel.” (Genesis 19:24, STV)

Lees die zin nog eens heel goed.

De HEERE doet vuur regenen van de HEERE uit de hemel.

Waarom wordt dat zo geformuleerd?

Wanneer men vooraf beslist dat het Oude Testament nooit onderscheid binnen de Goddelijke identiteit kan bevatten, wordt zo’n tekst lastig. Maar wanneer we de Schrift eerst laten spreken voordat we ons systeem opleggen, zien we iets opvallends.

Er is één HEERE.

En toch kan de Schrift spreken over de HEERE in relatie tot de HEERE.

Genesis 19 staat daarin niet op zichzelf

Wie stond er in de brandende braambos?

In Exodus 3 ontmoet Mozes God bij de brandende braambos.

Maar kijk hoe het verhaal begint.

Eerst verschijnt de Engel des HEEREN aan Mozes in het vuur. Even later zegt de tekst dat de HEERE ziet dat Mozes naderbij komt en dat God tot hem spreekt vanuit de braambos.

Wie bevindt Zich daar?

De Engel des HEEREN?

De HEERE?

God?

Het opmerkelijke antwoord van de tekst is dat deze benamingen door elkaar heen worden gebruikt.

Dat is belangrijk. Deze Engel blijkt geen gewone geschapen boodschapper te zijn die toevallig namens God spreekt. Hij wordt op verschillende plaatsen op een manier met God geïdentificeerd die bij gewone engelen ondenkbaar zou zijn.

 

De Engel in Wie Gods Naam is

Dat blijkt ergduidelijk in Exodus 23.

God belooft Israël een Engel die hen zal leiden.

Over Hem zegt God:

“Hoedt u voor Zijn aangezicht, en zijt Zijner stem gehoorzaam, en verbittert Hem niet; want Hij zal ulieder overtreding niet vergeven; want Mijn Naam is in het binnenste van Hem.” (Exodus 23:21, STV)

Dat is buitengewoon sterke taal.

Deze Engel draagt Gods gezag. Israël moet Hem gehoorzamen. Tegen Hem in opstand komen heeft consequenties die verbonden zijn met zonde tegen God.

En vervolgens komt de verklaring:

“Mijn Naam is in het binnenste van Hem.”

In de Bijbel is Gods Naam niet maar een verzameling letters. Gods Naam vertegenwoordigt Hemzelf, Zijn gezag, aanwezigheid en wezen.

Wanneer God dus zegt dat Zijn Naam in deze Engel is, hebben we niet te maken met zomaar een hemelse boodschapper.

Deze Engel is de zichtbare openbaring van de HEERE.

 

Wie heeft Israël uit Egypte geleid?

Vraag een Bijbellezer wie Israël uit Egypte verloste en het antwoord zal terecht zijn: God.

Maar dan wordt het interessant.

Op verschillende plaatsen wordt diezelfde verlossing toegeschreven aan de HEERE, aan Zijn aanwezigheid én aan de Engel des HEEREN.

Dat betekent niet dat de Bijbel zichzelf tegenspreekt.

Het betekent dat de Schrift deze Goddelijke Engel kan vereenzelvigen met Degene Die Israël verloste.

De Engel kan zelfs spreken alsof Hij Zelf degene is Die Israël uit Egypte heeft geleid.

Dat verklaart waarom dit patroon later zo belangrijk wordt voor het begrijpen van Christus.

De Engel die zegt: Ik ben de God van Bethel

In Genesis 31 vertelt Jakob over een droom waarin de Engel Gods tot hem spreekt.

En dan in vers 13 zegt deze Engel iets verbazingwekkends: Hij identificeert Zich met de God Die Jakob eerder te Bethel had ontmoet.

Niet:

“Ik ben door de God van Bethel gezonden.”

Niet:

“Ik vertegenwoordig de God van Bethel.”

Hij identificeert Zich met die God.

Opnieuw zien we hetzelfde patroon: de Engel wordt onderscheiden en toch tegelijkertijd met God vereenzelvigd.

Wie het Nieuwe Testament kent, begint inmiddels waarschijnlijk te begrijpen waarom dit zo belangrijk is.

 

Jakobs zegen: God en de Engel samengebracht

Nog duidelijker wordt het in Genesis 48 wanneer Jakob Efraïm en Manasse zegent.

