Christus niet meer naar het vlees kennen

Waarom 2 Korinthe 5:16 veel modern christendom ontmaskert

 

“Zo dan, wij kennen van nu aan niemand naar het vlees; en indien wij ook Christus naar het vlees gekend hebben, nochtans kennen wij Hem nu niet meer naar het vlees.” (2 Korinthe 5:16, STV)

Wat betekent het dat wij Christus niet meer naar het vlees kennen?

Het is een van de scherpste en meest ingrijpende uitspraken van de apostel Paulus. Toch wordt 2 Korinthe 5:16 opvallend weinig uitgelegd. Dat is niet zo vreemd. Dit vers past namelijk slecht binnen een christendom dat vooral oproept om “Jezus te volgen”, “te leven zoals Jezus” en “te doen wat Jezus deed”.

Paulus zegt niet dat wij Christus steeds beter naar het vlees moeten leren kennen. Hij zegt precies het tegenovergestelde:

“Nochtans kennen wij Hem nu niet meer naar het vlees.” (2 Korinthe 5:16, STV)

Dat is geen terloopse opmerking. Het is de noodzakelijke consequentie van Christus’ dood, opstanding en verhoging.

De Here Jezus Christus is niet meer in de vernederde positie waarin Hij tijdens Zijn aardse bediening verkeerde. Hij is opgewekt uit de doden, verheerlijkt en gezeten aan de rechterhand Gods.

Wie uitsluitend blijft spreken over de aardse Jezus van Nazareth, maar weinig weet te zeggen over de opgestane en verheerlijkte Christus, blijft halverwege het Evangelie steken.

Christus niet meer naar het vlees kennen
Christus niet meer naar het vlees kennen

 

“Zo dan”: de conclusie van dood en opstanding

Vers 16 begint met de woorden “Zo dan”. Paulus trekt een conclusie uit wat hij in de voorgaande verzen heeft gezegd:

“Want de liefde van Christus dringt ons; als die dit oordelen, dat, indien Eén voor allen gestorven is, zij dan allen gestorven zijn. En Hij is voor allen gestorven, opdat degenen, die leven, niet meer zichzelven zouden leven, maar Dien, Die voor hen gestorven en opgewekt is.” (2 Korinthe 5:14-15, STV)

De gedachte is duidelijk.

Christus is gestorven. Daarom en daarmee is het oordeel over de oude mens voltrokken.

Christus is opgewekt. Daarom leven degenen die door het geloof aan Hem deelhebben niet langer voor zichzelf, maar voor Hem Die gestorven en opgewekt is.

Het christenleven wordt niet geleefd voor een gestorven godsdienststichter of een inspirerende rabbi uit het verleden. Het wordt geleefd voor en door de levende en verheerlijkte Christus.

Paulus wijst niet alleen terug naar Golgotha. Hij richt onze blik omhoog, naar Christus aan de rechterhand Gods.

Daarom volgt onmiddellijk:

“Zo dan, wij kennen van nu aan niemand naar het vlees.” (2 Korinthe 5:16, STV)

De opstanding van Christus heeft alles veranderd.

 

Wat betekent Christus naar het vlees kennen?

Iemand naar het vlees kennen, betekent dat wij hem beoordelen vanuit zijn natuurlijke en aardse positie. Wij kijken dan naar afkomst, uiterlijk, maatschappelijke status, prestaties, menselijke relaties en zichtbare omstandigheden.

Paulus kende deze manier van beoordelen maar al te goed. Naar het vlees kon hij zich beroemen op zijn afkomst, zijn besnijdenis, zijn godsdienstige ijver en zijn gehoorzaamheid aan de wet.

Maar nadat hij de verheerlijkte Christus had leren kennen, verloor al die natuurlijke roem haar waarde.

Ook Christus kon naar het vlees gekend worden.

Hij werd geboren uit een vrouw en geboren onder de wet. Hij was naar het vlees uit het zaad van David. Hij wandelde door het land Israël, sprak tot de verloren schapen van het huis Israëls en presenteerde Zich aan dat volk als de beloofde Messias.

Hij werd veracht, verworpen, bespot en gekruisigd.

Dat is echt gebeurd. Maar dat is niet meer Zijn huidige positie.

De verworpen Jezus van Nazareth is opgewekt uit de doden. De Man van smarten is met eer en heerlijkheid gekroond. Hij is verhoogd tot de rechterhand Gods en is het Hoofd van Zijn Gemeente.

“Zo wete dan zekerlijk het ganse huis Israëls, dat God Hem tot een Heere en Christus gemaakt heeft, namelijk dezen Jezus, Dien gij gekruist hebt.” (Handelingen 2:36, STV)

Dezelfde Jezus Die gekruisigd werd, is nu de verheerlijkte Heer.

Wie Christus niet meer naar het vlees kent, ontkent Zijn aardse leven niet. Hij erkent juist waar dat leven op uitliep: het kruis, de opstanding, de hemelvaart en de verhoging.

 

Vers 16 maakt de Evangeliën niet onbelangrijk

Sommigen zullen tegenwerpen dat deze uitleg de aardse bediening van de Here Jezus Christus minder belangrijk maakt. Dat is niet het geval.

De vier Evangeliën zijn geïnspireerd Woord van God. Zij openbaren Wie de Here Jezus is, tonen de vervulling van de profetieën en beschrijven Zijn lijden, sterven en opstanding.

Maar de Evangeliën eindigen niet bij Bethlehem, de Bergrede of de wonderen. Zij werken doelgericht naar het kruis en het geopende graf.

Wie uit de Evangeliën slechts een tijdloze verzameling leefregels maakt en vervolgens de opstanding en de apostolische brieven naar de achtergrond schuift, leest de Evangeliën verkeerd.

De aardse bediening van Christus vond plaats binnen een concrete Bijbelse context.

Hij kwam tot Israël.

Hij stond onder de wet.

Hij verkondigde het nabijgekomen Koninkrijk.

Hij werd als Messias aan Israël voorgesteld.

Na Zijn verwerping, dood, opstanding en hemelvaart is een nieuwe situatie aangebroken. De verheerlijkte Christus bouwt Zijn Gemeente en vormt uit gelovigen één lichaam.

Wie dit onderscheid negeert, haalt Israël en de Gemeente, wet en genade, Koninkrijk en Lichaam van Christus onvermijdelijk hopeloos door elkaar.

 

Het probleem met “doen wat Jezus deed”

Binnen evangelische en vooral charismatische kringen klinkt voortdurend de oproep om “te doen wat Jezus deed”.

Dat klinkt geestelijk. Het is echter leerstellig buitengewoon slordig.

Jezus genas zieken. Dus zouden gelovigen zieken moeten genezen.

Jezus dreef demonen uit. Dus zou iedere christen demonen moeten uitdrijven.

Jezus verkondigde het nabijgekomen Koninkrijk. Dus zou de Gemeente het Koninkrijk op aarde moeten vestigen, uitbreiden of zichtbaar maken.

Jezus wandelde ook op water. Merkwaardig genoeg wordt juist dat onderdeel meestal niet als algemene opdracht gepresenteerd.

Men selecteert uit de aardse bediening van Christus precies die onderdelen waarmee moderne bedieningen, machtsaanspraken en wonderclaims kunnen worden gelegitimeerd.

Het probleem is niet dat men de Here Jezus te serieus neemt. Het probleem is dat men Zijn aardse bediening uit haar Bijbelse verband trekt.

Paulus zegt niet dat wij de aardse bediening van Jezus moeten kopiëren. Hij schrijft:

“Nochtans kennen wij Hem nu niet meer naar het vlees.” (2 Korinthe 5:16, STV)

De gelovige leeft niet door een uitwendige imitatie van Christus’ aardse optreden. Hij leeft uit de gemeenschap met de opgestane Christus.

“Ik ben met Christus gekruist; en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij.” (Galaten 2:20, STV)

Dat is iets heel anders dan religieus gedrag of nog erger toneelspel.

