Waarom de Bijbel Zijn definitieve Woord is
Heeft God vandaag nog nieuwe profeten, apostelen en openbaringen nodig om Zijn Gemeente te leiden? Of heeft Hij in de Here Jezus Christus en door de Bijbel bekendgemaakt wat wij voor ons geloof nodig hebben?
Die vraag raakt het hart van het christendom.
Er waait een verontrustende wind door een deel van de hedendaagse christenheid. Steeds vaker klinkt de boodschap dat de Bijbel alleen niet voldoende zou zijn. Christenen worden aangespoord om ‘Gods stem persoonlijk te leren verstaan’, nieuwe openbaringen’ te ontvangen en te luisteren naar mensen die beweren rechtstreeks namens God te spreken.
“God heeft mij verteld…” “De Heilige Geest openbaarde mij…” “Ik heb een profetisch woord voor de Gemeente…”
Het klinkt indrukwekkend en bijzonder geestelijk. Maar achter dergelijke uitspraken schuilt een fundamentele vraag: is het geschreven Woord van God nog voldoende, of hebben wij daarnaast nieuwe goddelijke boodschappen/boodschappers nodig?
De Bijbel geeft ons alle reden om vast te houden aan zijn gezag en genoegzaamheid. Niet omdat God tegenwoordig minder machtig zou zijn, maar omdat Hij in Zijn Zoon heeft gesproken en door Zijn apostelen het fundament van de Gemeente heeft gelegd.

God heeft gesproken door Zijn Zoon
De brief aan de Hebreeën begint met een duidelijke verklaring:
“God, voortijds veelmaal en op velerlei wijze, tot de vaderen gesproken hebbende door de profeten, heeft in deze laatste dagen tot ons gesproken door den Zoon (…)” (Hebreeën 1:1-2, STV)
Deze woorden laten een niet mis te verstane duidelijke ontwikkeling in Gods openbaring zien.
Onder het oude verbond sprak God op verschillende tijden en verschillende manieren. Hij sprak door Mozes, de profeten, dromen, visioenen en bijzondere verschijningen.
Maar met de komst van de Here Jezus Christus brak iets beslissends aan.
God zond niet nóg een profeet. Hij sprak door Zijn eigen Zoon.
De Here Jezus Christus is het vleesgeworden Woord. Johannes schrijft:
“In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God.” (Johannes 1:1, STV)
En daarna:
“En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond (…)” (Johannes 1:14, STV)
Hier staan we op het hoogtepunt van Gods zelfopenbaring. Christus is niet zomaar iemand die namens God spreekt. Hij is Zelf God, geopenbaard in het vlees.
Wie daarom suggereert dat de christelijke Gemeente steeds opnieuw ‘nieuwe openbaringen’ nodig heeft om de volle waarheid te leren kennen, miskent makkelijk het definitieve karakter van Gods spreken in Zijn Zoon.
Het christendom rust niet op een voortdurende stroom ‘nieuwe openbaringen’, maar op de Persoon en het volbrachte werk van de Here Jezus Christus.
De Bijbel is géén onvolledig handboek
Paulus schrijft aan Timotheüs:
“Al de Schrift is van God ingegeven, en is nuttig tot lering, tot wederlegging, tot verbetering, tot onderwijzing, die in de rechtvaardigheid is;” (2 Timotheüs 3:16, STV)
Hier wordt iets gezegd wat in veel moderne geestelijke bewegingen op de achtergrond dreigt te raken.
De Schrift is van God ingegeven.
Dat betekent dat wij niet te maken hebben met menselijke opvattingen over God, maar met Zijn gezaghebbende Woord.
En Paulus gaat verder:
“Opdat de mens Gods volmaakt zij, tot alle goed werk volmaaktelijk toegerust.” (2 Timotheüs 3:17, STV)
Laat die woorden eens goed tot u doordringen: tot alle goed werk volmaaktelijk toegerust.
Niet gedeeltelijkis toegerust.een Niet voorlopig toegerust, totdat er een nieuwe ‘profeet’ verschijnt.. Niet afhankelijk van een ‘apostel’ die toegang beweert te hebben tot hogere verborgen kennis.
De Schrift is voldoende om de gelovige toe te rusten tot alles wat God van hem vraagt.
Dat betekent niet dat de Bijbel antwoord geeft op elke praktische vraag die een mens kan stellen. Evenmin betekent het dat onderwijs, gebed of de gemeenschap met andere gelovigen overbodig zijn.