Jakob spreekt over de God voor Wiens aangezicht Abraham en Izak wandelden, over de God Die hem zijn hele leven geweid heeft en vervolgens over:

“De Engel, Die mij verlost heeft van alle kwaad…” (Genesis 48:16, STV)

Maar vervolgens vraagt Jakob niet dat zij de jongens zullen zegenen, alsof God en de Engel twee losstaande wezens zijn.

De zegen wordt als één geheel uitgesproken.

Dat maakt het te gemakkelijk om simpelweg te zeggen: “De Engel spreekt alleen namens God.”

Hier spreekt de Engel namelijk helemaal niet.

Jakob spreekt over Hem.

En Jakob plaatst deze Engel binnen de Goddelijke identiteit.

 

Het Woord des HEEREN werd gezien

Daarmee komen we bij een tweede belangrijke lijn: het Woord des HEEREN.

Wij zijn gewend aan formuleringen als: “Het Woord des HEEREN kwam tot…” en denken dan automatisch aan een stem in het hoofd van een profeet.

Maar sommige oudtestamentische teksten laten een groter beeld zien.

In Genesis 15 komt het Woord des HEEREN tot Abram in een gezicht.

Een gezicht is iets wat men ziet.

Dat klinkt misschien eenvoudig, maar het nogal verstrekkende gevolgen.

Het Woord des HEEREN is in bepaalde passages niet alleen iets wat gehoord wordt. Het Woord verschijnt.

 

De HEERE verscheen door het Woord des HEEREN

Ook in de geschiedenis van Samuel is dit bijzonder duidelijk.

Aan het begin van 1 Samuël 3 wordt gezegd dat het Woord des HEEREN schaars was en dat er weinig gezichten waren.

Later wordt beschreven dat de HEERE kwam en stond.

Aan het einde lezen we:

“En de HEERE voer voort te verschijnen te Silo; want de HEERE openbaarde Zich aan Samuël te Silo door het woord des HEEREN.” (1 Samuël 3:21, STV)

Let op het taalgebruik.

De HEERE verscheen.

De HEERE openbaarde Zich.

En dat gebeurde door het Woord des HEEREN.

Wanneer Johannes eeuwen later schrijft over het Woord dat bij God was en God was, hoeft hij daarvoor helemaal geen vreemd filosofisch systeem te importeren.

Zijn Bijbel had hem al voorbereid.

 

Het Woord dat vlees werd

Dan krijgt Johannes 1:14 ineens nog veel meer diepte:

“En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond…” (Johannes 1:14, STV)

Het Woord dat in de Hebreeuwse Schriften verschijnt, spreekt en God openbaart, wordt vlees.

Johannes presenteert Jezus dus niet als een mens die later tot Goddelijke status werd verheven.

Het is precies andersom.

Degene Die reeds God was, kwam in het vlees.

De incarnatie is niet de vergoddelijking van een mens.

Het is de vleeswording van het eeuwige Woord.

 

Jeremia werd zelfs aangeraakt

Jeremia 1 maakt het beeld nog sterker.

Het Woord des HEEREN komt tot Jeremia. Vervolgens lezen we:

“En de HEERE stak Zijn hand uit, en roerde mijn mond aan…” (Jeremia 1:9, STV)

Nu is er niet alleen sprake van horen.

Niet alleen van zien.

Er wordt gesproken over een hand en over aanraking.

Het Oude Testament kent dus zeker verschijningen waarin God Zich in een zichtbare, menselijke vorm openbaart.

Dat betekent uiteraard niet dat de vleeswording al vóór Bethlehem had plaatsgevonden. Johannes zegt uitdrukkelijk dat het Woord vlees werd.

Maar het betekent wel dat zichtbare manifestaties van de HEERE geen nieuwtestamentische noviteit zijn.

 

De onzichtbare God en Zijn zichtbare openbaring

Wanneer we deze teksten naast elkaar leggen, ontstaat een opmerkelijk patroon.

Aan de ene kant is God verheven en onzichtbaar.

Aan de andere kant verschijnt God zichtbaar aan mensen.

De Schrift gebruikt daarbij onder andere:

  • de Engel des HEEREN;
  • het Woord des HEEREN;
  • Gods Naam;
  • een zichtbare Goddelijke Persoon;
  • en later de Mensenzoon.

