God geneest, maar heeft Hij genezing beloofd?

Waarom genezingsleer voorbijgaat aan de apostolische brieven

“Jezus genas alle zieken. Hij is gisteren en heden Dezelfde. Dus wil Hij ook vandaag iedereen genezen. Ga maar danken voor je genezing.”

Ik tekende deze bewering nog heel recent op uit de mond van een zelfbenoemd gebedsgenezer

Het klinkt allemaal overtuigend. En wie zou durven ontkennen dat God zieken kan genezen? De Heere Jezus gaf blinden het gezicht, reinigde melaatsen, deed verlamden wandelen en wekte zelfs doden op. Ook de apostelen verrichtten wonderen en tekenen. De Bijbel laat daar geen enkele twijfel over bestaan.

Maar achter deze redenering gaat een vraag schuil die veel belangrijker is dan deze op het eerste gezicht lijkt:

Omdat God kán genezen, heeft Hij daarom ook beloofd dát iedere gelovige genezen zal worden?

Dat zijn twee heel verschillende zaken. Toch worden ze in charismatische kring voortdurend met elkaar verward. Genezing wordt voorgesteld als een recht van iedere gelovige. Ziekte zou niet bij het christelijke leven horen. Wie voldoende geloof heeft, mag zijn genezing opeisen. Blijft herstel uit, dan wordt gezocht naar ongeloof, verborgen zonde of een geestelijke blokkade.

De Bijbel wordt daarbij veelvuldig aangehaald. Maar opvallend genoeg blijven juist de apostolische brieven vaak buiten beeld.

En daar begint het vraagstuk.

God geneest maar belooft Hij dat ook?

De wonderen van de Here Jezus waren géén genezingsdiensten

Als we de Evangeliën lezen, valt iets op wat in veel hedendaagse genezingsbijeenkomsten ontbreekt.

Jezus genas niet gedeeltelijk. Hij sprak niet over een genezingsproces dat door geloof verder moest worden geactiveerd. Hij verklaarde mensen niet genezen terwijl hun lichamelijke klachten onveranderd bleven.

Een melaatse werd gereinigd. Een verlamde stond op. Een blindgeborene kon zien. Een man die 38 jaar ziek was geweest, nam zijn bed op en wandelde. Lazarus, die vier dagen in het graf had gelegen, kwam naar buiten.

Dit waren geen subjectieve ervaringen. Het waren zichtbare, onmiskenbare gebeurtenissen.

En de Here Jezus gebruikte geen vaste methode. Soms genas Hij door aanraking, soms door Zijn woord, soms zelfs op afstand. Niet iedere genezene had vooraf persoonlijk geloof getoond. De jongeling te Naïn was dood en kon helemaal niets geloven. Christus handelde vanuit Zijn eigen goddelijke macht en ontferming.

Daarom is het misleidend wanneer hedendaagse predikers hun bediening zonder meer gelijkstellen aan die van Jezus.

De vraag is niet of iemand zich na een bijeenkomst beter voelt. De vraag is of de geclaimde wonderen dezelfde aard hebben als de wonderen die de Schrift beschrijft.

Wie beweert dezelfde genezingsmacht te bezitten, moet ook bereid zijn die aanspraak aan dezelfde maatstaf te laten toetsen.

Waarom genas Jezus de zieken?

De genezingen van Christus hadden een veel diepere betekenis dan alleen het wegnemen van lichamelijk lijden.

Ze getuigden van Zijn Godheid. Hij sprak met gezag dat geen mens bezit.

Wanneer Hij zei:

“Ik wil, word gereinigd”,

was Zijn woord voldoende.

Maar de wonderen waren ook tekenen van Zijn Messiaanse waardigheid.

Jesaja had aangekondigd dat bij de komst van het beloofde heil de ogen van de blinden geopend zouden worden, de oren van de doven zouden worden ontsloten en de kreupele zou springen als een hert (Jesaja 35:5-6).

Toen Johannes de Doper vanuit de gevangenis vroeg of Jezus de Beloofde was, verwees de Heere niet naar een theoretische uiteenzetting. Hij wees op wat er gebeurde:

“De blinden worden ziende, en de kreupelen wandelen; de melaatsen worden gereinigd, en de doven horen; de doden worden opgewekt, en den armen wordt het Evangelie verkondigd.” (Mattheüs 11:5, STV)

De wonderen bevestigden dat Hij de beloofde Messias was.

