Het verzwakte christendom is een groot probleem, niet de Islam

Hoe het Westen zijn geestelijke fundament verloor

of:

Hoe de islam het ontstane vacuüm vult en christenen hun eigen geloof nauwelijks nog durven verdedigen

Er wordt veel gesproken over de islamisering van Europa. Over moskeeën, migratie, islamitische invloed, religieuze gevoeligheden en de toenemende druk om kritiek op de islam vooral voorzichtig te formuleren.
Maar misschien stellen we wel de verkeerde vraag.

De vraag is niet alleen waarom de islam in het Westen steeds zichtbaarder wordt. De veel ongemakkelijkere vraag is:

Waarom heeft het christendom zo gemakkelijk terrein prijsgegeven?

Want een beschaving die niet meer weet waarin ze gelooft, hoeft niet door een andere beschaving overwonnen te worden. Zij heeft zichzelf al ontwapend.
En daar ligt het probleem.

Een christendom dat zijn eigen fundament heeft verlaten

Het Westen is niet van de ene op de andere dag ontkerstend. Het gebeurde geleidelijk. Generatie na generatie werden christelijke overtuigingen afgezwakt, Bijbelse normen gerelativeerd en geestelijke waarheden ingeruild voor maatschappelijk aanvaardbare opvattingen.
Het resultaat is een uiterst merkwaardige vorm van christendom.
Er wordt nog gesproken over God, liefde, genade en naastenliefde. Maar zodra het gaat over zonde, bekering, Gods heiligheid, het oordeel of de waarheid van het Evangelie, wordt het ongemakkelijk.
Dan klinkt al snel dat we vooral niemand mogen kwetsen.
Alsof de grootste zonde inmiddels is geworden dat iemand zich aan de waarheid zou kunnen ergeren.
Maar sinds wanneer wordt de waarheid bepaald door de vraag of mensen haar aangenaam vinden?

De apostel Paulus schreef:

“En wordt dezer wereld niet gelijkvormig; maar wordt veranderd door de vernieuwing uws gemoeds…” (Romeinen 12:2, STV)

Dat is geen oproep om het christendom doorlopend aan de tijdgeest aan te passen.
Het is juist een waarschuwing om dat niet te doen.
Toch lijkt met name die aanpassing in grote delen van het westerse christendom de norm geworden.

Wanneer zonde niet meer zo genoemd wordt

Een van de meest ingrijpende veranderingen is de manier waarop tegenwoordig over goed en kwaad wordt gedacht.
De moderne samenleving hanteert steeds vaker een eenvoudige maatstaf: zolang niemand aantoonbaar schade ondervindt, is iets moreel aanvaardbaar.
Die gedachte klinkt sympathiek.
Maar is niet hetzelfde als de Bijbelse moraal.
De Schrift leert immers dat het kwaad niet pas begint wanneer iemand een ander lichamelijk beschadigt.
Het begint in het hart van de mens.
De Here Jezus Christus zegt:

“Want van binnen uit het hart der mensen komen voort kwade gedachten, overspelen, hoererijen, doodslagen, dieverijen, gierigheden, boosheden, bedrog, ontuchtigheid, een boos oog, lastering, hovaardij, onverstand.” (Markus 7:21-22, STV)

Let op wat de Here Jezus hier doet.
Hij beperkt de zonde niet tot zichtbaar geweld of aantoonbare maatschappelijke schade. Hij spreekt over begeerten, gedachten, hoogmoed en de innerlijke gesteldheid van de mens.
Dat is essentieel.
Een samenleving kan lichamelijk geweld afkeuren en tegelijkertijd hebzucht verheerlijken, wellust aanmoedigen, hoogmoed belonen en afgunst commercieel exploiteren.
Sterker nog: een aanzienlijk deel van onze consumptiecultuur draait op precies die verlangens.
En wat doet het moderne christendom?
Veel te vaak zwijgt het.
Niet omdat de Schrift onduidelijk is, maar omdat duidelijke Bijbelse uitspraken ‘maatschappelijk ongewenst’ zijn geworden.
Wanneer de cultuur bepaalt wat zonde mag heten, heeft de kerk haar gezag al uit handen gegeven.

