De Ethiopische kamerling: Jesaja, Afrika en het Evangelie

De Ethiopische kamerling en de kostbare boekrol: waarom in Handelingen 8 zoveel details

Een ontmoeting die opvallend gedetailleerd wordt beschreven

Sommige gebeurtenissen in Handelingen worden in enkele zinnen verteld. Maar wanneer Lucas ons in Handelingen 8 meeneemt naar de weg van Jeruzalem naar Gaza, vertraagt het verhaal ineens.

We krijgen opvallend veel details.

Het gaat om een Ethiopiër. Hij is een kamerling. Hij bekleedt een hoge positie aan het hof van Kandacé. Hij beheert haar schatkist. Hij is naar Jeruzalem gereisd om te aanbidden. Hij keert terug naar zijn land. Hij zit in zijn wagen. Hij bezit een boekrol van Jesaja. Hij leest daaruit hardop. Vervolgens wordt zelfs vermeld welk gedeelte hij leest.

Waarom zoveel details?

Juist daardoor wordt zichtbaar dat deze ontmoeting geen toevallige voetnoot in de geschiedenis van de vroege Gemeente is. We zien hier hoe God Zelf ervoor zorgt dat het Evangelie grenzen overgaat.

En midden in deze geschiedenis ligt een boekrol.

het heil naar de volken
de Ethiopische kamerling

 

Een boekrol kocht je niet even in een winkel

Wij kunnen ons nauwelijks voorstellen wat het betekende dat deze man uit Jesaja zat te lezen.

Wij hebben Bijbels in boekenkasten, op onze telefoon en op internet. Wie een Bijbel wil hebben, kan er binnen enkele minuten één bestellen.

Deze Ethiopiër leefde in een totaal andere wereld.

De boekdrukkunst bestond niet. Een Schriftrol moest met de hand worden overgeschreven. En Jesaja is bepaald geen klein Bijbelboek. Een volledige Jesajarol vergde een enorme hoeveelheid schrijfmateriaal en vele uren gespecialiseerd schrijfwerk.

Dat maakte zo’n rol zeer kostbaar.

We moeten daarom voorzichtig zijn met de conclusie dat hij de rol noodzakelijkerwijs tijdens zijn verblijf in Jeruzalem had gekocht; Handelingen vertelt ons niet waar of wanneer hij hem verkregen heeft. Maar één ding blijkt wel uit de tekst: deze hooggeplaatste Afrikaan beschikte over zijn eigen exemplaar van Jesaja.

Dat alleen al zegt iets.

Dit was geen tractaat dat iemand hem onderweg had toegestopt. Hij bezat toegang tot een kostbare handgeschreven tekst van de Hebreeuwse Schrift.

En hij lás hem ook.

 

Een machtige man die toegeeft dat hij het niet begrijpt

Handelingen vertelt ons:

“En hij keerde wederom, en zat op zijn wagen, en las den profeet Jesaja.” (Handelingen 8:28, STV)

Dan gebeurt er iets bijzonders.

God stuurt Filippus naar deze ene man.

Filippus hoort hem lezen en vraagt:

“Verstaat gij ook, hetgeen gij leest?” (Handelingen 8:30, STV)

Het antwoord van de kamerling is buitengewoon veelzeggend:

“En hij zeide: Hoe zou ik toch kunnen, zo mij niet iemand onderricht?” (Handelingen 8:31, STV)

Denk daar eens over na.

Dit is geen onontwikkelde man. Hij beheert de schatkist van een koningin. Hij behoort tot de bestuurlijke elite van zijn land. Hij is bemiddeld genoeg om een kostbare reis te ondernemen en beschikt over een Schriftrol.

Maar tegenover Gods Woord durft deze machtige man eenvoudig te zeggen:

Ik begrijp het niet. Ik heb uitleg nodig.

Dat is geestelijke honger gecombineerd met nederigheid.

En juist naar zo’n man stuurt God iemand die hem de Schrift kan openen.

 

Van alle gedeelten leest hij uitgerekend Jesaja 53

Dan wordt de geschiedenis nog opmerkelijker.