Dat helpt ons begrijpen waarom Johannes kan zeggen dat niemand God ooit gezien heeft en tegelijkertijd kan spreken over de Zoon Die Hem bekendgemaakt heeft.

De onzichtbare God wordt gekend door Zijn zichtbare openbaring.

En in het Nieuwe Testament wordt duidelijk Wie die zichtbare openbaring in zijn volheid is: Jezus Christus.

 

De Goddelijke Wolkenrijder

Een van de krachtigste aanwijzingen vinden we in Daniël 7.

In verschillende oudtestamentische teksten is rijden op of komen met de wolken een kenmerk van de HEERE. De wolken behoren tot Zijn majesteit en hemelse heerschappij.

Maar in Daniël gebeurt iets opmerkelijks.

Daniël ziet de Oude van dagen.

En vervolgens:

“Verder zag ik in de nachtgezichten, en ziet, er kwam Een met de wolken des hemels, als eens mensen zoon, en Hij kwam tot den Oude van dagen, en zij deden Hem voor Denzelven naderen.” (Daniël 7:13, STV)

Hier zijn duidelijk twee onderscheiden Figuren.

De Oude van dagen is aanwezig.

En iemand als een Mensenzoon komt met de wolken des hemels.

Dat is geen onbeduidend detail.

Aan deze Mensenzoon wordt vervolgens heerschappij, eer en een allesomvattend Koninkrijk gegeven.

Hier wordt het oudtestamentische patroon bijna niet meer te missen: een Goddelijke Persoon wordt onderscheiden van God en deelt tegelijkertijd in wat aan God toekomt.

 

Jezus zegt tegen Kajafas precies Wie Hij is

Daarom is het verhoor van Jezus voor de hogepriester zo belangrijk.

Wanneer Kajafas Hem vraagt of Hij de Christus is, antwoordt Jezus:

“Gij hebt het gezegd. Doch Ik zeg ulieden: Van nu aan zult gij zien den Zoon des mensen, zittende ter rechterhand der kracht Gods, en komende op de wolken des hemels.” (Mattheüs 26:64, STV)

Voor ons kan dat bijna klinken als een raadselachtig antwoord.

Voor Kajafas was het dat niet.

Jezus combineert Psalm 110 met Daniël 7 en identificeert Zich met de Mensenzoon Die op de wolken komt.

De reactie van de hogepriester is veelzeggend: hij scheurt zijn kleren en beschuldigt Jezus van godslastering.

Waarom?

Omdat Jezus volgens hem blijkbaar méér claimt dan alleen het Messiasschap of het zijn van een menselijke koning.

Hij plaatst Zich in de Goddelijke positie die de Schrift aan de hemelse Mensenzoon toekent.

Kajafas begreep de claim.

De vraag is of wij hem nog begrijpen.

 

Jezus is niet de Vader, maar Hij is wel God

Hier moeten we zorgvuldig blijven.

De Schrift leert niet dat Jezus de Vader is.

Johannes zegt:

“Het Woord was bij God…” (Johannes 1:1, STV)

Er is dus werkelijk onderscheid.

Maar dezelfde zin gaat verder:

“…en het Woord was God.” (Johannes 1:1, STV)

We hoeven het ene niet op te offeren om het andere te bewaren.

Jezus is niet de Vader.

Maar daarom is Hij niet minder God.

Juist het Oude Testament helpt ons om dat te verstaan. Daar ontmoeten we al een zichtbare HEERE Die van de onzichtbare HEERE onderscheiden kan worden zonder dat de Schrift ineens twee goden leert.

De eenheid van God blijft onaangetast.

Maar die eenheid blijkt rijker dan een eenvoudige eenpersoonsvoorstelling van God.

Circular wheel diagram with a central circle reading “JESUS IS YAHWEH,” surrounded by labeled segments (God, Creator, Light, Savior, Judge, The First and The Last, Rock, etc.). Each segment contains Bible cross-references to support the claim.

Daarom is Johannes 1 geen late kerkelijke uitvinding

De populaire theorie dat Jezus eerst een gewone Joodse leraar was en dat Zijn volgelingen Hem geleidelijk tot God hebben verheven, moet daarom veel meer verklaren dan vaak wordt toegegeven.

