Mag een christen genieten?

Wat de Bijbel werkelijk zegt over genieten, rijkdom en dankbaarheid

Mag een christen eigenlijk wel genieten?

Voor sommige christenen klinkt die vraag misschien vreemd. Voor anderen helemaal niet.
Er bestaat namelijk een vorm van christelijke vroomheid waarin genieten al snel verdacht wordt. Een mooie vakantie, lekker eten, een goed glas wijn, een comfortabel huis, een hobby waaraan je plezier beleeft, muziek, gezelligheid of simpelweg genieten van wat je bezit ; moet een werkelijk geestelijk mens daar niet een beetje afstand van houden?
Alsof soberheid vanzelf geestelijker is.
Alsof plezier altijd eerst langs een religieuze douane moet.
Alsof God Zijn kinderen wel dingen geeft, maar het eigenlijk liever niet ziet wanneer ze ervan genieten.
Wie vervolgens 1 Timotheüs 6 aandachtig leest, stuit op een opmerkelijke uitspraak van Paulus:

“Beveel den rijken in deze tegenwoordige wereld, dat zij niet hoogmoedig zijn, noch hun hoop stellen op de ongestadigheid des rijkdoms, maar op den levenden God, Die ons alle dingen rijkelijk verleent, om te genieten;” — 1 Timotheüs 6:17 (STV)

Lees vooral die laatste woorden nog eens:

“om te genieten.”

Dat staat er echt.
En het zet een nogal hardnekkige gedachte op zijn kop.
God geeft niet alleen ; Hij geeft ook om te genieten.

Een Christen mag genieten

 

Paulus spreekt in 1 Timotheüs 6 specifiek tot rijke gelovigen. Dat maakt zijn woorden des te opvallender.
Hij zegt niet dat hun rijkdom bewijst dat zij bijzonder gezegend of geestelijk zijn. Dat zou de tekst misbruiken voor een welvaartsevangelie.
Maar hij zegt evenmin dat zij zich van hun bezit moeten ontdoen omdat bezit en geestelijk leven onverenigbaar zouden zijn.
Paulus waarschuwt voor iets anders.
Hun rijkdom mag hen niet hoogmoedig maken. Hun bezit mag niet hun zekerheid worden. Hun vertrouwen moet niet rusten op geld, want rijkdom is “ongestadig”. Hun vertrouwen behoort te rusten op de levende God.
Maar vervolgens noemt Paulus diezelfde God:

Degene Die ons alle dingen rijkelijk verleent om te genieten.

Daarmee verschuift de hele discussie.
De Bijbelse vraag is niet:

heb je iets waarvan je geniet?

De veel belangrijkere vraag is:

Welke plaats heeft het in je leven?

Je kunt genieten van bezit zonder je vertrouwen erop te stellen. Je kunt iets moois bezitten zonder erdoor bezeten te worden. Je kunt van eten genieten zonder een slaaf van je buik te zijn. Je kunt van rust genieten zonder luiheid tot je hoogste levensdoel te maken.

Het probleem is niet dat de gave aangenaam is.

Het probleem ontstaat wanneer de gave de plaats van de Gever inneemt.
De Bijbel spreekt verrassend positief over genieten
Wie alleen teksten over zelfverloochening, lijden en zonde hoort, kan gemakkelijk een scheef beeld van het christelijke leven krijgen.
Maar luister bijvoorbeeld eens naar Prediker:

“Zie, wat ik gezien heb: een goede zaak, die schoon is, te eten en te drinken, en het goede te genieten van al zijn arbeid, dien hij arbeidt onder de zon, het getal der dagen zijns levens, die hem God geeft; want dat is zijn deel.” — Prediker 5:17 (STV)

En meteen daarna:

“Ook een ieder mens, aan denwelken God rijkdom en goederen gegeven heeft, en Hij geeft hem de macht, om daarvan te eten, en om zijn deel te nemen, en om zich te verheugen van zijn arbeid, datzelve is een gave Gods.” — Prediker 5:18 (STV)

Dat is opvallend nuchter.
Werken. Eten. Drinken. Je verheugen over de vrucht van je arbeid.
En dan staat er niet: pas op, want dit is allemaal aards.
Er staat:

“datzelve is een gave Gods.”

