1 Petrus 5:6-11 lijden, zorgen, de duivel en Gods genade

Als de leeuw brult, maar God zorgt; 1 Petrus 5:6-11 Leven uit vertrouwen

Er bestaat christelijke prediking waarin lijden bijna als een storing in het geloofsleven wordt beschouwd. Als je werkelijk gelooft, zou je moeten overwinnen. Als je dicht bij God leeft, zou je voortdurend doorbraken moeten meemaken. Zegen wordt zichtbaar in succes, gezondheid en voorspoed. Tegenslag vraagt dan al snel om een verklaring: heb je wel voldoende geloof? Staat er misschien ergens een deur open voor de vijand?

Lees daar eens rustig 1 Petrus 5:6-11 naast.

1 Petrus 5:6-11 Leven uit vertrouwen

Petrus schrijft niet aan mensen die God verlaten hebben. Hij schrijft aan gelovigen. En toch spreekt hij zonder omwegen over vernedering, bekommernis, geestelijke strijd en lijden.

Maar daar eindigt hij niet.

Boven dit alles plaatst Petrus de machtige werkelijkheid van Gods zorg, Gods genade en de eeuwige heerlijkheid waartoe de gelovige in Christus geroepen is.

Dat maakt dit gedeelte tegelijk ontmaskerend en buitengewoon sterk vertroostend.

Verneder u onder de krachtige hand van God

Petrus schrijft:

“Vernedert u dan onder de krachtige hand Gods, opdat Hij u verhoge te Zijner tijd.” (1 Petrus 5:6, STV)

Bijbelse nederigheid betekent niet dat een christen zichzelf voortdurend waardeloos moet vinden. Het betekent dat hij zijn plaats tegenover God kent.

Hij is God.

Wij zijn het niet.

Dat klinkt eenvoudig, maar juist in moeilijke omstandigheden wordt dit op de proef gesteld. Wij willen begrijpen waarom iets gebeurt. Wij willen oplossingen. Wij willen controle. En als het even kan willen wij ook weten wanneer het voorbijgaat.

Petrus geeft geen methode waarmee de gelovige Gods hand kan dwingen.

Hij zegt:

“…opdat Hij u verhoge te Zijner tijd.” (STV)

Let vooral op die laatste woorden: te Zijner tijd.

Niet op mijn tijd.

Niet wanneer ik voldoende geloof heb geproduceerd.

Niet wanneer ik de juiste geestelijke formule heb gevonden.

God bepaalt de tijd.

Dat vraagt geloof.

 

God vraagt niet dat u uw zorgen ontkent

Onmiddellijk daarna volgen misschien wel de bekendste woorden uit dit gedeelte:

“Werpt al uw bekommernis op Hem, want Hij zorgt voor u.” (1 Petrus 5:7, STV)

Dit vers wordt vaak los geciteerd, maar het woordje dan uit vers 6 helpt ons de samenhang te zien. Het werpen van onze zorgen op God behoort bij het ons vernederen onder Zijn krachtige hand.

Dat is belangrijk.

Bijbels geloof betekent namelijk niet dat wij doen alsof onze zorgen niet bestaan.

Petrus zegt niet: ontken uw bekommernis.

Hij zegt:

werp haar op Hem.

Je mag dus bezorgd zijn over je toekomst. Je mag verdriet kennen. Je mag niet begrijpen waarom een bepaalde weg door je leven loopt. Je mag met vragen bij God komen.

Maar je hoeft die last niet zelf te dragen alsof alles uiteindelijk van jou afhankelijk is.

Waarom niet?

Niet omdat alles onmiddellijk goed zal komen volgens onze definitie van “goed”.

Maar omdat:

“…Hij zorgt voor u.” (STV)

Vier eenvoudige woorden.

En misschien behoren ze wel tot de meest herderlijke woorden van het Nieuwe Testament.

Hij zorgt voor u

 

Gods zorg betekent niet de afwezigheid van lijden

Hier wordt het apologetisch belangrijk.

Want vers 7 wordt soms gebruikt alsof Gods zorg betekent dat Hij de gelovige tegen alle ernstige moeilijkheden beschermt.

Maar dat kan Petrus onmogelijk bedoelen.

