Het verzwakte christendom is een groot probleem, niet de Islam

Hoe het Westen zijn geestelijke fundament verloor

of:

Hoe de islam het ontstane vacuüm vult en christenen hun eigen geloof nauwelijks nog durven verdedigen

Er wordt veel gesproken over de islamisering van Europa. Over moskeeën, migratie, islamitische invloed, religieuze gevoeligheden en de toenemende druk om kritiek op de islam vooral voorzichtig te formuleren.
Maar misschien stellen we wel de verkeerde vraag.

De vraag is niet alleen waarom de islam in het Westen steeds zichtbaarder wordt. De veel ongemakkelijkere vraag is:

Waarom heeft het christendom zo gemakkelijk terrein prijsgegeven?

Want een beschaving die niet meer weet waarin ze gelooft, hoeft niet door een andere beschaving overwonnen te worden. Zij heeft zichzelf al ontwapend.
En daar ligt het probleem.

Een christendom dat zijn eigen fundament heeft verlaten

Het Westen is niet van de ene op de andere dag ontkerstend. Het gebeurde geleidelijk. Generatie na generatie werden christelijke overtuigingen afgezwakt, Bijbelse normen gerelativeerd en geestelijke waarheden ingeruild voor maatschappelijk aanvaardbare opvattingen.
Het resultaat is een uiterst merkwaardige vorm van christendom.
Er wordt nog gesproken over God, liefde, genade en naastenliefde. Maar zodra het gaat over zonde, bekering, Gods heiligheid, het oordeel of de waarheid van het Evangelie, wordt het ongemakkelijk.
Dan klinkt al snel dat we vooral niemand mogen kwetsen.
Alsof de grootste zonde inmiddels is geworden dat iemand zich aan de waarheid zou kunnen ergeren.
Maar sinds wanneer wordt de waarheid bepaald door de vraag of mensen haar aangenaam vinden?

De apostel Paulus schreef:

“En wordt dezer wereld niet gelijkvormig; maar wordt veranderd door de vernieuwing uws gemoeds…” (Romeinen 12:2, STV)

Dat is geen oproep om het christendom doorlopend aan de tijdgeest aan te passen.
Het is juist een waarschuwing om dat niet te doen.
Toch lijkt met name die aanpassing in grote delen van het westerse christendom de norm geworden.

Wanneer zonde niet meer zo genoemd wordt

Een van de meest ingrijpende veranderingen is de manier waarop tegenwoordig over goed en kwaad wordt gedacht.
De moderne samenleving hanteert steeds vaker een eenvoudige maatstaf: zolang niemand aantoonbaar schade ondervindt, is iets moreel aanvaardbaar.
Die gedachte klinkt sympathiek.
Maar is niet hetzelfde als de Bijbelse moraal.
De Schrift leert immers dat het kwaad niet pas begint wanneer iemand een ander lichamelijk beschadigt.
Het begint in het hart van de mens.
De Here Jezus Christus zegt:

“Want van binnen uit het hart der mensen komen voort kwade gedachten, overspelen, hoererijen, doodslagen, dieverijen, gierigheden, boosheden, bedrog, ontuchtigheid, een boos oog, lastering, hovaardij, onverstand.” (Markus 7:21-22, STV)

Let op wat de Here Jezus hier doet.
Hij beperkt de zonde niet tot zichtbaar geweld of aantoonbare maatschappelijke schade. Hij spreekt over begeerten, gedachten, hoogmoed en de innerlijke gesteldheid van de mens.
Dat is essentieel.
Een samenleving kan lichamelijk geweld afkeuren en tegelijkertijd hebzucht verheerlijken, wellust aanmoedigen, hoogmoed belonen en afgunst commercieel exploiteren.
Sterker nog: een aanzienlijk deel van onze consumptiecultuur draait op precies die verlangens.
En wat doet het moderne christendom?
Veel te vaak zwijgt het.
Niet omdat de Schrift onduidelijk is, maar omdat duidelijke Bijbelse uitspraken ‘maatschappelijk ongewenst’ zijn geworden.
Wanneer de cultuur bepaalt wat zonde mag heten, heeft de kerk haar gezag al uit handen gegeven.

De islam vult een leegte op die het Westen zelf heeft geschapen

Hier wordt de verhouding tussen islam en christendom erg interessant.
De islam presenteert zich als een religie met duidelijke overtuigingen. Zij kent religieuze verplichtingen, voorschriften over het dagelijkse leven, opvattingen over mannen en vrouwen en een sterk besef van religieuze identiteit.
Dat betekent dus niet dat die overtuigingen dus waar zijn.
Een religie kan zeer consequent zijn en toch op fundamentele punten dwalen.
Maar duidelijkheid heeft aantrekkingskracht in een samenleving die steeds minder zeker weet wat ze zelf gelooft.
Wanneer het Westen nauwelijks nog durft te spreken over waarheid, moraal en de betekenis van het menselijk bestaan, kan een religie die dat wel doet vanzelf aantrekkelijk worden.
Dat verklaart ook waarom sommige westerlingen zich tot de islam wenden.
Niet noodzakelijk omdat zij de Koran kritisch hebben onderzocht, de historische betrouwbaarheid van de islam hebben vastgesteld of de verschillen tussen Mohammed en de Here Jezus Christus zorgvuldig hebben bestudeerd.
Maar omdat de islam hun iets lijkt te bieden wat de moderne westerse cultuur is kwijtgeraakt: overtuiging, structuur en richting.
En dat is een zeer ernstige aanklacht tegen het verwaterde christendom.
Want waarom zou iemand zich aangetrokken voelen tot een christelijk geloof dat zich nauwelijks nog onderscheidt van het secularisme?
Waarom zou iemand luisteren naar christenen die zelf niet overtuigd lijken van de waarheid van hun eigen boodschap?