De islam vult een leegte op die het Westen zelf heeft geschapen

Hier wordt de verhouding tussen islam en christendom erg interessant.
De islam presenteert zich als een religie met duidelijke overtuigingen. Zij kent religieuze verplichtingen, voorschriften over het dagelijkse leven, opvattingen over mannen en vrouwen en een sterk besef van religieuze identiteit.
Dat betekent dus niet dat die overtuigingen dus waar zijn.
Een religie kan zeer consequent zijn en toch op fundamentele punten dwalen.
Maar duidelijkheid heeft aantrekkingskracht in een samenleving die steeds minder zeker weet wat ze zelf gelooft.
Wanneer het Westen nauwelijks nog durft te spreken over waarheid, moraal en de betekenis van het menselijk bestaan, kan een religie die dat wel doet vanzelf aantrekkelijk worden.
Dat verklaart ook waarom sommige westerlingen zich tot de islam wenden.
Niet noodzakelijk omdat zij de Koran kritisch hebben onderzocht, de historische betrouwbaarheid van de islam hebben vastgesteld of de verschillen tussen Mohammed en de Here Jezus Christus zorgvuldig hebben bestudeerd.
Maar omdat de islam hun iets lijkt te bieden wat de moderne westerse cultuur is kwijtgeraakt: overtuiging, structuur en richting.
En dat is een zeer ernstige aanklacht tegen het verwaterde christendom.
Want waarom zou iemand zich aangetrokken voelen tot een christelijk geloof dat zich nauwelijks nog onderscheidt van het secularisme?
Waarom zou iemand luisteren naar christenen die zelf niet overtuigd lijken van de waarheid van hun eigen boodschap?

Een zelfverzekerde dwaling tegenover een verlegen waarheid

Hier ligt een pijnlijke tegenstelling.
De islam ontkent dat Jezus Christus de Zoon van God is. De Koran verwerpt de kruisiging zoals de Bijbel die verkondigt en bestrijdt essentiele onderdelen van het christelijke geloof.
In Soera 4:157 wordt de kruisiging van Jezus ontkend zoals christenen die belijden. In Soera 5:72 wordt de belijdenis dat Allah de Messias is uitdrukkelijk veroordeeld.
Daarmee staat de islam op fundamentele punten tegenover het Evangelie.
De Schrift verkondigt daarentegen:

“In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God.” (Johannes 1:1, STV)

En:

“En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond…” (Johannes 1:14, STV)

De Here Jezus Christus is niet maar een profeet in een lange rij boodschappers.
Hij is het vleesgeworden Woord, werkelijk God én werkelijk Mens.
Het verschil tussen islam en christendom is daarom niet een kwestie van religieuze smaak of culturele voorkeur.
Het gaat om de identiteit van Jezus Christus, Zijn volbrachte verzoeningswerk en de weg tot behoud.
Maar wat gebeurt er wanneer christenen deze waarheid nauwelijks nog durven uitspreken?
Dan ontstaat de merkwaardige situatie waarin een religie die de Godheid van Christus ontkent met grote overtuiging haar boodschap uitdraagt, terwijl degenen die belijden dat Jezus Christus de Waarheid is, zich verontschuldigen zodra zij dat hardop zeggen.
De islam hoeft niet eens haar eigen gelijk te bewijzen wanneer christenen zich al schamen voor hun eigen gelijk.