De man leest niet zomaar ergens in Jesaja. Lucas vertelt ons precies welk gedeelte voor hem ligt:

“De plaats nu der Schriftuur, die hij las, was deze: Hij is gelijk een schaap ter slachting geleid; en gelijk een lam stemmeloos is voor dien, die het scheert, alzo doet Hij Zijn mond niet open.” (Handelingen 8:32, STV)

De kamerling zit met de grote vraag die iedere lezer van Jesaja 53 uiteindelijk moet beantwoorden:

Over wie gaat dit?

“En de kamerling antwoordde Filippus en zeide: Ik bid u, van Wien zegt de profeet dit, van zichzelven, of van iemand anders?” (Handelingen 8:34, STV)

Daar hoeft Filippus niet lang over na te denken.

“En Filippus deed zijn mond open en beginnende van diezelfde Schrift, verkondigde hem Jezus.” (Handelingen 8:35, STV)

Dat ene zinnetje is schitterend.

Hij verkondigde hem Jezus.

 

De boekrol krijgt als het ware een stem

De Ethiopiër had de tekst.

Filippus wees hem op de Persoon.

Hij had Jesaja kunnen bezitten zonder te begrijpen naar Wie Jesaja wees. Maar nu wordt vanuit dezelfde Schrift Christus verkondigd.

Daarom is deze geschiedenis ook zo belangrijk voor ons verstaan van het Oude Testament. Filippus legt Christus niet kunstmatig over Jesaja heen. Hij begint bij de tekst die de man voor zich heeft en komt uit bij Jezus.

Jesaja had geschreven:

“Wij dwaalden allen als schapen, wij keerden ons een iegelijk naar zijn weg; doch de HEERE heeft onzer aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen.” (Jesaja 53:6, STV)

Eeuwen later zit een Afrikaanse hoogwaardigheidsbekleder met diezelfde profetie op zijn schoot.

En midden op een woestijnweg hoort hij Wie dat Lam is.

 

Waarom haalt God Filippus weg bij een menigte?

Er zit nog iets opvallends in het verhaal.

Filippus bevindt zich net daarvoor in Samaria, waar grote dingen gebeuren. Mensen luisteren naar zijn prediking en er is veel belangstelling voor het Evangelie.

En dan wordt hij daarvandaan geroepen.

Voor wat?

Voor één man.

Dat druist behoorlijk in tegen onze moderne manier van denken. Wij meten succes gemakkelijk aan bereik, bezoekersaantallen en zichtbaarheid.

God stuurt een evangelist van een menigte naar een eenzame weg om naast de wagen van één zoekend mens te lopen.

Daarmee vertelt Handelingen 8 ons ook iets over Gods hart.

Eén mens doet ertoe.

Eén zoekende Afrikaan is voor God geen voetnoot.

 

Van Jeruzalem richting Afrika

Maar er gebeurt tegelijkertijd iets veel groters.

Christus had vóór Zijn hemelvaart gezegd:

“Maar gij zult ontvangen de kracht des Heiligen Geestes, Die over u komen zal; en gij zult Mijn getuigen zijn, zo te Jeruzalem, als in geheel Judea en Samaria, en tot aan het uiterste der aarde.” (Handelingen 1:8, STV)

En kijk naar de richting in Handelingen.

Het Evangelie begint in Jeruzalem.

Vervolgens komt het in Samaria.

En nu zit daar ineens een man uit Afrika die na zijn ontmoeting met Filippus zijn reis naar het zuiden vervolgt.

We moeten niet méér zeggen dan de tekst zegt. Handelingen vertelt ons bijvoorbeeld niet wat deze kamerling later in zijn vaderland heeft gedaan en zegt evenmin dat door hem onmiddellijk een Afrikaanse gemeente werd gesticht.

Maar de richting is onmiskenbaar.

Het Evangelie is onderweg naar de volken.

Een Afrikaan hoort het Evangelie, gelooft en vervolgt daarna zijn weg.

 

Afrika staat bepaald niet ergens achteraan

Dat verdient onze aandacht.

Het christendom wordt tegenwoordig nogal eens voorgesteld alsof het oorspronkelijk een Europese godsdienst was die eeuwen later naar Afrika werd geëxporteerd.

