Het evangelie: geen nieuw verhaal, maar Gods vervulde belofte

Er wordt gesproken over “het Evangelie”. Maar wat betekent dat woord in de Schrift zelf? Is het simpelweg een “blijde boodschap”? Is het een religieuze uitnodiging? Of is het iets veel concreters, veel historischer, veel Bijbelser?

Het Evangelie is de boodschap dat wat God tevoren beloofd had, vervuld is in Christus

Dat is niet zomaar een detail. Het is allesbepalend.

Evangelie begint niet in het Grieks, maar al in het Oude Testament

Veel moderne uitleg vertrekt bij het Griekse woord euangelion en komt uit bij “goed nieuws”. Maar de Schrift zelf doet dat niet. Paulus schrijft in Romeinen 1:1-2:

“Paulus, een dienstknecht van Jezus Christus, een geroepen apostel, afgezonderd tot het Evangelie van God, (hetwelk Hij tevoren beloofd had door Zijn profeten, in de heilige Schriften)” (Romeinen 1:1-2 STV)

Dát is de Bijbelse definitie.

Het Evangelie is niet iets nieuws dat God plotseling bedacht heeft. Het is niet een improvisatie of plan B nadat Israël faalde. Het is de vervulling van wat in Mozes, de Psalmen en de Profeten al was aangekondigd. Tevoren beloofd.

Als het niet tevoren beloofd is, is het geen Evangelie, hoe aantrekkelijk het ook klinkt.

Bethlehem of opstanding?

Een confronterende gedachte is deze: de Messias is niet in volle zin “gekomen” bij Zijn geboorte, maar bij Zijn opstanding.

Waarom? Omdat dáár Gods beloften definitief vervuld worden. Dáár begint het nieuwe leven. Dáár wordt Hij verklaard te zijn de Zoon van God in kracht.

De doop beeldt dood en opstanding uit. Wedergeboorte betekent het afleggen van het oude en het aandoen van het nieuwe. In dat licht wordt Christus’ opstanding het beslissende moment van vervulling.

Dat schuurt met traditionele fopvattingen en formuleringen. maar het brengt wel terug bij  de Schrift.

“Mijn Evangelie”…heeft Paulus dan een ander Evangelie?

Paulus spreekt over “mijn Evangelie”. Dat is voor sommigen reden om meerdere evangeliën te onderscheiden. Alsof er een evangelie van Jezus zou zijn, een van Petrus, en een ander van Paulus.

Maar Paulus bedoelt iets anders.

Wanneer hij schrijft dat hem het Evangelie is toevertrouwd, dan zegt hij niet dat het exclusief van hem is. Hij zegt dat hij er verantwoordelijk voor is. Het definieert zijn roeping. Hij is:

“afgezonderd tot het Evangelie van God” (Romeinen 1:1 STV)

Het Evangelie is hem toevertrouwd – niet om het te wijzigen, maar om het te verkondigen.

Evangelie van het Koninkrijk, van de Genade, van de Eeuwige heerlijkheid, het Eeuwig evangelie

In het Nieuwe Testament komen verschillende aanduidingen voor:

  • Evangelie van het Koninkrijk
  • Evangelie van de Genade Gods
  • Evangelie van de eeuwige heerlijkheid
  • Het eeuwig evangelie

Zijn dat  dan verschillende boodschappen?

Nee. Het zijn verschillende accenten.

Genade beschrijft hoe het Koninkrijk tot stand komt.
Koninkrijk beschrijft wat de Genade uitwerkt.
Eeuwige heerlijkheid wijst op de hemelse positie en beloning.

Maar de kern blijft gelijk: Gods beloften worden vervuld in Christus.

Wie daar kunstmatig scheidingen in aanbrengt, loopt het risico het ene Evangelie van het andere los te maken – en dat is precies wat Paulus in Galaten zo scherp veroordeelt.

Handelingen: een gemiste nationale bekering?

De periode van Handelingen laat zien dat het evangelie eerst aan de Joden werd gepredikt. Er was gelegenheid tot bekering. Maar het volk als geheel verwierp de Messias.

Dat was geen verrassing. De gelijkenis van de boze wijngaardeniers (Mattheüs 21) laat het al zien:

“Dit is de erfgenaam; komt, laat ons hem doden.”

Johannes 12 verklaart dat hun ongeloof reeds voorzegd was. Het drama van Handelingen is dus geen mislukking van Gods plan, maar de vervulling van Zijn voornemen.

Gods plan ontspoort niet. Het loopt precies zoals aangekondigd.

Evangelie van Gemeentelijke heerlijkheid: meer dan alleen zalig worden

Er is een belangrijk onderscheid tussen:

  • Zaligheid door geloof
  • En loon en heerlijkheid in de hemelse roeping

Het evangelie spreekt niet alleen over vergeving, maar óók over roeping, kroon en positie in Christus.

De gelovige ontvangt niet slechts leven – hij wordt mede-erfgenaam. Hij krijgt deel aan een hemelse heerlijkheid. Dat is geen verdienste, maar Genade. En toch spreekt de Schrift over loon voor trouw dienstwerk.

Wie het Evangelie reduceert tot “ik ben gered”, mist de rijkwijdte van Gods plan.

Openbaring gaat niet primair over het einde van de wereld

Het Bijbelboek Openbaring beschrijft niet primair het vergaan van de wereld, maar de openbaring van Christus als Koning.

2 Petrus 3 spreekt over het vergaan van elementen, maar Openbaring toont de komst van het Koninkrijk.

Wie dat verwart, verwart oordeel met vernietiging en heerschappij met ondergang.

Wat betekent dit voor ons als gelovigen ?

Het Evangelie is niet maar een emotionele ervaring. Het is geen religieus gevoel. Het is een Goddelijke aankondiging:

Evangelie: God heeft gedaan wat Hij beloofd had

Daarom mag de gelovige weten:

  • Hij is verlost uit deze tegenwoordige boze wereld.
  • Hij heeft nieuw leven ontvangen.
  • Hij heeft een hemelse positie.
  • Hij leeft uit Genade, niet uit werken.

En daarom blijft er maar één passende reactie over:
een leven dat een wandel in aanbidding is.

Niet om iets te verdienen.
Maar omdat alles reeds vervuld is in Christus.

 

Vroeger was ’t de zegen, Nu is het de Heer

Toen ik nog niet zo lang bekeerd was, kwam ik in een Bijbelstudiegroep waar uit de bundel van Johannes de Heer werd gezongen. Dit lied heb ik toen geleerd en het werd regelmatig gezongen. Tot mijn verrassing, zag ik net dat het al sinds 1991 uit die bundel verwijderd is. De reden daarvan laat zich raden, zal vast iets te maken hebben met het niet-zweverige, on-charismatische karakter.

Ook later bij de groep Griffoen in Waddinxveen stond ’t in de beginjaren op het repertoire, later niet meer…. Ik sta er nog steeds achter…kom er nog eens om tegenwoordig…

 

Vroeger was ’t de zegen, Nu is het de Heer;
Vroeger zien en voelen, Nu geloof, niets meer.
Vroeger was ’t de gave, Nu de Gever ’t meest,
Vroeger de Genezing, nu Hij, Die geneest.

refrein:
Christus al in alles, Hij alleen, daar wil ’k heen:
Eenig alles Jezus, Jezus, Hij alleen.

Vroeger was ’t een pogen, Nu een rust in Hem;
Vroeger twijf’lend dralen, Nu volg ik Zijn stem.
Vroeger hield ik Jezus, Nu houdt Hij mij vast;
Vroeger angstig zorgen, Nu draagt Hij mijn last.

refrein

Vroeger was ’t mijn werken, Nu Zijn werk in mij;
Vroeger hàlf gebonden, Nu volkomen vrij.
Vroeger eigen plannen, Nu alleen Zijn wil;
Vroeger vaak vreesachtig, Nu gerust en stil.

refrein

Vroeger angstig vragen, Nu steeds dankbaarheid;
Vroeger trots op ere, Nu slechts need’righeid.
Vroeger hielp ik Jezus, nu gebruikt Hij mij;
Vroeger vast in vormen, nu volkomen vrij.

refrein

Vroeger op Hem hopen, Nu heb ’k zekerheid;
Vroeger was ik slaap’rig, Nu ’s mijn lamp bereid.
Vroeger wilde ik sterven, Nu verwacht ’k Hem dra,
Vroeger zuchtend klagen, Nu Halleluja!

Openbaring 12 is geen sprookje, het is heilsgeschiedenis

Mystiek en geheimzinnig?

Er zijn Bijbelgedeelten waar men snel overheen leest.
Openbaring 12 is er zo één.

Een vrouw.
Een draak.
Een kind.
1260 dagen.

Voor velen is het mystiek, geheimzinnig, bijna apocalyptische poëzie zonder vaste grond. Maar wie het Schrift met Schrift vergelijkt, ontdekt dat hier niets nieuws wordt geïntroduceerd. Hier wordt samengebald wat al eeuwen eerder is aangekondigd.

En wie dat niet ziet, heeft Openbaring losgemaakt van Genesis.

Wie Openbaring leest zonder Daniël leest verkeerd

Men noemt het boek Openbaring geheimzinnig. Maar dat komt omdat men het los leest van het Oude Testament.

De vrouw bekleed met zon, maan en twaalf sterren?
Dat is geen nieuw beeld. Dat kennen we al uit Jozefs droom.

De draak met zeven koppen en tien horens?
Dat kennen we uit Daniël.

De 1260 dagen?
Dat staat al in Daniël.

De ijzeren roede?
Psalm 2.

Er staat in Openbaring 12 niets wat niet eerder in de Schrift is voorbereid.

Wie Openbaring wil begrijpen, moet beginnen bij Genesis 1 vers 1. De Bijbel is één geheel. Je kunt niet zomaar voorgaande bladzijden overslaan en dan denken dat je de laatste bladzijde begrijpt.

De vrouw is niet Maria en niet de Kerk

Er zijn twee populaire uitleggingen.

De roomse: de vrouw is Maria.
De protestantse: de vrouw is de Kerk.

Beide missen het fundament.

De vrouw is Israël.

Israël als het verbondsvolk. Israël als de barende vrouw. Israël als de drager van de Messiaanse lijn.

De symboliek laat geen andere conclusie toe.

Zon, maan, twaalf sterren — dat is het huis van Jakob.
Niet Rome.
Niet de Kerk.