Dat moet niet alleen Johannes verklaren.

Dat moet Genesis verklaren.

Exodus.

Samuel.

Jeremia.

Daniël.

En  moet verklaren waarom Joodse schrijvers die rotsvast geloofden dat de HEERE één is, zonder aarzeling oudtestamentische taal over de HEERE op Jezus toepasten.

Het christelijke getuigenis over Jezus valt niet als een plotseling, buitenaards, element de Bijbel binnen.

Het komt uit de Schrift zelf.

 

De vraag is uiteindelijk niet wanneer Jezus God werd

Dat is eigenlijk de verkeerde vraag.

Het Nieuwe Testament vertelt ons niet hoe een mens Jezus uiteindelijk als God vereerd begon te worden.

Het vertelt ons hoe Degene Die God was Mens werd.

Dat verschil is allesbepalend.

“In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God.” (Johannes 1:1, STV)

En vervolgens:

“En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond…” (Johannes 1:14, STV)

Dat is geen kerkelijke promotie van Jezus.

Dat is openbaring.

Dezelfde Schrift die zegt dat God één is, leert ons ook dat de HEERE Zich zichtbaar heeft geopenbaard, dat Zijn Engel Zijn Naam draagt, dat Zijn Woord verschijnt en dat de Mensenzoon met de wolken des hemels komt.

En wanneer Jezus van Nazareth uiteindelijk zegt dat Hij die Mensenzoon is, weten we waarom Kajafas zijn kleren scheurde.

 

Jezus beweerde niet alleen namens God te spreken. Hij presenteerde Zich als Degene over Wie de Schriften al eeuwenlang hadden gesproken

De Godheid van Jezus Christus is daarom geen vreemde toevoeging aan het Oude Testament.

Het is de onthulling van een waarheid die er vanaf het begin al in zat.
YouTube player

 

Lees ook:

Het eerstgeboorterecht in de Bijbel: betekenis, Christus en erfenis

 

Jezus is JHWH

Is de Here Jezus JHWH?

( extern):

https://www.bijbelspanorama.nl/bijbelstudie/geschreven/s17_de_betekenis_van_de_naam_jezus_christus/

https://boeken.vlichthus.nl/wat-dunkt-u-van-de-christus-bettex/

https://wachttorenkijker.vlichthus.nl/jehovah-god-in-openbaring-1/

 

Mag een christen genieten?

Wat de Bijbel werkelijk zegt over genieten, rijkdom en dankbaarheid

Mag een christen eigenlijk wel genieten?

Voor sommige christenen klinkt die vraag misschien vreemd. Voor anderen helemaal niet.
Er bestaat namelijk een vorm van christelijke vroomheid waarin genieten al snel verdacht wordt. Een mooie vakantie, lekker eten, een goed glas wijn, een comfortabel huis, een hobby waaraan je plezier beleeft, muziek, gezelligheid of simpelweg genieten van wat je bezit ; moet een werkelijk geestelijk mens daar niet een beetje afstand van houden?
Alsof soberheid vanzelf geestelijker is.
Alsof plezier altijd eerst langs een religieuze douane moet.
Alsof God Zijn kinderen wel dingen geeft, maar het eigenlijk liever niet ziet wanneer ze ervan genieten.
Wie vervolgens 1 Timotheüs 6 aandachtig leest, stuit op een opmerkelijke uitspraak van Paulus:

“Beveel den rijken in deze tegenwoordige wereld, dat zij niet hoogmoedig zijn, noch hun hoop stellen op de ongestadigheid des rijkdoms, maar op den levenden God, Die ons alle dingen rijkelijk verleent, om te genieten;” — 1 Timotheüs 6:17 (STV)

Lees vooral die laatste woorden nog eens:

“om te genieten.”

Dat staat er echt.
En het zet een nogal hardnekkige gedachte op zijn kop.
God geeft niet alleen ; Hij geeft ook om te genieten.