Handelingen 8 maakt duidelijk hoe vertekend dat beeld is.

Europa speelt in dit gedeelte helemaal geen rol.

Hier staat een Joodse evangelist naast een Afrikaanse man en legt hem vanuit een Joodse profeet uit dat Jezus de Christus is.

Dat gebeurt in de eerste generatie van de Gemeente.

Afrika verschijnt dus al zeer vroeg nadrukkelijk in het verhaal van de verspreiding van het Evangelie.

 

Bij God bestaat geen racisme

En misschien is dat voor onze tijd wel een van de mooiste kanten van deze geschiedenis.

Filippus ziet geen huidskleur die hem tegenhoudt.

God ziet geen nationaliteit die iemand minder geschikt zou maken voor Zijn genade.

Er is geen Europees Evangelie, geen Afrikaans Evangelie en geen Joods Evangelie waarmee verschillende groepen op verschillende gronden behouden worden.

Er is één Heiland.

Er is één Evangelie.

Er is één grond van behoud.

En degenen die in Christus geloven, worden door één Geest tot één Lichaam gedoopt:

“Want ook wij allen zijn door één Geest tot één lichaam gedoopt; hetzij Joden, hetzij Grieken, hetzij dienstknechten, hetzij vrijen; en wij zijn allen tot één Geest gedrenkt.” (1 Korinthe 12:13, STV)

Dat betekent niet dat Gods bijzondere beloften en bedoelingen met Israël ineens verdwijnen. Het betekent wel dat binnen het Lichaam van Christus geen etnische rangorde bestaat.

Een Jood heeft Christus nodig.

Een Afrikaan heeft Christus nodig.

Een Arabier heeft Christus nodig.

Een Nederlander heeft Christus nodig.

En wie in Christus is, leeft uitsluitend uit dezelfde genade.

Racisme is daarom niet alleen maatschappelijk verwerpelijk. Het staat haaks op de werkelijkheid van het Lichaam van Christus.

 

De man die buiten stond, wordt door God gezocht

Er zit bovendien iets ontroerends in deze geschiedenis.

De Ethiopiër was naar Jeruzalem gegaan om te aanbidden. Hij behoorde echter niet tot Israël en was bovendien een kamerling. De wet van Mozes kende voor een ontmande beperkingen met betrekking tot de vergadering van Israël.

Maar juist in Jesaja staat een prachtige belofte voor ontmanden die God zoeken:

“Ik zal hun ook in Mijn huis en binnen Mijn muren een plaats en een naam geven, beter dan der zonen en dan der dochteren; een eeuwigen naam zal Ik een ieder van hen geven, die niet uitgeroeid zal worden.” (Jesaja 56:5, STV)

Wat moet dat betekenen wanneer we beseffen dat deze man uitgerekend Jesaja aan het lezen was?

Handelingen zegt niet dat hij op dat moment al bij Jesaja 56 was aangekomen of dat Filippus dit gedeelte met hem besproken heeft. Daar moeten we niets bij verzinnen.

Maar als lezer zien wij de prachtige verbinding wel.

Dezelfde Jesaja die het lijdende Lam beschrijft, spreekt enkele hoofdstukken later over Gods genadige ontvangst van de ontmande.

En nu zit daar in Handelingen echt zo’n man.

Met Jesaja op zijn schoot.

 

Een boekrol, een woestijnweg en Gods voorzienigheid

Hoe langer je naar Handelingen 8 kijkt, hoe indrukwekkender de details worden.

Een man verlangt naar God.

Hij reist honderden kilometers.

Hij bezit een kostbare Schriftrol.

Hij leest Jesaja.

Hij komt bij het gedeelte over het lijdende Lam.

Hij begrijpt het niet.

God stuurt Filippus.

Filippus hoort hem lezen.

De man stelt precies de juiste vraag.

Filippus opent vanuit Jesaja het Evangelie.

En vervolgens gaat het Evangelie met deze Afrikaanse man verder richting zijn vaderland.

Dat lijkt nauwelijks een toevallige verzameling details.

Het laat Gods voorzienigheid zien.

 

Hij reisde verder met blijdschap

Aan het einde gebeurt iets dat makkelijk wordt gemist.