De mannelijke zoon: meer dan men denkt

“Zij baarde een mannelijke zoon, die al de heidenen zou hoeden met een ijzeren roede.”

Dat is Psalm 2.

Dat is de Messias.

Maar hier wordt het interessant.

Wanneer het Oude Testament spreekt over de verheerlijkte Christus, dan spreekt het niet over een losstaand individu zonder Zijn lichaam. De verheerlijkte Christus is inclusief de Gemeente.

Christus is het Hoofd.
De Gemeente is Zijn Lichaam.

Daarom wordt de mannelijke zoon weggerukt tot God en Zijn troon. Dat is geen symbolische taal voor hemelvaart alleen. Dat is opname.

En precies daarna wordt de draak uit de hemel geworpen.

De volgorde is cruciaal.

Eerst de opname, dan de neerwerping

Openbaring 12 laat een duidelijke volgorde zien:

De zoon wordt weggerukt.
De draak wordt uit de hemel geworpen.
De draak vervolgt de vrouw.

Met andere woorden:

Eerst wordt de Gemeente weggenomen.
Daarna richt satan zich in volle woede op Israël.

Dat is geen willekeurige gedachtegang. Dat is consistent met Daniël en met de 70e week.

De draak en de antichrist

De draak is Satan.

Na zijn neerwerping manifesteert hij zich zichtbaar in een wereldrijk. Niet slechts als tegenstander van Christus, maar als vervanger van Christus.

“Anti” betekent niet alleen tegen, maar in plaats van.

De wereld zal niet massaal satanist worden. Ze zal massaal een alternatief messiaans systeem omarmen.

Dat is het antichristelijke rijk.

1260 dagen: geen symboliek, maar tijdrekening

De 1260 dagen zijn niet poëtisch bedoeld. Ze corresponderen met:

Drieënhalf jaar.
De tweede helft van Daniëls 70e week.
De grote verdrukking.

Israël vlucht de woestijn in.
De wereldmacht wordt geconsolideerd.
Satan regeert zichtbaar.

En dit alles is al 2600 jaar geleden aangekondigd via Daniël.

Waarom men dit niet ziet

Omdat men Openbaring isoleert.
Omdat men Israël en Gemeente vermengt.
Omdat men de profetieën vergeestelijkt.

Men leest teksten voor bruiloften, begrafenissen en Vaderdag.
Maar men leest de Schrift niet als één doorgaand heilsplan.

Openbaring 12 is geen los visioen. Het is het scharnierpunt van Gods plan met Israël en de Gemeente.

Wat dit praktisch betekent

Wij leven in een tijd van verborgenheid.
Christus regeert, maar verborgen.
De Gemeente is verbonden met een hemelse roeping.

De wereld is niet onderweg naar christelijke heerschappij.
Zij is onderweg naar openlijke rebellie.

Wie denkt dat de Kerk het Koninkrijk op aarde moet vestigen, heeft Openbaring 12 niet begrepen.

De Gemeente wordt niet geroepen om de wereld te veroveren.
Zij wordt geroepen om uit te gaan buiten de legerplaats.

Samengevat

De geschiedenis is geen toeval.
Daniël bevestigt dat God koningen afzet en bevestigt.
Openbaring bevestigt dat Satan tijdelijk wordt toegelaten.
Maar het einde staat vast.

De vrouw blijft.
De draak wordt geoordeeld.
De Zoon regeert.

En wie bij die Zoon hoort, deelt in Zijn verheerlijking.

Dat is geen mystiek.

Dat is heilsgeschiedenis.

Hoe het christendom wordt uitgehold door de cultus van beleving

Van “ik voel” naar “ik weet”

De moderne mens knielt niet voor God — maar voor zijn gevoel.

“Het voelt goed.”
“Ik ervaar vrede.”
“Ik merk dat God bezig is.”
“Ik voel mij geleid.”

Dat zijn vandaag de ijkpunten van geestelijkheid geworden.

Maar sinds wanneer is gevoel een openbaringsbron?

De stille revolutie in de kerk

Wat in de wereld al lang norm is, heeft ook de gemeente binnengeslopen:
gevoel bepaalt waarheid.

Niet expliciet — niemand zegt dat hardop —
maar praktisch wel.

Men vraagt niet meer:

  • Wat staat er geschreven?
  • Wat leert de tekst in context?
  • Wat bedoelt de Geest door het Woord?

Men vraagt:

  • Wat doet dit met mij?
  • Raakt het mij?
  • Voel ik hier iets bij?

En zo is de preek geen uitleg meer, maar een ervaring.
De samenkomst geen onderwijsmoment, maar een atmosfeer.

De Schrift kent geen gevoels-epistemologie

Het Nieuwe Testament is doordrenkt van woorden als:

  • weten
  • kennen
  • verzekerd zijn
  • overtuigd zijn
  • beproeven
  • onderzoeken

Het christelijk geloof is historisch gefundeerd.

Als Christus niet is opgewekt, is alles zinloos.
Dat is geen emotionele uitspraak — dat is een waarheidsclaim.

De apostelen verkondigden geen innerlijke beleving,
maar feiten:

Hij is gestorven.
Hij is begraven.
Hij is opgewekt.
Hij is verschenen.

Dat zijn controleerbare, objectieve gebeurtenissen.

Daaruit volgt geloof.

Niet andersom.

Het gevaar van gevoel als norm

Gevoel is veranderlijk.

Vandaag voel je nabijheid.
Morgen voel je leegte.
Overmorgen twijfel.

Als gevoel de maatstaf is, dan is zekerheid onmogelijk.

Maar de Schrift bouwt zekerheid niet op innerlijke fluctuatie,
maar op Gods belofte.

Gods Woord verandert niet wanneer jouw stemming verandert.

Wie gevoel tot norm maakt, opent de deur voor:

  • subjectivisme
  • manipulatie
  • geestelijke hiërarchie gebaseerd op “ervaring”
  • charismatische claims zonder toetsing
  • pseudo-geestelijke taal zonder inhoud

En uiteindelijk: leerstellige vervlakking.

Want wie waarheid relativeert tot beleving,
kan geen dwaling meer benoemen.

De ironie

Men zegt: “Wij willen meer van de Geest.”

Maar de Geest werkt door het Woord.

Wanneer het Woord naar de achtergrond schuift en beleving centraal staat,
verdwijnt juist datgene wat men zegt te zoeken.

De Heilige Geest is geen sfeer.
Hij is de Geest der waarheid.

En waarheid is niet wat jij voelt.

Wat staat er werkelijk op het spel?

Dit is geen stijlkwestie.
Dit is geen temperamentverschil.
Dit raakt het fundament van geloof.

Is waarheid:

  • datgene wat ik ervaar?

of

  • datgene wat God geopenbaard heeft?

Dat onderscheid bepaalt of de gemeente een pijler en vastigheid der waarheid blijft —
of een spiritueel ervaringscentrum wordt.

Een ongemakkelijke conclusie

Gevoel is een gave.
Maar gevoel is een slechte heer.

Het christelijk geloof rust niet op innerlijke warmte,
maar op goddelijke openbaring.

De volgorde is:

God spreekt → wij horen → wij geloven → wij weten → wij ervaren vrede.

Draai je dat om,
dan krijg je religie zonder fundament.

En een huis zonder fundament
valt — vroeg of laat.

Niet via Israël, niet via de Wet, maar via Genade alléén

Handelingen 15 rekent af met een verkeerd uitgangspunt

Handelingen 15 is geen detail in de Bijbelse heilsgeschiedenis. Het is een beslissend moment waarin het Evangelie wordt veiliggesteld tegen vermenging.

De stelling die in Jeruzalem werd ingebracht was bikkelhard:

“Indien gij niet besneden wordt naar de wijze van Mozes, zo kunt gij niet zalig worden.”
(Handelingen 15:1 STV)

Met andere woorden:

Heidenen moesten volgens hen daar ‘onder Mozes’ komen.
Onder Israël.
Onder de Wet.

Dan pas konden zij zalig worden.

Dat was de kern van het conflict.

Petrus’ explosieve uitspraak

Wanneer Petrus opstaat, zegt hij iets dat de religieuze hiërarchie volledig op zijn kop zet.

Hij rekent af met deze misvatting:

“Maar wij geloven door de genade van de Heere Jezus Christus zalig te worden, op zulke wijze als ook zij.”
(Handelingen 15:11 STV)

Let op de volgorde.

Niet: zij zoals wij.
Maar: wij zoals zij.

Dat is geen verspreking. Dat is een leerstellig fundament.

Als hij had gezegd: “zij zoals wij”, dan bleef Israël de norm. Dan zou het klinken alsof heidenen mogen delen in een Joods ‘heilsvoordeel’.

Maar Petrus zegt het dus andersom.

Wij worden zalig zoals zij.

Dat betekent:

Wij Joden worden niet behouden vanwege onze verbonden.
Niet vanwege Mozes.
Niet vanwege besnijdenis.
Niet vanwege nationale verkiezing.

Wij worden behouden zoals heidenen, door Genade.

Dat breekt alle eventueel nog aanwezige religieuze hoogmoed radicaal af.

De Wet was nooit een heilsweg

Petrus zegt:

“Nu dan, wat verzoekt gij God, om een juk op den hals der discipelen te leggen, hetwelk noch onze vaders, noch wij hebben kunnen dragen?”
(Handelingen 15:10 STV)

Dat juk was de Wet.

En Petrus erkent openlijk:

Wij konden het niet dragen.

Dus hoe zou het dan een reddingsweg kunnen zijn?

Paulus zegt:

“Daarom zal uit de werken der wet geen vlees gerechtvaardigd worden voor Hem; want door de wet is de kennis der zonde.”
(Romeinen 3:20 STV)

De Wet openbaart zonde.
Zij rechtvaardigt niet.

Dat gold voor heidenen.
Dat gold óók voor Israël.

Het Oude Testament bevestigt dit patroon

God klaagt in het Oude Testament voortdurend over het ongeloof van Zijn eigen volk.

“Hoe lang zal Mij dit volk lasteren? en hoe lang zullen zij niet aan Mij geloven?”
(Numeri 14:11 STV)

“Om al dit zondigden zij nog, en geloofden niet aan Zijn wonderen.”
(Psalm 78:32 STV)

“Ik heb kinderen grootgemaakt en verhoogd; maar zij hebben tegen Mij overtreden.”
(Jesaja 1:2 STV)

“Maar dit volk heeft een afvallig en wederspannig hart.”
(Jeremia 5:23 STV)

Israël had:

– de Wet
– de verbonden
– de tempeldienst
– de profeten

Maar het hart bleef ongelovig.