Daarom mogen we Zijn genezingen niet losmaken van de verkondiging van het Koninkrijk aan Israël. Zijn wonderen waren tekenen van de Koning en een voorafschaduwing van de zegeningen die met Zijn toekomstige heerschappij verbonden zijn.

Wie deze betekenis negeert, maakt van de genezingswonderen een algemene formule die iedere christen zou moeten kunnen toepassen.

Maar dat is niet waarvoor de Evangeliën geschreven zijn.

 

De opdracht aan de twaalf was niet zomaar een opdracht aan iedereen

Een veelgebruikte tekst is Mattheüs 10:8:

“Geneest de kranken; reinigt de melaatsen; wekt de doden op; werpt de duivelen uit. Gij hebt het om niet ontvangen, geeft het om niet.” (STV)

Deze woorden worden regelmatig gebruikt om moderne genezingsbedieningen te legitimeren.

Maar wie leest wat eraan voorafgaat?

Jezus zond de twaalf discipelen uit en gaf hun uitdrukkelijk de opdracht niet naar de heidenen of de Samaritanen te gaan, maar naar de verloren schapen van het huis Israëls.

Hun boodschap was:

“Het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen.”

Hun genezingswonderen dienden als bevestiging van die boodschap.

Dat was een bijzondere opdracht, aan bijzondere personen, in een bijzondere fase van Gods handelen met Israël.

Waarom wordt die context zo gemakkelijk overgeslagen?

En wanneer Mattheüs 10:8 rechtstreeks voor iedere gelovige vandaag zou gelden, waarom wordt dan vrijwel uitsluitend gesproken over het genezen van zieken? Waar blijven de opwekkingen van doden? Waarom wordt de opdracht om zonder vergoeding te dienen zo gemakkelijk vergeten?

Wie een Bijbeltekst als rechtstreeks gebod voor vandaag gebruikt, moet eerst aantonen dat die opdracht ook daadwerkelijk aan ons is gegeven.

Niet alles wat in de Bijbel geschreven staat, is rechtstreeks aan de Gemeente gericht. Alles is tot ons onderwijs geschreven, maar dat maakt niet iedere opdracht tot een algemeen gebod.

Het boek Handelingen is geen handboek voor genezingscampagnes

Ook Handelingen wordt veelvuldig gebruikt om de hedendaagse genezingsleer te ondersteunen.

Petrus genas de verlamde man bij de Schone Poort. Door Paulus vonden buitengewone wonderen plaats. Zelfs zweetdoeken die met hem in aanraking waren geweest, werden naar zieken gebracht.

Maar waarom gebeurden deze dingen?

De apostelen verkondigden het getuigenis van de gekruisigde en opgestane Christus. Hun boodschap werd door God bevestigd met tekenen en wonderen.

Hebreeën 2:3-4 spreekt uitdrukkelijk over deze bevestiging van het verkondigde heil door tekenen, wonderen en menigerlei krachten.

De wonderen stonden dus in dienst van het apostolische getuigenis.

Bovendien is Handelingen een boek waarin belangrijke overgangen plaatsvinden: van Jeruzalem naar de volken, van de bijzondere verkondiging aan Israël naar de verdere bekendmaking van Gods genade.

Wat in deze overgangsperiode gebeurde, is niet zomaar een blijvende norm voor de Gemeente.

Neem Handelingen 19. God deed buitengewone krachten door de handen van Paulus. Juist het woord “buitengewone” verdient aandacht.

Toch worden zulke gebeurtenissen ook gebruikt om het verspreiden van zogenaamde gezalfde zakdoeken, kledingstukken of andere voorwerpen te rechtvaardigen.

Maar Handelingen 19 geeft geen opdracht om deze praktijk voort te zetten. Het beschrijft wat God destijds op bijzondere wijze door Paulus deed.

Een beschrijving van een wonder is nog geen voorschrift voor een genezingsmethode.

 

Waarom worden de brieven zo vaak genegeerd?