Filippus verdwijnt.

Maar de Ethiopiër raakt niet in paniek.

“En toen zij uit het water waren opgekomen, nam de Geest des Heeren Filippus weg, en de kamerling zag hem niet meer; want hij reisde zijn weg met blijdschap.” (Handelingen 8:39, STV)

Waarom kon hij verder zonder Filippus?

Omdat Filippus hem niet aan zichzelf had verbonden.

Hij had hem Jezus verkondigd.

Dat is misschien wel de mooiste les voor iedere evangelist, prediker en Bijbelleraar.

Het doel is niet dat mensen uiteindelijk van ons afhankelijk worden.

Het doel is dat zij Christus leren kennen.

Filippus kon verdwijnen.

Christus bleef.

 

Wat een kostbare boekrol uiteindelijk niet kon geven

De Ethiopiër bezat iets wat in zijn tijd buitengewoon kostbaar moet zijn geweest: toegang tot de woorden van Jesaja.

Maar zelfs zo’n kostbare boekrol kon hem op zichzelf niet redden.

Hij moest begrijpen over Wie hij las.

Daarom is het mogelijk om een Bijbel te bezitten en Christus toch niet te kennen. Het is mogelijk veel over de Schrift te weten en het middelpunt ervan te missen.

Filippus liet de man daarom niet achter met alleen een betere uitleg van Jesaja.

Hij “verkondigde hem Jezus”.

Daar komt uiteindelijk alles samen.

De kostbare boekrol.

Jesaja 53.

Het Lam.

Het kruis.

De opstanding.

De Afrikaanse kamerling.

En een Evangelie dat zich niet laat opsluiten binnen één volk, één land of één huidskleur.

God ziet geen tweederangs mensen.

De armen van het Evangelie staan open voor Jood en Griek, Afrikaan en Europeaan, rijk en arm, hooggeplaatst en eenvoudig.

En ergens op een eenzame weg naar Gaza liet God dat al heel vroeg in de geschiedenis van de Gemeente op een onvergetelijke manier zien:

één Afrikaanse man, één geopende boekrol en één boodschap: Jezus Christus.

Jezus alleen: Christus bouwt Zijn Gemeente

Waarom de Gemeente van Christus niet hoeft te wanhopen

Gaat het echt slecht met de kerk?

Je kunt het regelmatig horen:

 “Het gaat niet goed met de kerk.”

Of erger:

“De kerk slaapt”

of zou zelfs ziek zijn volgens een enkele verdwaalde geest…..

En menselijk bekeken valt daar nog best iets voor te zeggen ook. Kerkgebouwen worden gesloten, gemeenten vergrijzen, kerkelijke instituten verliezen leden en de Bijbelse boodschap verdwijnt steeds verder naar de achterdeur.

Maar voordat we daarin meegaan, moeten we toch een cruciaal onderscheid maken.

 

 Over welke kerk hebben we het dan eigenlijk?

Met een kerkelijk instituut kan het inderdaad slecht gaan. Een denominatie kan verdwijnen. Een plaatselijke gemeente kan zelfs ophouden te bestaan. Maar de Gemeente van Christus, Zijn Lichaam, is van een heel andere orde.

De Here Jezus heeft immers Zelf gezegd:

“En Ik zeg u ook, dat gij zijt Petrus, en op deze petra zal Ik Mijn gemeente bouwen, en de poorten der hel zullen dezelve niet overweldigen.” (Mattheüs 16:18, STV)

Let vooral op Wie hier bouwt:

“Ik zal Mijn gemeente bouwen.”

Dat is een geweldige bemoediging. De toekomst van de Gemeente rust niet op onze schouders, onze verenigingsdrift of onze formules

 Christus Zelf bouwt haar.

Jezus alleen

De Gemeente bestaat uit wedergeboren mensen

Daarmee komen we onmiddellijk bij een essentieel onderscheid dat tegenwoordig gemakkelijk vertroebelt. Lid zijn van een kerk is niet hetzelfde als behoren tot het Lichaam van Christus.