Dat past precies bij 1 Timotheüs 6:17.
De Bijbel schildert God niet af als Iemand Die goede dingen schept en vervolgens argwanend toekijkt wanneer mensen daarvan genieten.
Hij is de Gever.
Dankbaarheid verandert de manier waarop we genieten
Eerder in dezelfde brief schrijft Paulus iets dat hier rechtstreeks mee samenhangt. Hij waarschuwt zelfs voor religieuze mensen die allerlei vormen van onthouding voorschrijven:

“Verbiedende te huwelijken, gebiedende van spijzen te onthouden, die God geschapen heeft, tot nuttiging met dankzegging, voor de gelovigen, en die de waarheid hebben bekend.” — 1 Timotheüs 4:3 (STV)

Vervolgens zegt hij:

“Want alle schepsel Gods is goed, en er is niets verwerpelijk, met dankzegging genomen zijnde;” — 1 Timotheüs 4:4 (STV)

Let op dat woord: dankzegging.
Daar hebben we een prachtige Bijbelse correctie op twee uitersten.
Aan de ene kant staat de mens die Gods gaven consumeert alsof God niet bestaat. Hij geniet, maar dankt niet. Hij ontvangt, maar erkent de Gever niet.
Aan de andere kant staat de religieuze mens die bijna bang is om te genieten. Alsof het geestelijker is om Gods goede gaven met argwaan te bekijken.
Paulus wijst een andere weg:

Ontvang wat God geeft en dank Hem ervoor.

Genieten en dankbaarheid hoeven helemaal geen tegenstellingen te zijn. Integendeel: Bijbels genieten wordt juist gekenmerkt door dankbaarheid.
Genieten is iets anders dan leven voor genot
Dat betekent natuurlijk niet dat de Bijbel hedonisme predikt.
Paulus waarschuwt voor mensen die zijn:

“Meer liefhebbers der wellusten dan liefhebbers Gods;” — 2 Timotheüs 3:4 (STV)

Dat is iets fundamenteel anders.
De vraag is opnieuw niet óf iemand plezier ervaart, maar wat hij liefheeft en wat hem beheerst.
Er is een wereld van verschil tussen:

Ik geniet van wat God mij geeft.

en:

Ik leef om zoveel mogelijk genot te hebben.

In het eerste staat God boven Zijn gaven.
In het tweede wordt genot zelf een god.
Dat onderscheid zien we ook bij geld. En juist daarom is de context van 1 Timotheüs 6 zo belangrijk:

“Want de geldgierigheid is een wortel van alle kwaad…” — 1 Timotheüs 6:10 (STV)

Paulus zegt niet dat geld de wortel van alle kwaad is, maar spreekt over geldgierigheid.
En even later spreekt hij rechtstreeks tot mensen die rijk zijn.
Kennelijk hoeft een rijke gelovige niet eerst arm te worden voordat hij God kan dienen. Wel moet zijn verhouding tot zijn bezit veranderen.
Niet:

mijn bezit is mijn zekerheid.

Maar:

God is mijn zekerheid en mijn bezit heb ik uit Zijn hand ontvangen.

Dat is weer iets heel anders.
Soberheid is niet automatisch geestelijkheid
Hier mag het best een beetje schuren.
Binnen bepaalde streng-religieuze tradities is soms de indruk ontstaan dat iemand geestelijker is naarmate hij zichzelf meer ontzegt. Plezier wordt gemakkelijk met wereldgelijkvormigheid verbonden, terwijl soberheid bijna automatisch als vroomheid wordt beschouwd.
Maar dat verband legt de Schrift helemaal niet zo.
Sterker nog, Paulus waarschuwt voor menselijke godsdienstige voorschriften die indrukwekkend geestelijk kunnen lijken:

“Dewelke wel hebben een schijnrede van wijsheid in eigenwilligen godsdienst en nederigheid, en in het lichaam niet te sparen, doch zijn niet in enige waarde, maar tot verzadiging van het vlees.” — Kolossenzen 2:23 (STV)

Dat is confronterend.
Want ook niet genieten kan voedsel voor het vlees worden.
Een mens kan trots zijn op zijn bezit.
Maar een mens kan óók trots zijn op zijn soberheid.