Het betekent dat geen nieuwe leerstellige openbaring nodig is om Gods heilswaarheid aan te vullen.
Wie beweert dat de Gemeente zonder nieuwe profetieën geestelijk tekortkomt, moet zich daarom afvragen hoe die bewering zich ooit kan verhouden tot de genoegzaamheid van het geïnspireerde Woord.
Het geloof is eenmaal overgeleverd
Judas schrijft:
“…dat gij strijdt voor het geloof, dat eenmaal den heiligen overgeleverd is.” (Judas vers 3, STV)
Het woord “eenmaal” is hier bepalend.
Het geloof waarvan Judas spreekt, is niet een religieus systeem dat voortdurend moet worden uitgebreid met nieuwe leerstellingen.
Het is het geloof dat aan de heiligen is overgeleverd.
Dat betekent dat de Gemeente geroepen is om de ontvangen waarheid te bewaren, te verkondigen en te verdedigen.
Niet om nieuwe geloofswaarheden te ontdekken die eerdere generaties onbekend waren.
Niet om het apostolische onderwijs aan te vullen met boodschappen van moderne ‘profeten’.
En zeker niet om zich afhankelijk te maken van mensen die beweren toegang te hebben tot bijzondere kennis die voor gewone gelovigen verborgen blijft.
Dat is dus het gevaar van veel hedendaagse ‘openbaringsbewegingen’.
De gelovige wordt niet langer uitsluitend verwezen naar de Schrift, maar ook naar de zogenaamde geestelijke inzichten van bijzondere leiders.
Daardoor ontstaat een gevaarlijke verschuiving: het gezag verplaatst zich ongemerkt van Gods geschreven Woord naar de persoon die zegt namens God te spreken.
Het fundament van de Gemeente wordt niet telkens opnieuw gelegd
Paulus schrijft over de Gemeente:
“Gebouwd op het fundament der apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus is de uiterste Hoeksteen;” (Efeze 2:20, STV)
Een fundament wordt gelegd voordat het gebouw wordt opgetrokken.
De apostelen en profeten vervulden in de begintijd van de Gemeente een bijzondere, funderende taak. Christus is de Hoeksteen, en op het apostolische getuigenis wordt de Gemeente gebouwd.
”Dit is van groot belang voor de beoordeling van de hedendaagse beweging die opnieuw ‘apostelen’ en ‘profeten’ met bijzonder gezag wil aanstellen.
Sommige leiders beroepen zich daarbij op Efeze 4:11, waar gesproken wordt over apostelen, profeten, evangelisten, herders en leraars.
Maar je mag Efeze 4 niet losmaken van Efeze 2.
Het feit dat Christus apostelen en profeten heeft gegeven, betekent niet automatisch dat er in iedere generatie opnieuw mensen zouden moeten verschijnen met hetzelfde funderende openbaringsgezag als de oorspronkelijke apostelen.
Het Nieuwe Testament laat zien dat de apostelen een unieke plaats innamen. Zij waren getuigen van de opgestane Christus en door Hem aangesteld om Zijn getuigenis bekend te maken.
Paulus spreekt in 1 Korinthe 15:8 over zijn bijzondere ontmoeting met de opgestane Heer..
De Gemeente van vandaag heeft geen nieuw fundament nodig.
De Gemeente moet trouw blijven aan het fundament dat reeds gelegd is.te
Een moderne ‘apostel’ die ‘nieuwe goddelijke leerstellingen’ verkondigt, voegt geen verdieping toe aan het apostolische geloof, maar maakt aanspraak op een gezag waarvoor de Schrift geen grond geeft.
“God heeft mij gezegd”, een uitspraak met vergaande gevolgen
Er is nauwelijks een uitspraak die binnen een christelijke gemeenschap zoveel gezag kan opeisen als:
“God heeft mij gezegd.”
Want wie durft God tegen te spreken?
En daarin schuilt het gevaar.
Een voorganger die zegt:
“Ik denk dat dit verstandig is”
kan worden bevraagd.
Een leraar die zegt:
“Volgens mij betekent deze Bijbeltekst dit”
moet zijn uitleg vanuit de Schrift aantonen.
Maar iemand die zegt:
“God heeft rechtstreeks tot mij gesproken”,
presenteert zijn boodschap als afkomstig van de hoogste Autoriteit.
En wanneer die boodschap vervolgens niet ter discussie mag worden gesteld, ligt geestelijk misbruik op de loer.