Een Christen mag genieten

 

Paulus spreekt in 1 Timotheüs 6 specifiek tot rijke gelovigen. Dat maakt zijn woorden des te opvallender.
Hij zegt niet dat hun rijkdom bewijst dat zij bijzonder gezegend of geestelijk zijn. Dat zou de tekst misbruiken voor een welvaartsevangelie.
Maar hij zegt evenmin dat zij zich van hun bezit moeten ontdoen omdat bezit en geestelijk leven onverenigbaar zouden zijn.
Paulus waarschuwt voor iets anders.
Hun rijkdom mag hen niet hoogmoedig maken. Hun bezit mag niet hun zekerheid worden. Hun vertrouwen moet niet rusten op geld, want rijkdom is “ongestadig”. Hun vertrouwen behoort te rusten op de levende God.
Maar vervolgens noemt Paulus diezelfde God:

Degene Die ons alle dingen rijkelijk verleent om te genieten.

Daarmee verschuift de hele discussie.
De Bijbelse vraag is niet:

heb je iets waarvan je geniet?

De veel belangrijkere vraag is:

Welke plaats heeft het in je leven?

Je kunt genieten van bezit zonder je vertrouwen erop te stellen. Je kunt iets moois bezitten zonder erdoor bezeten te worden. Je kunt van eten genieten zonder een slaaf van je buik te zijn. Je kunt van rust genieten zonder luiheid tot je hoogste levensdoel te maken.

Het probleem is niet dat de gave aangenaam is.

Het probleem ontstaat wanneer de gave de plaats van de Gever inneemt.
De Bijbel spreekt verrassend positief over genieten
Wie alleen teksten over zelfverloochening, lijden en zonde hoort, kan gemakkelijk een scheef beeld van het christelijke leven krijgen.
Maar luister bijvoorbeeld eens naar Prediker:

“Zie, wat ik gezien heb: een goede zaak, die schoon is, te eten en te drinken, en het goede te genieten van al zijn arbeid, dien hij arbeidt onder de zon, het getal der dagen zijns levens, die hem God geeft; want dat is zijn deel.” — Prediker 5:17 (STV)

En meteen daarna:

“Ook een ieder mens, aan denwelken God rijkdom en goederen gegeven heeft, en Hij geeft hem de macht, om daarvan te eten, en om zijn deel te nemen, en om zich te verheugen van zijn arbeid, datzelve is een gave Gods.” — Prediker 5:18 (STV)

Dat is opvallend nuchter.
Werken. Eten. Drinken. Je verheugen over de vrucht van je arbeid.
En dan staat er niet: pas op, want dit is allemaal aards.
Er staat:

“datzelve is een gave Gods.”

Dat past precies bij 1 Timotheüs 6:17.
De Bijbel schildert God niet af als Iemand Die goede dingen schept en vervolgens argwanend toekijkt wanneer mensen daarvan genieten.
Hij is de Gever.
Dankbaarheid verandert de manier waarop we genieten
Eerder in dezelfde brief schrijft Paulus iets dat hier rechtstreeks mee samenhangt. Hij waarschuwt zelfs voor religieuze mensen die allerlei vormen van onthouding voorschrijven:

“Verbiedende te huwelijken, gebiedende van spijzen te onthouden, die God geschapen heeft, tot nuttiging met dankzegging, voor de gelovigen, en die de waarheid hebben bekend.” — 1 Timotheüs 4:3 (STV)

Vervolgens zegt hij:

“Want alle schepsel Gods is goed, en er is niets verwerpelijk, met dankzegging genomen zijnde;” — 1 Timotheüs 4:4 (STV)

Let op dat woord: dankzegging.
Daar hebben we een prachtige Bijbelse correctie op twee uitersten.
Aan de ene kant staat de mens die Gods gaven consumeert alsof God niet bestaat. Hij geniet, maar dankt niet. Hij ontvangt, maar erkent de Gever niet.
Aan de andere kant staat de religieuze mens die bijna bang is om te genieten. Alsof het geestelijker is om Gods goede gaven met argwaan te bekijken.
Paulus wijst een andere weg:

Ontvang wat God geeft en dank Hem ervoor.

Genieten en dankbaarheid hoeven helemaal geen tegenstellingen te zijn. Integendeel: Bijbels genieten wordt juist gekenmerkt door dankbaarheid.
Genieten is iets anders dan leven voor genot
Dat betekent natuurlijk niet dat de Bijbel hedonisme predikt.
Paulus waarschuwt voor mensen die zijn:

“Meer liefhebbers der wellusten dan liefhebbers Gods;” — 2 Timotheüs 3:4 (STV)

Dat is iets fundamenteel anders.
De vraag is opnieuw niet óf iemand plezier ervaart, maar wat hij liefheeft en wat hem beheerst.
Er is een wereld van verschil tussen:

Ik geniet van wat God mij geeft.

en:

Ik leef om zoveel mogelijk genot te hebben.