 

Het deurmat-christendom: wanneer lafheid voor liefde doorgaat

Er bestaat een vorm van christendom waarin verdraagzaamheid praktisch het hoogste gebod is geworden.
Nooit confronteren. Nooit tegenspreken. Nooit een scherpe vraag stellen. Vooral geen aanstoot geven.
Alles moet vriendelijk blijven.
Maar is dat Bijbels?
De Here Jezus waste de voeten van Zijn discipelen. Hij vernederde Zichzelf en gaf daarmee een indrukwekkend voorbeeld van dienstbaarheid.
Maar dezelfde Here Jezus verdreef ook de handelaars uit de tempel.
Dezelfde Christus die zachtmoedig en nederig van hart is, sprak ook:

“Wee u, gij Schriftgeleerden en Farizeën, gij geveinsden…” (Mattheüs 23:13, STV)

Hij sprak de waarheid, ook wanneer die Zijn toehoorders diep raakte.
Zijn liefde stond nooit tegenover de waarheid.
Het moderne deurmat-christendom heeft daarvan een karikatuur gemaakt.
Het verwart zachtmoedigheid met zwijgen, nederigheid met onzekerheid en liefde met het vermijden van iedere confrontatie.
Maar wie weigert dwaling te weerspreken omdat dat ongemakkelijk is, bewijst daarmee niet automatisch liefde aan degene die dwaalt.
Soms is zwijgen juist de gemakkelijkste weg.
En gemakzucht is geen christelijke deugd.
Paulus schreef:

“Predik het woord; houd aan tijdiglijk, ontijdiglijk; wederleg, bestraf, vermaan in alle lankmoedigheid en leer.” (2 Timotheüs 4:2, STV)

Merk op dat wederleggen, bestraffen en vermanen hier niet tegenover lankmoedigheid staan.
Ze horen bij elkaar.
Waarheid zonder liefde kan hard en liefdeloos worden. Maar liefde zonder waarheid wordt uiteindelijk inhoudsloos.

De islam mag bekritiseerd worden. Het christendom ook

In het publieke debat wordt kritiek op de islam regelmatig verbonden met de vraag of die kritiek vijandigheid tegenover moslims bevordert.
Dat onderscheid verdient zorgvuldigheid.
Een moslim is een mens die met waardigheid behandeld moet worden. Zijn overtuigingen mogen echter net zo kritisch worden onderzocht als die van een christen, atheïst of aanhanger van welke andere levensbeschouwing dan ook.
Kritiek op de islam is niet hetzelfde als vijandigheid tegenover moslims.
Dat onderscheid moet overeind blijven.
Want als religieuze overtuigingen aan kritisch onderzoek worden onttrokken, wordt de zoektocht naar waarheid ernstig belemmerd.
De Koran doet uitspraken over Jezus, de Bijbel, de profeten en de geschiedenis.
Die uitspraken mogen onderzocht worden.
Wanneer de Koran stelt dat Jezus niet gekruisigd werd zoals het Nieuwe Testament verkondigt, mag gevraagd worden op welke historische grond die bewering rust.
Wanneer wordt beweerd dat de Bijbel vervalst is, mag gevraagd worden waar het bewijs daarvoor is.
Wanneer Mohammed als de laatste profeet wordt gepresenteerd, mag gevraagd worden waarom zijn getuigenis zwaarder zou moeten wegen dan dat van de apostelen die al eeuwen eerder over Jezus Christus schreven.
Dat zijn geen beledigingen.
Het zijn gewoon inhoudelijke vragen.
En wie overtuigd is van de waarheid van zijn religie, zou niet bang moeten zijn voor zulke vragen, en die kunnen beantwoorden.
Maar diezelfde bereidheid tot onderzoek moet ook gelden voor christenen. Ook onze overtuigingen moeten aan de Schrift worden getoetst.
Niet traditie, gevoel of maatschappelijke acceptatie is de maatstaf.
Het Woord van God is dat.