Het christelijke leven is niet het vlees dat zo goed mogelijk probeert Jezus na te doen. Het is nieuw leven dat voortkomt uit de opgestane Christus.

 

De vele zelfgemaakte Jezussen

Tweede Korinthe 5:16 ontmaskert de vele vervormingen van Jezus die binnen kerk en samenleving populair zijn geworden.

Er is een sociale Jezus, Die voornamelijk wordt voorgesteld als activist en wereldverbeteraar.

Er is een therapeutische Jezus, Die vooral zou bestaan om mensen zelfvertrouwen, emotionele bevestiging en een prettig gevoel te geven.

Er is een charismatische Jezus, Wiens tekenen uit hun Messiaanse verband worden losgemaakt om moderne genezers, apostelen en profeten van een Bijbels aureool te voorzien.

Er is een historische Jezus, Die door Schriftkritiek wordt teruggebracht tot een Joodse prediker over Wie Zijn volgelingen later overdreven verhalen zouden hebben verteld.

Er is zelfs een sentimentele Jezus, Die eeuwig als Kind in de kribbe ligt of machteloos aan het kruis blijft hangen.

 

Maar de Schrift laat Hem niet in Bethlehem, Nazareth of op Golgotha achter.

Hij is opgewekt.

Hij leeft.

Hij is verheerlijkt.

Hij is Hogepriester.

Hij is het Hoofd van Zijn Gemeente.

Hij zal wederkomen.

Wie Hem uitsluitend beschouwt als de vriendelijke rabbi, de revolutionaire leraar, een belangrijke profeet, de morele voorbeeldfiguur of de wonderdoener uit Galiléa, kent Christus nog steeds voornamelijk naar het vlees.

 

Waarom ‘rodeletterchristendom’ tekortschiet

Sommige christenen spreken over de rechtstreeks uitgesproken woorden van Jezus in de Evangeliën alsof die belangrijker zouden zijn dan de rest van het Nieuwe Testament.

De woorden van Jezus worden in sommige Bijbels rood afgedrukt. Dat kan typografisch handig zijn, maar er schuilt een leerstellig gevaar in wanneer men denkt dat deze woorden meer gezag  zouden hebben dan de apostolische brieven.

De woorden die de Here Jezus Christus tijdens Zijn aardse bediening sprak, zijn het Woord van God.

Maar de woorden die Hij na Zijn hemelvaart door de apostelen bekendmaakte, zijn dat ook.

Paulus heeft zijn Evangelie niet zelf bedacht. Hij ontving zijn boodschap door openbaring van de verheerlijkte Christus.

“Maar ik maak u bekend, broeders, dat het Evangelie, hetwelk van mij verkondigd is, niet is naar den mens. Want ik heb ook hetzelve niet van een mens ontvangen, noch geleerd, maar door de openbaring van Jezus Christus.” (Galaten 1:11-12, STV)

Wie zegt dat hij “alleen de woorden van Jezus” wil volgen en daarom Paulus relativeert, luistert juist niet naar de Here Jezus.

Hij verwerpt de openbaring die Christus na Zijn hemelvaart Zelf heeft gegeven.

Christus niet meer naar het vlees kennen betekent daarom ook dat wij Hem niet opsluiten in de periode van Zijn aardse omwandeling.

 

Wij kennen ook niemand meer naar het vlees

Paulus zegt niet alleen dat hij Christus niet meer naar het vlees kent. Hij schrijft eerst:

“Wij kennen van nu aan niemand naar het vlees.” (2 Korinthe 5:16, STV)

Ook onze kijk op andere gelovigen verandert dus fundamenteel.

Binnen de Gemeente zijn natuurlijke afkomst, maatschappelijke positie, bezit, opleiding, welsprekendheid en menselijk aanzien niet bepalend voor iemands positie voor God.

De wereld beoordeelt mensen naar het vlees. Helaas doet veel kerkelijk christendom hetzelfde.

Men kijkt naar diploma’s, functies, titels, charisma, bezoekersaantallen, mediabereik en organisatorisch succes. Zo ontstaan christelijke beroemdheden, onaantastbare leiders en religieuze machtsstructuren.

Maar God ziet de gelovige in Christus.

De gelovige is niet waardevol omdat hij indrukwekkend is naar het vlees. Hij is begenadigd in de Geliefde. Hij is met Christus levend gemaakt en opgewekt.

Dat sluit menselijke roem uit.

“Opdat geen vlees zou roemen voor Hem.” (1 Korinthe 1:29, STV)

De Gemeente is geen podium waarop indrukwekkende mensen hun natuurlijke talenten etaleren. Zij is het Lichaam waarvan Christus het Hoofd is.

 

Een nieuwe schepping

Vers 16 loopt rechtstreeks over in vers 17:

“Zo dan, indien iemand in Christus is, die is een nieuw schepsel; het oude is voorbijgegaan, zie, het is alles nieuw geworden.” (2 Korinthe 5:17, STV)

Opnieuw gebruikt Paulus de woorden “Zo dan”.

Omdat wij Christus niet meer naar het vlees kennen, gaat het niet om de verbetering van de oude schepping. Het gaat om een nieuwe schepping.

God probeert de oude mens niet wat godsdienstiger, fatsoenlijker of geestelijker te maken. De oude mens is met Christus gekruisigd.

Het vlees wordt niet opgevoed tot geestelijkheid. Wat uit het vlees geboren is, blijft vlees.

“Hetgeen uit het vlees geboren is, dat is vlees; en hetgeen uit den Geest geboren is, dat is geest.” (Johannes 3:6, STV)

Het Evangelie is daarom geen programma voor zelfverbetering.

Het is de bekendmaking dat God in Christus iets volkomen nieuws tot stand heeft gebracht.

De gelovige is niet maar een verbeterde versie van zijn oude bestaan. Hij is een nieuw schepsel in Christus.

Zijn positie wordt niet langer bepaald door wat hij in Adam was, maar door Wie Christus nu is.

 

Niet terug naar Nazareth, maar omhoog naar Christus

De Bijbelse richting is niet terug naar de aardse bediening van Jezus, alsof kruis en opstanding slechts de tragische afsluiting van Zijn levensverhaal waren.

De richting is omhoog:

“Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zo zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechterhand Gods.” (Kolossenzen 3:1, STV)

Dáár is Christus.

Niet meer in de kribbe.

Niet meer wandelend langs het meer van Galiléa.

Niet meer onder de wet.

Niet meer hangend aan het kruis.

Hij is opgestaan en verheerlijkt.

Wij kijken niet terug naar een aardse Jezus om Zijn bediening na te spelen. Wij zien omhoog naar het Hoofd, uit Wie het gehele Lichaam leeft.

Dat is geen ontkenning van Zijn mensheid. Ook nu is Hij de Mens Christus Jezus:

“Want er is één God, er is ook één Middelaar Gods en der mensen, de Mens Christus Jezus.” (1 Timotheüs 2:5, STV)

Maar Hij bevindt Zich niet meer in Zijn vroegere vernederde positie. Hij is de verheerlijkte Mens aan de rechterhand Gods.

 

Veel christendom blijft bij het kruis staan

Een groot deel van het christendom weet veel te zeggen over de geboorte en de dood van Christus, maar opvallend weinig over Zijn huidige werk.

Men spreekt over wat Hij tweeduizend jaar geleden deed, maar nauwelijks over wat Hij nu doet als Hoofd, Hogepriester en Voorspraak.

Daardoor blijft de gelovige voortdurend rond het kruis cirkelen. Hij blijft zichzelf aanklagen, probeert zijn vlees te verbeteren en zoekt telkens opnieuw verzoening alsof Christus steeds opnieuw zou moeten sterven.

Maar Christus is eenmaal gestorven en voor altijd opgewekt.