Een paar regels verder schrijft dezelfde apostel:

“…wetende, dat hetzelfde lijden aan uw broederschap, die in de wereld is, volbracht wordt.” (1 Petrus 5:9, STV)

En vervolgens:

“De God nu aller genade, Die ons geroepen heeft tot Zijn eeuwige heerlijkheid in Christus Jezus, nadat wij een weinig tijds zullen geleden hebben…” (1 Petrus 5:10, STV)

God zorgt voor u.

En:

u zult een weinig tijd lijden.

Die twee werkelijkheden staan in dezelfde alinea.

Daarmee valt een complete voorspoedsleer eigenlijk al om.

Gods zorg wordt in de Schrift niet bewezen door de afwezigheid van lijden

Integendeel: Gods zorg wordt juist zichtbaar doordat Hij de gelovige in en door het lijden heen vasthoudt en hem uiteindelijk tot Zijn bestemming brengt.

 

De duivel is reëel, maar Petrus zet hem op zijn plaats

Dan verschijnt ineens de tegenstander:

“Zijt nuchteren, en waakt; want uw tegenpartij, de duivel, gaat om als een briesende leeuw, zoekende, wien hij zou mogen verslinden.” (1 Petrus 5:8, STV)

Dat is ernstige taal.

De Bijbel bagatelliseert de duivel niet.

Maar merk tegelijk op hoe nuchter Petrus over geestelijke strijd spreekt.

Geen ingewikkelde technieken.

Geen geestelijke oorlogsvoering waarbij christenen demonen moeten identificeren die boven steden of gebieden zouden regeren.

Geen speciale gebedsformules.

Geen stappenplan.

Geen “profetische handelingen”.

Geen bevel om de duivel te binden.

Petrus zegt:

“Denwelken wederstaat, vast zijnde in het geloof…” (1 Petrus 5:9, STV)

Daar staat het.

Vaststaan in het geloof

De duivel wordt niet bestreden door spectaculaire geestelijke ervaringen, maar doordat de gelovige weigert zijn vertrouwen op God los te laten.

Dat is minder sensationeel.

Maar het is tenminste gewoon Bijbels.

 

Waarom juist tijdens het lijden waakzaam zijn?

De plaats van vers 8 is veelzeggend.

Petrus spreekt eerst over nederigheid en bekommernis. Daarna waarschuwt hij voor de tegenstander. Vervolgens spreekt hij opnieuw over lijden.

Dat suggereert een belangrijke geestelijke werkelijkheid.

Juist wanneer wij lijden, zijn wij kwetsbaar.

Niet alleen lichamelijk of emotioneel, maar ook geestelijk.

Dan kunnen gedachten opkomen als:

Waar is God nu?

Waarom laat Hij dit toe?

Zorgt Hij werkelijk voor mij?

Waarom wordt mijn gebed niet verhoord zoals ik had gehoopt?

Juist daar kan de briesende leeuw proberen binnen te komen.

Niet noodzakelijk met iets spectaculairs.

Soms is één leugen voldoende:

God heeft je verlaten

En daartegenover staat het eenvoudige Woord der waarheid:

“…want Hij zorgt voor u.” (STV)

Daarom moet de gelovige vaststaan in het geloof.

Niet vaststaan in zijn gevoel.

Niet in zijn omstandigheden.

Niet in zichtbare resultaten.

Maar in wat God gesproken heeft.

 

Lijden is geen bewijs van onvoldoende geloof

Dat verdient nadruk, juist in onze tijd.

Petrus schrijft:

“…wetende, dat hetzelfde lijden aan uw broederschap, die in de wereld is, volbracht wordt.” (1 Petrus 5:9, STV)

Lijden behoort blijkbaar niet tot een uitzonderingscategorie voor christenen die iets verkeerd hebben gedaan.

De broederschap in de wereld kent het.

Dat staat haaks op de gedachte dat ziekte, vervolging, verlies of tegenslag noodzakelijk betekenen dat iemand onvoldoende geloof heeft.

Soms wordt een gelovige door zulke prediking zelfs tweemaal getroffen.

Eerst is er het lijden zelf.

Daarna komt de beschuldiging dat het lijden blijkbaar iets zegt over zijn geloof.

Petrus doet precies het tegenovergestelde.

Hij maakt van het lijden geen aanklacht tegen de gelovige, maar plaatst het binnen het grotere perspectief van Gods eeuwige bedoeling.