Mozes zegt al:

“Maar de HEERE heeft ulieden geen hart gegeven om te verstaan, noch ogen om te zien, noch oren om te horen, tot op dezen dag.”
(Deuteronomium 29:4 STV)

Dat is aangrijpend.

Verbondspositie veranderde het hart niet.

Daarom belooft God via de profeten een nieuw verbond:

Zie, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik met het huis van Israël en met het huis van Juda een nieuw verbond zal maken;
Niet naar het verbond dat Ik met hun vaderen gemaakt heb, ten dage als Ik hun hand aangreep om hen uit Egypteland uit te voeren; welk Mijn verbond zij vernietigd hebben, hoewel Ik hen getrouwd had, spreekt de HEERE.(Jeremia 31:31-32 STV)

“En Ik zal u een nieuw hart geven.”
(Ezechiël 36:26 STV)

Het probleem was niet gebrek aan religie.
Het probleem was ongeloof.

Komt het heil uit Israël? Ja. Loopt het via Israël? Nee.

De Heere Jezus zegt:

“De zaligheid is uit de Joden.”
(Johannes 4:22 STV)

Omdat Christus uit Israël is voortgekomen:

“Uit welken Christus is, zoveel het vlees aangaat.”
(Romeinen 9:5 STV)

Historisch komt het heil uit Israël.

Maar volgens de Verlossinsleer loopt het heil niet via Israël.

De toegang is niet Mozes.
Niet het Sinaïtische verbond.
Niet nationale afkomst.

De toegang is Christus.

“Want er is één God, er is ook één Middelaar Gods en der mensen, de Mens Christus Jezus.”
(1 Timotheüs 2:5 STV)

De Gemeente en Israël

In de Gemeente is geen hiërarchisch onderscheid in de zaligheid:

“Want Hij is onze Vrede, Die deze beiden één gemaakt heeft, en den middelmuur des afscheidsels gebroken hebbende.”
(Efeze 2:14 STV)

“Opdat Hij die twee in Zichzelven tot één nieuwen mens zou scheppen.”
(Efeze 2:15 STV)

“Daarin is noch Jood noch Griek.”
(Galaten 3:28 STV)

De Gemeente is geen heidense uitbreiding van Israël onder de Wet.

Zij is een nieuw lichaam in Christus:

“Want ook wij allen zijn door één Geest tot één lichaam gedoopt.”
(1 Korinthe 12:13 STV)

Dat betekent niet dat Israël ophoudt Israël te zijn in Gods heilsplan.

Maar het betekent wel:

Er is geen dubbele heilsroute.

Niet één via Wet voor Israël
en één via Genade voor heidenen.

Er is één Weg.

Handelingen 15 bewaart het evangelie voor vermenging.

Israël had voorrechten.
Israël had openbaring.
Israël had de Wet.

Maar Israël had óók ongeloof.

Daarom zegt Petrus het zo radicaal:

“Wij geloven door de genade van de Heere Jezus Christus zalig te worden, op zulke wijze als ook zij.”
(Handelingen 15:11 STV)

Wij — zoals zij.

Dat breekt verbondstrots.
Dat breekt wetticisme.
Dat breekt religieuze hiërarchie.

Het heil komt historisch uit Israël.
Maar het loopt niet via Israël.

Cruciaal

Verder vermeldt de Hebreeenbrief nog het volgende:

Want het betaamde Hem om Welken alle dingen zijn en door Welken alle dingen zijn, dat Hij vele kinderen tot de heerlijkheid leidende, den oversten Leidsman hunner zaligheid door lijden zou heiligen.
Want én Hij Die heiligt, én zij die geheiligd worden, zijn allen uit één; om welke oorzaak Hij Zich niet schaamt hen broeders te noemen Zeggende: Ik zal Uw Naam Mijn broederen verkondigen; in het midden der gemeente zal Ik U lofzingen. En wederom: Ik zal Mijn betrouwen op Hem stellen. En wederom: Ziedaar, Ik en de kinderen die Mij God gegeven heeft. (Hebreeën 2:10-13 STV)

Het heil loopt via Christus alleen. En Hij is met name dáárom onze ‘oudste broer’.

Dát is Bijbels.

En wie daar iets tussen stopt, hoe goedbedoeld ook, herhaalt precies het probleem dat in Handelingen 15 principieel werd verworpen.

Dat is géén detail.

Dát is het Evangelie.

Israël onze “oudste broer”…..dat is de vraag

Hoezo ‘broer’?

Er wordt vandaag in sommige kringen met een toon gesproken die niet warm is, maar dwingend.
Wie zich niet onvoorwaardelijk schaart achter “Israël”, wordt argwanend bekeken.
Wie onderscheid maakt tussen volk, verbond en staat, zou “afstand nemen van Gods plan”.

Dat is een gevaarlijke ontwikkeling.

Want zodra emotie de uitleg vervangt, zitten we op eeen hellend vlak.

Eerst helder krijgen: wat is Israël Bijbels gezien

Israël in de Bijbel is geen idee. Geen symbool. Geen slogan.

“En Hij zeide: Uw naam zal voortaan niet Jakob genoemd worden, maar Israël…” (Genesis 32:28 STV)

Israël is het fysieke nageslacht van Jakob.

“Want gij zijt een heilig volk den HEERE, uw God; u heeft de HEERE, uw God, verkoren…” (Deuteronomium 7:6 STV)

Israël is het verbondsvolk onder de Sinaïtische wet.

“Welke Israëlieten zijn, welker is de aanneming tot kinderen, en de heerlijkheid, en de verbonden…” (Romeinen 9:4 STV)

 

Israël is drager van concrete beloften, inclusief een landbelofte.

Dat staat vast.

Maar nergens leert de Schrift dat de Gemeente onder Israël als geestelijk gezag staat. Of dat er familiaire banden en verantwoordelijkheden zouden bestaan.
Nergens leert deze dat een politieke staat automatisch heilig is.

De alarmistische toon van nu

In sommige kringen hoor je:

  • “Als je niet onvoorwaardelijk achter Israël staat, sta je tegen God.”
  • “Wie kritiek heeft op de staat Israël, raakt aan Gods oogappel.”
  • “De Gemeente is de jongere broer en moet leren luisteren naar Israël.”

Dit klinkt misschien vroom.
Maar het verplaatst ongemerkt van Bijbels geloof naar religieuze druk.

Romeinen 11 waarschuwt voor hoogmoed tegen het Bijbelse volk Israël:

“Zo roem niet tegen de takken…” (Romeinen 11:18 STV)

Maar dat vers creëert geen geestelijke hiërarchie, geen heilsvolgorde, en zegt uitdrukkelijk niets over een seculiere Jodenstaat in het laatste der dagen.

Het roept op tot nederigheid, niet tot onderwerping aan eem ide-fixe.

Sterker nog

In Handelingen 15 staat hoe het Joodse volk geacht wordt behouden te worden en dat is niet vanwege hun afstamming. Petrus zegt daar over het behoud van de Joden met zoals de heidenen en niet andersom:

“En God, de Kenner der harten, heeft hun getuigenis gegeven, hun gevende den Heiligen Geest, gelijk als ook ons;  En heeft geen onderscheid gemaakt tussen ons en hen, gereinigd hebbende hun harten door het geloof. ….. Maar wij geloven, door de genade van den Heere Jezus Christus, zalig te worden, op zulke wijze als ook zij.”(Handelingen 15:8,9 en 11 STV)

Hier will ik in een volgend blog verder op inzoomen.

De huidige staat is niet het verbondsvolk

De moderne staat Israël is een politieke natie.
Met overwegend ongelovige inwoners .
Met seculiere wetten.
Met regeringscoalities.
Met feilbare leiders.

De Bijbelse term “Israël” is een verbondsmatige categorie.

Wie deze twee één-op-één gelijkstelt, sacraliseert politiek.

En dat is leerstellig de plank misslaan.

God heeft Zijn volk niet verstoten:

“God heeft Zijn volk niet verstoten, hetwelk Hij tevoren gekend heeft.” (Romeinen 11:2 STV)

Maar dat vers legitimeert geen enkele regeringsbeslissing.

Of zelfs een terugverzameling in ongeloof, op eigen initatief

Het andere uiterste is net zo fout

Vervangingstheologie zegt: Israël is voorbij.

Dat is onbijbels

“En alzo zal geheel Israël zalig worden…” (Romeinen 11:26 STV)

Israël heeft toekomst.

Maar toekomst betekent niet dat de Gemeente een daaraan ondergeschikte positieheeft of krijgt.

In Christus is er geen etnische rangorde:

“Daarin is noch Jood noch Griek… want gij allen zijt een in Christus Jezus.” (Galaten 3:28 STV)

De Gemeente is geen “jongere broer” onder Israël.
Zij is het lichaam van Christus.

En Christus is het Hoofd.

Niet Jeruzalem.
Niet een parlement.
Niet een vlag.

Waar het echt gierend misgaat

De huidige toon in sommige kringen is niet alleen positief over Israël, maar afdwingend.

Wie niet meegaat, wordt gezien als geestelijk tekortschietend.
Wie nuanceert, zou de profetieën verzwakken.
Wie onderscheid maakt, wordt verdacht.

Dat is geen gezonde Schriftuitleg.

Dat is groepsdruk met Bijbelse termen.

En dat is precies wat Paulus níet doet in Romeinen 9–11.
Hij huilt over Israël.
Hij analyseert.
Hij onderscheidt.
Maar hij dwingt geen politieke loyaliteit af.

Wat is dan het Bijbelse evenwicht?

Erken Israëls unieke roeping.
Ontken haar toekomst niet.
Roem niet tegen de takken.

Maar maak ook geen theocratie van een moderne seculiere staat.
Maak geen broederschap tot politieke slogan.
Maak geen profetie tot partijlijn.

De Schrift bewaart onderscheid.

“Want de Genadegiften en de roeping Gods zijn onberouwelijk.” (Romeinen 11:29 STV)

God is trouw aan Zijn beloften. Geen twijfel mogelijk.
Maar Hij vraagt geen blinde ideologische trouw van ons.