Een mens kan gedoopt zijn, belijdenis hebben gedaan, jarenlang trouw kerkdiensten bezoeken en veel christelijke gewoonten hebben overgenomen, zonder ooit werkelijk opnieuw geboren te zijn.

Nicodemus laat zien dat religieuze kennis op zichzelf niet voldoende is. Hij was een godsdienstig en geleerd man. Toch zei de Here Jezus:

“Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Tenzij dat iemand wederom geboren worde, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien.” (Johannes 3:3, STV)

Dat is fundamenteel.

Christelijk leven begint niet met het verbeteren van de oude mens. Het begint met nieuw leven uit God.

De Gemeente is daarom in wezen helemaal geen religieuze organisatie waarvan je door inschrijving lid wordt. Maar is een levend organisme, Bijbels gesproken een lichaam, waarvan Christus het Hoofd is.

 

Handelingen laat zien hoe het Evangelie de wereld ingaat

Het boek Handelingen laat prachtig zien hoe het getuigenis van Christus zich uitbreidt.

Vlak voor Zijn hemelvaart zegt de Here Jezus:

“Maar gij zult ontvangen de kracht des Heiligen Geestes, Die over u komen zal; en gij zult Mijn getuigen zijn, zo te Jeruzalem, als in geheel Judea en Samaria, en tot aan het uiterste der aarde.” (Handelingen 1:8, STV)

Daarin ligt als het ware de richting van het heil besloten:

Jeruzalem, Judea, Samaria en uiteindelijk de volken.

Toch zien we dat de gelovigen aanvankelijk sterk in Jeruzalem geconcentreerd blijven. Pas wanneer vervolging uitbreekt, worden zij verspreid.

Menselijk gezien lijkt dat een ramp.

Maar dan lezen we:

“Zij dan nu, die verstrooid waren, gingen het land door, en verkondigden het Woord.” (Handelingen 8:4, STV)

Wat bedoeld was om de Gemeente te bestrijden, gebruikt God juist om het Evangelie verder te brengen.

Dat is ook vandaag een geweldige bemoediging. God is niet afhankelijk van gunstige omstandigheden. Hij kan zelfs tegenstand gebruiken om deuren te openen die anders gesloten zouden blijven.

 

Filippus predikte Christus

Onder de verstrooide gelovigen bevindt zich Filippus. Over zijn bediening in Samaria staat iets opvallend eenvoudigs:

“En Filippus kwam af in de stad van Samaria, en predikte hun Christus.” (Handelingen 8:5, STV)

Dat verdient onze aandacht.

Er staat niet dat Filippus zichzelf presenteerde.

Hij predikte geen beweging.

Hij predikte geen geestelijke methode.

Hij predikte geen kerkgenootschap.

Hij predikte Christus.

En wanneer hij later de Ethiopische kamerheer ontmoet, gebeurt precies hetzelfde:

“En Filippus deed zijn mond open en beginnende van diezelfde Schrift, verkondigde hem Jezus.” (Handelingen 8:35, STV)

Daar ligt misschien wel een van de belangrijkste lessen voor de Gemeente van Jezus Christus van vandaag.

 

Van Jezus plus terug naar Jezus alléén

We kunnen ongemerkt zoveel aan Christus toevoegen dat Hij uiteindelijk achter onze toevoegingen verdwijnt.

Jezus plus onze denominatie. Jezus plus onze traditie. Jezus plus onze favoriete voorganger. Jezus plus onze krachtige geestelijke ervaringen. Jezus plus onze methode. Jezus plus onze bijzondere beweging.

Maar Filippus verkondigde hem Jezus.

Daarmee komen we bij de kern: Jezus alleen.

 

Niet omdat Bijbelse leer onbelangrijk zou zijn. Integendeel. Gezonde leer brengt ons immers steeds dichterbij Wie Christus is en wat Hij volbracht heeft.

Maar zodra onze bijzondere groep, ervaring of traditie méér aandacht krijgt dan Christus, is er iets helemaal mis gegaan.

Paulus schrijft:

“Want ik heb niet voorgenomen iets te weten onder u, dan Jezus Christus, en Dien gekruisigd.” (1 Korinthe 2:2, STV)

De Gemeente heeft niet méér spektakel nodig.