 

Een weinig tijd tegenover eeuwige heerlijkheid

Dan komt het geweldige vers 10:

“De God nu aller genade, Die ons geroepen heeft tot Zijn eeuwige heerlijkheid in Christus Jezus, nadat wij een weinig tijds zullen geleden hebben, Dezelve volmake, bevestige, versterke, en fondere ulieden.” (1 Petrus 5:10, STV)

Hier verlegt Petrus onze blik op de tijd.

Wij kijken naar vandaag.

God laat ons kijken naar de eeuwigheid.

Petrus noemt het lijden:

een weinig tijds.

En onze bestemming:

eeuwige heerlijkheid in Christus Jezus.

Dat betekent niet dat Petrus menselijk lijden bagatelliseert. Een nacht kan verschrikkelijk lang duren wanneer je pijn hebt. Een periode van verlies kan jaren doorwerken.

Maar tegenover de eeuwigheid krijgt zelfs een mensenleven een andere verhouding.

Paulus schrijft iets vergelijkbaars:

“Want ik houde het daarvoor, dat het lijden dezes tegenwoordigen tijds niet is te waarderen tegen de heerlijkheid, die aan ons zal geopenbaard worden.” (Romeinen 8:18, STV)

Daar ligt christelijke hoop.

Niet: het wordt morgen gemakkelijker.

Maar:

dit is niet het einde van het verhaal.

 

God is bezig,ook wanneer wij dat niet zien of voelen

Petrus gebruikt vervolgens vier prachtige woorden:

“…Dezelve volmake, bevestige, versterke, en fondere ulieden.” (STV)

Dat is opmerkelijk.

De gelovige kan tijdens beproeving het gevoel hebben dat alles wordt afgebroken.

Petrus zegt dat God ondertussen bezig is te funderen.

Wij voelen zwakheid.

God versterkt.

Wij ervaren onzekerheid.

God bevestigt.

Wij zien onvolkomenheid.

God volmaakt.

Dat is een heel andere boodschap dan: als je geloof sterk genoeg is, zal God de beproeving verwijderen.

Misschien doet Hij dat.

Maar misschien ook wel niet.

Zijn belofte is groter dan onmiddellijke verlichting.

Zijn uiteindelijke doel is de gelovige brengen tot Zijn eeuwige heerlijkheid in Christus Jezus.

 

Christelijke kracht begint waar zelfvertrouwen ophoudt

Daarmee raakt dit gedeelte ook aan een bredere Bijbelse lijn.

Wij denken bij geestelijke groei gemakkelijk aan steeds sterker worden. Maar Bijbels gezien betekent groeien vaak dat wij steeds minder vertrouwen stellen in onze eigen kracht en steeds meer leren leven uit Gods kracht.

Paulus schrijft:

“Ja, wij hadden al zelven in onszelven het vonnis des doods, opdat wij niet op onszelven vertrouwen zouden, maar op God, Die de doden verwekt.” (2 Korinthe 1:9, STV)

Dat is geen nederlaag.

Dat is geestelijke volwassenheid.

Het “ik red mij wel” moet plaatsmaken voor vertrouwen op Hem Die zelfs de doden opwekt.

Daarom begint Petrus ook met:

“Vernedert u dan onder de krachtige hand Gods…” (STV)

En hij eindigt met:

“Hem zij de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid. Amen.” (1 Petrus 5:11, STV)

Zie je de richting?

Van onze zwakheid naar Zijn kracht.

Van onze bekommernis naar Zijn zorg.

Van tijdelijk lijden naar eeuwige heerlijkheid.

Van de briesende leeuw naar de God aller genade.

 

Geef de briesende leeuw niet de hoofdrol

Misschien moeten we daar ook in onze prediking veel nuchterder in worden.

Ja, de duivel bestaat.

Ja, hij is onze tegenpartij.

Ja, Petrus waarschuwt ernstig voor hem.

Maar lees hoeveel aandacht hij uiteindelijk krijgt.

De leeuw brult.

Maar God bepaalt

De tegenstander zoekt wie hij kan verslinden.

Maar God zorgt voor u.

Het lijden is werkelijk.

Maar het duurt een weinig tijds.

Gods heerlijkheid daarentegen is eeuwig.