Het christendom hoeft geen politieke machtsreligie te worden

Bij de oproep tot christelijke weerbaarheid is wel een belangrijk onderscheid nodig.
Het Evangelie wordt niet verdedigd door mensen met geweld tot geloof te dwingen.
De Gemeente van Jezus Christus is geen wereldlijk koninkrijk dat met militaire macht gevestigd moet worden.
De Here Jezus verklaarde tegenover Pilatus:

“Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld. Indien Mijn Koninkrijk van deze wereld ware, zo zouden Mijn dienaars gestreden hebben…” (Johannes 18:36, STV)

Daar ligt een principiële grens.
Christelijke vrijmoedigheid is niet hetzelfde als politieke overheersing. En geestelijke strijd is niet hetzelfde als gewapende strijd tegen mensen met een andere religie.
Paulus schreef:

“Want de wapenen van onzen krijg zijn niet vleselijk, maar krachtig door God, tot nederwerping der sterkten.” (2 Korinthe 10:4, STV)

De kracht van de Gemeente ligt niet in het zwaard van de overheid, maar in het Woord van God.
Dat maakt christenen niet weerloos.
Het betekent dat hun strijd een ander karakter heeft.
Wij hoeven de islam niet te bestrijden door moslims hun vrijheid te ontnemen. Wij mogen de leer van de islam toetsen, haar tegenstrijdigheden blootleggen en de waarheid van het Evangelie vrijmoedig verkondigen.
Dat is geen zwakte.
Dat is trouw aan de opdracht die de Here Jezus Christus Zijn discipelen heeft gegeven.

Een machtig Westen zonder geestelijke overtuiging

Het moderne Westen beschikt over een ongekende hoeveelheid materiële middelen.
Wetenschap, technologie, economische macht, militaire capaciteit en politieke instellingen hebben een niveau bereikt dat eerdere generaties nauwelijks konden voorstellen.
Maar al die middelen kunnen één ding niet vervangen: geestelijke overtuiging.
Een samenleving kan technisch hoogontwikkeld zijn en tegelijkertijd moreel richtingloos.
Deze kan voortdurend spreken over vrijheid en tegelijkertijd steeds minder verdragen dat iemand aanspraak maakt op objectieve waarheid.
En kan trots zijn op haar historische christelijke erfgoed en tegelijkertijd de inhoud van dat erfgoed nauwelijks nog kennen.
Daar ligt een van de grootste tegenstrijdigheden van onze tijd.
Het Westen heeft enorme vooruitgang geboekt in wat de mens kan, maar lijkt steeds minder zeker te weten waarvoor de mens leeft.
En in die leegte worden alternatieve levensbeschouwingen aantrekkelijk.
De islam is daarvan een zichtbaar voorbeeld, maar zeker niet de enige.
Het onderliggende probleem is dat een samenleving die haar eigen overtuigingen opgeeft, ontvankelijk wordt voor overtuigingen van anderen.

De grootste crisis bevindt zich binnen het christendom zelf

Daarom is het te gemakkelijk om alle problemen bij de islam neer te leggen.
Wie uitsluitend spreekt over islamisering, maar zwijgt over de ontkerstening van het Westen, behandelt symptomen terwijl de onderliggende crisis ongemoeid blijft.
Want wie heeft christenen gedwongen om het gezag van de Schrift te relativeren?
Wie heeft hen gedwongen om de Bijbelse leer over zonde en bekering naar de achtergrond te schuiven?
Wie heeft hen gedwongen om de exclusieve aanspraken van Jezus Christus af te zwakken?
En wie heeft hen gedwongen om het Evangelie te veranderen in een algemene boodschap van vriendelijkheid en maatschappelijke harmonie?
Dat zijn ontwikkelingen waarvoor het christendom zelf verantwoordelijkheid moet nemen.
De apostel Paulus waarschuwde:

“Want er zal een tijd zijn, wanneer zij de gezonde leer niet zullen verdragen; maar kittelachtig zijnde van gehoor, zullen zij zichzelven leraars opgaderen naar hun eigen begeerlijkheden.” (2 Timotheüs 4:3, STV)

Die waarschuwing verdient vandaag alle aandacht.
Niet omdat iedere moderne ontwikkeling verkeerd zou zijn, maar omdat de Gemeente nooit de vrijheid heeft gekregen om Gods Woord aan te passen aan menselijke voorkeuren.
Wanneer de Schrift niet langer doorslaggevend is, blijft uiteindelijk alleen een religie over die zegt wat mensen graag willen horen.
En zo’n religie heeft de wereld niets te vertellen.