Hij leeft om de Zijnen te dienen, te bewaren en tot volwassenheid te brengen.

“Waarom Hij ook volkomenlijk kan zalig maken degenen, die door Hem tot God gaan, alzo Hij altijd leeft om voor hen te bidden.” (Hebreeën 7:25, STV)

Het Evangelie eindigt niet bij de woorden: Christus is gestorven.

Het verkondigt ook dat Christus is opgewekt, verhoogd en leeft.

 

Welke Jezus kennen wij?

De beslissende vraag is niet alleen of wij in Jezus geloven.

De vraag is ook: Welke Jezus kennen wij?

Kennen wij Hem uitsluitend als het Kind van Bethlehem?

Als de rabbi uit Nazareth?

Als de genezer uit Galiléa?

Als de lijdende Man aan het kruis?

Of kennen wij Hem als de opgestane en verheerlijkte Heer, het Hoofd van een nieuwe schepping?

Wie Christus uitsluitend naar het vlees kent, zal ook proberen het christelijke leven naar het vlees te leven. Hij zal vertrouwen op zelfverbetering, religieuze prestaties, zichtbare wonderen, menselijke leiders en aardse invloed.

Wie Christus als de Opgestane kent, leert leven uit Zijn leven.

“Zo dan, indien iemand in Christus is, die is een nieuw schepsel; het oude is voorbijgegaan, zie, het is alles nieuw geworden.” (2 Korinthe 5:17, STV)

Daar ligt de breuklijn.

Niet Adam 2.0, maar een nieuw schepsel.

Niet  wet, maar genade.

Niet uitwendige imitatie, maar innerlijk leven.

Niet een Jezus Die wij aanpassen aan onze eigen tijd, verlangens en kerkelijke programma’s, maar de Here Jezus Christus zoals Hij nu werkelijk is: opgewekt, verheerlijkt en gezeten aan de rechterhand Gods.

 

Wij kennen Christus niet meer naar het vlees.

En juist daarom kunnen wij Hem echt kennen.

zie ook:

Jezus volgen… – Bijbelse basis

 

Hebreeën 12: niet terug naar Sinaï, maar zien op Jezus

Hebreeën 12: geen vriendelijk stukje geestelijke coaching

Hebreeën 12 is geen vriendelijk stukje geestelijke coaching voor mensen die wat meer motivatie nodig hebben. Het is een ernstige en indringende waarschuwing aan gelovigen die dreigen te verflauwen, terug te vallen en hun hemelse roeping in te ruilen voor zichtbare religie.

De Hebreeën stonden onder druk. Zij hadden tegenstand en lijden ervaren. Daardoor werden zij verleid om terug te keren naar het oude, tastbare godsdienstige bestel. Terug naar de zekerheid van regels, rituelen, priesters, offers en zichtbare heiligdommen. Terug naar datgene wat vertrouwd, aards en menselijk controleerbaar was.

Maar Hebreeën 12 roept niet op om een comfortabeler geloof te zoeken. Het hoofdstuk wijst de gelovige weg van zichzelf, van menselijke godsdienst en van zichtbare zekerheden:

“Laat ons met lijdzaamheid lopen de loopbaan die ons voorgesteld is; ziende op den oversten Leidsman en Voleinder des geloofs, Jezus.” (Hebreeën 12:1-2, STV)

Dat is de kern van Hebreeën 12. Niet zien op onszelf. Niet zien op religieuze leiders. Niet zien op omstandigheden. Niet zien op onze geestelijke prestaties.

Zie(n) op Jezus.

 

De wolk der getuigen wijst ons op Gods trouw

Hebreeën 12 is het directe vervolg op Hebreeën 11. Daar worden Abel, Henoch, Noach, Abraham, Mozes en vele anderen genoemd. Zij vormen de grote wolk der getuigen.

Dat betekent niet in de eerste plaats dat zij vanuit de hemel als toeschouwers naar onze levens kijken. Zij zijn getuigen doordat hun levens getuigen van Gods trouw.

Zij hebben geloofd zonder alles tijdens hun aardse leven te ontvangen. Zij hebben vertrouwd zonder de volledige vervulling van Gods beloften te zien. Hun levens verklaren dat God betrouwbaar is, ook wanneer de omstandigheden het tegendeel lijken te zeggen.

Daarom volgt de oproep:

“Laat ons afleggen allen last en de zonde die ons lichtelijk omringt.” (Hebreeën 12:1, STV)

Niet iedere last is op zichzelf zondig. Sommige dingen zijn misschien geoorloofd, maar belemmeren ons wel. Zij nemen onze aandacht gevangen, voeden onze bezorgdheid of binden ons aan aardse zekerheid.

Daarnaast is er de zonde die ons gemakkelijk omringt. Zij fluistert dat volhouden geen zin heeft. Dat Gods beloften te lang op zich laten wachten. Dat wij beter kunnen leven bij wat wij zien, voelen en onmiddellijk kunnen grijpen.

Het geloof zegt echter niet dat de omstandigheden onwerkelijk zijn. Het geloof ziet door de omstandigheden heen op Hem Die getrouw is.

 

Het christenleven leven draait niet om onze prestaties

De loopbaan van het geloof is geen geestelijke wedstrijd waarin wij zouden moeten bewijzen dat wij sterker, heiliger of meer toegewijd zouden zijn dan anderen.

De Schrift zegt:

“Ziende op den oversten Leidsman en Voleinder des geloofs, Jezus.” (Hebreeën 12:2, STV)

Hij is de Leidsman omdat Hij de weg geopend heeft. Hij is de Voleinder omdat Hij het geloof tot zijn bestemming brengt.

Veel hedendaagse prediking legt de last juist opnieuw op de gelovige. Jij moet doorbreken. Jij moet je bestemming grijpen. Jij moet het Koninkrijk zichtbaar maken. Jij moet een hoger geestelijk niveau bereiken. Jij moet meer geloof produceren. Jij moet jezelf onder het juiste leiderschap plaatsen.

Hebreeën 12 zegt niet: zie hoe ver u inmiddels gekomen bent.

Het zegt: zie op Jezus.

De vraag is niet hoeveel geestelijke kracht wij kunnen opbrengen. De vraag is of ons oog gericht blijft op Hem Die het kruis heeft verdragen, de schande heeft veracht en nu gezeten is aan de rechterhand van God.

Wanneer Christus slechts als beginpunt van het geloof wordt voorgesteld en daarna plaats moet maken voor onze prestaties, is het Evangelie al snel ingeruild voor religieuze zelfwerkzaamheid.

Christus is niet alleen Degene door Wie wij begonnen zijn. Hij is ook de Voleinder.

 

Christus verdroeg het kruis en verachtte de schande

De Heere Jezus zag door het lijden heen op de vreugde die Hem was voorgesteld:

“Dewelke voor de vreugde die Hem voorgesteld was, het kruis heeft verdragen en schande veracht, en is gezeten aan de rechterhand van den troon Gods.” (Hebreeën 12:2, STV)

Het kruis was geen overwinning omdat het lijden slechts schijn zou zijn geweest. Christus heeft werkelijk geleden. Hij heeft het kruis verdragen. Hij heeft de schande niet ontkend, maar veracht.

De schande kreeg niet het laatste woord. Het lijden was werkelijk, maar de heerlijkheid die volgde was groter.

Daarom staat er:

“Want aanmerkt Dezen, Die zodanig een tegenspreken van de zondaren tegen Zich heeft verdragen, opdat gij niet verflauwt en bezwijkt in uw zielen.” (Hebreeën 12:3, STV)

Wie alleen op zichzelf ziet, zal uiteindelijk verflauwen. Wie voortdurend zijn eigen geloof meet, zijn eigen geestelijke toestand beoordeelt en zijn eigen tekortkomingen onderzoekt zonder op Christus te zien, zal bezwijken in zijn ziel.