Daarom hoeft een christen niet voortdurend angstig bezig te zijn met wat de duivel mogelijk doet.

Petrus richt onze blik uiteindelijk niet op de tegenstander, maar op:

“De God nu aller genade…” (STV)

Dát is waar de ogen van de gelovige behoren te rusten.

 

Hij zorgt voor u

Misschien lees je dit wel terwijl er helemaal niets spectaculairs in je leven gebeurt.

Geen doorbraak.

Geen onmiddellijke oplossing.

Misschien bid je al lange tijd voor iets en lijkt de hemel gesloten.

Dan zegt Petrus niet dat je harder moet geloven en je best doen totdat God eindelijk in beweging komt.

Hij zegt:

                                                                                       “Werpt al uw bekommernis op Hem, want Hij zorgt voor u.” (1 Petrus 5:7, STV)

Leg het bij Hem.

Ook voor de honderdste keer.

En wanneer de tegenstander fluistert dat Gods stilte betekent dat God afwezig is, blijf dan staan.

Vast in het geloof

Want degene die jou geroepen heeft, is niet zomaar God.

Petrus noemt Hem:

De God aller genade.

En Hij heeft je niet geroepen tot een eindeloos bestaan van strijd en lijden.

Hij heeft je geroepen:

“…tot Zijn eeuwige heerlijkheid in Christus Jezus…” (STV)

De leeuw mag een tijdlang brullen.

Het lijden mag een tijdlang pijn doen.

De zorgen kunnen zwaar wegen.

Maar geen daarvan krijgt het laatste woord.

Dat woord behoort aan de God aller genade.

“Hem zij de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid. Amen.” (1 Petrus 5:11, STV)

De Godheid van Jezus in het Oude Testament

Geen late christelijke uitvinding

Wie beweert dat de eerste christenen van Jezus pas later God hebben gemaakt, loopt tegen een groot probleem aan: het Oude Testament zelf.

De gedachte dat Jezus Christus God is, maar toch onderscheiden is van de Vader, verschijnt namelijk niet ineens uit het niets in het Nieuwe Testament. Lang voordat Johannes schreef dat het Woord bij God was én God was, vinden we in de Hebreeuwse Schriften opmerkelijke passages waarin de HEERE Zich zichtbaar openbaart, waarin Hij van de HEERE onderscheiden wordt en toch Zelf als de HEERE wordt aangeduid.

Dat maakt een veelgehoorde moderne bewering uiterst kwetsbaar: de Godheid van Christus is niet het product van een kerkvergadering eeuwen na Jezus. De wortels ervan liggen diep verankerd in de Schrift zelf.

 

Godheid Jezus in het oude Testament

Eén God, en toch een opmerkelijk onderscheid

Het uitgangspunt van Israël was erg duidelijk:

“Hoor, Israël! de HEERE, onze God, is een enig HEERE!” (Deuteronomium 6:4, STV)

Het Bijbelse geloof is geen geloof in meerdere goden. De HEERE is één.

Juist daarom is Johannes 1 zo indrukwekkend:

“In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God.” (Johannes 1:1, STV)

Let op beide elementen.

Het Woord was bij God. Er is dus onderscheid.

En het Woord was God. Er is dus ook volledige Goddelijke identiteit.

Soms wordt beweerd dat Johannes hier onder invloed van Griekse filosofie een totaal nieuw concept introduceerde. Maar daarvoor hoeven we helemaal niet naar Plato of andere Griekse denkers. Johannes kende zijn eigen Schriften.

En juist daarin vinden we het Woord des HEEREN op een manier voorgesteld die veel verder gaat dan een geluid of een boodschap.

 

Een HEERE op aarde en een HEERE in de hemel?

Een van de opmerkelijkste teksten vinden we al in Genesis.

Bij het oordeel over Sodom en Gomorra lezen we:

“Toen deed de HEERE zwavel en vuur over Sodom en over Gomorra regenen, van den HEERE uit den hemel.” (Genesis 19:24, STV)

Lees die zin nog eens heel goed.

De HEERE doet vuur regenen van de HEERE uit de hemel.

Waarom wordt dat zo geformuleerd?

Wanneer men vooraf beslist dat het Oude Testament nooit onderscheid binnen de Goddelijke identiteit kan bevatten, wordt zo’n tekst lastig. Maar wanneer we de Schrift eerst laten spreken voordat we ons systeem opleggen, zien we iets opvallends.