Israël is niet onze “oudste broer” in de zin van geestelijk gezag.
De Gemeente is geen ondergeschikte familieafdeling.
De staat Israël is geen heilige entiteit, boven alle kritiek verheven.

Het Bijbelse Israël is Gods verbondsvolk met een blijvende plaats in Zijn heilsplan.
De Gemeente is het lichaam van Christus met een hemelse roeping.

En Christus alleen is ons Hoofd.

Wanneer dát verdwijnt achter vlaggen, slogans of dwingende retoriek,
is het tijd om terug te keren naar de Schrift,
en niet naar de emotie.

zie ook:

Tien misverstanden over Israël

https://archive.vn/fdQBk

Israël in de Bijbel is niet hetzelfde als de moderne Joodse staat

Christenen voor Israël? Pas op met DIT…

De mythe rond Israël: wat het dominante narratief weglaat

De toekomstige en zekere bekering van Israël, – geen automatisme

De grote verdrukking, voor wie bestemd

Een gaven-test: handig hulpmiddel of geestelijke misleiding?

Is dit dan de Bijbelse weg?

In evangelische gemeenten is het vrij gebruikelijk: een gaven-test. Een vragenlijst die je invult, waarna je een uitslag krijgt: “jij hebt waarschijnlijk de gave van onderwijs”, “jij bent een herderstype”, “jij hebt profetie”, “jij bent een apostolische pionier”.

Het klinkt godsvruchtig, het klinkt praktisch, en het geeft mensen houvast. Maar juist daarom moet je één vraag stellen die zelden gesteld wordt:

Als de Geest nooit los staat van het Woord, dan kunnen wij geen instrumenten normaliseren die het gezag verschuiven van Schrift naar zelfanalyse.

Wat de Schrift wél zegt over geestelijke gaven

“En er is verscheidenheid der gaven, doch het is dezelfde Geest.” (1 Korinthe 12:4 STV)

“Doch deze dingen alle werkt een en dezelfde Geest, delende aan een iegelijk in het bijzonder, gelijkerwijs Hij wil.” (1 Korinthe 12:11 STV)

Daar staat iets dat veel gaven-tests ondermijnt: gaven zijn niet primair “jouw talentprofiel”, maar uitdelingen van de Geest. Niet jij bepaalt het. Niet een vragenlijst detecteert het. De Geest deelt uit

“gelijkerwijs Hij wil”.

Dát zet de toon. Niet ik centraal, maar Christus. Niet mijn identiteit, maar Zijn lichaam.

Wat je nergens tegenkomt in het Nieuwe Testament

Je ziet in Handelingen en de brieven geen tests, geen uitslagen, geen categorieën “jij scoort hoog op profetie”. De gaven worden zichtbaar in de praktijk van het gemeenteleven: opbouw, dienst, herkenning, bevestiging.

En als er sprake is van erkenning, gaat het om geestelijke realiteit, niet om zelfrapportage.

“Daarom herinner ik u, dat gij de gave Gods wederom opwekt, die in u is door de oplegging mijner handen.” (2 Timotheüs 1:6 STV)

Hier is “gave” geen label uit een test, maar een werkelijkheid die in een concrete, geestelijke context herkend en aangesproken wordt.

De grote verschuiving: van roeping naar zelfbeeld

Een gaven-test lijkt onschuldig, maar hij verschuift ongemerkt het centrum.

Je krijgt al snel een cultuur van:

  • Wie ben ik?
  • Wat past bij mij?
  • Waar voel ik me goed bij?
  • Wat zegt mijn uitslag?

En intussen verdwijnt de Bijbelse grondtoon:

  • Dien de Heere.
  • Dien de heiligen.
  • Bouw op.
  • Verloochen uzelf.
  • Volg Christus.

Een test maakt “gaven” al snel tot identiteit in plaats van dienstbaarheid.

Het gevaar van excuus-theologie

Een van de meest schadelijke bijwerkingen:

“Ik heb niet de gave van evangelisatie, dus dat is niet mijn taak.”
“Ik heb niet de gave van barmhartigheid, dus daar ben ik nu eenmaal niet zo van.”
“Ik heb niet de gave van onderwijs, dus ik hoef de Schrift niet zo te kennen.”

Maar de Schrift roept alle gelovigen op tot gehoorzaamheid en vrucht, niet alleen de “gifted types”.

“Dient elkander, een iegelijk naar de gave, die hij ontvangen heeft, als goede uitdelers der menigerlei genade Gods.” (1 Petrus 4:10 STV)

Let op de orde: niet “vind je gave en claim je plek”, maar dien elkaar. In het dienen blijkt wat God geeft.

Het test-denken is vaak gewoon karakterkunde

Veel gaven-tests meten vooral:

  • persoonlijkheid
  • voorkeuren
  • sociale stijl
  • natuurlijke talenten

Dat kan nuttig zijn als menselijke zelfkennis. Maar het is iets anders dan “geestelijke gave”. Een gave is niet hetzelfde als “ik praat graag” of “ik organiseer graag”.

De Schrift legt het gewicht niet bij “wat ligt mij”, maar bij “wat werkt God”.

“Want het is God, Die in u werkt beide het willen en het werken, naar Zijn welbehagen.” (Filippenzen 2:13 STV)

Dat is doorslaggevend: God werkt. En wat Hij werkt, wordt zichtbaar in vrucht, opbouw en realiteit — niet in een scorelijst.

Let op: de test kan ook geestelijk gezag doen kantelen

Sommige systemen gaan verder dan “hulpje”. Ze worden normgevend.

  • leiders sturen mensen op basis van testuitslag
  • “apostolische” en “profetische” profielen worden verheven
  • de gemeente wordt ingedeeld in rollen alsof het een bedrijf is
  • kritiek wordt afgewimpeld: “jij begrijpt dit niet want jij hebt die gave niet”

Dat is niet neutraal. Dat is een machtsstructuur in de verpakking van geetelijkheid.

En zodra “profetisch/apostolisch” taalgebruik boven de Schrift gaat functioneren, is de kern al verloren: dan staat “de Geest” praktisch los van “het Woord”.

De toets blijft: Schrift, Christus, opbouw

De vraag is niet: welke uitslag heb ik?
De vraag is: bouwt dit de gemeente op volgens de Schrift? Verheerlijkt dit Christus?

“Tot de wet en tot de getuigenis! Zo zij niet spreken naar dit woord, het zal zijn, dat zij geen dageraad zullen hebben.” (Jesaja 8:20 STV)

En nog scherper:

“Maar al ware het ook, dat wij, of een engel uit de hemel u een ander Evangelie verkondigde, buiten hetgeen wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt.” (Galaten 1:8 STV)

Ook een “hemelse ervaring” is niets waard als deze afwijkt van het geopenbaarde Woord.

Een gaven-test kan hoogstens dienen als menselijke reflectie op aanleg en voorkeur. Maar zodra hij geestelijke autoriteit krijgt, wordt het link.

De Schrift leert geen test-cultuur, maar een dien-cultuur.
De Geest deelt uit zoals Hij wil.
De gemeente herkent wat God werkt.
En het Woord blijft de toets.

Wie dat omdraait — wie eerst zichzelf meet en daarna “geestelijk” noemt wat eruit komt — is al op weg naar een geloof dat draait om de mens, niet om Christus.

 

De Geest en het Woord. De doorslaggevende toets

Er wordt gespeculeerd over de leiding van de Geest. Over beweging. Over openbaring. Over doorbraak.

Over de Geest niet voor de voeten lopen.

Maar de vraag dringt zch bij mij op: wat is de toets?

De Schrift laat geen ruimte voor een Heilige Geest die los functioneert van het geschreven Woord van God. Dat is geen detailkwestie, maar een doorslaggevend punt.

De Geest is de Auteur van de Schrift

“Want de profetie is voortijds niet voortgebracht door de wil van een mens, maar de heilige mensen Gods, van de Heilige Geest gedreven zijnde, hebben ze gesproken.” (2 Petrus 1:21 STV)

De Bijbel is geen verslag van religieuze ervaringen, maar Goddelijke openbaring. De Heilige Geest is de Inspirator van de Schrift. Daarom kan Hij Zichzelf niet tegenspreken.

Een “woord van de Geest” dat afwijkt van het geschreven Woord, kan niet van dezelfde Geest afkomstig zijn.

De Geest verheerlijkt Christus

“Maar wanneer Die zal gekomen zijn, namelijk de Geest der waarheid, Hij zal u in al de waarheid leiden; want Hij zal van Zichzelven niet spreken, maar zo wat Hij zal gehoord hebben, zal Hij spreken, en de toekomende dingen zal Hij u verkondigen. Die zal Mij verheerlijken; want Hij zal het uit het Mijne nemen, en zal het u verkondigen.” (Johannes 16:13–14 STV)

De Geest spreekt niet autonoom. Hij neemt uit wat van Christus is. En Christus is geopenbaard in de Schrift.

Waar de nadruk verschuift naar ervaring, manifestatie en sfeer, terwijl het geopende Woord naar de achtergrond verdwijnt, ontstaat een fundamentele scheefgroei.

Het zwaard van de Geest, onderdeel van de geestelijke wapenrusting, is het Woord

“Neemt ook de helm der zaligheid, en het zwaard des Geestes, hetwelk is Gods Woord.” (Efeze 6:17 STV)

De Geest werkt met een concreet instrument: het Woord. Niet emotie. Niet muziek. Niet onze verwachtingen. Niet groepsdynamiek.

Het Woord overtuigt. Het Woord ontmaskert. Het Woord bouwt op.

Wie de Geest losmaakt van het Woord, ontneemt Hem Zijn eigen zwaard.

Wedergeboorte door het Woord

“Naar Zijn wil heeft Hij ons gebaard door het Woord der waarheid.” (Jakobus 1:18 STV)

“Gij, die wedergeboren zijt, niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad, door het levende en eeuwig blijvende Woord van God.” (1 Petrus 1:23 STV)

Zelfs het nieuwe leven ontstaat niet buiten het Woord om. Dat zet veel hedendaagse nadruk op “ervaring eerst, onderwijs later” in een onthullend licht.

De toets is dus:

Niet wat wij voelen.
Niet wat een leider beweert.
Niet wat indrukwekkend lijkt.
Niet wat “krachtig” aanvoelt.

De toets is het geschreven Woord van God.