Zelfonderzoek heeft zijn plaats, maar het is geen redder. Onze zekerheid ligt niet in de vaststelling dat wij voldoende geloof, voldoende vrucht of voldoende geestelijke groei kunnen aantonen.

Onze zekerheid ligt in Christus.

De oplossing voor geestelijke moedeloosheid is daarom niet eindeloos in onszelf graven. De oplossing is Christus aanmerken. Overdenken wat Hij heeft verdragen. Zien waar Hij nu is: niet meer aan het kruis, maar aan de rechterhand van God.

 

Kastijding is géén betaling voor onze zonden

Hebreeën 12 spreekt vervolgens over kastijding. Dat woord is vaak hard en onbarmhartig gebruikt.

Sommige predikers wekken de indruk dat iedere ziekte, tegenslag of moeilijkheid een rechtstreekse straf van God is voor een bepaalde verborgen zonde. Daarmee worden gewonde gelovigen nog verder verwond.

Hebreeën 12 leert niet dat wij bij ieder lijden onmiddellijk moeten zoeken naar een concrete overtreding waarvoor God ons zou straffen. De zonden van de gelovige zijn geoordeeld in het offer van Christus.

God rekent niet alsnog met de gelovige af alsof het bloed van Christus onvoldoende was.

Kastijding betekent in Hebreeën 12 vooral vaderlijke opvoeding, vorming en correctie:

“Want dien de Heere liefheeft, kastijdt Hij, en Hij geselt een iegelijken zoon dien Hij aanneemt.” (Hebreeën 12:6, STV)

God kastijdt ons niet om ons tot zonen te maken. Hij behandelt ons zo omdat Hij ons als zonen heeft aangenomen.

Dat onderscheid is van levensbelang.

De gelovige ontvangt zijn positie niet als beloning voor een goede wandel. Zijn wandel wordt gevormd omdat hij in Christus een positie ontvangen heeft.

Gods opvoeding is dus geen teken dat Hij ons heeft verstoten. Zij bewijst juist dat Hij ons niet aan onszelf overlaat. Hij behandelt ons niet als vreemdelingen, maar als kinderen.

 

De positie van de gelovige staat vast in Christus

Er moet onderscheid worden gemaakt tussen de positie van de gelovige en zijn praktische toestand.

De positie van de gelovige is volmaakt omdat zij rust op het volbrachte werk van Christus. De praktische wandel is nog onvolmaakt en heeft vorming, correctie en groei nodig.

God geeft niet eerst een onzekere proefpositie om af te wachten of wij goed genoeg zullen presteren. Hij neemt de gelovige aan in Christus en vormt hem vervolgens in overeenstemming met die ontvangen positie.

De kastijding van God heeft daarom niet tot doel onze positie in Christus onzeker te maken. Zij heeft tot doel onze levenswandel in overeenstemming te brengen met wie wij in Christus geworden zijn.

Onze positie is niet het resultaat van een volmaakt karakter. Ons karakter behoort de vrucht te worden van de volmaakte positie die wij in Christus ontvangen hebben.

Dat maakt de opvoeding niet aangenaam:

“En alle kastijding, als die tegenwoordig is, schijnt geen zaak van vreugde, maar van droefheid te zijn.” (Hebreeën 12:11, STV)

De Schrift doet niet alsof lijden prettig is. Zij noemt droefheid gewoon droefheid.

Bijbels geloof is geen toneelstuk van voortdurende overwinning waarin verdriet, zwakheid, verwarring en teleurstelling niet mogen bestaan. Maar de droefheid hoeft niet het laatste woord te hebben:

“Doch daarna geeft zij van zich een vreedzame vrucht der gerechtigheid dengenen die door dezelve geoefend zijn.” (Hebreeën 12:11, STV)

Niet ieder mens die lijdt, wordt automatisch geestelijk rijper. De vrucht ontstaat bij degenen die door de omstandigheden geoefend worden. Zij leren hun vertrouwen niet meer te stellen op zichzelf, hun gezondheid, hun positie of hun eigen plannen, maar op God.

 

Wat kreupel is, moet genezen worden

Na het onderwijs over kastijding volgt een herderlijke vermaning:

“Daarom, richt wederop de trage handen en de slappe knieën.” (Hebreeën 12:12, STV)

Dat is niet alleen een oproep om onszelf te herpakken. Het is ook een opdracht om naar elkaar om te zien.

De Gemeente behoort geen plaats te zijn waar vermoeide mensen nog een extra last op de schouders krijgen. Zij is geen bedrijf waarin alleen sterke, zichtbare, succesvolle en productieve mensen meetellen.

Waar Christus centraal staat, worden trage handen opgericht en slappe knieën versterkt.

Daarom staat er:

“En maakt rechte paden voor uw voeten, opdat hetgeen kreupel is, niet verdraaid worde, maar dat het veelmeer genezen worde.” (Hebreeën 12:13, STV)

Wat kreupel is, moet niet worden vertrapt. Het moet genezen worden.

Dit is een scherpe aanklacht tegen religieuze systemen waarin zwakheid wordt gezien als geestelijk falen. Tegen leiders die mensen onder druk zetten om meer te presteren, meer te geven, meer te dienen en meer geloof te tonen, terwijl hun innerlijk langzaam breekt.

Ook het misbruik van woorden als toewijding, gehoorzaamheid, gezag en onderwerping kan zwakke mensen verder beschadigen.

Christus is niet gekomen om het gekrookte riet te breken. Wie namens Hem optreedt, behoort dat evenmin te doen.

Herderlijke zorg bestaat niet uit het ontkennen van zwakheid. Zij bestaat uit het wijzen van de zwakke op Christus en het dragen van elkanders lasten.

 

Heiligmaking is geen zelfverbeteringsproject

Hebreeën 12 roept op om vrede en heiligmaking na te jagen:

“Jaagt den vrede na met allen, en de heiligmaking, zonder welke niemand den Heere zien zal.” (Hebreeën 12:14, STV)

Deze tekst leert niet dat wij door voldoende heiligmaking alsnog onze behoudenis moeten verdienen. Heiligmaking is geen ladder waarlangs wij onszelf naar God opwerken.

Heiligmaking is afzondering tot God. Zij vloeit voort uit de genade die wij ontvangen hebben.

De gelovige wordt niet heilig door zijn eigen inspanning tot grond van zijn aanvaarding te maken. Hij is in Christus tot God gebracht en wordt vervolgens opgeroepen overeenkomstig die positie te wandelen.

Genade is daarom niet hetzelfde als vrijblijvendheid. Wie door God is vrijgemaakt, wordt niet vrijgemaakt om opnieuw voor zichzelf te leven.

Genade verlost ons niet alleen van de schuld van de zonde. Zij onderwijst ons ook om de goddeloosheid te verzaken.

 

Bitterheid verontreinigt meer dan één mens

Het hoofdstuk waarschuwt indringend voor de wortel van bitterheid:

“Toeziende dat niet iemand verachtere van de genade Gods; dat niet enige wortel der bitterheid, opwaarts spruitende, beroerte make, en door dezelve velen ontreinigd worden.” (Hebreeën 12:15, STV)

Bitterheid begint vaak verborgen. Zij groeit onder de oppervlakte. Zij kan gevoed worden door werkelijk onrecht, teleurstelling, vernedering, geestelijk misbruik en onverwerkte boosheid.

Die pijn mag niet worden ontkend. De Schrift roept ons nergens op om kwaad goed te noemen of misbruik te bedekken met een valse oproep tot vergeving.

Onrecht moet benoemd worden. Zonde moet in het licht komen. Geestelijke leiders zijn niet boven correctie verheven.

Maar de gelovige mag zijn hart niet aan bitterheid uitleveren.

Bitterheid blijft zelden beperkt tot degene die gekwetst werd. Zij spruit op, veroorzaakt beroering en verontreinigt velen. Zij verandert pijn in een bron waaruit steeds opnieuw wantrouwen, boosheid en verdeeldheid voortkomen.