“Wij doen daar niet aan.”
“Dat hebben wij niet nodig.”
“Een christen hoort zijn geld daar niet aan uit te geven.”
“Wij leven tenminste eenvoudig.”

Het klinkt misschien geestelijk, maar zodra onze zelfgekozen soberheid een maatstaf wordt waarmee wij andere gelovigen beoordelen, is er iets helemaal mis.
Zelfverloochening heeft een Bijbelse plaats.
Zelfgemaakte vroomheid eveneens ; maar dan als waarschuwing.
Het gewone leven mag tot eer van God worden geleefd
Paulus schrijft:

“Hetzij dan dat gijlieden eet, hetzij dat gij drinkt, hetzij dat gij iets anders doet, doet het al ter ere Gods.” — 1 Korinthe 10:31 (STV)

Dat is misschien wel een van de meest bevrijdende gedachten over het christelijke leven.
Eten kan tot eer van God.
Drinken kan tot eer van God.
Werken kan tot eer van God.
Rust kan tot eer van God.
Genieten kan tot eer van God.
Het christelijke leven bestaat niet uit een klein “geestelijk” gedeelte en daarnaast een groot gebied van gewone dingen die eigenlijk minderwaardig zijn.
God is ook God aan de eettafel.
God is ook God tijdens een vakantie.
God is ook God wanneer je door een prachtig landschap rijdt en ervan geniet.
God is ook God wanneer je na hard werken tevreden naar iets kijkt waarvoor je gespaard hebt.
God is ook God tijdens een avond met mensen van wie je houdt.
Waarom zou dankbare vreugde over Zijn goede gaven Hem beledigen?
Genade bevrijdt ook van religieuze kramp

Een wettische geloofsbeleving heeft de neiging voortdurend te vragen:

“Mag dit eigenlijk wel?”

Daarmee is niet iedere vraag naar goed en kwaad verkeerd. Natuurlijk niet. De Schrift stelt grenzen en noemt ook bepaald gedrag zonde.
Maar er kan een geestelijke kramp ontstaan waarin bijna ieder plezier eerst verdacht wordt gemaakt.
Dan wordt het geweten niet gevormd door Gods Woord, maar door menselijke regels.
Paulus schrijft daar bijzonder scherp over:

“Indien gij dan met Christus de eerste beginselen der wereld zijt afgestorven, wat wordt gij, gelijk of gij in de wereld leefdet, met inzettingen belast? Namelijk raak niet, en smaak niet, en roer niet aan.” — Kolossenzen 2:20-21 (STV)

Dat klinkt zeer actueel.
Raak niet. Smaak niet. Doe niet.
Religie kan een indrukwekkende lijst produceren.
Genade leert de gelovige vanuit een andere positie leven: niet door menselijke voorschriften gerechtvaardigd worden, maar wandelen vanuit wat hij in Christus ontvangen heeft.
Dat maakt de gelovige niet losbandig.
Het maakt hem vrij om God te dienen.

De vraag is niet alleen:

mag ik hiervan genieten?

Misschien moeten we daarom andere vragen leren stellen.

Kan ik God hiervoor danken?
Kan ik hiervan genieten zonder dat het mij beheerst?
Stel ik mijn vertrouwen erop?
Wordt iemand anders door mijn gedrag beschadigd?
Kan ik dit ontvangen als een gave en ook weer loslaten wanneer dat nodig is?
Ben ik bereid te delen?

Die laatste vraag hoort nadrukkelijk bij 1 Timotheüs 6.
Want direct nadat Paulus zegt dat God ons rijkelijk geeft om te genieten, schrijft hij:

“Dat zij weldadig zijn, rijk worden in goede werken, gaarne mededelende zijn, en gemeenzaam;” — 1 Timotheüs 6:18 (STV)

Dat is mooi in balans.

De rijke krijgt niet te horen:

schaam je voor wat je hebt.

Maar evenmin:

het is van jou, dus doe ermee wat je wilt.