Een zelfverzekerde dwaling tegenover een verlegen waarheid

Hier ligt een pijnlijke tegenstelling.
De islam ontkent dat Jezus Christus de Zoon van God is. De Koran verwerpt de kruisiging zoals de Bijbel die verkondigt en bestrijdt essentiele onderdelen van het christelijke geloof.
In Soera 4:157 wordt de kruisiging van Jezus ontkend zoals christenen die belijden. In Soera 5:72 wordt de belijdenis dat Allah de Messias is uitdrukkelijk veroordeeld.
Daarmee staat de islam op fundamentele punten tegenover het Evangelie.
De Schrift verkondigt daarentegen:

“In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God.” (Johannes 1:1, STV)

En:

“En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond…” (Johannes 1:14, STV)

De Here Jezus Christus is niet maar een profeet in een lange rij boodschappers.
Hij is het vleesgeworden Woord, werkelijk God én werkelijk Mens.
Het verschil tussen islam en christendom is daarom niet een kwestie van religieuze smaak of culturele voorkeur.
Het gaat om de identiteit van Jezus Christus, Zijn volbrachte verzoeningswerk en de weg tot behoud.
Maar wat gebeurt er wanneer christenen deze waarheid nauwelijks nog durven uitspreken?
Dan ontstaat de merkwaardige situatie waarin een religie die de Godheid van Christus ontkent met grote overtuiging haar boodschap uitdraagt, terwijl degenen die belijden dat Jezus Christus de Waarheid is, zich verontschuldigen zodra zij dat hardop zeggen.
De islam hoeft niet eens haar eigen gelijk te bewijzen wanneer christenen zich al schamen voor hun eigen gelijk.

 

Het deurmat-christendom: wanneer lafheid voor liefde doorgaat

Er bestaat een vorm van christendom waarin verdraagzaamheid praktisch het hoogste gebod is geworden.
Nooit confronteren. Nooit tegenspreken. Nooit een scherpe vraag stellen. Vooral geen aanstoot geven.
Alles moet vriendelijk blijven.
Maar is dat Bijbels?
De Here Jezus waste de voeten van Zijn discipelen. Hij vernederde Zichzelf en gaf daarmee een indrukwekkend voorbeeld van dienstbaarheid.
Maar dezelfde Here Jezus verdreef ook de handelaars uit de tempel.
Dezelfde Christus die zachtmoedig en nederig van hart is, sprak ook:

“Wee u, gij Schriftgeleerden en Farizeën, gij geveinsden…” (Mattheüs 23:13, STV)

Hij sprak de waarheid, ook wanneer die Zijn toehoorders diep raakte.
Zijn liefde stond nooit tegenover de waarheid.
Het moderne deurmat-christendom heeft daarvan een karikatuur gemaakt.
Het verwart zachtmoedigheid met zwijgen, nederigheid met onzekerheid en liefde met het vermijden van iedere confrontatie.
Maar wie weigert dwaling te weerspreken omdat dat ongemakkelijk is, bewijst daarmee niet automatisch liefde aan degene die dwaalt.
Soms is zwijgen juist de gemakkelijkste weg.
En gemakzucht is geen christelijke deugd.
Paulus schreef:

“Predik het woord; houd aan tijdiglijk, ontijdiglijk; wederleg, bestraf, vermaan in alle lankmoedigheid en leer.” (2 Timotheüs 4:2, STV)

Merk op dat wederleggen, bestraffen en vermanen hier niet tegenover lankmoedigheid staan.
Ze horen bij elkaar.
Waarheid zonder liefde kan hard en liefdeloos worden. Maar liefde zonder waarheid wordt uiteindelijk inhoudsloos.

De islam mag bekritiseerd worden. Het christendom ook

In het publieke debat wordt kritiek op de islam regelmatig verbonden met de vraag of die kritiek vijandigheid tegenover moslims bevordert.
Dat onderscheid verdient zorgvuldigheid.
Een moslim is een mens die met waardigheid behandeld moet worden. Zijn overtuigingen mogen echter net zo kritisch worden onderzocht als die van een christen, atheïst of aanhanger van welke andere levensbeschouwing dan ook.
Kritiek op de islam is niet hetzelfde als vijandigheid tegenover moslims.
Dat onderscheid moet overeind blijven.
Want als religieuze overtuigingen aan kritisch onderzoek worden onttrokken, wordt de zoektocht naar waarheid ernstig belemmerd.
De Koran doet uitspraken over Jezus, de Bijbel, de profeten en de geschiedenis.
Die uitspraken mogen onderzocht worden.
Wanneer de Koran stelt dat Jezus niet gekruisigd werd zoals het Nieuwe Testament verkondigt, mag gevraagd worden op welke historische grond die bewering rust.
Wanneer wordt beweerd dat de Bijbel vervalst is, mag gevraagd worden waar het bewijs daarvoor is.
Wanneer Mohammed als de laatste profeet wordt gepresenteerd, mag gevraagd worden waarom zijn getuigenis zwaarder zou moeten wegen dan dat van de apostelen die al eeuwen eerder over Jezus Christus schreven.
Dat zijn geen beledigingen.
Het zijn gewoon inhoudelijke vragen.
En wie overtuigd is van de waarheid van zijn religie, zou niet bang moeten zijn voor zulke vragen, en die kunnen beantwoorden.
Maar diezelfde bereidheid tot onderzoek moet ook gelden voor christenen. Ook onze overtuigingen moeten aan de Schrift worden getoetst.
Niet traditie, gevoel of maatschappelijke acceptatie is de maatstaf.
Het Woord van God is dat.