De genade van God leert ons niet om onrecht te ontkennen. Zij leert ons om het uiteindelijke oordeel aan God over te laten en te voorkomen dat het kwaad dat ons is aangedaan, ook ons eigen hart gaat regeren.

 

Ezau koos het onmiddellijke boven de erfenis

Ezau wordt in Hebreeën 12 als waarschuwing genoemd:

“Gelijk Ezau, die om één spijze het recht van zijn eerstgeboorte weggaf.” (Hebreeën 12:16, STV)

Ezau ruilde het blijvende in voor het onmiddellijke. Het eerstgeboorterecht had betrekking op erfenis, positie en toekomst. Maar op dat moment zag hij alleen zijn honger.

Dat is de verleiding die telkens terugkeert.

Wij kunnen geestelijke rijkdom inruilen voor onmiddellijke bevrediging. Waarheid voor acceptatie. De hemelse roeping voor aardse invloed. Christus voor religieuze ervaring. Bijbelse eenvoud voor indrukwekkende geestelijke systemen.

Ook kerken kunnen zich gedragen als Ezau.

Zij verkopen waarheid voor maatschappelijke relevantie. Zij ruilen genade in voor controle. Zij verruilen de hemelse roeping voor politieke of culturele macht.

Zij spreken over het Koninkrijk, maar bedoelen menselijke invloed.

Zij spreken over ‘apostolisch gezag’, maar bouwen een hiërarchie.

Zij spreken over eenheid, maar verdragen geen toetsing.

Zij spreken over zalving, maar dulden geen tegenspraak.

Zij spreken over geestelijke vaders, maar maken volwassen gelovigen afhankelijk van menselijke leiders.

Hebreeën 12 waarschuwt: geef de erfenis niet prijs voor één maaltijd.

 

Niet gekomen tot Sinaï

Het hoogtepunt van Hebreeën 12 ligt in de tegenstelling tussen Sinaï en Sion:

“Want gij zijt niet gekomen tot den tastelijken berg, en het brandende vuur, en donkerheid, en duisternis, en onweder.” (Hebreeën 12:18, STV)

Sinaï spreekt van wet, afstand, vrees en oordeel. De berg kon worden aangeraakt, maar mocht niet worden aangeraakt. Het volk stond op afstand. Zelfs Mozes was bevreesd en bevende.

De wet brengt de mens niet vrijmoedig bij God. Zij openbaart juist hoe onmogelijk het is voor de zondaar om op grond van eigen gerechtigheid voor God te bestaan.

Toch keren veel christenen in de praktijk terug naar Sinaï. Niet door letterlijk naar die berg te reizen, maar door opnieuw een godsdienstig systeem van voorwaarden te bouwen.

God zal u zegenen wanneer u genoeg doet.

God zal u aannemen wanneer uw toewijding groot genoeg is.

God zal u genezen wanneer uw geloof sterk genoeg is.

God zal u gebruiken wanneer u zich aan de juiste leider onderwerpt.

God zal u bevrijden wanneer u de juiste geestelijke techniek toepast.

Dat is geen Evangelie van genade. Dat is Sinaï, gecamoufleerd met christelijke terminologie.

Wetticisme bestaat niet alleen uit het opleggen van oudtestamentische voorschriften. Het ontstaat overal waar de zekerheid, aanvaarding en zegen van de gelovige opnieuw afhankelijk worden gemaakt van menselijke prestaties.

 

Gij zijt gekomen tot Sion

Tegenover Sinaï staat Sion:

“Maar gij zijt gekomen tot den berg Sion en de stad des levenden Gods, tot het hemelse Jeruzalem.” (Hebreeën 12:22, STV)

Niet: gij zult misschien ooit komen wanneer u voldoende volhardt.

Er staat: gij zijt gekomen.

Dit beschrijft de positie van de gelovige in Christus. Hij behoort niet langer bij het aardse systeem van afstand en veroordeling, maar bij het hemelse Jeruzalem.

Hij is gekomen:

“Tot de algemene vergadering en de gemeente der eerstgeborenen, die in de hemelen opgeschreven zijn.” (Hebreeën 12:23, STV)

De Gemeente heeft een hemelse positie, een hemelse roeping en een hemelse erfenis. Zij is geen organisatie die geroepen is om de wereld over te nemen. Zij is het lichaam van Christus, verbonden met haar hemelse Hoofd.

Dit ontneemt de gelovige niet zijn verantwoordelijkheid op aarde. Het bepaalt juist hoe hij hier behoort te leven: als vreemdeling, getuige en dienaar.

Niet als machthebber die door menselijke strategie het Koninkrijk moet oprichten.

De Gemeente is niet geroepen om Sinaï te herstellen, de wereld te beheersen of een religieus machtsblok te bouwen. Zij is geroepen om Christus te verkondigen, de waarheid vast te houden en te wandelen in overeenstemming met haar hemelse roeping.

 

Het bloed van Christus spreekt betere dingen

De gelovige is gekomen:

“Tot den Middelaar des Nieuwen Testaments, Jezus, en het bloed der besprenging, dat betere dingen spreekt dan Abel.” (Hebreeën 12:24, STV)

Het bloed van Abel riep om recht en vergelding. Het bloed van Christus spreekt van verzoening, reiniging en rechtvaardiging.

Abels bloed getuigde tegen de schuldige. Het bloed van Christus getuigt vóór degene die gelooft.

Daarom is iedere leer die de zekerheid van de gelovige opnieuw afhankelijk maakt van menselijke prestaties een aantasting van de betekenis van het bloed van Christus.

Iedere geestelijke leider die mensen door angst, dreiging en manipulatie aan zich bindt, voert hen in de praktijk terug naar Sinaï.

Iedere prediking die meer spreekt over onze offers dan over Zijn Offer, is uit evenwicht.

Iedere leer die beweert dat wij nog een aanvullende zalving, bemiddeling, impartatie of geestelijke bedekking nodig hebben om werkelijk aanvaard en bruikbaar te zijn, doet tekort aan de volheid die de gelovige in Christus ontvangen heeft.

Het bloed van Christus spreekt betere dingen.

De vraag is : luisteren wij ook?

 

Verwerp Hem Die spreekt niet

Genade is geen vrijblijvendheid. Juist omdat God vanuit de hemel spreekt door Zijn Zoon, is de verantwoordelijkheid groot:

“Ziet toe dat gij Dien Die spreekt, niet verwerpt.” (Hebreeën 12:25, STV)

De Hebreeën dreigden Christus niet noodzakelijk openlijk te vervloeken. Zij dreigden terug te keren naar een godsdienst waarin Hij in de praktijk niet langer voldoende was.

Dat gevaar bestaat nog steeds.

Christus wordt zelden openlijk uit de kerk verwijderd. Veel vaker wordt Hij bedolven onder programma’s, methoden, visies, leiderschapsmodellen, ervaringen en menselijk bedachte terminologie.

Zijn Naam wordt nog genoemd, maar Zijn volbrachte werk is niet langer genoeg.

Er moet een nieuwe zalving bij.

Een nieuwe doorbraak.

Een apostolische orde.

Een profetisch woord.

Een geestelijke vader.

Een strategie om het Koninkrijk zichtbaar te maken.

Hebreeën 12 snijdt door deze religieuze rook heen.

Wij hebben geen nieuwe middelaar nodig.

Wij zijn gekomen tot Jezus, de Middelaar van het Nieuwe Verbond.

 

Wij bouwen het Koninkrijk niet, wij ontvangen het

Hebreeën 12 eindigt met het onbeweeglijke Koninkrijk:

“Daarom, alzo wij een onbeweeglijk Koninkrijk ontvangen, laat ons de genade vasthouden, door dewelke wij welbehaaglijk God mogen dienen, met eerbied en godvruchtigheid.” (Hebreeën 12:28, STV)

Let op het woord ontvangen.