De oplossing is geen nostalgie, maar terugkeer naar de Schrift

Het antwoord op de geestelijke crisis van het Westen is niet een terugkeer naar de middeleeuwen, een christelijke staatsmacht of een geïdealiseerd verleden.
De geschiedenis van het christendom kent zeker ook misbruik van macht, dwang en ernstige afwijkingen van de Schrift.
De oplossing ligt niet in het herstellen van alles wat ooit onder de noemer christendom is gebeurd.
De oplossing ligt in het opnieuw erkennen van het gezag van Gods Woord.
Niet de cultuur bepaalt wat waar is.
Niet de overheid bepaalt wat zonde is.
Niet de meerderheid bepaalt wie Jezus Christus is.
En ook niet de religieuze traditie heeft het laatste woord.
De Schrift getuigt van Hem.De Here Jezus zegt:

“Ik ben de Weg, en de Waarheid, en het Leven. Niemand komt tot den Vader, dan door Mij.” (Johannes 14:6, STV)

Dat is geen boodschap die zich gemakkelijk laat inpassen in een samenleving waarin alle religieuze overtuigingen uiteindelijk als gelijkwaardig worden beschouwd.
Het is een exclusieve aanspraak.
Maar juist daarom moet hij helder worden verkondigd.
Niet om moslims te vernederen.
Niet om atheïsten te beledigen.
Niet om een culturele machtsstrijd te winnen.
Maar omdat het behoud van mensen op het spel staat.

Tot slot:

Misschien moeten wij christenen eerst onszelf eens onderzoeken

De groeiende zichtbaarheid van de islam in Europa roept belangrijke vragen op.
Over godsdienstvrijheid. Over integratie. Over de verhouding tussen religie en overheid. Over de historische en leerstellige aanspraken van de Koran.
Die vragen mogen gesteld worden en verdienen eerlijke antwoorden.
Maar er is een vraag die christenen niet mogen ontwijken.
Waarom zou een wereld die op zoek is naar waarheid, luisteren naar christenen die zelf nauwelijks nog durven zeggen dat zij de waarheid kennen?
Misschien is de grootste bedreiging voor het christendom helemaal niet dat de islam zo overtuigd is van haar boodschap.
Misschien is het wel dat zoveel christenen de overtuiging van hun eigen boodschap zijn kwijtgeraakt.
De islam hoeft niet eerst overwonnen te worden om het Evangelie te kunnen verkondigen.
Christenen moeten eenvoudigweg weer bereid zijn dat Evangelie zonder schaamte te belijden.
Paulus schreef:

“Want ik schaam mij des Evangelies van Christus niet; want het is een kracht Gods tot zaligheid een iegelijk die gelooft, eerst den Jood, en ook den Griek.” (Romeinen 1:16, STV)

Dát is de houding die vandaag nodig is.

Geen haat tegenover moslims. Geen angst voor kritische vragen. Geen verwaterd christendom dat iedere confrontatie met de waarheid uit de weg gaat.
Maar een helder, Bijbelgetrouw en vrijmoedig getuigenis van de Here Jezus Christus.
Want de kracht van het christendom ligt niet in de zwakte van de islam, maar in de waarheid van het Evangelie.

En die waarheid hoeft zich voor niemand te verontschuldigen.

De kerk groeit! Maar is gemeentegroei ook geestelijke groei?

Is er misschien sprake van een “stofzuigerkerk?”

“Wij groeien tegen de landelijke trend in.”

Het werd niet zonder enige trots verteld. Terwijl overal kerken leeglopen, groeit onze gemeente ….

Dat klinkt indrukwekkend.

Maar wacht even.

Wie zijn die nieuwe mensen eigenlijk?