Het christendom hoeft geen politieke machtsreligie te worden

Bij de oproep tot christelijke weerbaarheid is wel een belangrijk onderscheid nodig.
Het Evangelie wordt niet verdedigd door mensen met geweld tot geloof te dwingen.
De Gemeente van Jezus Christus is geen wereldlijk koninkrijk dat met militaire macht gevestigd moet worden.
De Here Jezus verklaarde tegenover Pilatus:

“Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld. Indien Mijn Koninkrijk van deze wereld ware, zo zouden Mijn dienaars gestreden hebben…” (Johannes 18:36, STV)

Daar ligt een principiële grens.
Christelijke vrijmoedigheid is niet hetzelfde als politieke overheersing. En geestelijke strijd is niet hetzelfde als gewapende strijd tegen mensen met een andere religie.
Paulus schreef:

“Want de wapenen van onzen krijg zijn niet vleselijk, maar krachtig door God, tot nederwerping der sterkten.” (2 Korinthe 10:4, STV)

De kracht van de Gemeente ligt niet in het zwaard van de overheid, maar in het Woord van God.
Dat maakt christenen niet weerloos.
Het betekent dat hun strijd een ander karakter heeft.
Wij hoeven de islam niet te bestrijden door moslims hun vrijheid te ontnemen. Wij mogen de leer van de islam toetsen, haar tegenstrijdigheden blootleggen en de waarheid van het Evangelie vrijmoedig verkondigen.
Dat is geen zwakte.
Dat is trouw aan de opdracht die de Here Jezus Christus Zijn discipelen heeft gegeven.

Een machtig Westen zonder geestelijke overtuiging

Het moderne Westen beschikt over een ongekende hoeveelheid materiële middelen.
Wetenschap, technologie, economische macht, militaire capaciteit en politieke instellingen hebben een niveau bereikt dat eerdere generaties nauwelijks konden voorstellen.
Maar al die middelen kunnen één ding niet vervangen: geestelijke overtuiging.
Een samenleving kan technisch hoogontwikkeld zijn en tegelijkertijd moreel richtingloos.
Deze kan voortdurend spreken over vrijheid en tegelijkertijd steeds minder verdragen dat iemand aanspraak maakt op objectieve waarheid.
En kan trots zijn op haar historische christelijke erfgoed en tegelijkertijd de inhoud van dat erfgoed nauwelijks nog kennen.
Daar ligt een van de grootste tegenstrijdigheden van onze tijd.
Het Westen heeft enorme vooruitgang geboekt in wat de mens kan, maar lijkt steeds minder zeker te weten waarvoor de mens leeft.
En in die leegte worden alternatieve levensbeschouwingen aantrekkelijk.
De islam is daarvan een zichtbaar voorbeeld, maar zeker niet de enige.
Het onderliggende probleem is dat een samenleving die haar eigen overtuigingen opgeeft, ontvankelijk wordt voor overtuigingen van anderen.

De grootste crisis bevindt zich binnen het christendom zelf

Daarom is het te gemakkelijk om alle problemen bij de islam neer te leggen.
Wie uitsluitend spreekt over islamisering, maar zwijgt over de ontkerstening van het Westen, behandelt symptomen terwijl de onderliggende crisis ongemoeid blijft.
Want wie heeft christenen gedwongen om het gezag van de Schrift te relativeren?
Wie heeft hen gedwongen om de Bijbelse leer over zonde en bekering naar de achtergrond te schuiven?
Wie heeft hen gedwongen om de exclusieve aanspraken van Jezus Christus af te zwakken?
En wie heeft hen gedwongen om het Evangelie te veranderen in een algemene boodschap van vriendelijkheid en maatschappelijke harmonie?
Dat zijn ontwikkelingen waarvoor het christendom zelf verantwoordelijkheid moet nemen.
De apostel Paulus waarschuwde:

“Want er zal een tijd zijn, wanneer zij de gezonde leer niet zullen verdragen; maar kittelachtig zijnde van gehoor, zullen zij zichzelven leraars opgaderen naar hun eigen begeerlijkheden.” (2 Timotheüs 4:3, STV)

Die waarschuwing verdient vandaag alle aandacht.
Niet omdat iedere moderne ontwikkeling verkeerd zou zijn, maar omdat de Gemeente nooit de vrijheid heeft gekregen om Gods Woord aan te passen aan menselijke voorkeuren.
Wanneer de Schrift niet langer doorslaggevend is, blijft uiteindelijk alleen een religie over die zegt wat mensen graag willen horen.
En zo’n religie heeft de wereld niets te vertellen.