Er is één HEERE.

En toch kan de Schrift spreken over de HEERE in relatie tot de HEERE.

Genesis 19 staat daarin niet op zichzelf

Wie stond er in de brandende braambos?

In Exodus 3 ontmoet Mozes God bij de brandende braambos.

Maar kijk hoe het verhaal begint.

Eerst verschijnt de Engel des HEEREN aan Mozes in het vuur. Even later zegt de tekst dat de HEERE ziet dat Mozes naderbij komt en dat God tot hem spreekt vanuit de braambos.

Wie bevindt Zich daar?

De Engel des HEEREN?

De HEERE?

God?

Het opmerkelijke antwoord van de tekst is dat deze benamingen door elkaar heen worden gebruikt.

Dat is belangrijk. Deze Engel blijkt geen gewone geschapen boodschapper te zijn die toevallig namens God spreekt. Hij wordt op verschillende plaatsen op een manier met God geïdentificeerd die bij gewone engelen ondenkbaar zou zijn.

 

De Engel in Wie Gods Naam is

Dat blijkt ergduidelijk in Exodus 23.

God belooft Israël een Engel die hen zal leiden.

Over Hem zegt God:

“Hoedt u voor Zijn aangezicht, en zijt Zijner stem gehoorzaam, en verbittert Hem niet; want Hij zal ulieder overtreding niet vergeven; want Mijn Naam is in het binnenste van Hem.” (Exodus 23:21, STV)

Dat is buitengewoon sterke taal.

Deze Engel draagt Gods gezag. Israël moet Hem gehoorzamen. Tegen Hem in opstand komen heeft consequenties die verbonden zijn met zonde tegen God.

En vervolgens komt de verklaring:

“Mijn Naam is in het binnenste van Hem.”

In de Bijbel is Gods Naam niet maar een verzameling letters. Gods Naam vertegenwoordigt Hemzelf, Zijn gezag, aanwezigheid en wezen.

Wanneer God dus zegt dat Zijn Naam in deze Engel is, hebben we niet te maken met zomaar een hemelse boodschapper.

Deze Engel is de zichtbare openbaring van de HEERE.

 

Wie heeft Israël uit Egypte geleid?

Vraag een Bijbellezer wie Israël uit Egypte verloste en het antwoord zal terecht zijn: God.

Maar dan wordt het interessant.

Op verschillende plaatsen wordt diezelfde verlossing toegeschreven aan de HEERE, aan Zijn aanwezigheid én aan de Engel des HEEREN.

Dat betekent niet dat de Bijbel zichzelf tegenspreekt.

Het betekent dat de Schrift deze Goddelijke Engel kan vereenzelvigen met Degene Die Israël verloste.

De Engel kan zelfs spreken alsof Hij Zelf degene is Die Israël uit Egypte heeft geleid.

Dat verklaart waarom dit patroon later zo belangrijk wordt voor het begrijpen van Christus.

De Engel die zegt: Ik ben de God van Bethel

In Genesis 31 vertelt Jakob over een droom waarin de Engel Gods tot hem spreekt.

En dan in vers 13 zegt deze Engel iets verbazingwekkends: Hij identificeert Zich met de God Die Jakob eerder te Bethel had ontmoet.

Niet:

“Ik ben door de God van Bethel gezonden.”

Niet:

“Ik vertegenwoordig de God van Bethel.”

Hij identificeert Zich met die God.

Opnieuw zien we hetzelfde patroon: de Engel wordt onderscheiden en toch tegelijkertijd met God vereenzelvigd.

Wie het Nieuwe Testament kent, begint inmiddels waarschijnlijk te begrijpen waarom dit zo belangrijk is.

 

Jakobs zegen: God en de Engel samengebracht

Nog duidelijker wordt het in Genesis 48 wanneer Jakob Efraïm en Manasse zegent.

Jakob spreekt over de God voor Wiens aangezicht Abraham en Izak wandelden, over de God Die hem zijn hele leven geweid heeft en vervolgens over:

“De Engel, Die mij verlost heeft van alle kwaad…” (Genesis 48:16, STV)

Maar vervolgens vraagt Jakob niet dat zij de jongens zullen zegenen, alsof God en de Engel twee losstaande wezens zijn.