Zijn het mensen die het Evangelie hoorden, tot geloof in de Here Jezus Christus kwamen en vanuit de duisternis tot het licht werden gebracht?

Zijn het mensen die jarenlang niets meer met kerk of geloof hadden en door het Evangelie opnieuw werden bereikt?

Of zijn het voor een substantieel deel mensen die tot voor kort nog ergens anders op zondagmorgen in een kerkbank zaten?

Want in dat laatste geval hebben we een probleem met het woord groei.

Een volle zaal is nog geen bewijs van geestelijke groei
Stofzuigerkerk: Een volle zaal is nog geen bewijs van geestelijke groei

Van de ene kerkbank naar de andere

Wanneer honderd gelovigen gemeente A verlaten en vervolgens gemeente B bezoeken, heeft gemeente B honderd bezoekers gewonnen.

Maar het Koninkrijk van God heeft er daarmee niet honderd nieuwe gelovigen bij gekregen.

Er zijn voornamelijk honderd mensen verhuisd.

Dat onderscheid is belangrijk, juist in een tijd waarin groeiende, eigentijdse evangelische en charismatische gemeenten veel aantrekkingskracht kunnen uitoefenen. Rond Mozaiek is daarvoor zelfs het weinig subtiele begrip “stofzuigerkerk” gebruikt. Religiewetenschapper Miranda Klaver besprak die vraag destijds in 2019 bij EO Live. Daarbij wees zij er overigens terecht op dat de redenen waarom mensen van kerk veranderen uiteenlopen en dat het verschijnsel niet zomaar tot “concurrentie” kan worden gereduceerd.

Het beeld van die stofzuiger blijft niettemin hangen.

Een gemeente wordt groter en groter, terwijl andere gemeenten in de omgeving mensen zien vertrekken.

En vervolgens zegt de groeiende gemeente:

“Kijk eens hoe wij groeien!”

Oké…. Waar komt die groei vandaan?

 

Kerkelijke stoelendans is geen evangelisatie

Dat klinkt misschien scherp, maar we moeten ophouden met kerkelijke verschuivingen vanzelsprekend als vrucht te presenteren.

De Schrift kent namelijk echte gemeentegroei:

“En de Heere deed dagelijks tot de Gemeente, die zalig werden.” (STV)

Handelingen 2:47.

Let op wat er staat.

Niet:

de Heere deed dagelijks mensen tot de Gemeente die een andere gemeente aantrekkelijker vonden.

Niet:

die de muziek elders niet meer aansprekend vonden.

Niet:

die voor een professionelere dienst kozen.

Niet:

die achter een populaire spreker aangingen.

Er staat:

“die zalig werden.”

Dát is groei waarover we ons zonder reserve mogen verheugen.

 

“Wij groeien” zegt op zich niet zoveel

Het wordt tricky  wanneer numerieke groei wordt gebruikt als bewijs dat een bepaalde gemeentelijke koers juist moet zijn.

De redenering wordt dan ongeveer:

We hebben onze koers veranderd. Er komen steeds meer mensen. Dus kennelijk zegent God onze koers.

Maar waar staat die maatstaf in de Bijbel?

Nergens.

Populariteit bewijst geen waarheid.

Een volle zaal bewijst geen zuivere leer.

Een groeiend aantal bezoekers bewijst geen geestelijke gezondheid.

Een succesvolle formule bewijst al helemaal niet dat God Zijn goedkeuring aan die formule heeft gegeven.

De Bijbelse vraag is niet in de eerste plaats:

Werkt het?

Maar:

Is het waar?

 

Groei kan zelfs een breekijzer worden

En hier wordt het echt ongemakkelijk.

Want gemeentegroei kan intern als argument worden gebruikt om kritiek op een veranderende koers te neutraliseren.

Iemand vraagt bijvoorbeeld of bepaalde charismatische invloeden wel Bijbels zijn.

“Maar kijk eens hoeveel nieuwe mensen er komen!”