Hij mag genieten én geven.
Ontvangen én uitdelen.
Dankbaar zijn én tegelijk vrijgevig zijn.
God is geen vijand van vreugde
Misschien is dat uiteindelijk de gedachte die we opnieuw moeten leren.
De God van de Bijbel is niet de grote Tegenstander van menselijke vreugde.
Zonde belooft vreugde en brengt slavernij. God bevrijdt juist van slavernij en leert ons Zijn gaven op hun juiste plaats te genieten.
Daarom hoeven we niet te kiezen tussen een christendom van sombere onthouding en een wereld waarin persoonlijk genot het hoogste levensdoel is.
De Schrift wijst een veel mooiere weg.
God boven alles.
En juist daardoor kunnen Zijn gaven werkelijk gaven blijven.
Een mooie maaltijd hoeft geen afgod te zijn.
Een vakantie hoeft geen vlucht uit het geestelijke leven te zijn.
Een comfortabel huis hoeft geen bewijs van materialisme te zijn.
Een hobby hoeft geen verspilde tijd te zijn.
Plezier is niet automatisch zonde.
Rijkdom is niet automatisch goddeloosheid.
Soberheid is niet automatisch heiligheid.
De beslissende vraag is steeds:

welke plaats krijgt God?

Ontvang, dank, geniet en deel
Misschien kan ik 1 Timotheüs 6:17-18 uiteindelijk zo samenvatten:

Ontvang wat God geeft. Dank Hem ervoor. Geniet ervan zonder eraan verslaafd te raken. Stel je vertrouwen op Hem en niet op Zijn gaven. En houd je handen open voor anderen.

Dat is geen oppervlakkig christendom.
Dat is vrijheid onder genade.
Paulus zegt immers niet dat God ons slechts het strikt noodzakelijke toestaat. Hij spreekt over:

“…den levenden God, Die ons alle dingen rijkelijk verleent, om te genieten;” — 1 Timotheüs 6:17 (STV)

Misschien moeten we maar eens stoppen geestelijker te willen zijn dan de Schrift.
Als God goede dingen geeft om te genieten, mogen wij ze dankbaar uit Zijn hand ontvangen.
Zonder schuldgevoel.
Zonder hoogmoed.
Zonder afgoderij.
Maar met dankbaarheid.
Geniet van de gave. Eer de Gever. En vergeet niet te delen.

Trots op de zonde, wat zegt de Bijbel?

Waarom de Bijbel waarschuwt tegen het vieren van wat God veroordeelt

 

Er is iets veranderd in onze samenleving. Mensen zondigen niet alleen meer; zij zijn trots op de zonde. Wat vroeger met schaamte werd verborgen, wordt nu met applaus gevierd. Niet zelden gaat het zelfs verder: wie weigert mee te vieren, wordt weggezet als bekrompen, liefdeloos, haatzaaiend of gevaarlijk.

Dat is geen toevallige maatschappelijke ontwikkeling. De Bijbel beschreef deze geestelijke toestand al duizenden jaren geleden.

Hero banner promoting Bible studies: open Bible on a wooden table at sunrise with the Dutch title 'Wat zegt de Bijbel over...' and a blue footer menu showing topics like Schrift met Schrift and Christus centraal.

De diepste vorm van verdorvenheid

De Bijbel leert dat ieder mens een zondaar is. Maar hij maakt ook onderscheid tussen iemand die struikelt en iemand die zijn zonde verheerlijkt.

David viel diep. Petrus verloochende zijn Heere. Maar beiden kwamen tot berouw.

Er is echter een veel ernstiger toestand: de mens die zijn zonde verdedigt, normaliseert en uiteindelijk verheerlijkt.

“Want de goddeloze roemt zich over de begeerte zijner ziel; en de gierigaard zegent zichzelven; hij lastert den HEERE.” (Psalm 10:3, STV)

De goddeloze schaamt zich niet voor zijn begeerten. Hij roemt erin.

Dat is dus wat we vandaag zien. Niet alleen individuele zonden worden verdedigd, maar complete levensstijlen worden verheven tot deugd. De grootste eer lijkt tegenwoordig niet meer te liggen in heiligheid, maar in “zelfexpressie”.