“Tot de wet en tot de getuigenis! Zo zij niet spreken naar dit woord, het zal zijn, dat zij geen dageraad zullen hebben.” (Jesaja 8:20 STV)

Dat is een radicale maatstaf. Spreekt iets niet overeenkomstig het geopenbaarde Woord, dan ontbreekt het licht.

Ook bovennatuurlijke verschijningen zijn geen autoriteit wanneer zij afwijken van het Evangelie:

“Maar al ware het ook, dat wij, of een engel uit de hemel u een ander Evangelie verkondigde, buiten hetgeen wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt.” (Galaten 1:8 STV)

En daarom:

“Geliefden, gelooft niet een iegelijken geest, maar beproeft de geesten, of zij uit God zijn.” (1 Johannes 4:1 STV)

Beproeven vraagt een objectieve norm. Die norm is de Schrift.

Wat er op het spel staat

Als de Geest wordt losgemaakt van het Woord ontstaat:

– leiderschap gebaseerd op charisma in plaats van exegese
– openbaring zonder toetsing
– ervaring zonder fundament
– geestelijkheid zonder waarheid

Als het Woord wordt losgemaakt van de Geest ontstaat dor intellectualisme.

De Bijbel kent geen van beide uitersten. Hij kent een Geest die door het Woord werkt.

De beslissende vraag

Is het Woord de doorslaggevende toets
Of is het slechts decor rond om wat wij wenselijk achten en “geestelijk” noemen?

Waar het Woord regeert, daar werkt de Geest.
Waar het Woord wordt omzeild, daar moet men waakzaam zijn.

De toets is dus niet mystiek.
Het is de Schrift.

En dat onderscheid is vandaag urgenter dan ooit.

Het offer van Christus, méér dan Zijn kruisdood

Zijn hele leven was een offer

In veel prediking wordt het offer van Christus vrijwel gelijkgesteld aan één moment: het kruis. Golgotha is het centrum. Daar werd de schuld gedragen. Daar vloeide het bloed. Daar riep Hij:

“Toen Jezus dan de edik genomen had, zeide Hij: Het is volbracht! En het hoofd buigende, gaf den geest.” (Johannes 19:30 STV)

En toch… als we de Schrift nauwkeurig lezen, ontdekken we dat het offer van Christus méér omvat dan alleen Zijn kruisdood. Het kruis is het hart van het werk – maar niet het hele werk.

Wie het offer reduceert tot alleen het sterven, doet onbedoeld tekort aan de rijkdom van wat God heeft geopenbaard.

Het offer begon niet op Golgotha

Het offer van Christus begon niet toen de spijkers door Zijn handen gingen. Het begon bij Zijn komst in de wereld.

“Daarom, komende in de wereld, zegt Hij: Slachtoffer en offerande hebt Gij niet gewild, maar Gij hebt Mij het lichaam toebereid;
Brandoffers en offer voor de zonde hebben U niet behaagd;Toen sprak Ik: Zie, Ik kom (in het begin des boeks is van Mij geschreven), om Uw wil te doen, o God.
Als Hij tevoren gezegd had: Slachtoffer en offerande en brandoffers en offer voor de zonde hebt Gij niet gewild, noch hebben U behaagd (dewelke naar de wet geofferd worden),
Toen sprak Hij: Zie, Ik kom, om Uw wil te doen, o God. Hij neemt het eerste weg, om het tweede te stellen.
In welken wil wij geheiligd zijn door de offerande des lichaams van Jezus Christus, eenmaal geschied”. (Hebreeën 10:5-10 STV)

Hij ontving een lichaam met een doel: om het te geven. Zijn hele leven stond in het teken van gehoorzaamheid. Niet incidenteel. Niet gedeeltelijk. Volkomen.

“En in gedaante gevonden als een mens, heeft Hij Zichzelven vernederd, gehoorzaam geworden zijnde tot den dood, ja, den dood des kruises.” (Filippenzen 2:8 STV)

Zijn hele leven was een offer. Het kruis was geen noodlottige afloop. Het was het goddelijke plan.

Het bloed werd niet alleen gestort, het werd ook binnengebracht

Hier wordt het vaak stil in prediking. Want Hebreeën leert ons iets dat verder gaat dan alleen het sterven.

“Maar Christus, gekomen zijnde een Hogepriester der toekomende goederen, door den meerderen en volmaakten tabernakel, niet met handen gemaakt, dat is, niet van dit maaksel, ook niet door het bloed der bokken en kalveren, maar door Zijn eigen bloed, eenmaal ingegaan in het heiligdom, een eeuwige verlossing teweeggebracht hebbende.” (Hebreeën 9:11-12 STV)

In het Oude Testament was het niet genoeg dat het offerdier werd geslacht. De hogepriester moest het bloed binnenbrengen in het heilige der heiligen.

Dat deed Christus.

Hij stierf.
Maar Hij ging ook in.
Hij bracht Zijn eigen bloed in het ware, hemelse heiligdom.

Zonder die hogepriesterlijke bediening is het beeld onvolledig.

De opstanding hoort ook bij het offer

Het evangelie eindigt niet bij een dode Heiland. De opstanding is geen bijzaak. Deze is essentieel.

“Welke overgeleverd is om onze zonden, en opgewekt om onze rechtvaardigmaking.” (Romeinen 4:25 STV)

Zijn opstanding bevestigt:

  • dat het offer door God is aanvaard
  • dat de schuld werkelijk is weggedragen
  • dat de dood niet het laatste woord heeft

Een gestorven Messias kan geen levende Middelaar zijn. Maar Christus leeft.

Zijn werk gaat door

Het offer is niet maar een eenmalige gebeurtenis in het verleden. Het heeft een voortdurende werking.

“Waarom Hij ook volkomenlijk kan zalig maken degenen die door Hem tot God gaan, alzo Hij altijd leeft om voor hen te bidden.” (Hebreeën 7:25 STV)

Hij leeft.
Hij bidt.
Hij past toe wat Hij verwierf.

Zijn kruisdood is het fundament.
Zijn huidige bediening is de toepassing.

Waarom dit zo belangrijk is

Wanneer het evangelie wordt teruggebracht tot een emotioneel moment bij het kruis, verliest men het zicht op de verheven, hemelse bediening van Christus.

Christus is niet slechts het Lam dat geslacht werd.
Hij is ook de Hogepriester Die leeft.

“Want met één offerande heeft Hij in eeuwigheid volmaakt degenen, die geheiligd worden.” (Hebreeën 10:14 STV)

Dat is geen halve verlossing.
Dat is geen tijdelijke oplossing.
Dat is een volkomen, blijvend, hemels werk.

Het offer van Christus is groter dan Golgotha alléén.

Het is het volbrachte én levende werk van de opgewekte, verheerlijkte Here Jezus Christus .

Die niet alleen stierf, maar leeft tot in eeuwigheid.

lees ook:

Wat het Hogepriesterschap van Christus vandaag voor ons betekent

Het kruis is het fundament, het Evangelie is meer

“Koning Jezus”

Wat doet Christus sinds Zijn opstanding?

Het leven van Christus

Het leven van Christus: meer dan een inspirerend voorbeeld

Veel christenen lezen de Evangeliën alsof zij een verzameling losse lessen zijn. Mooie woorden. Aansprekende verhalen. Een moreel voorbeeld.

Maar het leven van de Here Jezus Christus is geen losse verzameling inspiratie. Het staat midden in Gods heilsplan. Wie dat niet ziet, leest de Evangeliën te klein.

Christus kwam niet in een leeg veld

“Maar wanneer de volheid des tijds gekomen is, heeft God Zijn Zoon uitgezonden, geworden uit een vrouw, geworden onder de wet.” (Galaten 4:4 STV)

Hij kwam niet om een nieuwe religie te starten.
Hij werd geboren in Israël.
Hij leefde onder de Wet.
Hij sprak tot een verbondsvolk.

Dat bepaalt alles.

Zijn prediking, Zijn wonderen, Zijn discussies met Farizeeën — ze staan in het kader van Israëls geschiedenis en de oudtestamentische beloften.

Het Koninkrijk was geen vaag begrip

“Bekeert u; want het Koninkrijk der hemelen is nabijgekomen.” (Mattheüs 4:17 STV)

Dat Koninkrijk was geen innerlijke gemoedstoestand. Het was verbonden met:

  • de troon van David
  • de beloften aan Abraham
  • het herstel van Israël

De eerste hoorders begrepen dat heel concreet.

Wie het Koninkrijk alleen vergeestelijkt, maakt het kleiner dan de Schrift het doet.

De wonderen waren tekenen

“Indien Ik door den Geest Gods de duivelen uitwerp, zo is dan het Koninkrijk Gods tot u gekomen.” (Mattheüs 12:28 STV)

Zijn wonderen waren geen spektakel.
Ze bevestigden Zijn identiteit.
Ze lieten zien: hier handelt de Messias.

Blindheid wijkt.
Demonen vluchten.
De dood wijkt.

Dat zijn Koninkrijks-tekenen.

De verwerping veranderde de situatie

“Hij is gekomen tot het Zijne, en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen.” (Johannes 1:11 STV)

De Evangeliën laten een duidelijke beweging zien:

  • Aanvankelijke verwondering
  • Toenemende weerstand
  • Uiteindelijk verwerping

Het kruis was geen onverwacht ongeluk.
Maar het was wel het gevolg van echte afwijzing.

Dat moment is een breuklijn in de heilsgeschiedenis.

Het kruis centraal

“Maar Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld.” (Jesaja 53:5 STV)

Hier ligt het hart van alles.

Niet het voorbeeld van Jezus.
Niet alleen Zijn onderwijs.
Maar Zijn offer.

Hier wordt zonde geoordeeld.
Hier wordt schuld gedragen.
Hier wordt verzoening bewerkt.

Zonder kruis geen evangelie.

De opstanding opent een nieuwe fase

“Hij is hier niet; want Hij is opgestaan.” (Mattheüs 28:6 STV)

De opstanding bevestigt:

  • Het offer is aanvaard
  • De dood is overwonnen
  • De geschiedenis is niet vastgelopen

Maar opvallend is de vraag van de discipelen:

“Heere, zult Gij in dezen tijd aan Israël het Koninkrijk weder oprichten?” (Handelingen 1:6 STV)

Die vraag wordt niet bespot.
Ze wordt niet gecorrigeerd.
Het tijdstip blijft verborgen.

Dat laat zien dat Gods plan groter is dan één moment.

Het leven van Christus is fundament én toekomst

Christus zit nu aan Gods rechterhand.