Hier raken we het hart van de zaak.

Wie de hedendaagse genezingsleer wil verdedigen, verwijst meestal naar de Evangeliën, Handelingen, Jesaja 53 en enkele afzonderlijke beloften.

Maar waar is de uitvoerige aandacht voor Romeinen, Korinthe, Filippenzen en de brieven aan Timotheüs?

Juist daar ontvangen we onderwijs over het leven van de gelovige en de Gemeente.

En wat lezen we daar?

Geen algemeen recht op lichamelijke genezing.

Geen opdracht aan iedere gemeente om genezingsdiensten te organiseren.

Geen belofte dat de gelovige gevrijwaard zal blijven van ziekte.

Sterker nog: we lezen verschillende voorbeelden die de moderne genezingsleer rechtstreeks tegenspreken.

 

Paulus had een doorn in het vlees

In 2 Korinthe 12:7-10 beschrijft Paulus zijn doorn in het vlees.

Hij had buitengewone openbaringen ontvangen. Toch werd hem een doorn in het vlees gegeven, opdat hij zich niet zou verheffen.

Driemaal bad hij de Heere dat deze van hem zou wijken.

En wat was het antwoord?

“Mijn genade is u genoeg; want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht.” (2 Korinthe 12:9, STV)

Let goed op.

Paulus bad. Maar de doorn werd niet weggenomen.

Hij kreeg niet te horen dat hij onvoldoende geloof had. Er werd hem geen verborgen zonde aangewezen. Hij kreeg geen instructie om zijn genezing eenvoudigweg te claimen.

Hij ontving een ander antwoord: Gods genade was voldoende.

Over de precieze aard van de doorn bestaat verschil van inzicht, maar dat verandert de kern niet. Paulus vroeg om bevrijding van een blijvende kwelling, en die bevrijding werd hem niet gegeven.

Wat betekent dat voor de stelling dat iedere gelovige altijd genezing kan ontvangen wanneer hij maar voldoende gelooft?

Als zelfs Paulus niet van iedere kwelling werd verlost, op welke grond wordt een zieke christen vandaag dan verweten dat zijn geloof tekortschiet?

Timotheüs: waarom schreef Paulus geen genezingsgebed voor?

In 1 Timotheüs 5:23 schrijft Paulus:

“Drink niet langer water alleen, maar gebruik een weinig wijn, om uw maag en uw menigvuldige zwakheden.” (STV)

Dit is een opmerkelijke passage.

Timotheüs was een trouwe medewerker van Paulus. Hij kende de apostolische verkondiging. Hij had van nabij meegemaakt hoe God door Paulus werkte.

Toch had hij herhaaldelijk lichamelijke klachten.

Wat adviseerde Paulus?

Geen genezingscampagne.

Geen krachtige zalving.

Geen berisping vanwege ongeloof.

Hij gaf een praktisch advies voor zijn gezondheid.

Dat is moeilijk te verenigen met de gedachte dat lichamelijke genezing een vanzelfsprekend recht van iedere gelovige is.

Paulus had zelf zieken genezen. Waarom genas hij Timotheüs dan niet gewoon?

Omdat de gave om wonderen te verrichten kennelijk geen macht was waarover een apostel naar eigen believen kon beschikken.

God handelde door de apostelen wanneer Hij dat wilde. Niet als een mens dat nodig vond.

 

Trofimus bleef ziek achter

Een nog kortere, maar minstens zo veelzeggende tekst staat in 2 Timotheüs 4:20:

“Trofimus heb ik te Milete krank gelaten.” (STV)

Eén zin.

Maar deze ene zin vormt een ernstig probleem voor de leer van genezing.

Paulus had buitengewone wonderen verricht. In Handelingen lezen we zelfs dat zieken door zijn bediening herstelden wanneer zij in aanraking kwamen met doeken die van zijn lichaam afkomstig waren.

Maar Trofimus bleef ziek achter.

Waarom?

De Schrift zegt niet dat Trofimus onvoldoende geloof bezat. Spreekt niet over verborgen zonde of een gebrek aan geestelijke overgave.

Paulus vermeldt gewoon dat hij hem ziek heeft achtergelaten.