Iemand maakt zich zorgen over de prediking.

“Maar de gemeente groeit!”

Iemand vraagt waarom allerlei nieuwe praktijken worden ingevoerd.

“We bereiken er zoveel mensen mee!”

Iemand wil gewoon weten waar het allemaal in de Schrift staat.

En opnieuw verschijnt het wonderargument:

“Kijk naar de groei.”

Daarmee is alleen nog geen enkele Bijbelse vraag beantwoord.

Het is feitelijk een verandering van maatstaf. Niet langer staat de waarheid van Gods Woord centraal, maar het zichtbare, tastbare resultaat van de gekozen methode.

 

Sinds wanneer bepaalt succes wat waarheid is?

Dat is misschien wel de pijnlijkste vraag.

Wanneer een commerciële onderneming meer klanten krijgt, is groei een uitstekende maatstaf voor commercieel succes.

Maar de Gemeente van Jezus Christus is géén onderneming.

Voorgangers zijn geen ondernemers.

Gemeenteleden zijn geen klanten.

De samenkomst is geen product.

En het Evangelie is geen concept dat met voldoende muziek, licht, branding, sociale media, aansprekende sprekers en een uitgekiende bezoekerservaring succesvol in de markt moet worden gezet.

Paulus schrijft:

“Predik het Woord; houd aan tijdelijk, ontijdelijk; wederleg, bestraf, vermaan in alle lankmoedigheid en leer.” (STV)

2 Timotheüs 4:2.

Dat is opmerkelijk.

Paulus zegt niet tegen Timotheüs dat hij vooral moet ondrzoeken welke aanpak de grootste toestroom veroorzaakt.

Predik het Woord.

Ook wanneer dat Woord niet populair is.

 

Maar er komen toch mensen tot levend geloof?

Dat zou geweldig goed nieuws zijn  En wanneer iemand door het Evangelie tot levend geloof in de Here Jezus Christus komt, is dat reden tot grote vreugde en dankbaarheid.

Daar moeten we eerlijk in zijn.

Een recent verslag van de Protestantse Kerk over Mozaiek erkent aan de ene kant dat veel mensen aanhaken die al christen waren, maar vermeldt aan de andere kant dat uit doopgetuigenissen eveneens blijkt dat mensen met andere achtergronden tot geloof komen. Het verslag waarschuwt daarom terecht ook tegen een al te simpele voorstelling van zaken.

Dat maakt het onderscheid alleen maar belangrijker.

Noem bekering bekering.

Noem terugkeer terugkeer.

Maar noem kerkelijke migratie ook gewoon migratie.

Gooi die drie niet op één hoop om vervolgens één mooi klinkend groeipercentage te presenteren.

 

De aantrekkingskracht zegt óók iets over andere kerken

Ook daar moeten critici eerlijk over zijn.

Wanneer mensen massaal een gemeente verlaten, kun je niet uitsluitend naar de ontvangende gemeente wijzen.

Waarom vertrekken die mensen?

Waarom vonden zij kennelijk niet wat zij zochten?

Werd Gods Woord nog helder verkondigd?

Was er werkelijk gemeenschap?

Was er aandacht voor jongeren?

Was er geestelijk voedsel?

Of draaide men jarenlang op traditie en gewoonte?

Het genoemde PKN-verslag maakt precies deze interessante omkering: als een gemeente als een “stofzuiger” functioneert, kan dat erop wijzen dat er elders een vacuüm bestaat.

Dat is een terechte vraag.

Maar ook dat vacuüm rechtvaardigt niet automatisch alles wat de succesvolle gemeente doet.

De leegte van de ene kerk bewijst allerminst de Bijbelvastheid van de andere.

 

De grote verleiding van zichtbare cijfers

Wij mensen houden van wat meetbaar is.

Bezoekersaantallen.

Nieuwe locaties.

Volgers.

Views.

Dopen.

Groepen.

Omzet – pardon, giften.