In het eerste staat God boven Zijn gaven.
In het tweede wordt genot zelf een god.
Dat onderscheid zien we ook bij geld. En juist daarom is de context van 1 Timotheüs 6 zo belangrijk:

“Want de geldgierigheid is een wortel van alle kwaad…” — 1 Timotheüs 6:10 (STV)

Paulus zegt niet dat geld de wortel van alle kwaad is, maar spreekt over geldgierigheid.
En even later spreekt hij rechtstreeks tot mensen die rijk zijn.
Kennelijk hoeft een rijke gelovige niet eerst arm te worden voordat hij God kan dienen. Wel moet zijn verhouding tot zijn bezit veranderen.
Niet:

mijn bezit is mijn zekerheid.

Maar:

God is mijn zekerheid en mijn bezit heb ik uit Zijn hand ontvangen.

Dat is weer iets heel anders.
Soberheid is niet automatisch geestelijkheid
Hier mag het best een beetje schuren.
Binnen bepaalde streng-religieuze tradities is soms de indruk ontstaan dat iemand geestelijker is naarmate hij zichzelf meer ontzegt. Plezier wordt gemakkelijk met wereldgelijkvormigheid verbonden, terwijl soberheid bijna automatisch als vroomheid wordt beschouwd.
Maar dat verband legt de Schrift helemaal niet zo.
Sterker nog, Paulus waarschuwt voor menselijke godsdienstige voorschriften die indrukwekkend geestelijk kunnen lijken:

“Dewelke wel hebben een schijnrede van wijsheid in eigenwilligen godsdienst en nederigheid, en in het lichaam niet te sparen, doch zijn niet in enige waarde, maar tot verzadiging van het vlees.” — Kolossenzen 2:23 (STV)

Dat is confronterend.
Want ook niet genieten kan voedsel voor het vlees worden.
Een mens kan trots zijn op zijn bezit.
Maar een mens kan óók trots zijn op zijn soberheid.

“Wij doen daar niet aan.”
“Dat hebben wij niet nodig.”
“Een christen hoort zijn geld daar niet aan uit te geven.”
“Wij leven tenminste eenvoudig.”

Het klinkt misschien geestelijk, maar zodra onze zelfgekozen soberheid een maatstaf wordt waarmee wij andere gelovigen beoordelen, is er iets helemaal mis.
Zelfverloochening heeft een Bijbelse plaats.
Zelfgemaakte vroomheid eveneens ; maar dan als waarschuwing.
Het gewone leven mag tot eer van God worden geleefd
Paulus schrijft:

“Hetzij dan dat gijlieden eet, hetzij dat gij drinkt, hetzij dat gij iets anders doet, doet het al ter ere Gods.” — 1 Korinthe 10:31 (STV)

Dat is misschien wel een van de meest bevrijdende gedachten over het christelijke leven.
Eten kan tot eer van God.
Drinken kan tot eer van God.
Werken kan tot eer van God.
Rust kan tot eer van God.
Genieten kan tot eer van God.
Het christelijke leven bestaat niet uit een klein “geestelijk” gedeelte en daarnaast een groot gebied van gewone dingen die eigenlijk minderwaardig zijn.
God is ook God aan de eettafel.
God is ook God tijdens een vakantie.
God is ook God wanneer je door een prachtig landschap rijdt en ervan geniet.
God is ook God wanneer je na hard werken tevreden naar iets kijkt waarvoor je gespaard hebt.
God is ook God tijdens een avond met mensen van wie je houdt.
Waarom zou dankbare vreugde over Zijn goede gaven Hem beledigen?
Genade bevrijdt ook van religieuze kramp

Een wettische geloofsbeleving heeft de neiging voortdurend te vragen:

“Mag dit eigenlijk wel?”