Hoomoed komt voor de val; trots op de zonde
Trots op de zonde, wat zegt de Bijbel?

Geen schaamte meer: een kenmerk van geestelijk verval

Jeremia beschrijft een volk dat het morele kompas volledig kwijt is.

“Zijn zij beschaamd, omdat zij gruwel bedreven hebben? Ja, zij schamen zich in het minste niet, en weten niet schaamrood te worden…” (Jeremia 6:15, STV)

Dat is misschien wel het meest angstaanjagende oordeel van God: wanneer het geweten niet meer functioneert.

De mens bloost niet meer.

Hij rechtvaardigt zichzelf.

Hij noemt kwaad goed.

 

Zij verkondigen hun zonde

Jesaja gaat nog verder.

“Het aangezicht huns aangezichts getuigt tegen hen, en zij verkondigen hun zonde als Sodom; zij verbergen ze niet. Wee hunner ziel! want zij doen zichzelven kwaad.” (Jesaja 3:9, STV)

De inwoners van Sodom probeerden hun levenswijze niet verborgen te houden.

Zij maakten er een openbare zaak van.

Jesaja zegt: “zij verkondigen hun zonde.”

Dat is treffend actueel. In onze cultuur worden zonden niet slechts getolereerd, maar actief gepromoot. Media, onderwijs, politiek en entertainment verklaren steeds vaker dat wat God zonde noemt juist gevierd moet worden.

 

Romeinen 1 beschrijft onze tijd verbazingwekkend nauwkeurig

De apostel Paulus eindigt zijn beschrijving van een God-verwerpende samenleving met een huiveringwekkende conclusie.

“Dewelken, daar zij het recht Gods weten, (namelijk, dat degenen, die zulke dingen doen, des doods waardig zijn,) niet alleen dezelve doen, maar ook mede een welgevallen hebben in degenen, die ze doen.” (Romeinen 1:32, STV)

Let op de opbouw.

De mens doet de zonde.

Hij keurt de zonde goed.

Hij prijst anderen die hetzelfde doen.

Dat is de laatste fase van moreel verval.

Niet de zonde is dan nog het grootste probleem.

Het applaus voor de zonde is het grootste probleem.

Kerken zwijgen of doen zelfs volop mee

Hier wordt het pijnlijk.

Steeds meer kerken lijken niet langer de roeping te voelen om zonde zonde te noemen. In plaats van profetisch tegen de geest van de tijd in te spreken, passen zij hun boodschap aan de cultuur aan.

Uit angst mensen kwijt te raken worden scherpe Bijbelse begrippen vervangen door zachte therapeutische taal.

Bekering wordt persoonlijke groei.

Heiliging wordt authenticiteit.

Zonde wordt gebrokenheid.

Gods oordeel wordt ongemakkelijk stilzwijgen.

Sommige kerken gaan zelfs nog verder. Niet alleen wordt de zonde verzwegen, zij wordt gezegend en gevierd

Dat noemt men dan liefde, inclusiviteit of vooruitgang.

Maar liefde zonder waarheid is geen Bijbelse liefde.

Een kerk die bevestigt wat God veroordeelt, is niet barmhartiger dan God. Zij is Hem ongehoorzaam.

De Here Jezus kwam niet om de zonde acceptabel te maken.

Hij kwam om zondaren zalig te maken.

Een kerk die weigert over zonde te spreken, heeft uiteindelijk ook niets meer te zeggen over genade.

Want genade is alleen genade wanneer de ernst van de zonde wordt erkend.

De wortel is menselijke hoogmoed

Waarom is trots op de zonde zo ernstig?

Omdat het de mens boven God plaatst.

God zegt:

“Dit is kwaad.”

De mens antwoordt:

“Nee, dit is goed.”

Dat is dezelfde hoogmoed die al in de hof van Eden zichtbaar werd.

Niet Gods oordeel, maar mijn oordeel.

Niet Gods waarheid, maar mijn waarheid.

Niet Gods wil, maar mijn identiteit.

De eerste zonde begon niet met moord of overspel.

De eerste zonde begon met hoogmoed.