Wij bouwen het Koninkrijk niet. Wij vestigen het niet door menselijke invloed. Wij maken het niet zichtbaar door politieke macht, culturele dominantie of apostolische strategieën.

Wij ontvangen het.

Het Koninkrijk is onbeweeglijk omdat het niet rust op kerkelijke organisaties, maatschappelijke bewegingen of geestelijke beroemdheden. Het rust op Christus.

Hij is opgewekt. Hij is verhoogd. Hij is gezeten aan de rechterhand van God. Zijn Koninkrijk zal op Gods tijd volledig openbaar worden.

Wie beweert dat de Gemeente het Koninkrijk op aarde moet realiseren, legt een opdracht op die Hebreeën 12 niet geeft.

Het hoofdstuk zegt niet: bouw het Koninkrijk.

Het zegt: ontvang het Koninkrijk, houd de genade vast en dien God.

Niet triomfantelijk alsof wij de wereld al moeten beheersen.

Niet zelfverzekerd alsof het succes van Gods plan van onze strategie afhankelijk is.

Maar:

“Met eerbied en godvruchtigheid.” (Hebreeën 12:28, STV)

 

Onze God is een verterend vuur

De slotwoorden van Hebreeën 12 zijn zeer serieus:

“Want onze God is een verterend vuur.” (Hebreeën 12:29, STV)

De God van Sion is niet minder heilig dan de God van Sinaï.

Genade betekent niet dat God de zonde onbelangrijk vindt. Genade betekent dat het oordeel over de zonde volledig gedragen is door Christus.

Daarom is oppervlakkigheid misplaatst. Daarom kunnen wij niet met de waarheid spelen. Daarom mogen wij de genade niet veranderen in een vrijbrief voor zonde, hoogmoed of religieuze zelfverheffing.

Dezelfde God Die ons in Christus nabijgebracht heeft, is een verterend vuur.

Dat moet de gelovige niet terugdrijven in slaafse angst. Het behoort hem te brengen tot eerbied, ootmoed en dankbaarheid.

Wie werkelijk begrijpt wat genade gekost heeft, gaat niet lichtvaardig met de zonde om.

 

Blijf zien op Jezus

Misschien zijn uw handen moe geworden. Misschien zijn uw knieën slap. Misschien hebt u geleden onder harde religie, manipulatief leiderschap of prediking die u voortdurend het gevoel gaf dat u tekortschiet.

Hebreeën 12 zegt niet dat u uzelf moet redden.

Het zegt: zie op Jezus.

Misschien voelt de weg zwaar. Misschien begrijpt u Gods handelen niet. Misschien lijkt de vreugde ver weg.

Zie op Jezus.

Hij heeft het kruis verdragen. Hij heeft de schande veracht. Hij is gezeten aan de rechterhand van God.

Keer niet terug naar Sinaï. Zoek geen zekerheid in religieuze systemen, menselijke leiders, geestelijke ervaringen of uw eigen prestaties.

U bent gekomen tot Sion. Tot het hemelse Jeruzalem. Tot de Middelaar van het Nieuwe Verbond. Tot het bloed dat betere dingen spreekt.

Leg daarom de lasten af. Houd de genade vast. Richt de slappe knieën op. Maak rechte paden. Bewaar uw hart voor bitterheid.

En loop de loopbaan die u is voorgesteld:

“Ziende op den oversten Leidsman en Voleinder des geloofs, Jezus.” (Hebreeën 12:2, STV)

De tabernakeldienst onder het oude verbond verwijst naar Christus

De tabernakel: schaduw van het Christus en het nieuwe verbond

De oudtestamentische tabernakel was geen willekeurige verzameling godsdienstige voorwerpen en rituelen. God gaf Zelf het ontwerp, stelde de priesterdienst in en bepaalde hoe Israël tot Hem mocht naderen.

Maar de tabernakel was nooit het einddoel.

De tabernakel wees vooruit naar Christus, Zijn offer, Zijn opstanding, Zijn priesterschap en de toegang tot God die door Zijn bloed geopend zou worden. De Brief aan de Hebreeën noemt de tabernakeldienst daarom:

“Welke het voorbeeld en de schaduw der hemelse dingen dienen.” Hebreeën 8:5 (STV)

De tabernakel was de schaduw.

Christus is de werkelijkheid.

De tabernakel was geen kerkmodel, maar een voorafschaduwing van Christus. Het altaar, wasvat, de toonbroden, kandelaar en ark wijzen allemaal naar Zijn volbrachte werk.

Daarom is het niet alleen onnodig, maar ook leerstellig gevaarlijk wanneer christenen elementen van die oudtestamentische schaduwdienst opnieuw invoeren. Een christelijk altaar, een afzonderlijke priesterklasse, heilige gebouwen en herhaalde offers doen geen recht aan de tabernakel. Zij doen tekort aan de Persoon en het volbrachte werk van Christus.

de tabernakeldienst verwijst naar Christus
De tabernakeldienst verwijst naar Christus

 

De tabernakel was een schaduw, geen kerkmodel

De tabernakeldienst werd aan Israël gegeven onder het verbond van Sinaï. Zij behoorde bij het Mozaïsche verbond, het Aäronitische priesterschap en de offers van de Wet.

De Gemeente is geen voortzetting van dit systeem.

De Gemeente heeft geen aardse tempel nodig, geen apart priesterambt dat tussen God en de gelovige staat en geen altaar waarop opnieuw een verzoenend offer moet worden gebracht.

Het nieuwe verbond werd bovendien uitdrukkelijk aangekondigd aan Israël en Juda:

“Zie, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik met het huis van Israël en met het huis van Juda een nieuw verbond zal maken.” Jeremia 31:31 (STV)

Dit nieuwe verbond is gefundeerd op het bloed van Christus. Gelovigen hebben nu deel aan de geestelijke zegeningen die uit Zijn offer en priesterschap voortkomen. Dat betekent echter niet dat de Gemeente Israël heeft vervangen of dat alle beloften aan Israël voortaan zonder onderscheid op de kerk kunnen worden toegepast.

De tabernakel wijst niet naar een kerkelijk instituut.

De tabernakel wijst naar Christus.

Typologie moet aan de Schrift gebonden blijven

Bij de uitleg van de tabernakel is voorzichtigheid nodig. Niet ieder haakje, touwtje of stuk metaal vormt automatisch de grondslag voor een verborgen leer.

Een type mag nooit als zelfstandige basis voor een leer gebruikt worden. Het mag alleen een waarheid illustreren die elders duidelijk in de Schrift wordt geleerd.

Anders ontstaat willekeur.

Dan kan iedere uitlegger zijn eigen betekenis aan de kleuren, maten, materialen en voorwerpen geven. Zo verandert Bijbelse typologie al snel in religieuze fantasie.

De hoofdlijn is echter glashelder:

“Want Christus is niet ingegaan in het heiligdom, dat met handen gemaakt is, hetwelk is een tegenbeeld van het ware, maar in den hemel zelven, om nu te verschijnen voor het aangezicht Gods voor ons.” Hebreeën 9:24 (STV)

De aardse tabernakel was een afbeelding.

Christus ging het ware, hemelse heiligdom binnen.

 

De poort: Christus is de enige Weg

De tabernakel had één poort.

Er waren geen verschillende ingangen voor verschillende religieuze voorkeuren. God bepaalde Zelf de toegang.

Dat wijst op de Here Jezus Christus:

“Ik ben de Deur; indien iemand door Mij ingaat, die zal behouden worden.” Johannes 10:9 (STV)

Dit is een aanstootgevende waarheid voor de moderne, religieus-pluralistische mens. Men wil graag geloven dat iedere oprechte overtuiging uiteindelijk bij God uitkomt.

De tabernakel leert het tegenovergestelde.

Er is één ingang.