De zegen wordt als één geheel uitgesproken.

Dat maakt het te gemakkelijk om simpelweg te zeggen: “De Engel spreekt alleen namens God.”

Hier spreekt de Engel namelijk helemaal niet.

Jakob spreekt over Hem.

En Jakob plaatst deze Engel binnen de Goddelijke identiteit.

 

Het Woord des HEEREN werd gezien

Daarmee komen we bij een tweede belangrijke lijn: het Woord des HEEREN.

Wij zijn gewend aan formuleringen als: “Het Woord des HEEREN kwam tot…” en denken dan automatisch aan een stem in het hoofd van een profeet.

Maar sommige oudtestamentische teksten laten een groter beeld zien.

In Genesis 15 komt het Woord des HEEREN tot Abram in een gezicht.

Een gezicht is iets wat men ziet.

Dat klinkt misschien eenvoudig, maar het nogal verstrekkende gevolgen.

Het Woord des HEEREN is in bepaalde passages niet alleen iets wat gehoord wordt. Het Woord verschijnt.

 

De HEERE verscheen door het Woord des HEEREN

Ook in de geschiedenis van Samuel is dit bijzonder duidelijk.

Aan het begin van 1 Samuël 3 wordt gezegd dat het Woord des HEEREN schaars was en dat er weinig gezichten waren.

Later wordt beschreven dat de HEERE kwam en stond.

Aan het einde lezen we:

“En de HEERE voer voort te verschijnen te Silo; want de HEERE openbaarde Zich aan Samuël te Silo door het woord des HEEREN.” (1 Samuël 3:21, STV)

Let op het taalgebruik.

De HEERE verscheen.

De HEERE openbaarde Zich.

En dat gebeurde door het Woord des HEEREN.

Wanneer Johannes eeuwen later schrijft over het Woord dat bij God was en God was, hoeft hij daarvoor helemaal geen vreemd filosofisch systeem te importeren.

Zijn Bijbel had hem al voorbereid.

 

Het Woord dat vlees werd

Dan krijgt Johannes 1:14 ineens nog veel meer diepte:

“En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond…” (Johannes 1:14, STV)

Het Woord dat in de Hebreeuwse Schriften verschijnt, spreekt en God openbaart, wordt vlees.

Johannes presenteert Jezus dus niet als een mens die later tot Goddelijke status werd verheven.

Het is precies andersom.

Degene Die reeds God was, kwam in het vlees.

De incarnatie is niet de vergoddelijking van een mens.

Het is de vleeswording van het eeuwige Woord.

 

Jeremia werd zelfs aangeraakt

Jeremia 1 maakt het beeld nog sterker.

Het Woord des HEEREN komt tot Jeremia. Vervolgens lezen we:

“En de HEERE stak Zijn hand uit, en roerde mijn mond aan…” (Jeremia 1:9, STV)

Nu is er niet alleen sprake van horen.

Niet alleen van zien.

Er wordt gesproken over een hand en over aanraking.

Het Oude Testament kent dus zeker verschijningen waarin God Zich in een zichtbare, menselijke vorm openbaart.

Dat betekent uiteraard niet dat de vleeswording al vóór Bethlehem had plaatsgevonden. Johannes zegt uitdrukkelijk dat het Woord vlees werd.

Maar het betekent wel dat zichtbare manifestaties van de HEERE geen nieuwtestamentische noviteit zijn.

 

De onzichtbare God en Zijn zichtbare openbaring

Wanneer we deze teksten naast elkaar leggen, ontstaat een opmerkelijk patroon.

Aan de ene kant is God verheven en onzichtbaar.

Aan de andere kant verschijnt God zichtbaar aan mensen.

De Schrift gebruikt daarbij onder andere:

  • de Engel des HEEREN;
  • het Woord des HEEREN;
  • Gods Naam;
  • een zichtbare Goddelijke Persoon;
  • en later de Mensenzoon.

Dat helpt ons begrijpen waarom Johannes kan zeggen dat niemand God ooit gezien heeft en tegelijkertijd kan spreken over de Zoon Die Hem bekendgemaakt heeft.

De onzichtbare God wordt gekend door Zijn zichtbare openbaring.

En in het Nieuwe Testament wordt duidelijk Wie die zichtbare openbaring in zijn volheid is: Jezus Christus.