 

Het Evangelie begint met zelfveroordeling

Opvallend genoeg zien we bij alle mannen Gods precies het tegenovergestelde.

Job zegt:

“Met het gehoor des oors heb ik U gehoord; maar nu ziet U mijn oog. Daarom verfoei ik mij, en ik heb berouw, in stof en as.” (Job 42:5-6, STV)

Jesaja roept:

“Wee mij, want ik verga, dewijl ik een man van onreine lippen ben…” (Jesaja 6:5, STV)

Paulus noemt zichzelf:

“…Christus Jezus is in de wereld gekomen, om de zondaren zalig te maken, van welke ik de voornaamste ben.” (1 Timotheüs 1:15, STV)

Niemand die echt Gods heiligheid ziet, wordt trots op zichzelf.

 

Hoe dichter men bij God leeft, hoe kleiner men over zichzelf denkt.

Dat is ook precies de les uit Job 42. Wanneer Job echt Gods heerlijkheid ziet, blijft er niets over van zijn zelfvertrouwen. Niet zijn omstandigheden, maar de ontmoeting met Gods heiligheid verbreekt zijn trots en brengt hem tot zelfveroordeling.

 

Alleen door het kruis sterft alle menselijke trots

Daarom eindigt Paulus niet met zelfvertrouwen, maar met een belijdenis.

“Maar het zij verre van mij, dat ik zou roemen, anders dan in het kruis van onzen Heere Jezus Christus…” (Galaten 6:14, STV)

Dat is het grote onderscheid.

De wereld roemt in de zonde.

Religieuze mensen roemen in hun eigen gerechtigheid.

Humanisten roemen in de mens.

Maar de gelovige roemt uitsluitend in Christus.

En precies daar botst het evangelie frontaal met de geest van deze tijd.

Niet omdat christenen beter zijn.

Maar omdat zij weten dat zij zonder Gods genade net zo verloren zouden zijn als ieder ander.

 

Resumerend

De grootste crisis van onze tijd is niet dat mensen zondigen.

,Dat heeft de mens altijd, sinds Genesis 3, gedaan.

De grootste crisis is dat de mens trots is geworden op zijn zonde en verwacht en zels eist dat de wereld daarvoor applaudisseert.

De Bijbel noemt dat geen vooruitgang.

Hij noemt het verblinding.

De vraag is daarom niet of wij zondaren zijn.

Dat zijn we allemaal.

De vraag is: schamen we ons nog over onze zonde, of zijn wij er trots op geworden?

Want wie trots is op zijn zonde, heeft de deur naar bekering gesloten.

Maar wie zich buigt aan de voet van het kruis, ontdekt dat Gods genade groter is dan de grootste zondaar.

“Want een iegelijk, die zichzelf verhoogt, zal vernederd worden; en die zichzelf vernedert, zal verhoogd worden.” (Lukas 18:14, STV)

zie ook:

Het Evangelie zonder omwegen – Bijbelse basis

Het warme hart van het Evangelie – Bijbelse basis

Bekering, geen hogere wiskunde – Bijbelse basis

Bekering – geen religieuze emotie, maar een noodzakelijke omkeer – Bijbelse basis

2 Kronieken 25 uitgelegd: Amasia en het gevaar van een half hart

Geestelijke ontmaskering

Er zijn hoofdstukken in de Bijbel die niet alleen geschiedenis vertellen, maar geestelijk ontmaskeren. 2 Kronieken 25 is zo’n hoofdstuk.

Daar werd gisteren over gepreekt,

Over Amasia staat:

“En hij deed dat recht was in de ogen des HEEREN, doch niet met een volkomen hart.” (2 Kronieken 25:2) (STV).

Dat ene vers is de sleutel tot heel zijn leven. Uiterlijk leek er nog veel in orde, maar innerlijk ontbrak het beslissende: een ongedeeld hart voor God.

Dat is ook vandaag het gevaar. Niet alleen openlijke afval is dodelijk. Een verdeeld hart is dat ook. Een mens kan godsdienstig lijken, rechtzinnig klinken, Bijbelteksten kennen en toch niet werkelijk aan de Heere overgegeven zijn. En juist dát maakt deze geschiedenis zo scherp.