De oplossing is geen nostalgie, maar terugkeer naar de Schrift

Het antwoord op de geestelijke crisis van het Westen is niet een terugkeer naar de middeleeuwen, een christelijke staatsmacht of een geïdealiseerd verleden.
De geschiedenis van het christendom kent zeker ook misbruik van macht, dwang en ernstige afwijkingen van de Schrift.
De oplossing ligt niet in het herstellen van alles wat ooit onder de noemer christendom is gebeurd.
De oplossing ligt in het opnieuw erkennen van het gezag van Gods Woord.
Niet de cultuur bepaalt wat waar is.
Niet de overheid bepaalt wat zonde is.
Niet de meerderheid bepaalt wie Jezus Christus is.
En ook niet de religieuze traditie heeft het laatste woord.
De Schrift getuigt van Hem.De Here Jezus zegt:

“Ik ben de Weg, en de Waarheid, en het Leven. Niemand komt tot den Vader, dan door Mij.” (Johannes 14:6, STV)

Dat is geen boodschap die zich gemakkelijk laat inpassen in een samenleving waarin alle religieuze overtuigingen uiteindelijk als gelijkwaardig worden beschouwd.
Het is een exclusieve aanspraak.
Maar juist daarom moet hij helder worden verkondigd.
Niet om moslims te vernederen.
Niet om atheïsten te beledigen.
Niet om een culturele machtsstrijd te winnen.
Maar omdat het behoud van mensen op het spel staat.

Tot slot:

Misschien moeten wij christenen eerst onszelf eens onderzoeken

De groeiende zichtbaarheid van de islam in Europa roept belangrijke vragen op.
Over godsdienstvrijheid. Over integratie. Over de verhouding tussen religie en overheid. Over de historische en leerstellige aanspraken van de Koran.
Die vragen mogen gesteld worden en verdienen eerlijke antwoorden.
Maar er is een vraag die christenen niet mogen ontwijken.
Waarom zou een wereld die op zoek is naar waarheid, luisteren naar christenen die zelf nauwelijks nog durven zeggen dat zij de waarheid kennen?
Misschien is de grootste bedreiging voor het christendom helemaal niet dat de islam zo overtuigd is van haar boodschap.
Misschien is het wel dat zoveel christenen de overtuiging van hun eigen boodschap zijn kwijtgeraakt.
De islam hoeft niet eerst overwonnen te worden om het Evangelie te kunnen verkondigen.
Christenen moeten eenvoudigweg weer bereid zijn dat Evangelie zonder schaamte te belijden.
Paulus schreef:

“Want ik schaam mij des Evangelies van Christus niet; want het is een kracht Gods tot zaligheid een iegelijk die gelooft, eerst den Jood, en ook den Griek.” (Romeinen 1:16, STV)

Dát is de houding die vandaag nodig is.

Geen haat tegenover moslims. Geen angst voor kritische vragen. Geen verwaterd christendom dat iedere confrontatie met de waarheid uit de weg gaat.
Maar een helder, Bijbelgetrouw en vrijmoedig getuigenis van de Here Jezus Christus.
Want de kracht van het christendom ligt niet in de zwakte van de islam, maar in de waarheid van het Evangelie.

En die waarheid hoeft zich voor niemand te verontschuldigen.

Standhouden in verdrukking | De vervolgde kerk en Gods trouw

Niet omdat wij zo sterk zijn, maar omdat Christus trouw is

Hoe blijven christenen trouw aan Christus wanneer hun geloof hun vrijheid of zelfs hun leven kost? De Bijbel laat zien dat standhouden in verdrukking niet draait om menselijke kracht, maar om Gods genade en de trouw van de opgestane Here Jezus Christus.

Er zijn christenen voor wie het bezit van een Bijbel echt gevaarlijk is. Gelovigen die in het geheim samenkomen, hun familie verliezen omdat zij de Here Jezus Christus belijden, gevangen worden gezet of zelfs met de dood worden bedreigd vanwege hun geloof.

En toch houden ze stand.

Dat is indrukwekkend. Waar halen deze mensen de kracht vandaan om onder zulke omstandigheden trouw te blijven aan Christus? Zijn zij sterker dan wij? Hebben zij meer geloof? Beschikken zij over een bijzondere geestelijke kracht die wij missen?

Of ligt het antwoord ergens anders?

De Bijbel leert ons dat standhouden in verdrukking uiteindelijk niet berust op onze eigen kracht, maar op de trouw van de Here Jezus Christus.

Dat is geen goedkope troost. Het is een waarheid die juist voor de vervolgde kerk van onschatbare betekenis en waarde is.

Standhouden in verdrukking, de vervolgde kerk.
Standhouden in verdrukking, de vervolgde kerk.

Vervolging van christenen, realiteit vanaf het begin

In onze westerse samenleving zijn we gewend geraakt aan godsdienstvrijheid. We kunnen ongehinderd, in alle vrijheid onze Bijbel lezen, samenkomen met andere gelovigen en openlijk over ons geloof spreken. Dat vinden we normaal.

Maar voor veel christenen elders is dat helemaal niet vanzelfsprekend.

De geschiedenis van de Gemeente laat zien dat vervolging van christenen geen uitzonderlijk verschijnsel is. Vanaf het ontstaan van de Gemeente hebben gelovigen weerstand, vijandschap en vervolging ondervonden.