 

De Goddelijke Wolkenrijder

Een van de krachtigste aanwijzingen vinden we in Daniël 7.

In verschillende oudtestamentische teksten is rijden op of komen met de wolken een kenmerk van de HEERE. De wolken behoren tot Zijn majesteit en hemelse heerschappij.

Maar in Daniël gebeurt iets opmerkelijks.

Daniël ziet de Oude van dagen.

En vervolgens:

“Verder zag ik in de nachtgezichten, en ziet, er kwam Een met de wolken des hemels, als eens mensen zoon, en Hij kwam tot den Oude van dagen, en zij deden Hem voor Denzelven naderen.” (Daniël 7:13, STV)

Hier zijn duidelijk twee onderscheiden Figuren.

De Oude van dagen is aanwezig.

En iemand als een Mensenzoon komt met de wolken des hemels.

Dat is geen onbeduidend detail.

Aan deze Mensenzoon wordt vervolgens heerschappij, eer en een allesomvattend Koninkrijk gegeven.

Hier wordt het oudtestamentische patroon bijna niet meer te missen: een Goddelijke Persoon wordt onderscheiden van God en deelt tegelijkertijd in wat aan God toekomt.

 

Jezus zegt tegen Kajafas precies Wie Hij is

Daarom is het verhoor van Jezus voor de hogepriester zo belangrijk.

Wanneer Kajafas Hem vraagt of Hij de Christus is, antwoordt Jezus:

“Gij hebt het gezegd. Doch Ik zeg ulieden: Van nu aan zult gij zien den Zoon des mensen, zittende ter rechterhand der kracht Gods, en komende op de wolken des hemels.” (Mattheüs 26:64, STV)

Voor ons kan dat bijna klinken als een raadselachtig antwoord.

Voor Kajafas was het dat niet.

Jezus combineert Psalm 110 met Daniël 7 en identificeert Zich met de Mensenzoon Die op de wolken komt.

De reactie van de hogepriester is veelzeggend: hij scheurt zijn kleren en beschuldigt Jezus van godslastering.

Waarom?

Omdat Jezus volgens hem blijkbaar méér claimt dan alleen het Messiasschap of het zijn van een menselijke koning.

Hij plaatst Zich in de Goddelijke positie die de Schrift aan de hemelse Mensenzoon toekent.

Kajafas begreep de claim.

De vraag is of wij hem nog begrijpen.

 

Jezus is niet de Vader, maar Hij is wel God

Hier moeten we zorgvuldig blijven.

De Schrift leert niet dat Jezus de Vader is.

Johannes zegt:

“Het Woord was bij God…” (Johannes 1:1, STV)

Er is dus werkelijk onderscheid.

Maar dezelfde zin gaat verder:

“…en het Woord was God.” (Johannes 1:1, STV)

We hoeven het ene niet op te offeren om het andere te bewaren.

Jezus is niet de Vader.

Maar daarom is Hij niet minder God.

Juist het Oude Testament helpt ons om dat te verstaan. Daar ontmoeten we al een zichtbare HEERE Die van de onzichtbare HEERE onderscheiden kan worden zonder dat de Schrift ineens twee goden leert.

De eenheid van God blijft onaangetast.

Maar die eenheid blijkt rijker dan een eenvoudige eenpersoonsvoorstelling van God.

Circular wheel diagram with a central circle reading “JESUS IS YAHWEH,” surrounded by labeled segments (God, Creator, Light, Savior, Judge, The First and The Last, Rock, etc.). Each segment contains Bible cross-references to support the claim.

Daarom is Johannes 1 geen late kerkelijke uitvinding

De populaire theorie dat Jezus eerst een gewone Joodse leraar was en dat Zijn volgelingen Hem geleidelijk tot God hebben verheven, moet daarom veel meer verklaren dan vaak wordt toegegeven.

Dat moet niet alleen Johannes verklaren.

Dat moet Genesis verklaren.

Exodus.

Samuel.

Jeremia.

Daniël.

En  moet verklaren waarom Joodse schrijvers die rotsvast geloofden dat de HEERE één is, zonder aarzeling oudtestamentische taal over de HEERE op Jezus toepasten.

Het christelijke getuigenis over Jezus valt niet als een plotseling, buitenaards, element de Bijbel binnen.