Amasia begon goed, maar zonder diepgang

Amasia begon niet als een openlijke vijand van God. Hij deed op sommige punten wat recht was. Hij handelde zelfs overeenkomstig Gods wet.

Zo lezen we:

“Doch hun kinderen doodde hij niet, maar hij deed, gelijk in de wet, in het boek van Mozes, geschreven is, waar de HEERE geboden heeft, zeggende: De vaders zullen niet sterven om de kinderen, en de kinderen zullen niet sterven om de vaders; maar een ieder zal om zijn zonde sterven.” (2 Kronieken 25:4) (STV).

Ook luisterde hij aanvankelijk naar de waarschuwing van de man Gods toen hij de huurlingen uit Israël had ingehuurd. Toen Amasia bezorgd was over het geld dat hij kwijt zou zijn, kreeg hij te horen:

“De HEERE heeft veel meer dan dit, om u te geven.” (2 Kronieken 25:9) (STV).

Dat blijft een blijvende les: gehoorzaamheid lijkt soms verlies, maar ongehoorzaamheid kost altijd meer.

Maar hier zit nu juist het gevaar. Een mens kan op onderdelen juist handelen en toch geen volkomen hart hebben. Uiterlijke correctheid is nog geen innerlijke overgave.

De overwinning werd zijn ondergang

Na zijn overwinning op Edom begint Amasia geestelijk te vallen. Dat is veelzeggend. Niet zijn nederlaag, maar zijn succes wordt zijn val.

De Schrift zegt:

“Het geschiedde nu, nadat Amazia gekomen was van de Edomieten te slaan, dat hij de goden der kinderen van Seïr bracht, en stelde ze zich tot goden; en hij boog zich voor derzelver aangezichten neder, en rookte hun.” (2 Kronieken 25:14) (STV).

Dat is onthutsend. Hij overwint een volk, maar gaat vervolgens de goden van datzelfde overwonnen volk dienen. Wat is dat anders dan geestelijke blindheid? En hoe actueel is dat niet? Mensen behalen een overwinning, krijgen invloed, waardering of reputatie, en juist daarna worden zij innerlijk opgeblazen. Ze danken God met hun mond, maar hun hart buigt intussen voor iets anders.

De Bijbel waarschuwt op veel plaatsen voor die lijn.

“God wederstaat de hovaardigen, maar den nederigen geeft Hij genade.” (Jakobus 4:6) (STV).

Hoogmoed is niet een karakterfoutje. Hoogmoed zet een mens tegenover God.

Een onvolkomen hart wil niet terechtgewezen worden

Wanneer de profeet Amasia aanspreekt, blijkt hoe diep het probleem zit. Amasia wil niet meer luisteren.

De Schrift zegt:

“En het geschiedde, als hij tot hem sprak, dat hij tot hem zeide: Heeft men u tot des konings raadsman gesteld? Houd op; waarom zou men u slaan?” (2 Kronieken 25:16) (STV).

Hier wordt het masker afgetrokken. Een mens met een volkomen hart buigt onder Gods Woord. Een mens met een trots hart wordt boos wanneer Gods Woord hem corrigeert. Hij wil bemoediging, maar geen bestraffing. Hij wil genade, maar geen ontmaskering. Hij wil een preek die streelt, niet een Woord dat doorsnijdt.

Daarom is deze geschiedenis zo ontregelend. Want het echte probleem is niet alleen dat Amasia afgoden diende. Het probleem is dat hij niet meer wilde luisteren toen God hem aansprak.

De distel en de ceder

Dan volgt de beroemde gelijkenis van de distel en de ceder. Joas, de koning van Israël, antwoordt Amasia:

“De distel, die op Libanon is, zond tot den ceder, die op Libanon is, om te zeggen: Geef uw dochter mijn zoon ter vrouw. Maar het gedierte des velds, dat op Libanon is, ging voorbij, en vertrad den distel.” (2 Kronieken 25:18) (STV).