De Here Jezus zegt:

“Ik ben de Weg, en de Waarheid, en het Leven. Niemand komt tot den Vader, dan door Mij.” Johannes 14:6 (STV)

Christus is niet één mogelijkheid naast vele andere mogelijkheden. Hij is niet slechts de christelijke variant van een algemene religieuze weg.

Hij is de Weg.

Het brandofferaltaar: de toegang begint bij het offer

Direct na de poort stond het koperen brandofferaltaar.

De eerste ontmoeting was niet met het wasvat, de toonbroden of de kandelaar. De eerste ontmoeting was met het altaar.

Dat is veelzeggend.

De toegang tot God begint niet met zelfverbetering. Zij begint niet met goede werken, morele ontwikkeling, religieuze oefeningen of geestelijke ervaringen.

De toegang begint bij het offer.

Op het brandofferaltaar stierf een onschuldig dier in de plaats van de schuldige. Het bloed werd vergoten en het offer werd door vuur verteerd.

Zonde kan niet worden weggepraat.

Zonde kan niet worden gecompenseerd door goede bedoelingen.

Zonde vraagt om oordeel.

Het brandofferaltaar wijst naar Golgotha:

“Want ook Christus heeft eens voor de zonden geleden, Hij rechtvaardig voor de onrechtvaardigen, opdat Hij ons tot God zou brengen.” 1 Petrus 3:18 (STV)

Christus stierf niet alleen als voorbeeld van liefde of zelfopoffering. Hij stierf plaatsvervangend.

De Rechtvaardige stierf voor onrechtvaardigen.

Daarmee ontmaskert het altaar iedere religie die leert dat de mens zichzelf door werken, rituelen of geestelijke prestaties voor God aanvaardbaar kan maken.

Het altaar zegt dat de mens zichzelf niet kan redden.

Het Evangelie zegt dat Christus het heeft volbracht.

 

Het offer van Christus wordt niet herhaald

Onder het oude verbond moesten de offers steeds opnieuw worden gebracht. Zij konden de zonden niet definitief wegnemen.

Daarom staat geschreven:

“Want het is onmogelijk, dat het bloed van stieren en bokken de zonden wegneme.” Hebreeën 10:4 (STV)

De oudtestamentische offers wezen vooruit naar het ene volmaakte offer van Christus:

“Maar Deze, één slachtoffer voor de zonden geofferd hebbende, is in eeuwigheid gezeten aan de rechterhand Gods.” Hebreeën 10:12 (STV)

Hij is gezeten.

Het werk is volbracht.

Iedere eredienst waarin Christus op enige wijze opnieuw wordt geofferd, opnieuw wordt aangeboden of afhankelijk wordt gemaakt van een priesterlijke handeling, tast de volkomenheid van Golgotha aan.

Christus heeft niet slechts een mogelijkheid tot verlossing geopend die door religieuze mensen moet worden afgemaakt.

Hij heeft een eeuwige verlossing teweeggebracht:

“Noch door het bloed der bokken en kalveren, maar door Zijn eigen bloed, eenmaal ingegaan in het heiligdom, een eeuwige verlossing teweeggebracht hebbende.” Hebreeën 9:12 (STV)

Het woord “eenmaal” laat geen ruimte voor een herhaald verzoenend offer.

Het koperen wasvat: reiniging na het altaar

Na het brandofferaltaar stond het koperen wasvat.

Ook deze volgorde is belangrijk.

Eerst het bloed.

Daarna het water.

Eerst verzoening.

Daarna reiniging.

Het wasvat was bestemd voor priesters die reeds tot de dienst waren afgezonderd. Zij moesten hun handen en voeten wassen voordat zij het heiligdom binnengingen.

Het wasvat beeldt daarom niet uit dat een gelovige telkens opnieuw behouden moet worden. Het spreekt van de dagelijkse reiniging van zijn wandel.

De Here Jezus zei tegen Petrus:

“Die gewassen is, heeft niet van node dan de voeten te wassen, maar is geheel rein.” Johannes 13:10 (STV)

Er is een verschil tussen onze positie en onze dagelijkse toestand.

De gelovige is in Christus gereinigd, gerechtvaardigd en aanvaard. Toch wordt zijn wandel verontreinigd door zonde, wereldgelijkvormigheid en de werking van het vlees.

Daarom heeft hij voortdurend de reinigende werking van het Woord nodig:

“Opdat Hij haar heiligen zou, haar gereinigd hebbende met het bad des waters door het Woord.” Efeze 5:26 (STV)

Het altaar spreekt van wat Christus voor ons heeft gedaan.

Het wasvat spreekt van wat Christus door Zijn Woord in ons doet.

Wie het altaar en het wasvat verwart, maakt de behoudenis afhankelijk van onze dagelijkse reinheid.

Wie het wasvat weglaat, verandert genade in een vrijbrief voor een slordige en vleselijke levenswandel.

 

De toonbroden: Christus is het voedsel van de gelovige

In het heilige stond de tafel met de twaalf toonbroden.

De broden lagen voortdurend voor Gods aangezicht en vertegenwoordigden de twaalf stammen van Israël. Brood spreekt in de Schrift van leven en voedsel.

De Here Jezus zegt:

“Ik ben het Brood des levens; die tot Mij komt, zal geenszins hongeren, en die in Mij gelooft, zal nimmermeer dorsten.” Johannes 6:35 (STV)

Christus is niet alleen Degene door Wie wij behouden worden. Hij is ook het geestelijke voedsel van de gelovige.

De toonbroden leren geen sacramentele verandering van brood in het letterlijke lichaam van Christus. Zij wijzen naar Christus als Degene uit Wie de nieuwe mens leeft.

Wij voeden ons met Hem door het Woord.

Wij leren Hem kennen in Zijn vernedering, gehoorzaamheid, lijden, sterven, opstanding, verhoging en tegenwoordige priesterschap.

Waar Christus niet langer het geestelijke voedsel van de Gemeente is, wordt de leegte opgevuld met amusement, menselijke verhalen, managementprincipes, psychologische technieken en geestelijke sensatie.

Maar de ziel wordt niet gevoed door sfeer.

De ziel wordt gevoed door Christus.

 

De gouden kandelaar: Christus is het Licht

Tegenover de tafel met de toonbroden stond de gouden kandelaar.

Het heilige had geen ramen. Het licht kwam niet van buitenaf en ook niet uit menselijke wijsheid.

Het licht werd door God gegeven.

De Here Jezus zegt:

“Ik ben het Licht der wereld; die Mij volgt, zal in de duisternis niet wandelen, maar zal het licht des levens hebben.” Johannes 8:12 (STV)

De natuurlijke mens kan geestelijke waarheid niet ontdekken door in zichzelf te kijken. Het menselijke hart is geen betrouwbare bron van openbaring.

Evenmin wordt de waarheid bepaald door gevoel, cultuur, meerderheid of persoonlijke ervaring.

Christus is het Licht.

De Heilige Geest verheerlijkt Christus en opent het Woord. Hij brengt geen nieuwe openbaring die de Schrift corrigeert, aanvult of opzijschuift.

Wanneer het Woord wordt vervangen door profetische indrukken, ingevingen, visioenen en persoonlijke openbaringen, wordt het licht van Christus ingeruild voor de flakkerende lamp van menselijke verbeelding.

Het reukofferaltaar: Christus is de Voorspraak

Vlak voor het voorhangsel stond het gouden reukofferaltaar.

Het reukwerk steeg op tot God en verspreidde een aangename geur. Het wijst op aanbidding, gebed en de voorspraak van Christus.

“Christus is het, Die gestorven is; ja, wat meer is, Die ook opgewekt is, Die ook ter rechterhand Gods is, Die ook voor ons bidt.” Romeinen 8:34 (STV)

Onze gebeden worden niet aangenomen omdat zij mooi geformuleerd, luid uitgesproken of door een gezalfde leider ondersteund worden.

Wij worden gehoord omdat wij in Christus tot God naderen.

Hij is onze Voorspraak.