En voor je het weet praten we over de Gemeente van Christus met het vocabulaire en de succescriteria van een onderneming.

Maar God kijkt niet naar een dashboard.

De gemeente in Laodicea had zelf een buitengewoon positief oordeel over haar toestand:

“Want gij zegt: Ik ben rijk, en verrijkt geworden, en heb geens dings gebrek; en gij weet niet, dat gij zijt ellendig, en jammerlijk, en arm, en blind, en naakt.” (STV)

Openbaring 3:17.

Dat is huiveringwekkend.

Hun eigen beoordeling van hun geestelijke toestand zat er volledig naast.

Daarom kan zichtbare voorspoed nooit onze uiteindelijke maatstaf zijn.

 

Een ongemakkelijke vraag

Stel dat een gemeente in enkele jaren verdubbelt.

Prachtig.

Dan mogen we toch vragen:

Hoeveel van die mensen kenden de Here Jezus Christus daarvoor niet?

Hoeveel kwamen door de verkondiging van het Evangelie tot geloof?

Hoeveel waren afgehaakt en werden opnieuw bereikt?

En hoeveel kwamen gewoon uit andere gemeenten?

Dat is geen zuurheid.

Dat is geen jaloezie op een succesvolle kerk.

Dat is proberen woorden eerlijk te gebruiken.

Want wanneer vierhonderd christenen uit twintig omliggende gemeenten zich verzamelen in één grote gemeente, hebben we een indrukwekkend gevulde zaal.

Maar nog steeds per saldo dezelfde vierhonderd christenen.

 

Groei is geen keurmerk van God

Daarom moeten we buitengewoon voorzichtig zijn met de uitspraak:

“God zegent het, want we groeien.”

Daarmee maken we van zichtbare groei een geestelijke thermometer.

De Schrift geeft ons een andere opdracht:

“Beproeft alle dingen; behoudt het goede.” (STV)

1 Thessalonicenzen 5:21.

Alle dingen.

Dus óók succesvolle dingen.

Óók populaire bedieningen.

Óók snelgroeiende gemeenten.

Óók een koers waar honderden mensen enthousiast over zijn.

Óók iets waarvan mensen zeggen dat “God er duidelijk in werkt”.

De vraag blijft dezelfde:

Wat zegt het Woord?

Misschien moeten we de groeicijfers eens anders presenteren

Dus wanneer een voorganger trots vertelt dat zijn gemeente “tegen de landelijke trend in groeit”, zou mijn eerste reactie niet zijn:

Geweldig, dan zal de koers wel goed zijn.

Mijn eerste vraag zou zijn:

Wat wordt er precies bedoeld met groei?

Want wanneer de ene kerk leegloopt doordat de andere kerk volloopt, hebben we de gemeente van Jezus Christus niet zien groeien.

We hebben dan vooral christenen zien verhuizen.

Wanneer verloren mensen daarentegen het Evangelie horen, hun vertrouwen stellen op de Here Jezus Christus en nieuw leven ontvangen, spreken we over iets totaal anders.

Dán mogen en kunnen we spreken over groei.

En uiteindelijk is zelfs dát niet de verdienste van een succesvolle formule, charismatische voorganger, worshipband of professioneel kerkconcept.

Paulus maakte korte metten met menselijke profileringsdrang:

“Ik heb geplant, Apollos heeft nat gemaakt; maar God heeft den wasdom gegeven.” (STV)

1 Korinthe 3:6.

God geeft de wasdom.

Misschien is dat wel de belijdenis die verdwijnt als wij trots beginnen te vertellen hoe onze gemeente groeit.

Lees ook:

Succes is geen roeping: de Bijbel tegenover succesprediking – Bijbelse basis

De gemeente van Jezus Christus is geen bedrijf maar een levend lichaam – Bijbelse basis

extern:

Mozaïek0318: een ‘stofzuigerkerk’ volgens Miranda Klaver? – EO

Geverifieerd door MonsterInsights