Daarmee wordt duidelijk dat ook tijdens de apostolische tijd niet iedere zieke gelovige werd genezen.

Wie vandaag beweert dat genezing altijd beschikbaar is voor iedere gelovige, moet deze tekst serieus nemen.

 

Epafroditus: ziek tot nabij de dood

In Filippenzen 2:25-30 vertelt Paulus over Epafroditus.

Deze toegewijde medewerker was ernstig ziek geworden. Zijn ziekte was zelfs zo zwaar dat hij de dood nabij was.

Paulus schrijft:

“Want hij is ook krank geweest tot nabij den dood; maar God heeft Zich zijner ontfermd.” (Filippenzen 2:27, STV)

Epafroditus herstelde.

Maar hoe beschrijft Paulus dat herstel?

Als Gods ontferming.

Niet als een afdwingbaar recht. Niet als het onvermijdelijke gevolg van een bepaalde geloofstechniek.

God ontfermde Zich over hem.

Dat maakt zijn herstel niet minder bijzonder. Het plaatst het alleen waar het thuishoort: bij Gods genadige handelen.

Genezing is geen prestatie van het geloof, maar een daad van God.

 

De verlossing van ons lichaam ligt nog vóór ons

Romeinen 8 geeft het perspectief dat in veel moderne genezingsprediking ontbreekt.

Paulus schrijft dat de schepping zucht en als in barensnood verkeert. Vervolgens zegt hij dat ook wijzelf, die de eerstelingen des Geestes hebben, in onszelf zuchten.

Waarom?

Omdat wij de verlossing van ons lichaam verwachten.

Zie Romeinen 8:23.

Dat is een cruciaal onderscheid.

De gelovige is in Christus verlost. Zijn zonden zijn vergeven. Hij heeft de Heilige Geest ontvangen. Hij bezit eeuwig leven.

Maar zijn lichaam is nog sterfelijk.

Het kan ziek worden. Het wordt ouder. Het raakt vermoeid. Het kan beschadigd raken. En tenzij Christus terugkomt tijdens zijn leven, zal de gelovige uiteindelijk sterven.

De volledige lichamelijke verlossing ligt nog in de toekomst.

Bij de komst van Christus zullen de gestorven gelovigen worden opgewekt en de levende gelovigen worden veranderd. Dan zal het vergankelijke onvergankelijkheid aandoen.

Daar ligt de Bijbelse hoop op een lichaam dat nooit meer ziek wordt.

Wie die toekomstige verlossing naar het heden verplaatst en vervolgens volledige gezondheid belooft, loopt vooruit op wat God heeft toegezegd.

 

“Door Zijn striemen is ons genezing geworden”

Jesaja 53:5 is misschien wel de meest gebruikte tekst in de hedendaagse genezingsleer.

“En door Zijn striemen is ons genezing geworden.” (STV)

Daaruit wordt geconcludeerd dat Christus aan het kruis niet alleen onze zonden heeft gedragen, maar ook iedere lichamelijke ziekte, zodat wij nu aanspraak mogen maken op genezing.

Maar deze conclusie gaat voorbij aan het verband van de tekst.

Jesaja 53 spreekt over de Knecht des HEEREN Die om onze overtredingen verwond en om onze ongerechtigheden verbrijzeld werd.

Het centrale onderwerp is de zonde en de verzoening.

Bovendien verklaart Mattheüs 8:16-17 dat de woorden over het dragen van onze krankheden en ziekten vervuld werden toen Jezus tijdens Zijn aardse bediening zieken genas.

Dat gebeurde vóór het kruis.

Petrus verwijst eveneens naar de striemen van Christus in 1 Petrus 2:24, maar verbindt dit uitdrukkelijk met het afsterven aan de zonden en het leven voor de gerechtigheid.

Het gaat daar niet over een belofte dat iedere lichamelijke aandoening onmiddellijk zal verdwijnen.

Natuurlijk hoort ook de toekomstige verlossing van ons lichaam tot de uiteindelijke zegeningen van Christus’ verlossingswerk.

Maar de vraag is niet of Christus de overwinning op de gevolgen van de zonde heeft verworven.