“Daarom kan Hij ook volkomenlijk zalig maken degenen, die door Hem tot God gaan, alzo Hij altijd leeft om voor hen te bidden.” (Hebreeën 7:25 STV)

Zijn aardse leven was:

  • de vervulling van oudtestamentische beloften
  • het keerpunt van Israëls geschiedenis
  • de grondslag voor wereldwijde redding
  • de garantie van toekomstige vervulling

Wie de Evangeliën losmaakt van die grote lijn, verliest diepte.

Geen sentimentaliteit, maar heilswerk

Het leven van Christus is geen religieuze inspiratiebron.
Het is de beslissende ingreep van God in de geschiedenis.

“Want gelijk zij allen in Adam sterven, alzo zullen zij ook in Christus allen levend gemaakt worden.” (1 Korinthe 15:22 STV)

Dat is geen poëzie.
Dat is realiteit.

En wie dat ziet, leest de Evangeliën niet meer oppervlakkig.

Misschien is de belangrijkste vraag niet hoe wij het leven van Christus begrijpen,

maar of wij bereid zijn het in zijn volle Bijbelse gewicht te laten staan.

Niet verkleind tot moraal, niet vervluchtigd tot gevoel, maar erkend als Gods beslissende handelen in de geschiedenis.

Wie de Evangeliën goed leest, kan niet neutraal blijven.

Christus is óf de vervulling van Gods beloften — óf Hij is het niet. Maar zelf invullen of half lezen is geen optie.

 

Welke Jezus het over gaat

Een andere Jezus? Of de Christus der Schriften?

Soms hoor je mensen met overtuiging spreken over “Jezus”.

Het klinkt echt.
Het klinkt oprecht.
Het klinkt geestelijk.

Maar als je goed luistert, dringt zich een ongemakkelijke vraag op:

Over Wie heeft men het eigenlijk?

Is dit de Here Jezus Christus van de Schrift?
Of is het een andere Jezus?

Paulus waarschuwt :

“Want indien hij, die komt, een andere Jezus predikt, dien wij niet gepredikt hebben, of gij een anderen geest ontvangt, dien gij niet ontvangen hebt, of een ander evangelie, dat gij niet aangenomen hebt, zo verdraagt gij hem met recht.”
(2 Korinthe 11:4 STV)

Blijkbaar kan men “Jezus” zeggen — en toch niet de Jezus bedoelen Die de apostelen verkondigd hebben.

Niet zomaar een futiliteit.

Een Jezus zonder kruis

De Jezus die vandaag vaak wordt gepresenteerd, is inspirerend en toegankelijk.
Hij helpt je verder.
Hij geeft je rust.
Hij bevestigt je identiteit.

‘Jezus in je kontzak’

Maar waar is het kruis?

Waar is het plaatsvervangend lijden?
Waar is de verzoening door Zijn bloed?
Waar is Gods toorn over de zonde?

De Schrift zegt:

“Maar wij prediken Christus, den Gekruisigde, den Joden wel een ergernis, en den Grieken een dwaasheid.”
(1 Korinthe 1:23 STV)

De Bijbelse prediking draait niet om een spiritueel voorbeeld, maar om de Gekruisigde.

Zonder kruis blijft er een religieuze figuur over.
Maar géén Verlosser.

Een Jezus zonder heerschappij

Er wordt veel gesproken over “een relatie hebben met Jezus”.
Maar zelden over Zijn heerschappij.

Toch zegt de Schrift:

“En alle tong zou belijden, dat Jezus Christus de Heere zij, tot heerlijkheid Gods des Vaders.”
(Filippenzen 2:11 STV)

Niet: Jezus als aanvulling op mijn leven.
Maar: Jezus Christus de Heere.

Dat betekent gezag.
Dat betekent onderwerping.
Dat betekent dat Hij bepaalt.

Een Jezus zonder heerschappij is een aangepaste Jezus.
Een veilige Jezus.
Maar niet de verhoogde Christus.

Een Jezus zonder oordeel

Onze tijd verdraagt geen oordeel.
Dus wordt ook Jezus herschreven.

Men zegt: Hij veroordeelt niet.
Hij accepteert onvoorwaardelijk.
Hij bevestigt wie je bent.

Maar de Schrift zegt:

“Want wij allen moeten geopenbaard worden voor den rechterstoel van Christus.”
(2 Korinthe 5:10 STV)

De Here Jezus is niet alleen Zaligmaker.
Hij is óók Rechter.

Wie dat verwijdert, houdt een halve Christus over.
En een halve Christus is een andere Christus.

De Christus der Schriften

Paulus vat het Evangelie samen:

“Want ik heb ulieden ten eerste overgegeven, hetgeen ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften;
En dat Hij is begraven, en dat Hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften.”
(1 Korinthe 15:3–4 STV)

Twee keer klinkt het: naar de Schriften.

Dat is cruciaal.

De ware Christus is niet gevormd door ervaring, cultuur of emotie, maar geopenbaard in het Woord.

Ook na Zijn opstanding verwijst Hij naar de Schrift:

“En begonnen hebbende van Mozes en van al de Profeten, legde Hij hun uit, in al de Schriften, hetgeen van Hem geschreven was.”
(Lukas 24:27 STV)

De opgestane Christus bevestigt Zichzelf vanuit de Schrift.

Geen eigen godsbeeld maken

Hier raakt het de kern van afgoderij.

Het tweede gebod zegt:

“Gij zult u geen gesneden beeld maken, noch enige gelijkenis, van hetgeen boven in den hemel is, noch van hetgeen onder op de aarde is, noch van hetgeen in de wateren onder de aarde is.”
(Exodus 20:4 STV)

Dat gaat niet alleen over hout of steen.
Het gaat over het principe: God laat Zich niet door mensen verbeelden.

Niet fysiek.
Maar ook niet mentaal.

Zodra wij Christus aanpassen aan onze voorkeur, maken wij een beeld.

Een Jezus die:

– nooit confronteert
– nooit oordeelt
– altijd bevestigt
– past bij de tijdgeest
– onze keuzes ondersteunt

Dat is geen openbaring.
Dat is projectie.

De Here zegt:

“Want Mijn gedachten zijn niet ulieder gedachten, en uw wegen zijn niet Mijn wegen, spreekt de HEERE.”
(Jesaja 55:8 STV)

God openbaart Zichzelf.
Wij hebben Hem niet bedacht.

De kern van afgoderij

Paulus beschrijft het scherp:

“Zich uitgevende voor wijzen, zijn zij dwaas geworden;
En hebben de heerlijkheid des onverderfelijken Gods veranderd in de gelijkenis van een beeld…”
(Romeinen 1:22–23 STV)

Let op dat woord: veranderd.

Dat is precies wat er gebeurt wanneer wij Christus herschrijven.

Een veranderde Christus is geen Bijbelse Christus meer.

 

De toetssteen

Hoe onderscheiden wij het echte van het vervalste?

Door te toetsen aan de Schrift.

“Beproeft de geesten, of zij uit God zijn.”
(1 Johannes 4:1 STV)

Vraag daarom:

– Wordt Zijn kruisdood centraal gesteld?
– Wordt Zijn opstanding historisch en lichamelijk beleden?
– Wordt Zijn heerschappij erkend?
– Wordt Zijn heiligheid niet afgezwakt?
– Wordt Hij gepredikt overeenkomstig de apostolische verkondiging?

De Naam “Jezus” alleen is niet genoeg.
De inhoud moet overeenstemmen met de Schrift.

Waar het om gaat

Niet: spreken wij over Jezus?
Maar: spreken wij over de Here Jezus Christus naar de Schriften?

Want alleen de Christus der Schriften:

verzoent werkelijk
rechtvaardigt goddelozen
– geeft nieuw leven
– is Hoofd over Zijn Gemeente
– komt weder om te oordelen
– zal regeren op de troon van David

Alles wat daarvan afwijkt — hoe vroom, gevoelig, of populair ook — is een reductie.

En is uiteindelijk een andere Jezus.

Daarom is onderscheiden geen wantrouwen.
Het is gehoorzaamheid aan het Woord.

 

Is de gemeente geroepen om nu te heersen over de aarde?

Een Bijbels onderscheid tussen scheppingsmandaat en Koninkrijk

Onlangs hoorde ik de uispraak:

“De mens (en dus de gemeente?) is een tempel en geroepen om te heersen over deze wereld”

Dat klinkt krachtig. Bijbels zelfs. Maar bij nadere beschouwing blijkt hier een fundamentele verschuiving plaats te vinden.

Laten we zorgvuldig onderscheiden wat de Schrift erover zegt.

Het scheppingsmandaat

De uitspraak verwijst meestal naar Genesis.

“En God zeide: Laat Ons mensen maken, naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis; en dat zij heerschappij hebben over de vissen der zee, en over het gevogelte des hemels, en over het vee, en over de gehele aarde, en over al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt.” (Genesis 1:26 STV)

Hier gaat het om de mensheid als schepsel, in de oorspronkelijke scheppingsorde. Dit is geen politieke of geestelijke dominantie, maar rentmeesterschap onder God.

De mens mocht beheren, (verwijst prmair al naar Christus, wat Hij daadwerkelijk zal doen t.z.t) niet nú autonoom regeren.

De breuk van de zondeval

Na Genesis 3 verandert alles.

“Vervloekt is het aardrijk om uwentwil; met smart zult gij daarvan eten al de dagen uws levens.” (Genesis 3:17 STV)

De aarde wordt niet een terrein van triomf, maar van strijd. De heerschappij van de mens is niet opgeheven, maar wel gebroken en gefrustreerd.

Sindsdien leeft de mens in een gevallen wereld.

Daarom is het leerstellig onjuist om Genesis 1 rechtstreeks toe te passen op de gemeente alsof er niets is gebeurd.

Wat zegt het Nieuwe Testament over de gemeente?

Het Nieuwe Testament beschrijft de gemeente niet als een heersend machtsinstituut, maar als een lichaam in een vijandige wereld.

“Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld.” (Johannes 18:36 STV)

En:

“Want wij hebben hier geen blijvende stad, maar wij zoeken de toekomende.” (Hebreeën 13:14 STV)

De toon is duidelijk: pelgrimschap, verwachting, volharding.

Niet dominantie.

De toekomstige heerschappij

De Schrift spreekt wél over heerschappij, maar in toekomstig perspectief.