Paulus schrijft in 2 Timotheüs 3:12:

“En ook allen, die godzaliglijk willen leven in Christus Jezus, die zullen vervolgd worden.” (STV)

Dat is een veelzeggende uitspraak.

Niet dat christenen misschien vervolgd zullen worden wanneer zij iets verkeerd doen. Nee, juist het godzalig willen leven in Christus Jezus roept weerstand op.

De Here Jezus had Zijn discipelen daar al voor gewaarschuwd:

“Gedenkt des woords, dat Ik u gezegd heb: Een dienstknecht is niet meerder dan zijn heer. Indien zij Mij vervolgd hebben, zij zullen ook u vervolgen; indien zij Mijn woord bewaard hebben, zij zullen ook het uwe bewaren.” (Johannes 15:20, STV)

Wie Christus volgt, moet er dus niet vreemd van opkijken wanneer hij weerstand ondervindt.

Dat betekent overigens niet dat iedere vorm van tegenstand automatisch vervolging om Christus’ wil is. Soms roepen christenen weerstand op door hun eigen gedrag, hoogmoed of onverstand. Petrus maakt in zijn eerste brief nadrukkelijk onderscheid tussen lijden vanwege verkeerd handelen en lijden omdat iemand christen is.

Maar wanneer iemand lijdt vanwege zijn verbondenheid met Christus, is dat geen bewijs dat er iets mis is met zijn geloof.

Integendeel.

Juist daarom is het belangrijk om te zien wat Bijbelse standvastigheid echt betekent.

 

Standhouden in verdrukking, ook wanneer je bang bent

Wij hebben nogal eens de neiging om geloofshelden op een voetstuk te plaatsen.

Denk aan de apostelen, aan de martelaren uit de kerkgeschiedenis of aan vervolgde christenen die ondanks verschrikkelijke omstandigheden hun geloof niet verloochenen.

Wat een geloof! Wat een moed!

Maar daarmee kunnen we gemakkelijk een verkeerd beeld neerzetten.

Alsof deze mensen geen angst kennen. Alsof zij nooit twijfelen, nooit huilen of nooit wanhopig worden.

De Bijbel schildert ons een veel realistischer beeld.

Paulus schrijft in 2 Korinthe 1:8-9:

“Want wij willen niet, broeders, dat u onbekend zij onze verdrukking, die ons in Azië overkomen is, dat wij uitnemend zeer bezwaard zijn geweest boven onze macht, alzo dat wij zeer in twijfel waren, ook van het leven. Ja, wij hadden al zelven in onszelven het vonnis des doods; opdat wij niet op onszelven vertrouwen zouden, maar op God, Die de doden verwekt.” (STV)

Lees dat nog eens.

Paulus was uitermate zwaar belast. Boven zijn macht. Hij vreesde zelfs voor zijn leven.

Was zijn geloof daarmee tekortgeschoten?

Nee.

Juist in die omstandigheden leerde hij niet op zichzelf te vertrouwen, maar op God, Die de doden opwekt.

Daar ligt een bijzonder belangrijke les.

Bijbelse standvastigheid is niet hetzelfde als menselijke onverzettelijkheid. Het is blijven vertrouwen op God wanneer onze eigen kracht tekortschiet.

Een vervolgde christen hoeft dus geen bovenmenselijke held te zijn om trouw te blijven aan Christus.

Hij mag zwak zijn, bang zijn, verdriet hebben.

Maar zijn behoud en zijn hoop liggen niet in zijn eigen geestelijke prestaties.

Ze liggen in Christus.

Vanuit die waarheid kunnen we beter begrijpen waarom Gods genade genoeg is, juist wanneer menselijke kracht ontbreekt.

 

Gods genade is ook genoeg als onze kracht tekortschiet

In 2 Korinthe 12 lezen we dat Paulus de Here driemaal had gebeden om verlost te worden van een bepaalde beproeving, die hij zijn doorn in het vlees noemt.

Het antwoord van de Here is veelzeggend:

“En Hij heeft tot mij gezegd: Mijn genade is u genoeg; want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht. Zo zal ik dan veel liever roemen in mijn zwakheden, opdat de kracht van Christus in mij wone.” (2 Korinthe 12:9, STV)

Hij zegt: “Mijn genade is u genoeg.”

Wat een antwoord!

De omstandigheden hoeven niet eerst te veranderen voordat Gods genade genoeg is.

En dat is wat het Evangelie zo bijzonder maakt. Onze zekerheid ligt niet in de vraag of wij sterk genoeg zijn om alle beproevingen te doorstaan, maar in de betrouwbaarheid van Hem Die ons heeft liefgehad.

Daarom moeten we ook voorzichtig zijn met opvattingen die geloof gelijkstellen aan een leven zonder lijden of tegenslag.

 

Geloof is niet hetzelfde als voortdurend zichtbare overwinning

Hier moet ik toch even iets aanstippen.

Binnen bepaalde christelijke stromingen wordt de indruk gewekt dat een werkelijk gelovige voortdurend in overwinning hoort te leven.

Ziekte, tegenslag, armoede en andere moeilijkheden worden dan makkelijk verbonden aan onvoldoende geloof, een gebrek aan geestelijke autoriteit of het niet toepassen van Gods beloften.

Men spreekt over doorbraken, het proclameren van overwinning en het opeisen van zegeningen.

Maar hoe verhoudt zich dat tot de vervolgde Gemeente?