Het beeld is vernietigend. De distel is klein, zwak en verachtelijk, maar denkt dat hij zich met de ceder kan meten. Dat is hoogmoed: jezelf groter achten dan je bent. Dat is de mens in zijn opgeblazen religieuze zelfbeeld. Dat is de gelovige die meent te staan, terwijl hij al wankelt. Dat is de prediker, de leider of de kerkganger die een beetje succes heeft gehad en dan denkt dat hij onaantastbaar is.

Joas legt het ook direct uit:

“Gij zegt: Zie, gij hebt de Edomieten geslagen; daarom heeft uw hart u verheven, om u te beroemen; blijf nu in uw huis; waarom zoudt gij u met kwaad vermengen, dat gij vallen zoudt, gij en Juda met u?” (2 Kronieken 25:19) (STV).

De overwinning had Amasia opgeblazen. Zijn hart had zich verheven.

De ceder als beeld van verhevenheid

De ceder verwijst typologisch naar Christus, dat is niet willekeurig. In Hooglied 5:15 staat over de Liefste:

“Zijn gestalte is als de Libanon, uitverkoren als de cederen.” (Hooglied 5:15) (STV).

De ceder draagt in de Schrift vaak iets van hoogte, heerlijkheid, kracht en majesteit in zich.

Juist daarom is het contrast zo scherp. De distel verheft zich, maar blijft een distel. De mens denkt groot van zichzelf, maar is in werkelijkheid zwak, zondig en afhankelijk. Eén stap van Gods oordeel, en zijn schijn-grootheid is weg.

De les voor ons

De lijn van Amasia is huiveringwekkend herkenbaar. Eerst is er een zekere uiterlijke gehoorzaamheid. Daarna komt succes. Dan volgt hoogmoed. Vervolgens komt afgoderij. Dan wordt vermaning verworpen. En uiteindelijk komt de val.

De afloop is dan ook vernederend. Juda wordt verslagen, Jeruzalems muur wordt afgebroken en de schatten worden weggenomen. Uiteindelijk eindigt Amasia in schande en dood. Dat is geen toevallig ongeluk, maar het morele gevolg van een hart dat niet volkomen voor de Heere was.

Daarom is de vraag van deze geschiedenis niet alleen: leef jij redelijk netjes? De vraag is: is jouw hart volkomen voor God?

De Bijbel zegt ook breder over leiderschap en gerechtigheid:

“Als de rechtvaardigen groot worden, verblijdt zich het volk; maar als de goddeloze heerst, zucht het volk.” (Spreuken 29:2) (STV).

Dat geldt niet alleen maatschappelijk, maar ook geestelijk: waar de mens niet door Gods waarheid geregeerd wordt, komt zuchten, verval en verwarring.

Alleen Christus redt van een verdeeld hart

De ernst van 2 Kronieken 25 is ook dit: de mens herstelt zichzelf niet. Een half hart wordt niet heel door wat extra godsdienst. Hoogmoed wordt niet genezen door orthodoxe taal. De distel groeit niet uit tot een ceder.

Alleen Christus redt. Waar de mens zichzelf verhoogt, heeft Christus Zich vernederd. Waar de mens zijn eer zoekt, droeg Christus smaad. Waar de mens vastklampt aan zichzelf, gaf Christus Zich over. En juist daarom is Jakobus 4 zo scherp en zo hoopvol tegelijk:

“Zo onderwerpt u dan Gode.” (Jakobus 4:7) (STV).

De weg uit hoogmoed is niet zelfverbetering, maar onderwerping aan God.

Amasia is gevaarlijk herkenbaar. Geen openlijk ongelovige, maar een man die een eind kwam, veel goed leek te doen en toch viel. Waarom? Omdat zijn hart niet volkomen was.

Dat is de waarschuwing van 2 Kronieken 25.
God vraagt niet om een nette buitenkant.
Niet om een religieuze vorm.
Niet om halve trouw.

Hij vraagt het hele hart.

En wie denkt dat dit te scherp gesteld is, moet opnieuw luisteren naar de Schrift:

“En hij deed dat recht was in de ogen des HEEREN, doch niet met een volkomen hart.” (2 Kronieken 25:2) (STV).

Dáár ging het mis. En dáár gaat het nog steeds mis.

Geverifieerd door MonsterInsights