De vraag is wanneer al die gevolgen definitief worden weggenomen.

De brieven plaatsen de volledige lichamelijke verlossing in de toekomst.

 

Jakobus 5: een gebed voor zieken, geen genezingsformule

Jakobus 5:14-16 wordt vaak aangehaald als bewijs dat iedere zieke door gebed en zalving genezen moet worden.

Maar ook hier is een zorgvuldige lezing noodzakelijk.

Jakobus spreekt over een zieke die de ouderlingen van de gemeente bij zich laat komen. Zij moeten over hem bidden en hem zalven met olie in de Naam des Heeren.

Het gaat dus niet over een rondreizende genezer die grote groepen mensen bijeenbrengt om zijn bijzondere gave te demonstreren.

Het gaat over de zorg van de gemeente voor een zieke.

Bovendien wordt in het gedeelte gesproken over de belijdenis en vergeving van zonden. Die context mag niet worden genegeerd.

Dat God gebeden kan verhoren en zieken kan oprichten, staat buiten twijfel.

Maar Jakobus 5 mag niet worden gebruikt om alle andere Schriftplaatsen over ziekte en lichamelijke zwakheid terzijde te schuiven.

Paulus bleef met zijn doorn in het vlees zitten. Timotheüs had terugkerende klachten. Trofimus bleef ziek achter. Epafroditus was bijna gestorven.

De Schrift spreekt zichzelf niet tegen. Daarom moeten we Jakobus 5 lezen in samenhang met het onderwijs van de apostolische brieven, niet geïsoleerd als een formule waarmee genezing gegarandeerd wordt.

 

Wat is er mis met genezingsclaims?

Ook vandaag horen we uitspraken als:

“God wil dat je altijd gezond bent.”

“Ziekte hoort niet bij een kind van God.”

“Je genezing is al volbracht, je moet haar alleen ontvangen.”

“Spreek niet over je ziekte, want daarmee houd je haar in stand.”

“Als je niet geneest, is er ergens ongeloof.”

“Je moet de ziekte bestraffen en je genezing uitspreken.”

Sommige van deze uitspraken worden verpakt in Bijbelse taal. Er wordt gesproken over geloof, autoriteit, de kracht van Jezus’ Naam en de overwinning van het kruis.

Maar woorden worden niet Bijbels doordat men er een Bijbeltekst aan toevoegt.

De vraag blijft of de leer zelf uit de Schrift voortkomt.

Wanneer een prediker beweert dat God altijd geneest, moet hij uitleggen waarom Paulus’ gebeden niet het gewenste resultaat hadden.

Wanneer ziekte wordt voorgesteld als bewijs van ongeloof, moet worden uitgelegd waarom Timotheüs herhaaldelijk ziek was.

Wanneer genezing een algemeen recht van de gelovige zou zijn, moet worden verklaard waarom Trofimus ziek achterbleef.

En wanneer lichamelijke zwakheid niet bij het leven van een christen zou horen, moet Romeinen 8 opnieuw worden gelezen.

De brieven vormen geen hinderlijk bijverschijnsel dat we mogen negeren om een aantrekkelijk genezingsverhaal overeind te houden.

Ze horen bij het geïnspireerde Woord van God.

 

De pijnlijke gevolgen van een verkeerde leer

De schade van deze leer is niet alleen leerstellig.

Het kan diep ingrijpen in het leven van zieke mensen.

Stel je een gelovige voor die jarenlang met pijn, vermoeidheid of een lichamelijke beperking leeft. Hij bidt. Zijn gemeente bidt. Hij vertrouwt op de Heere, maar herstel blijft uit.

Dan hoort hij dat God altijd wil genezen en dat voldoende geloof onvermijdelijk tot herstel leidt.

Wat moet hij daaruit concluderen?

Dat zijn geloof tekortschiet?

Dat hij verborgen zonden heeft?

Dat God hem niet wil zegenen?

Dat hij zijn genezing niet voldoende heeft uitgesproken?

Zo wordt aan lichamelijk lijden een geestelijke last toegevoegd die de Schrift de zieke niet oplegt.

Nog gevaarlijker wordt het wanneer gelovigen wordt aangeraden medicijnen te laten staan of noodzakelijke medische behandeling af te wijzen.