Wat zeggen we tegen een christen die vanwege zijn geloof gevangen zit?

Dat hij onvoldoende geloof heeft?

Dat hij zijn geestelijke autoriteit niet goed gebruikt?

Dat hij de overwinning nog niet heeft geclaimd?

Het wordt hoog tijd dat we zulke opvattingen eens serieus toetsen aan de Schrift.

Paulus schrijft in Filippenzen 1:29:

“Want u is uit genade gegeven in de zaak van Christus, niet alleen in Hem te geloven, maar ook voor Hem te lijden.” (STV)

Niet alleen geloven, maar ook lijden om Christus’ wil.

En dat wordt hier nota bene verbonden aan Gods genade!

Dat staat toch wel heel ver af van een prediking waarin het christelijke leven voornamelijk draait om succes, voorspoed en zichtbare overwinningen.

Begrijp me goed. Lijden is op zichzelf geen verdienste en zeker niet iets wat we moeten opzoeken. De Bijbel leert ons ook om te bidden om uitredding.

Maar nergens wordt ons beloofd dat een christen gevrijwaard zal blijven van vervolging en verdrukking.

De overwinning van de gelovige bestaat niet noodzakelijk uit het verdwijnen van de verdrukking, maar uit het feit dat zelfs de verdrukking hem niet van Christus kan scheiden.

Die zekerheid wordt in Romeinen 8 op indrukwekkende wijze uitgewerkt.

 

Christus’ liefde houdt ons vast in de verdrukking

In Romeinen 8 stelt Paulus een indrukwekkende vraag:

“Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking, of benauwdheid, of vervolging, of honger, of naaktheid, of gevaar, of zwaard?” (Romeinen 8:35, STV)

Let eens op die opsomming.

Het zijn geen denkbeeldige gevaren. Paulus wist uit eigen ervaring waarover hij sprak.

En dan schrijft hij:

“Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars, door Hem, Die ons liefgehad heeft.” (Romeinen 8:37, STV)

In dit alles!

Niet buiten deze omstandigheden. Niet pas wanneer de moeilijkheden verdwenen zijn.

Maar midden in de verdrukking.

En bovendien: door Hem.

Niet door onze bijzondere geestelijke vermogens. Niet door onze geloofsprestaties.

Door Hem, Die ons liefgehad heeft.

Daarom kan een christen die vanwege zijn geloof wordt gedood, toch een overwinnaar zijn.

Dat klinkt voor de wereld misschien onbegrijpelijk. De wereld ziet immers alleen het verlies van een mensenleven.

Maar de gelovige weet dat de dood niet het laatste woord heeft.

Christus is opgestaan uit de doden.

En juist die opstanding vormt de grondslag van onze hoop.

Die hoop maakt duidelijk waarom de vervolgde Gemeente, ondanks alles wat zij verliest, niet zonder toekomst is.

 

De hoop op de opstanding draagt de lijdende kerk

Hebreeën 11 wordt wel het hoofdstuk van de geloofshelden genoemd.

We lezen over mensen die door het geloof koninkrijken overwonnen, beloften verkregen en aan grote gevaren ontkwamen.

Maar het hoofdstuk vertelt ook iets anders.

Er waren gelovigen die werden gemarteld, bespot, gevangen gezet en gedood.

Hebreeën 11:35 zegt over sommigen van hen:

“En anderen zijn uitgerekt geworden, de aangeboden verlossing niet aannemende, opdat zij een betere opstanding verkrijgen zouden.” (STV)

Wat een aangrijpend getuigenis.

Sommigen werden bevrijd. Anderen niet.

Sommigen ontkwamen aan de dood. Anderen stierven.

En toch worden zij allemaal genoemd als getuigen van het geloof.

Hoe kan dat?

Omdat geloof niet wordt afgemeten aan de zichtbare afloop van onze omstandigheden.

Deze gelovigen verwachtten hun uiteindelijke toekomst van God. Hun hoop reikte verder dan dit tijdelijke leven.

Dat is ook vandaag van grote betekenis voor de vervolgde Gemeente.

Een christen kan alles verliezen wat hij in deze wereld bezit, maar de belofte van het eeuwige leven in Christus blijft staan.

Dat maakt het lijden niet minder werkelijk, het verdriet niet minder diep en het verlies niet minder ingrijpend.

Maar het geeft een hoop die verder reikt dan de dood.

En juist daarom mogen we ook in de donkerste omstandigheden vasthouden aan Gods nabijheid en trouw.

 

Verdrukking betekent niet dat God Zijn kinderen verlaten heeft

Soms kan het lijken alsof God ver weg is.

Wanneer gelovigen jarenlang gevangen zitten, wanneer gezinnen uiteengerukt worden en wanneer gebeden om bevrijding ogenschijnlijk onbeantwoord blijven, kunnen er moeilijke vragen ontstaan.

Waar is God?

Waarom grijpt Hij niet in?

Waarom laat Hij dit toe?

We moeten niet doen alsof wij op al die vragen een eenvoudig antwoord hebben.

De Bijbel geeft ons ook geen verklaring voor iedere afzonderlijke gebeurtenis.

Maar de Schrift verzekert ons wel dat verdrukking niet betekent dat God Zijn kinderen heeft verlaten.