De geschiedenis van religieuze bewegingen laat zien hoe makkelijk mensen onder druk kunnen worden gezet door leiders die hun persoonlijke overtuigingen presenteren als goddelijke opdrachten.
Daarom is de houding van de gelovigen in Berea ook zo leerzaam.
Zij onderzochten dagelijks de Schriften om na te gaan of de boodschap die zij hoorden daarmee overeenstemde (Handelingen 17:11).
Denk daar eens serieus over na.
Ook het onderwijs van Paulus werd aan de Schrift getoetst.
En tegenwoordig zouden wij de woorden van een zelfbenoemde ‘profeet’ dan kritiekloos moeten aanvaarden?
Dat is de wereld op zijn kop.
De Bijbel leert ons niet om onze geestelijke onderscheiding uit te schakelen zodra iemand beweert namens God te spreken.
Integendeel:
“Geliefden, gelooft niet een iegelijken geest, maar beproeft de geesten, of zij uit God zijn (…)” (1 Johannes 4:1, STV)
Een boodschap wordt niet betrouwbaar doordat iemand deze met grote overtuiging brengt.
En een profetische uitspraak wordt niet ‘afkomstig van God’ doordat deze emotioneel indruk maakt.
De inhoud moet worden getoetst aan de waarheid die God heeft geopenbaard.
De Heilige Geest brengt geen concurrerende openbaring
Een veelgehoord verwijt aan christenen die vasthouden aan de genoegzaamheid van de Schrift is dat zij ‘de Heilige Geest voor de voeten zouden lopen’.
Soms wordt zelfs gesuggereerd dat wie geen nieuwe profetieën verwacht, niet openstaat voor Gods spreken.
Maar dat is een valse tegenstelling.
De Heilige Geest is geen concurrent van de Schrift. Hij is De Goddelijke Auteur.
De Here Jezus zei tegen Zijn discipelen:
“Maar de Trooster, de Heilige Geest, Welken de Vader zenden zal in Mijn Naam, Die zal u alles leren, en zal u indachtig maken alles, wat Ik u gezegd heb.” (Johannes 14:26, STV)
Deze belofte had prmair betrekking op de apostelen, die door de Heilige Geest werden toegerust om betrouwbaar van Christus te getuigen.
Wanneer de Heilige Geest vandaag in gelovigen werkt, brengt Hij hen niet weg van de Schrift, maar opent Hij hun verstand en hart voor de waarheid daarvan.
Dat noemen wij de verlichting door de Heilige Geest.
Er is een belangrijk verschil tussen openbaring en verlichting.
Bij openbaring maakt God waarheid bekend die de mens voordien niet kende. Bij verlichting opent de Heilige Geest het verstand om de reeds geopenbaarde waarheid te begrijpen en toe te passen.
Dit onderscheid wordt tegenwoordig maar al te vaak genegeerd.
Het gevolg is dat persoonlijke gedachten, ingevingen en gevoelens op hetzelfde niveau worden gezet als het geïnspireerde Woord van God.
Maar mijn gevoel is niet onfeilbaar.
Mijn gedachten zijn niet onfeilbaar.
Zelfs mijn sterkste geestelijke overtuigingen zijn niet onfeilbaar.
Alleen Gods Woord heeft dat gezag.
De gevaarlijke honger naar ‘nieuwe openbaringen’
Waarom is er tegenwoordig zoveel belangstelling voor persoonlijke profetieën, dromen, visioenen, hemelse rechtbanken en zogenaamde profetische activaties?
Een belangrijke verklaring is dat veel christenen het gewone leven uit het Woord blijkbaar niet meer bijzonder genoeg vinden.
Het lezen en onderzoeken van de Bijbel lijkt voor sommigen te simpel.
Er moet iets gebeuren. Iets bovennatuurlijks. Iets dat niemand anders heeft meegemaakt.
Een persoonlijke boodschap. Een bijzondere ervaring. Een nieuwe zalving. Een verborgen geheimenis.
Maar nergens leert de Schrift dat geestelijke volwassenheid afhangt van de hoeveelheid bijzondere ervaringen die iemand verzamelt.
Integendeel.
Paulus spoort Timotheüs aan:
“Maar blijf gij in hetgeen gij geleerd hebt, en waarvan u verzekering gedaan is (…)” (2 Timotheüs 3:14, STV)
Let op dat woord: “blijf”.