Daarmee is niet iedere vraag naar goed en kwaad verkeerd. Natuurlijk niet. De Schrift stelt grenzen en noemt ook bepaald gedrag zonde.
Maar er kan een geestelijke kramp ontstaan waarin bijna ieder plezier eerst verdacht wordt gemaakt.
Dan wordt het geweten niet gevormd door Gods Woord, maar door menselijke regels.
Paulus schrijft daar bijzonder scherp over:

“Indien gij dan met Christus de eerste beginselen der wereld zijt afgestorven, wat wordt gij, gelijk of gij in de wereld leefdet, met inzettingen belast? Namelijk raak niet, en smaak niet, en roer niet aan.” — Kolossenzen 2:20-21 (STV)

Dat klinkt zeer actueel.
Raak niet. Smaak niet. Doe niet.
Religie kan een indrukwekkende lijst produceren.
Genade leert de gelovige vanuit een andere positie leven: niet door menselijke voorschriften gerechtvaardigd worden, maar wandelen vanuit wat hij in Christus ontvangen heeft.
Dat maakt de gelovige niet losbandig.
Het maakt hem vrij om God te dienen.

De vraag is niet alleen:

mag ik hiervan genieten?

Misschien moeten we daarom andere vragen leren stellen.

Kan ik God hiervoor danken?
Kan ik hiervan genieten zonder dat het mij beheerst?
Stel ik mijn vertrouwen erop?
Wordt iemand anders door mijn gedrag beschadigd?
Kan ik dit ontvangen als een gave en ook weer loslaten wanneer dat nodig is?
Ben ik bereid te delen?

Die laatste vraag hoort nadrukkelijk bij 1 Timotheüs 6.
Want direct nadat Paulus zegt dat God ons rijkelijk geeft om te genieten, schrijft hij:

“Dat zij weldadig zijn, rijk worden in goede werken, gaarne mededelende zijn, en gemeenzaam;” — 1 Timotheüs 6:18 (STV)

Dat is mooi in balans.

De rijke krijgt niet te horen:

schaam je voor wat je hebt.

Maar evenmin:

het is van jou, dus doe ermee wat je wilt.

Hij mag genieten én geven.
Ontvangen én uitdelen.
Dankbaar zijn én tegelijk vrijgevig zijn.
God is geen vijand van vreugde
Misschien is dat uiteindelijk de gedachte die we opnieuw moeten leren.
De God van de Bijbel is niet de grote Tegenstander van menselijke vreugde.
Zonde belooft vreugde en brengt slavernij. God bevrijdt juist van slavernij en leert ons Zijn gaven op hun juiste plaats te genieten.
Daarom hoeven we niet te kiezen tussen een christendom van sombere onthouding en een wereld waarin persoonlijk genot het hoogste levensdoel is.
De Schrift wijst een veel mooiere weg.
God boven alles.
En juist daardoor kunnen Zijn gaven werkelijk gaven blijven.
Een mooie maaltijd hoeft geen afgod te zijn.
Een vakantie hoeft geen vlucht uit het geestelijke leven te zijn.
Een comfortabel huis hoeft geen bewijs van materialisme te zijn.
Een hobby hoeft geen verspilde tijd te zijn.
Plezier is niet automatisch zonde.
Rijkdom is niet automatisch goddeloosheid.
Soberheid is niet automatisch heiligheid.
De beslissende vraag is steeds:

welke plaats krijgt God?

Ontvang, dank, geniet en deel
Misschien kan ik 1 Timotheüs 6:17-18 uiteindelijk zo samenvatten:

Ontvang wat God geeft. Dank Hem ervoor. Geniet ervan zonder eraan verslaafd te raken. Stel je vertrouwen op Hem en niet op Zijn gaven. En houd je handen open voor anderen.

Dat is geen oppervlakkig christendom.
Dat is vrijheid onder genade.
Paulus zegt immers niet dat God ons slechts het strikt noodzakelijke toestaat. Hij spreekt over:

“…den levenden God, Die ons alle dingen rijkelijk verleent, om te genieten;” — 1 Timotheüs 6:17 (STV)

Misschien moeten we maar eens stoppen geestelijker te willen zijn dan de Schrift.
Als God goede dingen geeft om te genieten, mogen wij ze dankbaar uit Zijn hand ontvangen.
Zonder schuldgevoel.
Zonder hoogmoed.
Zonder afgoderij.
Maar met dankbaarheid.
Geniet van de gave. Eer de Gever. En vergeet niet te delen.

Geverifieerd door MonsterInsights