Paulus schrijft:

“Als die in alles verdrukt worden, doch niet benauwd; twijfelmoedig, doch niet mismoedig; Vervolgd, doch niet daarin verlaten; nedergeworpen, doch niet verdorven.” (2 Korinthe 4:8-9, STV)

Vooral die woorden zijn kostbaar:

Vervolgd, doch niet daarin verlaten.

De gelovige kan door mensen worden verlaten, maar is daarom nog niet door Christus verlaten.

Dat is geen belofte dat alle omstandigheden goed zullen aflopen naar menselijke maatstaven.

Het is de zekerheid dat de Here trouw blijft aan degenen die Hem toebehoren.

Die trouw vraagt niet alleen om bewondering, maar ook om een concrete houding tegenover onze vervolgde broeders en zusters.

 

Gedenkt de gevangenen, verbonden met het Lichaam van Christus

De vervolgde kerk is geen ver-van-ons-bedverhaal.

Zij behoort tot hetzelfde Lichaam van Christus als wij.

Paulus schrijft in 1 Korinthe 12:26:

“En hetzij dat één lid lijdt, zo lijden al de leden mede; hetzij dat één lid verheerlijkt wordt, zo verblijden zich al de leden mede.” (STV)

Dat is geen vrijblijvende uitspraak.

Wanneer één lid van het Lichaam lijdt, gaat dat de andere leden aan.

De schrijver van de Hebreeënbrief zegt het nog indringender:

“Gedenkt der gevangenen, alsof gij mede gevangen waart; en dergenen, die kwalijk behandeld worden, alsof gij ook zelven in het lichaam kwalijk behandeld waart.” (Hebreeën 13:3, STV)

Dat is geen kleinigheidje.

Alsof wij zelf gevangen zitten.

Alsof wij zelf mishandeld worden.

Wat zou er veranderen wanneer wij de vervolgde Gemeente echt zo zouden bekijken?

Dan zouden we waarschijnlijk minder makkelijk voorbijgaan aan berichten over christenvervolging.

Dan zouden we niet alleen bidden voor onze eigen omstandigheden, onze gezondheid en onze dagelijkse zorgen, maar ook voor broeders en zusters die vanwege hun geloof grote gevaren lopen.

En waar mogelijk zouden we praktische hulp bieden.

Niet omdat wij betere christenen zijn, maar omdat wij met hen verbonden zijn in Christus.

Die verbondenheid krijgt vooral vorm in ons gebed. Daarom is het goed om ons af te vragen waarvoor we bidden.

 

Bidden om bescherming, vrijmoedigheid en volharding

Natuurlijk mogen en moeten we bidden om bescherming en bevrijding van vervolgde christenen.

Maar er is nog iets opvallends.

Paulus zat zelf gevangen toen hij de gelovigen in Efeze vroeg voor hem te bidden.

Wat vroeg hij?

“En voor mij, opdat mij het Woord gegeven worde in de opening mijns monds met vrijmoedigheid, om de verborgenheid des Evangelies bekend te maken; Waarover ik een gezant ben in een keten, opdat ik in hetzelve vrijmoediglijk moge spreken, gelijk mij betaamt te spreken.” (Efeze 6:19-20, STV)

Dat vind ik bijzonder.

Paulus vraagt hier niet in de eerste plaats om zijn vrijlating.

Hij vraagt om vrijmoedigheid om het Evangelie bekend te maken.

Zelfs als gevangene.

Dat betekent niet dat bevrijding onbelangrijk was. Maar het laat zien waar zijn hart naar uitging.

Christus moest bekendgemaakt worden.

Misschien is dat ook een belangrijke les voor onze gebeden.

Laten we bidden om bescherming, om uitredding en om verlichting van het lijden.

Maar laten we ook bidden dat vervolgde christenen stand mogen houden in het geloof, dat zij vertroost worden door Gods Woord en dat het Evangelie ondanks de tegenstand zijn weg mag vinden.

En terwijl we voor hen bidden, moeten we ook beseffen dat wij hun omstandigheden niet vanuit een veilige afstand kunnen beoordelen. Hun volharding wijst ons terug naar onze eigen afhankelijkheid van genade.

 

De vervolgde kerk houdt ons een spiegel voor

Wij spreken in onze tijd veel over geloofsbeleving.

Over ervaringen, bijzondere samenkomsten, geestelijke groei en persoonlijke zegeningen.

Daar hoeft op zichzelf niets verkeerds aan te zijn.

Maar het wordt problematisch wanneer onze ervaringen belangrijker worden dan het Woord van God, of wanneer we het geestelijke leven gaan beoordelen aan de hand van zichtbare successen.

De vervolgde Gemeente houdt ons wat dat betreft een spiegel voor.

Wat blijft er van ons geloof over wanneer alle uiterlijke zekerheden wegvallen?

Wanneer er geen kerkgebouw is?

Wanneer er geen christelijke activiteiten meer georganiseerd kunnen worden?

Wanneer het bezit van een Bijbel gevaarlijk wordt?

Wanneer geloven in Christus daadwerkelijk iets kost?

Dan komt de vraag naar voren waarop het uiteindelijk aankomt.

Is Christus voor ons genoeg?

Paulus schrijft:

“Want het leven is mij Christus, en het sterven is mij gewin.” (Filippenzen 1:21, STV)

Dat zijn woorden die we misschien makkelijk kunnen citeren.

Maar wat betekenen ze ?