Zij heeft Christus nodig.

God ziet ook die ene mens

In Handelingen 8 zien we dan iets merkwaardigs. Filippus bevindt zich midden in een vruchtbaar werk in Samaria, maar wordt naar een eenzame weg gestuurd.

Daar wacht geen menigte.

Daar zit één man.

Dat botst nogal met onze menselijke neiging om geestelijk succes in aantallen uit te drukken. Hoeveel bezoekers? Hoeveel volgers? Hoeveel groei? Hoeveel bereik?

God haalt Filippus als het ware weg bij een menigte om hem naast de wagen van één zoekende Afrikaan te zetten.

Blijkbaar is één mens voor God de reis waard.

Misschien ligt daar ook wel een bemoediging voor gelovigen die denken dat hun leven weinig betekenis heeft omdat zij geen groot bereik hebben.

Je hoeft geen duizenden mensen te bereiken om bruikbaar te zijn.

Misschien heeft God één mens op jouw weg gebracht.

 

Een Ethiopiër zoekt naar de waarheid

De Ethiopische kamerheer heeft een lange reis naar Jeruzalem gemaakt. Hij verlangt duidelijk naar de ware God en bezit een zeer kostbare boekrol van Jesaja.

Op de terugweg leest hij daaruit.

Dan brengt God Filippus precies naast zijn wagen.

Dat is een prachtig samenspel tussen Gods leiding en menselijke gehoorzaamheid. De zoekende man heeft een vraag. Filippus wordt gestuurd. De Schrift ligt open.

En welk gedeelte leest hij?

Jesaja 53.

De kamerheer wil weten over wie de profeet spreekt. Vanuit dat Schriftgedeelte verkondigt Filippus hem Jezus.

 

Jesaja 53 brengt ons direct bij het hart van het Evangelie

Jesaja had eeuwen vóór het kruis al geprofeteerd:

“Wij dwaalden allen als schapen, wij keerden ons een iegelijk naar zijn weg; doch de HEERE heeft onzer aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen.” (Jesaja 53:6, STV)

Hier ligt het hart van het Evangelie van Jezus Christus.

Wij dwaalden.

Onze ongerechtigheid stond tussen God en ons.

Maar God legde die ongerechtigheid op een Ander.

Het Evangelie vertelt daarom niet wat wij voor God moeten doen. Het verkondigt wat God in Christus voor verloren mensen gedaan heeft.

Filippus hoefde Jesaja niet los te laten om over Jezus te beginnen. Hij begon vanuit diezelfde Schrift.

Christus is niet een later toegevoegd onderwerp.

De Schriften wijzen naar Hem.

 

In Christus is géén plaats voor racisme

Dat de man een Ethiopiër is, is zeker niet zonder betekenis.

Een Joodse evangelist wordt door God naar een Afrikaanse man gestuurd. Zijn huidskleur, afkomst en status vormen geen belemmering voor het Evangelie.

Dat raakt ook onze houding tegenover Israël en de volken. Wie het Bijbelse onderscheid tussen Israël en de Gemeente serieus neemt, heeft daarmee geen enkele grond om individuele Joden boven Arabieren, Afrikanen, Europeanen of wie dan ook te stellen.

Binnen het Lichaam van Christus geldt:

“Want door één Geest zijn wij allen tot één lichaam gedoopt, hetzij Joden, hetzij Grieken, hetzij dienstknechten, hetzij vrijen; en wij zijn allen tot één Geest gedrenkt.” (1 Korinthe 12:13, STV)

Dat wist het onderscheid tussen Israël en de Gemeente niet uit. Maar het maakt wel duidelijk dat binnen het Lichaam van Christus afkomst géén grond voor enige superioriteit is.

Aan het kruis staat niemand op een verhoging.

Wij leven allemaal van en uit Genade.

 

Geloof komt vóór de waterdoop

Wanneer de Ethiopiër water ziet, wil hij gedoopt worden. Ook daaruit komt een belangrijke Bijbelse waarheid naar voren.

De waterdoop is niet de oorzaak van zijn behoudenis. De doop volgt op geloof.