Dat is geen bewijs van groot geloof.

De apostel Paulus adviseerde Timotheüs juist een praktisch middel te gebruiken voor zijn lichamelijke klachten. Lukas wordt in Kolossenzen 4:14 de geliefde medicijnmeester genoemd.

Geloof in Gods macht en het gebruik van medische middelen sluiten elkaar niet uit.

Een gelovige mag om genezing bidden en tegelijkertijd een arts bezoeken. Hij mag dankbaar gebruikmaken van behandelingen en geneesmiddelen, terwijl hij zijn vertrouwen op de Heere stelt.

Gods kracht wordt ook in zwakheid volbracht

Misschien is dit wel het gedeelte van de Schrift dat binnen de hedendaagse genezingsbeweging het meest wordt verwaarloosd.

Gods kracht wordt niet uitsluitend zichtbaar wanneer een ziekte verdwijnt.

Zij kan ook openbaar worden wanneer een gelovige met lichamelijke zwakheid blijft leven en daarin Gods genade ondervindt.

Paulus had liever gezien dat zijn doorn werd weggenomen.

Maar uiteindelijk leerde hij zich te beroemen in zijn zwakheden, opdat de kracht van Christus in hem zou wonen.

Dat staat haaks op de gedachte dat iedere lichamelijke beperking een nederlaag is die de gelovige door een krachtiger geloof moet overwinnen.

Het christelijke leven is niet een voortdurende demonstratie van lichamelijke gezondheid.

Het is een leven uit genade.

En die genade blijft genoeg, óók wanneer het lichaam zwak is.

 

De Bijbelse hoop is veel groter dan tijdelijke genezing

Wie vandaag genezen wordt, zal uiteindelijk toch sterven.

Ook Lazarus, die uit het graf werd opgewekt, kreeg niet meteen een verheerlijkt, onvergankelijk lichaam.

Zijn opwekking was een indrukwekkend teken van Christus’ macht over de dood, maar nog niet de definitieve overwinning op de sterfelijkheid van zijn lichaam.

De gelovige ziet uit naar iets groters.

Naar de komst van de Here Jezus Christus.

Naar de opstanding.

Naar een lichaam dat niet meer onderworpen is aan ziekte, verval en dood.

Daarom is de christelijke hoop niet afhankelijk van de vraag of iemand in dit leven lichamelijk herstelt.

Zij rust op de opgestane Heer, Die de Zijnen uiteindelijk volkomen zal verlossen.

Niet de genezingsprediker, maar de Schrift heeft het laatste woord

God kán zieken genezen. Dat staat vast.

We mogen vrijmoedig bidden om herstel. Ook dat is Bijbels.

Maar nergens ontvangen wij het recht om van God te eisen dat Hij iedere gelovige in dit leven lichamelijk gezond maakt.

De wonderen van Jezus hadden een bijzondere betekenis. De wonderen van de apostelen bevestigden hun bediening. De apostolische brieven leren vervolgens hoe gelovigen leven in deze tijd, waarin de verlossing van het lichaam nog verwacht wordt.

En juist die brieven worden zo vaak overgeslagen.

Want zij brengen een boodschap die minder spectaculair klinkt, maar veel dieper gaat.

Paulus werd niet van zijn doorn verlost.

Timotheüs had terugkerende lichamelijke klachten.

Trofimus bleef ziek achter.

Epafroditus was de dood nabij.

En toch waren deze mannen geliefde en toegewijde dienstknechten van de Heere.

Hun lichamelijke toestand was geen maatstaf voor hun geloof.

Daarom moeten we ophouden de zieke gelovige een last op te leggen die God hem niet oplegt.

Gods genade is niet pas genoeg wanneer de ziekte verdwenen is. Gods genade is voldoende, ook wanneer de ziekte blijft.

Dat is geen ongeloof.

Dat is het onderwijs van de Schrift.

En aan dat Woord moeten ook de indrukwekkendste genezingsclaims worden getoetst.

Leestip: Een gedegen boek uit 1925: The Healing Question (pdf)

zie ook:

genezing – Bijbelse basis

Geverifieerd door MonsterInsights