Voor Paulus was Christus niet een aanvulling op een verder aangenaam leven.

Christus was zijn leven.

En juist daarom kon hij, ondanks gevangenschap en de dreiging van de dood, spreken over hoop en overwinning.

Niet omdat hij zijn omstandigheden beheerste.

Maar omdat zijn leven in handen lag van de opgestane Heiland.

Dat brengt ons bij de kern van dit alles: niet onze trouw staat uiteindelijk centraal, maar de trouw van Christus.

Niet onze trouw, maar Zijn trouw

Misschien ligt hier wel de belangrijkste les.

Wanneer we spreken over standhouden in verdrukking, richten we onze aandacht gemakkelijk op de volharding van de gelovige.

Hoe sterk is zijn geloof? Hoeveel kan hij verdragen? Hoe lang houdt hij het vol?

Maar de Bijbel richt onze blik steeds weer op Christus.

Paulus schrijft in 2 Timotheüs 1:12:

“Om welke oorzaak ik ook deze dingen lijde, maar word niet beschaamd; want ik weet, Wien ik geloofd heb, en ik ben verzekerd, dat Hij machtig is, mijn pand, bij Hem weggelegd, te bewaren tot dien dag.” (STV)

Let op wat Paulus zegt.

Niet: ik weet hoe sterk mijn geloof is.

Maar:

“Ik weet, Wien ik geloofd heb.”

Daar ligt het geheim.

Het geloof ontleent zijn waarde niet aan de kracht waarmee wij geloven, maar aan de betrouwbaarheid van Degene op Wie het gericht is.

En daarom is het zo belangrijk dat wij Gods Woord kennen.

Niet om daarmee een bepaalde uitkomst af te dwingen, maar om te weten Wie God is, wat Hij beloofd heeft en wat wij in Christus ontvangen hebben.

Het geloof leeft immers niet van gevoelens of omstandigheden, maar van Gods betrouwbare beloften.

Daarom moeten we ook met bescheidenheid spreken over hen die onder zware druk staan. Wij weten niet hoe wij zelf zouden reageren, maar we mogen wel weten op Wie ook wij uiteindelijk aangewezen zijn.

 

Ook in menselijke zwakheid blijft Gods genade

Hier past ook enige bescheidenheid.

Wij kunnen makkelijk spreken over standhouden in vervolging zolang we zelf veilig zijn.

Maar wie van ons weet hoe hij zou reageren wanneer zijn gezin wordt bedreigd? Wanneer hij wordt gemarteld? Wanneer hem de keuze wordt voorgelegd om Christus te verloochenen of zijn leven te verliezen?

Laten we niet te snel oordelen.

Petrus was ervan overtuigd dat hij zijn Heere nooit zou verloochenen.

En toch gebeurde het.

Driemaal zelfs.

Maar daarmee was het verhaal van Petrus niet afgelopen. De opgestane Here Jezus zocht hem weer op en herstelde hem.

Wat een genade!

Dat betekent niet dat het verloochenen van Christus onbelangrijk is. Integendeel. Maar het leert ons wel dat menselijke zwakheid en Gods genade niet tegenover elkaar staan alsof de Here alleen sterke mensen zou kunnen gebruiken.

Daarom moeten we nooit met een opgeheven vingertje naar vervolgde christenen kijken.

Wij hebben geen reden om onszelf geestelijk sterker te achten.

Ook wij leven alleen van genade.

En juist die genade wijst ons ten slotte naar de vaste grond onder ons geloof: Christus Zelf blijft trouw.

 

Christus blijft trouw

Er zijn christenen die vandaag in gevangenschap zitten vanwege hun geloof.

Er zijn gelovigen die hun familie, hun bezit of hun maatschappelijke positie verloren hebben omdat zij de Here Jezus Christus belijden.

En er zijn er die hun leven hebben gegeven om Zijn Naam.

Laten we hen niet vergeten.

Maar laten we hen ook niet op een voetstuk plaatsen alsof hun standvastigheid voortkomt uit een uitzonderlijke menselijke kracht.

Ze zijn mensen zoals wij.

Met dezelfde kwetsbaarheid, dezelfde menselijke gevoelens en dezelfde afhankelijkheid van Gods genade.

En misschien is dat wel het mooiste getuigenis dat van de vervolgde Gemeente uitgaat.

Niet dat christenen zulke sterke mensen zijn.

Maar dat Christus een trouwe Heiland is.

Paulus schrijft aan het einde van zijn leven:

“En de Heere zal mij verlossen van alle boos werk, en bewaren tot Zijn hemels Koninkrijk; Denwelken zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen.” (2 Timotheüs 4:18, STV)

Paulus wist dat zijn einde naderde. Zijn vertrouwen betekende niet dat hij aan de dood zou ontkomen.

Zijn zekerheid lag ergens anders.

De Here zou hem bewaren tot Zijn hemels Koninkrijk.

En daarom kunnen we, ook met het oog op de vervolgde Gemeente, vasthouden aan deze heerlijke waarheid:

Wij houden niet stand omdat wij zo sterk zijn, maar omdat Christus trouw is.

En Zijn trouw houdt niet op waar onze mogelijkheden eindigen.

zie ook:

De wereld anno 2026.388.000.000 mensen , 1 op de 7 christenen, wordt vervolgd vanwege hun geloof – Bijbelse basis

 

Geverifieerd door MonsterInsights