Het komt uit de Schrift zelf.

 

De vraag is uiteindelijk niet wanneer Jezus God werd

Dat is eigenlijk de verkeerde vraag.

Het Nieuwe Testament vertelt ons niet hoe een mens Jezus uiteindelijk als God vereerd begon te worden.

Het vertelt ons hoe Degene Die God was Mens werd.

Dat verschil is allesbepalend.

“In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God.” (Johannes 1:1, STV)

En vervolgens:

“En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond…” (Johannes 1:14, STV)

Dat is geen kerkelijke promotie van Jezus.

Dat is openbaring.

Dezelfde Schrift die zegt dat God één is, leert ons ook dat de HEERE Zich zichtbaar heeft geopenbaard, dat Zijn Engel Zijn Naam draagt, dat Zijn Woord verschijnt en dat de Mensenzoon met de wolken des hemels komt.

En wanneer Jezus van Nazareth uiteindelijk zegt dat Hij die Mensenzoon is, weten we waarom Kajafas zijn kleren scheurde.

 

Jezus beweerde niet alleen namens God te spreken. Hij presenteerde Zich als Degene over Wie de Schriften al eeuwenlang hadden gesproken

De Godheid van Jezus Christus is daarom geen vreemde toevoeging aan het Oude Testament.

Het is de onthulling van een waarheid die er vanaf het begin al in zat.
YouTube player

 

Lees ook:

Het eerstgeboorterecht in de Bijbel: betekenis, Christus en erfenis

 

Jezus is JHWH

Is de Here Jezus JHWH?

( extern):

https://www.bijbelspanorama.nl/bijbelstudie/geschreven/s17_de_betekenis_van_de_naam_jezus_christus/

https://boeken.vlichthus.nl/wat-dunkt-u-van-de-christus-bettex/

https://wachttorenkijker.vlichthus.nl/jehovah-god-in-openbaring-1/

 

De Koran en het Evangelie, claims en feiten

Claims versus feiten

YouTube player

 In deze video onderzoek ik een fundamentele vraag: wat zegt de Koran zelf over de Thora, het Evangelie en de kruisiging van Jezus Christus, en hoe verhouden die claims zich tot de historische feiten?

De Koran ontkent in Soera 4:157 dat Jezus werd gekruisigd. Tegelijkertijd zegt de Koran dat Allah de Thora en het Evangelie heeft gegeven, dat daarin ‘leiding en licht’ zijn en dat de Koran de eerdere openbaring bevestigt. In Soera 5:47 worden de mensen van het Evangelie zelfs opgeroepen te oordelen naar hetgeen Allah daarin heeft geopenbaard. En in Soera 10:94 wordt Mohammed, in het geval hij zou twijfelen, verwezen naar degenen die de Schrift vóór hem lazen.

Dat roept belangrijke vragen op. Als het Evangelie vóór Mohammed al vervalst was, waarom verwijst de Koran er dan naar als gezaghebbende openbaring? Naar welk Evangelie moesten de christenen in de zevende eeuw volgens Soera 5:47 oordelen? En als Jezus niet werd gekruisigd, hoe verklaren we dan dat Zijn kruisiging, dood en opstanding al vanaf de vroegste christelijke verkondiging centraal stonden, eeuwen vóór het ontstaan van de islam? In deze video leg ik de claims naast elkaar en laat de teksten zelf spreken.

Besproken Koranteksten: Soera 3:3 Soera 4:157 Soera 5:44-48 Soera 6:115 Soera 10:94 Soera 18:27

Besproken Bijbelteksten: Mattheüs 28:6 Johannes 19:30 1 Korinthe 1:23 1 Korinthe 15:3-4

Doch wij prediken Christus, den Gekruisigde (1 Korinthe 1:23, STV)

DISCLAIMER:Deze video is allerminst bedoeld om moslims te bespotten of aan te vallen. Integendeel: omdat waarheid ertoe doet, moeten religieuze claims onderzocht mogen worden. Lees de Koran. Lees het Evangelie. Onderzoek de historische gegevens. En stel vervolgens jezelf de vraag: welke boodschap over Jezus vinden we daadwerkelijk in de bronnen die eeuwen vóór Mohammed bestonden?

Geverifieerd door MonsterInsights