Daarom heeft de gelovige geen aardse priester, apostel of profeet nodig om zijn gebeden dichter bij God te brengen.

“Want er is één God, er is ook één Middelaar Gods en der mensen, de Mens Christus Jezus.” 1 Timotheüs 2:5 (STV)

Er is één Middelaar.

Niet Christus plus een kerkelijk priesterschap.

Niet Christus plus een moderne apostel.

Niet Christus plus een vermeend gezalfde leider.

Christus alleen.

 

Het voorhangsel: de weg is geopend

Het voorhangsel scheidde het heilige van het heilige der heiligen.

Het maakte duidelijk dat de weg tot Gods onmiddellijke tegenwoordigheid onder het oude verbond nog niet vrij toegankelijk was:

“Waarmede de Heilige Geest dit beduidde, dat de weg des heiligdoms nog niet openbaar gemaakt was.” Hebreeën 9:8 (STV)

Alleen de hogepriester mocht eenmaal per jaar achter het voorhangsel komen, en niet zonder bloed.

Maar bij de dood van Christus scheurde het voorhangsel van boven naar beneden.

God Zelf opende de weg.

“Dewijl wij dan, broeders, vrijmoedigheid hebben, om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus, op een versen en levenden weg, welken Hij ons ingewijd heeft door het voorhangsel, dat is, door Zijn vlees.” Hebreeën 10:19-20 (STV)

De gelovige staat niet langer op afstand.

Hij hoeft niet via een kerkelijk systeem, een priesterlijke hiërarchie of een geestelijke elite tot God te naderen.

Hij heeft door het bloed van Christus vrijmoedigheid om tot God te gaan.

Wie opnieuw een geestelijke tussenmuur bouwt, probeert als het ware het gescheurde voorhangsel weer dicht te naaien.

De ark en het verzoendeksel: genade op grond van bloed

In het heilige der heiligen stond de ark des verbonds.

In de ark lagen de wetstafelen, de gouden kruik met manna en de bloeiende staf van Aäron.

Deze voorwerpen wijzen naar Christus.

Hij heeft de Wet volmaakt vervuld.

Hij is het Brood des levens.

Hij is uit de dood opgestaan en bezit een onvergankelijk priesterschap.

Boven op de ark lag het verzoendeksel. Daar werd op de Grote Verzoendag het bloed gesprengd.

Zonder het bloed zou de wet alleen tegen de mens getuigen. Door het bloed kon God in genade handelen zonder Zijn rechtvaardigheid prijs te geven.

Paulus schrijft over Christus:

“Welken God voorgesteld heeft tot een Verzoening, door het geloof in Zijn bloed.” Romeinen 3:25 (STV)

Gods genade is niet goedkoop.

Vergeving betekent niet dat God de zonde door de vingers ziet. Genade is mogelijk omdat Christus het oordeel heeft gedragen.

Daarom mag de gelovige met vrijmoedigheid naderen:

“Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot den troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, en genade vinden, om geholpen te worden ter bekwamer tijd.” Hebreeën 4:16 (STV)

 

De hogepriester: Christus vertegenwoordigt ons bij God

De tabernakel kan niet los worden gezien van het priesterschap.

De zondaar had niet alleen een offer nodig, maar ook een priester die op grond van dat offer tot God naderde.

Aäron was een voorafschaduwing van Christus, maar Christus is oneindig groter dan Aäron.

Aäron moest eerst voor zijn eigen zonden offeren. Christus was zondeloos.

Aäron ging eenmaal per jaar het heilige der heiligen binnen. Christus ging eenmaal en voorgoed het hemelse heiligdom binnen.

Aäron bracht het bloed van dieren. Christus ging binnen door Zijn eigen bloed.

Aärons priesterschap werd steeds door de dood onderbroken. Christus leeft altijd.

“Waarom Hij ook volkomenlijk kan zalig maken degenen, die door Hem tot God gaan, alzo Hij altijd leeft om voor hen te bidden.” Hebreeën 7:25 (STV)

Christus redt niet half.

Hij redt volkomen.

 

Waarom terugkeren naar de schaduw?

De tabernakel laat niet zien hoeveel religieuze hulpmiddelen de mens nodig heeft om zichzelf tot God op te werken.

De tabernakel laat zien hoeveel er nodig was voordat de weg tot God geopend kon worden.

En alles wat nodig was, is in Christus vervuld.

Hij is de Poort.

Hij is het Offer.

Hij is het Brood.

Hij is het Licht.

Hij is de Hogepriester.

Hij is de Middelaar.

Hij is het ware Heiligdom.

Daarom is het een ernstige dwaling wanneer het christendom elementen van de oudtestamentische schaduwdienst opnieuw invoert als noodzakelijke middelen om tot God te komen.

Een nieuw altaar doet tekort aan het ene offer.

Een afzonderlijke priesterklasse doet tekort aan de ene Middelaar.

Een heilige ruimte doet tekort aan de vrije toegang tot het hemelse heiligdom.

Een herhaald offer doet tekort aan het volbrachte werk.

Een geestelijke elite doet tekort aan het priesterschap van alle gelovigen.

Wie Christus heeft, heeft de werkelijkheid.

Waarom zou hij terugkeren naar de schaduw?

 

De tabernakel wijst helemaal naar Christus

De boodschap van de tabernakel is niet dat wij haar dienst moeten kopiëren.

De boodschap is dat wij Christus moeten zien.

Het brandofferaltaar wijst naar Zijn offer.

Het koperen wasvat wijst naar Zijn reinigende werk.

De toonbroden wijzen naar Hem als geestelijk voedsel.

De kandelaar wijst naar Hem als het Licht.

Het reukofferaltaar wijst naar Zijn voorspraak.

Het voorhangsel wijst naar Zijn vlees en Zijn dood.

De ark en het verzoendeksel wijzen naar Zijn Persoon en Zijn verzoenend bloed.

Niet religie brengt ons tot God.

Niet een kerkelijk systeem brengt ons tot God.

Niet een sacrament brengt ons tot God.

Niet een gezalfde leider brengt ons tot God.

Christus brengt ons tot God.

En Hij heeft de weg niet gedeeltelijk geopend.

Hij heeft hem volkomen geopend.

 

Veelgestelde vragen over de tabernakel en Christus

Is de tabernakel een afbeelding van de Gemeente?

De tabernakel wijst in de eerste plaats naar Christus, Zijn offer, Zijn priesterschap en de hemelse werkelijkheid. Sommige onderdelen kunnen geestelijke lessen bevatten voor gelovigen, maar de tabernakel mag niet zonder meer als kerkmodel worden gebruikt.

Waarnaar wijst het brandofferaltaar?

Het brandofferaltaar wijst naar het plaatsvervangende en volkomen offer van Christus aan het kruis. Zijn offer werd eenmaal gebracht en hoeft niet herhaald te worden.

Wat betekent het koperen wasvat?

Het wasvat wijst naar de praktische reiniging van de gelovige door het Woord. Het gaat niet om telkens opnieuw behouden worden, maar om reiniging van de dagelijkse wandel.

Wat betekenen de toonbroden?

De toonbroden wijzen naar Christus als het Brood des levens en naar de geestelijke gemeenschap en voeding die de gelovige in Hem ontvangt.

Waarom scheurde het voorhangsel?

Het voorhangsel scheurde bij de dood van Christus omdat door Zijn bloed de weg tot God werd geopend. De gelovige heeft nu vrijmoedigheid om tot de troon der genade te naderen.

Heeft de gelovige nog een aardse priester nodig?

Nee. Christus is de enige Middelaar en Hogepriester. Iedere gelovige mag door Hem rechtstreeks tot God naderen.

zie ook:

Het offer van Christus, méér dan Zijn kruisdood – Bijbelse basis

extern:

De Tabernakel – deel 1

De Tabernakel – deel 2

 

Geverifieerd door MonsterInsights