“En zij leefden en heersten als koningen met Christus, duizend jaren.” (Openbaring 20:4 STV)

En:

“Indien wij verdragen, wij zullen ook met Hem heersen.” (2 Timotheüs 2:12 STV)

De volgorde is wezenlijk: eerst verdragen, dan heersen.

Het Koninkrijk in zichtbare heerschappij is verbonden aan Christus’ wederkomst, niet aan een huidige kerkelijke machtspositie.

Waar gaat het leerstellig mis?

Wanneer men zegt dat de gemeente nú geroepen is om te heersen over de aarde, gebeuren er meestal vier dingen.

Er wordt geen rekening gehouden met de zondeval.
Het kruis wordt praktisch overgeslagen.
De eschatologie wordt naar voren gehaald.
En het Koninkrijk wordt verward met de huidige bedeling van Genade.

Hier raakt dit denken dikwijls aan dominion-theologie of NAR-invloeden, waarin de kerk wordt gezien als instrument om de aarde onder geestelijk gezag te brengen.

Maar dat is niet de toon van het Nieuwe Testament.

Het onderscheid tussen Koninkrijk en Gemeente

De Schrift leert dat Christus zal heersen.

“En de HEERE zal Koning worden over de ganse aarde.” (Zacharia 14:9 STV)

Dat is verbonden aan Zijn openbaring in macht en heerlijkheid.

De gemeente daarentegen wordt nu gekenmerkt door:

  • getuigenis
  • lijden
  • verwachting
  • afhankelijkheid

Christus is het Hoofd.

“En Hij is het Hoofd des lichaams, namelijk der Gemeente.” (Kolossenzen 1:18 STV)

De gemeente regeert niet autonoom; zij onderwerpt zich.

De kern van het vraagstuk

De uitspraak “de gemeente moet heersen” klinkt actief en krachtig. Maar zij verschuift de hoop van de toekomst naar het heden.

Het accent verschuift van:

wederkomst
naar
culturele transformatie.

Van:

volharding
naar
invloed.

Van:

verwachting
naar
project.

Dat is een leerstellige verlegging van perspectief.

Ja, de mens kreeg in Genesis een scheppingsmandaat.
Ja, Christus zal heersen.
Ja, de heiligen zullen met Hem regeren.

Maar dat behoort tot het toekomende wereldbestel.

Nu leeft de gemeente in de spanning van het “reeds” en het “nog niet”.

De kerk, de Gemeente, is geen machtsinstituut dat de aarde moet onderwerpen. Zij is een lichaam dat getuigt en uitziet.

De vraag is daarom niet: hoe veroveren wij de aarde?

De vraag is: blijven wij trouw aan Christus terwijl wij wachten op Zijn Koninkrijk?

Stierf de Here Jezus Christus voor alle mensen?

Stierf de Here Jezus Christus voor alle mensen?

Algehele verzoening – afdoende en voldoende voor de hele mensheid

De vraag of de Here Jezus Christus voor alle mensen gestorven is, raakt het hart van het evangelie. Het gaat hier niet om een scholastische discussie, maar om de aard van Gods liefde, de omvang van het Verlossingswerk en de oprechtheid van de evangelieverkondiging.

Deze leer wordt vaak aangeduid als algehele verzoening. Die term vraagt om zorgvuldige uitleg. Deze betekent niet dat alle mensen automatisch behouden worden. Zij betekent wél dat het offer van Christus afdoende is voor de gehele mensheid.

Ik kijk hiernaar aan de hand van de Schrift (STV).

De duidelijke uitspraken van de Schrift

Gods liefde geldt voor de wereld

“Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.” (Johannes 3:16 STV)

Het object van Gods liefde is “de wereld”. Niet slechts een beperkte groep., zoals ‘de uitverkorenen’. De toepassing ligt vervolgens bij “een iegelijk, die in Hem gelooft”.

De voorziening is universeel.
De toepassing is persoonlijk.

‘Allen’ volgens de Dikke van Dale uitg. 1976

Christus stierf voor allen

“Want de liefde van Christus dringt ons; als die dit oordelen, dat indien Eén voor allen gestorven is, zo zijn zij allen gestorven.” (2 Korinthe 5:14 STV)

“En Hij is voor allen gestorven, opdat degenen, die leven, niet meer zichzelven zouden leven, maar Dien, Die voor hen gestorven en opgewekt is.” (2 Korinthe 5:15 STV)

Paulus gebruikt zonder terughoudendheid het woord “allen”. De lezing is inclusief. Insluitend dus.

Een verzoening voor de gehele wereld

“En Hij is een verzoening voor onze zonden; en niet alleen voor de onze, maar ook voor de zonden der gehele wereld.” (1 Johannes 2:2 STV)

Johannes maakt hier expliciet onderscheid tussen “onze zonden” en “de gehele wereld”. Indien “de gehele wereld” slechts de uitverkorenen zou betekenen, verliest de tegenstelling haar betekenis.

Hij smaakte de dood voor allen

“Maar wij zien Jezus met heerlijkheid en eer gekroond, Die een weinig minder dan de engelen geworden was, vanwege het lijden des doods, opdat Hij door de genade Gods voor allen den dood smaken zou.” (Hebreeën 2:9 STV)

De tekst zelf geeft geen enkele aanwijzing voor een beperking.

Een rantsoen voor allen

“Welke wil, dat alle mensen zalig worden, en tot kennis der waarheid komen.” (1 Timotheüs 2:4 STV)

“Die Zichzelven gegeven heeft tot een rantsoen voor allen, zijnde de getuigenis te zijner tijd.” (1 Timotheüs 2:6 STV)

Gods heilswil en Christus’ zelfgave worden beide in universele termen beschreven.

Wat algehele verzoening betekent

Algehele verzoening houdt in:

het offer is voldoende voor alle mensen

het offer is niet beperkt in waarde

het evangelie kan oprecht aan allen worden aangeboden

Het betekent niet dat iedereen automatisch gered wordt.

Wat algehele verzoening niet betekent

De Schrift leert duidelijk dat niet allen behouden worden.

“Die in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld; maar die niet gelooft, is alrede veroordeeld, dewijl hij niet heeft geloofd in den Naam des eniggeboren Zoons van God.” (Johannes 3:18 STV)

“En dezen zullen gaan in de eeuwige pijn; maar de rechtvaardigen in het eeuwige leven.” (Mattheüs 25:46 STV)

Er is een reële scheiding tussen geloof en ongeloof.

Het Verlossingswerk is afdoende voor allen.
Het wordt toegepast op wie gelooft.

 

Romeinen 5 – de parallel met Adam

“Daarom, gelijk door één mens de zonde in de wereld ingekomen is, en door de zonde de dood; en alzo de dood tot alle mensen doorgegaan is, in welken allen gezondigd hebben.” (Romeinen 5:12 STV)

“Want gelijk door de ongehoorzaamheid van dien enen mens velen tot zondaars gesteld zijn geworden, alzo zullen ook door de gehoorzaamheid van Eén velen tot rechtvaardigen gesteld worden.” (Romeinen 5:19 STV)

De werking van Adam strekte zich uit tot allen. Het werk van Christus is minstens zo ruim in grondslag, hoewel de toepassing plaatsvindt door geloof.

De oprechtheid van de evangelieverkondiging

Paulus schrijft:

“Zo zijn wij dan gezanten van Christus’ wege, alsof God door ons bade; wij bidden van Christus’ wege: Laat u met God verzoenen.” (2 Korinthe 5:20 STV)

Dit appel kan alleen oprecht tot ieder mens klinken wanneer er werkelijk een verzoeningsgrond voor allen is gelegd.

De Schrift leert helder:

Christus stierf voor alle mensen.
Zijn offer is afdoende/ voldoende voor de gehele mensheid.
Het wordt effectief toegepast op wie gelooft.

Zo blijven twee Bijbelse lijnen onaangetast:

Gods Genade is rijk en universeel in voorziening. Het wordt aangeboden aan iedereen.
De redding is persoonlijk en alleen door geloof.

Daarom kan het Evangelie zonder voorbehoud gepredikt worden aan ieder mens.

En ieder mens staat voor dezelfde vraag:

Gelooft u dit?

Waarom we spreken van de Here Jezus Christus, en niet simpelweg van “Jezus”

Waarom we spreken van de Here Jezus Christus, en niet simpelweg van “Jezus”

In gesprekken hoor je het: “Jezus dit” en “Jezus dat.”
Soms oprecht bedoeld. Soms bijna terloops. Soms zelfs achteloos.

Het komt zelfs ook voor dat Hij benaderd wordt als een  soort butler die geacht wordt in actie te komen op commando.

Maar waarom spreken gelovigen traditioneel van de Here Jezus Christus?
Is dat ouderwets taalgebruik? Vrome gewoonte? Of zit er iets diepers achter?

De Schrift zelf geeft het antwoord.

De naam Jezus — Zijn vernedering

De naam Jezus is de naam van Zijn menswording.

“En zij zal een Zoon baren, en gij zult Zijn naam heten JEZUS; want Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden.” (Mattheüs 1:21 STV)

Dat is de naam die Hij ontving bij Zijn geboorte.
De naam van de Mens geworden Zoon.
De naam verbonden aan Bethlehem, Nazareth, Galilea en Golgotha.

In de Evangeliën lezen we hoe mensen “Jezus volgden”. Zij liepen letterlijk achter Hem aan. Zij zagen Hem, hoorden Hem, raakten Hem aan.

Maar de Schrift blijft daar niet bij staan.

Christus — Zijn goddelijke aanstelling

“Christus” betekent: de Gezalfde.
Het is de Griekse vertaling van “Messias”.

“Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods.” (Mattheüs 16:16 STV)

Christus is dus géén achternaam. Het is een titel.
Het spreekt van Zijn ambt. Zijn goddelijke roeping. Zijn zalving door de Vader.

Als Christus is Hij:

– Profeet
– Priester
– Koning

Wanneer wij Hem “Christus” noemen, belijden wij dat Hij de door God gezonden Verlosser is.

Dat is méér dan alleen de historische Jezus.

Here — Zijn verhoging

Na kruis en opstanding is Hij niet slechts Jezus van Nazareth.

“Zo wete dan zekerlijk het ganse huis Israëls, dat God Hem tot een Heere en Christus gemaakt heeft, namelijk dezen Jezus, Dien gij gekruist hebt.” (Handelingen 2:36 STV)

Hier klinkt iets beslissends.