Paulus beschrijft in Efeze de verhouding tussen het horen van het Evangelie, geloven en het ontvangen van de Heilige Geest:

“In Welken ook gij zijt, nadat gij het woord der waarheid, namelijk het Evangelie uwer zaligheid, gehoord hebt; in Welken gij ook, nadat gij geloofd hebt, zijt verzegeld geworden met den Heiligen Geest der belofte;” (Efeze 1:13, STV)

Dat is een bijzonder belangrijke volgorde.

De gelovige wordt niet behouden omdat water hem reinigt. Christus redt.

De waterdoop is vervolgens een zichtbaar getuigenis van de verbondenheid van de gelovige met Christus: Zijn dood, begrafenis en opstanding.

Niet het water staat centraal.

Christus staat centraal.

 

Het geloof begint bij een levende Heer

En daarmee komen we bij de opstanding.

Het Evangelie eindigt niet bij Golgotha. Het graf is leeg.

Paulus schrijft zelfs:

“En indien Christus niet opgewekt is, zo is dan onze prediking ijdel, en ijdel is ook uw geloof.” (1 Korinthe 15:14, STV)

Wij volgen daarom niet slechts de leer van een godsdienstleraar die tweeduizend jaar geleden gestorven is.

Wij behoren toe aan een levende Heer.

Christus is gestorven.

Christus is begraven.

Christus is opgestaan.

Christus leeft.

Christus komt terug.

Daarom leeft ook Zijn Gemeente.

Dat is uiteindelijk het antwoord op alle sombere verhalen over de toekomst van de kerk. Ons vertrouwen rust niet op de vraag of kerkelijke instituten in Nederland over twintig jaar nog dezelfde omvang hebben.

Ons vertrouwen rust op Jezus Christus, het levende Hoofd van Zijn Gemeente.

 

Kijk wie God op je weg brengt

Na de ontmoeting met de Ethiopiër gaat Filippus verder.

En ook de kamerheer vervolgt zijn weg met blijdschap.

Dat maakt Handelingen 8 verrassend praktisch.

Morgen gaan wij ook weer ergens heen. Naar ons werk, naar een winkel, naar familie, naar een afspraak of gewoon naar de buren.

Daar zijn mensen.

We weten meestal niet welke vragen zij diep vanbinnen hebben. Filippus kon van een afstand evenmin zien dat daar iemand zat die de Schrift las en zich afvroeg over Wie Jesaja eigenlijk sprak.

Daarom hoeven we niet krampachtig op zoek te gaan naar spectaculaire mogelijkheden om voor God bruikbaar te zijn.

We mogen eenvoudig onze ogen en oren openhouden.

Wie brengt God op mijn weg?

Misschien geen zaal vol mensen.

Misschien één mens.

Maar voor die ene mens kan een gesprek over de Here Jezus van eeuwigheidswaarde zijn.

 

Christus bouwt Zijn Gemeente

Daarom hoeven we niet mee te gaan in moedeloosheid.

Ja, met kerkelijke instituten kan het slecht gaan.

Ja, er is veel verwarring.

Ja, de Bijbelse boodschap wordt in onze samenleving steeds vaker terzijde geschoven.

Maar Christus heeft niet gezegd dat wij Zijn Gemeente overeind moeten houden.

Hij heeft gezegd:

“Ik zal Mijn gemeente bouwen.”

En daarom blijft onze opdracht verrassend eenvoudig.

Niet onszelf verkondigen.

Niet onze beweging grootmaken.

Niet mensen aan onze persoonlijkheid binden.

Niet vertrouwen op religieuze vormen.

Maar doen wat Filippus deed.

De Schrift openen.

Onze mond openen.

En Jezus verkondigen.

Want uiteindelijk heeft de wereld niet allereerst behoefte aan een aantrekkelijker christendom.

De wereld heeft Christus nodig.

En ook de Gemeente zelf moet telkens weer terug naar dat ene middelpunt:

Jezus alleen.

lees ook:

Wat zegt de Bijbel over de gemeente van Jezus Christus?

De gemeente van Jezus Christus is geen bedrijf maar een levend lichaam

Het werk van de Heilige Geest: geen spektakel, maar Christus centraal

 

Geverifieerd door MonsterInsights