God heeft Hem tot Heere gemaakt.

Heere betekent: Soevereine, Meester, Eigenaar.
Het Griekse Kurios werd gebruikt voor absolute heerschappij.

Daarom schrijft Paulus:

“Daarom heeft Hem ook God uitermate verhoogd, en heeft Hem een Naam gegeven, welke boven allen naam is.” (Filippenzen 2:9 STV)

En verder:

“Opdat in de Naam van Jezus zich zou buigen alle knie dergenen die in den hemel, en die op de aarde, en die onder de aarde zijn.” (Filippenzen 2:10 STV)

Wij spreken dus niet meer slechts over de vernederde Jezus.
Wij spreken over de verhoogde Heere.

Waarom dat verschil, zeker vandaag, relevant is

In onze tijd is “Jezus” soms gereduceerd tot een vriendelijke spirituele figuur.
Een inspirerend voorbeeld.
Een zachte rabbi.
Een moreel kompas.

Maar de Bijbel presenteert Hem als veel meer.

Wanneer de apostelen hun brieven openen, schrijven zij niet achteloos.

“Genade zij u en vrede van God, onzen Vader, en den Heere Jezus Christus.” (Romeinen 1:7 STV)

Dat is geen stijlvorm. Dat is belijdenis.

Elke keer dat zij die volle naam gebruiken, erkennen zij:

– Zijn menswording
– Zijn Messiaanse zending
– Zijn koninklijke heerschappij

Het gaat niet om vrome formaliteit

Dit is geen taalpolitie.
Het is geen wettische regel.

Het gaat om erkenning.

Wie Hij is, bepaalt hoe wij Hem noemen.

Wanneer wij spreken van de Here Jezus Christus, doen wij precies wat de Schrift doet: wij belijden Hem in de volheid van Zijn Persoon en werk.

Niet kleiner dan Hij is.
Niet oppervlakkiger dan de apostelen deden.
Niet vertrouwelijker dan gepast is.

Eerbied begint in taal

Taal vormt denken.
Denken vormt geloofsbeleving.

Wie achteloos spreekt, denkt vaak ook achteloos.
Wie belijdend spreekt, houdt zijn hart bij de waarheid.

Hij is Jezus — de Mens geworden Zoon.
Hij is Christus — de Gezalfde van God.
Hij is de Here — verhoogd boven alle naam.

En daarom spreken wij niet simpelweg over “Jezus”.

Daarom: Here Jezus Christus.

lees ook:

Jezus volgen of Christus volgen; geen woordspel, maar een fundament

De Naam die men liever niet noemt

Jezus volgen of Christus volgen; geen woordspel, maar een fundament

Jezus volgen of Christus volgen; geen woordspel, maar een fundament

“Ik wil Jezus volgen.”
“Wij volgen Christus.”

Deze woorden klinken vertrouwd. Ze worden gezongen, gebeden en gepreekt. Maar wat bedoelen we er werkelijk mee? Is het slechts een andere formulering voor hetzelfde? Of zit er een Bijbels onderscheid in dat je niet mag negeren?

Het gaat dus niet om semantiek. om gegoochel met woorden of muggenzifterij achter de komma.

Het gaat om het hart van het Evangelie.

Jezus, de vernederde Knecht

De naam Jezus is de naam van Zijn menswording.

“En zij zal een Zoon baren, en gij zult Zijn naam heten JEZUS; want Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden.” (Mattheüs 1:21 STV)

Dat is de naam van Bethlehem. Van Nazareth. Van Galilea. Van Gethsémané.

En van Golgotha.

Wanneer mensen in de Evangeliën Jezus volgden, was dat letterlijk. Zij liepen achter Hem aan. Zij hoorden Zijn onderwijs. Zij zagen Zijn tekenen.

“En Hij zeide tot hen: Volgt Mij, en Ik zal u vissers van mensen maken.” (Mattheüs 4:19 STV)

Maar ook toen al was volgen geen vrijblijvende sympathie.

“Toen zei Jezus tot Zijn discipelen: Zo iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelf, en neme zijn kruis op, en volge Mij.” (Mattheüs 16:24 STV)

Dat is geen religieuze betrokkenheid. Dat is zelfverloochening. Kruisdragen. Sterven aan het eigen ‘ik’

Wie Jezus volgt, verliest zijn oude centrum.

Christus – de Gezalfde, de verhoogde Heer

‘Christus’ is geen achternaam. Het betekent: de Gezalfde. De Messias.  De verheerlijkte. Degene die beloofd was.

“Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God.” (Mattheüs 16:16 STV)

Hier wordt duidelijk wie Jezus werkelijk is: niet slechts een leraar of rabbi, maar de door God gezalfde Verlosser.

Na kruis, opstanding en hemelvaart verschuift het accent in het Nieuwe Testament. De brieven spreken vooral over Christus, de verheerlijkte Heer.

“Die Hij gewrocht heeft in Christus, als Hij Hem uit de doden heeft opgewekt, en heeft Hem gezet tot Zijn rechterhand in den hemel,
Ver boven alle overheid en macht en kracht en heerschappij, en allen naam die genaamd wordt, niet alleen in deze wereld, maar ook in de toekomende;
En heeft alle dingen Zijn voeten onderworpen, en heeft Hem der gemeente gegeven tot een Hoofd boven alle dingen” (Efeze 1:21-23 STV)

“Daarom heeft Hem ook God uitermate verhoogd en heeft Hem een Naam gegeven, welke boven allen naam is” (Filippenzen 2:9 STV)

“Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zo zoekt de dingen die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechterhand Gods.” (Kolossenzen 3:1 STV)

Wij volgen Hem niet meer over de stoffige wegen van Galilea. Wij kennen Hem als Degene Die gezeten is aan de rechterhand van God.

Dat is een fundamentele verschuiving.

Wij kennen Hem niet meer naar het vlees

Paulus formuleert dit scherp:

“Zo dan, wij kennen van nu aan niemand naar het vlees; en indien wij ook Christus naar het vlees gekend hebben, nochtans kennen wij Hem nu niet meer naar het vlees.” (2 Korinthe 5:16 STV)

“Naar het vlees” betekent: vanuit het aardse, menselijke perspectief. Als Zoon van David. Als Messias onder de wet.

“Maar wanneer de volheid des tijds gekomen is, heeft God Zijn Zoon uitgezonden, geworden uit een vrouw, geworden onder de wet.” (Galaten 4:4 STV)

Dat was Zijn aardse bediening.

Maar nu is Hij verhoogd. En Paulus voegt er direct aan toe:

“Daarom, indien iemand in Christus is, die is een nieuw schepsel; het oude is voorbijgegaan, ziet, het is alles nieuw geworden.” (2 Korinthe 5:17 STV)

De gelovige behoort niet meer tot de oude orde. Hij behoort tot de, en is reeds nu al, de jure, een nieuwe schepping.

“Want gij zijt gestorven, en uw leven is met Christus verborgen in God.”(Kolossenzen 3:3 STV)

‘Geliefden, nu zijn wij kinderen Gods, en het is nog niet geopenbaard wat wij zijn zullen. Maar wij weten dat als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem zullen gelijk wezen; want wij zullen Hem zien gelijk Hij is.”(1 Johannes 3:2 STV)

Wie blijft steken bij de “aardse Jezus” als moreel voorbeeld, mist de heerlijkheid van de verhoogde Christus.

Het gevaar van moralistische navolging

In onze tijd wordt “Jezus volgen” vaak ingevuld als:

– liefdevol leven
– recht doen
– goed zijn voor anderen

Dat klinkt nobel. Maar als het Evangelie gereduceerd wordt tot navolging van een moreel voorbeeld, dan is het kruis uit beeld verdwenen.

De Schrift zegt niet dat wij gered worden door Jezus na te bootsen, maar door te geloven dat Hij de Christus is.

“Opdat gij gelooft dat Jezus is de Christus, de Zoon van God; en opdat gij, gelovende, het leven hebt in Zijn Naam.” (Johannes 20:31 STV)

Het fundament is geloof.

“Ik ben met Christus gekruisigd; en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij; en hetgeen ik nu in het vlees leef, dat leef ik door het geloof des Zoons Gods, Die mij liefgehad heeft, en Zichzelven voor mij overgegeven heeft.” (Galaten 2:20 STV)

Navolging begint bij éénwording met Christus in Zijn dood en opstanding. Niet bij gedragsverandering, maar bij een nieuwe positie.

Paulus als voorbeeld van hemelse gerichtheid

Daarom durft Paulus te zeggen:

“Weest mede mijn navolgers, broeders, en merkt op hen die alzo wandelen, gelijk gij ons tot een voorbeeld hebt.” (Filippenzen 3:17 STV)

En hij verduidelijkt:

“Weest mijn navolgers, gelijk ook ik van Christus.” (1 Korinthe 11:1 STV)

Hij vraagt geen persoonsverheerlijking. Hij wijst op een levenswandel die gevormd is door de verheerlijkte Christus.

In diezelfde context zegt hij:

“Broeders, ik acht niet dat ik zelf het gegrepen heb. Maar één ding doe ik: vergetende hetgeen dat achter is, en strekkende mij tot hetgeen dat vóór is, jaag ik naar het wit, tot de prijs der roeping Gods, die van boven is in Christus Jezus.” (Filippenzen 3:13–14 STV)

Zijn blik is niet gericht op de zienlijke aardse dingen, maar de dingen die boven zijn.

“Maar onze wandel is in de hemelen, waaruit wij ook den Zaligmaker verwachten, namelijk den Heere Jezus Christus.” (Filippenzen 3:20 STV)

Dát is het kader van Bijbelse navolging.

Jezus volgen en Christus volgen zijn geen twee verschillende wegen. Maar de nadruk is beslissend.

Zonder het belijden dat Jezus de Christus is, blijft men steken bij bewondering.

Zonder leven vanuit de verhoogde Christus, blijft men hangen in een aards perspectief.

Bijbelse navolging is:

geloven dat Jezus de Christus is
vertrouwen op Zijn volbrachte werk
leven vanuit de positie in Hem
zoeken wat boven is
wandelen overeenkomstig het evangelie

De vraag is daarom niet alleen:

Volg jij Jezus?

Maar vooral:

Geloof jij dat Jezus de Christus is  de gekruisigde, opgestane en verheerlijkte Heer?

Dáár begint het leven.
Dáár begint de navolging.

 

Geverifieerd door MonsterInsights