De apostel spoort Timotheüs niet aan om steeds nieuwe openbaringen te zoeken, maar om trouw te blijven aan de waarheid die hem is toevertrouwd.
Dat is een boodschap die haaks staat op een religieuze cultuur waarin het nieuwe, spectaculaire en buitengewone dikwijls meer aandacht krijgt dan het eenvoudige onderwijs van de Schrift.
Het is veelzeggend wanneer een gemeente enthousiast raakt over iemand die zegt een visioen van de hemel te hebben ontvangen, terwijl een gedegen Bijbelstudie nauwelijks belangstelling trekt.
Dan is er iets aan de hand.
Niet omdat ervaringen op zichzelf de maatstaf zijn voor dwaling, maar omdat het geschreven Woord van God zijn centrale plaats dreigt te verliezen.
Maar spreekt God dan helemaal niet meer?
Deze vraag wordt vaak gesteld alsof er slechts twee mogelijkheden bestaan.
Óf God geeft vandaag nog rechtstreeks nieuwe openbaringen, óf Hij zwijgt volledig.
Dat is een valse tegenstelling.
God spreekt vandaag door Zijn Woord.
Wanneer de Bijbel wordt gelezen, spreekt niet slechts een schrijver uit lang vervlogen tijden.
Wij horen de woorden die God door Zijn Geest heeft laten vastleggen.
Het Woord is levend en krachtig (Hebreeën 4:12).
De Heilige Geest gebruikt dat Woord om zondaren te overtuigen, gelovigen te onderwijzen, dwalingen te ontmaskeren en mensen te vertroosten.
Daarvoor is geen nieuwe profetie nodig.
Ook mogen wij bidden om wijsheid, zoals Jakobus 1:5 ons leert. God bestuurt de levens van Zijn kinderen door Zijn voorzienigheid en wil ons leiden in onze omstandigheden.
Maar Zijn voorzienige leiding of de innerlijke overtuiging die wij ervaren, mogen wij niet zonder meer gelijkstellen aan een onfeilbare goddelijke openbaring.
Dat onderscheid beschermt ons tegen geestelijke hoogmoed en misleiding.
Is de Bijbelse openbaring afgesloten?
God heeft gesproken in Zijn Zoon. Het geloof is eenmaal overgeleverd. De apostelen en profeten hebben het fundament van de Gemeente gelegd. De geïnspireerde Schrift is voldoende om de mens Gods volledig toe te rusten.
Daaruit volgt de leerstellige overtuiging dat de bijzondere, funderende openbaring van de apostolische tijd niet voortdurend hoeft te worden voortgezet.
Deze overtuiging wordt vaak aangeduid als het afgesloten karakter van de bijzondere openbaring.
Dat betekent niet dat de Heilige Geest niet langer werkzaam is.
Het betekent dat Zijn werk vandaag niet afhankelijk is van nieuwe gezaghebbende boodschappen die aan het apostolische getuigenis worden toegevoegd.
De Gemeente bezit in de Bijbel een betrouwbaar en voldoende getuigenis van Gods geopenbaarde waarheid.
Zelfs een engel uit de hemel mag het Evangelie niet veranderen
Misschien is de scherpste waarschuwing wel te vinden in Galaten 1:8:
“Doch al ware het ook, dat wij, of een engel uit den hemel u een Evangelie verkondigde, buiten hetgeen wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt.” (Galaten 1:8, STV)
Paulus is hier buitengewoon scherp.
Zelfs wanneer een engel uit de hemel zou verschijnen, mag zijn boodschap niet worden aanvaard wanneer zij afwijkt van het Evangelie.
Laat dat eens op je inwerken.
Een indrukwekkende bovennatuurlijke verschijning is dus geen bewijs dat de boodschap betrouwbaar is.
Niet de ervaring bepaalt de waarheid.
Niet de verschijning bepaalt de waarheid.
Niet de status van de boodschapper bepaalt de waarheid.
Het reeds verkondigde Evangelie is de maatstaf.
Dat maakt veel moderne aanspraken op bijzondere openbaring buitengewoon kwetsbaar.
Want wanneer zelfs een engel niet het recht heeft om het Evangelie te veranderen, welk recht zou een hedendaagse profeet dan hebben om nieuwe leerstellige waarheden aan de Gemeente op te leggen?
Geen.
Terug naar het Woord, terug naar Christus
De grote behoefte van de Gemeente is niet een nieuwe generatie ‘profeten’ die ons vertelt wat God zogenaamd nu pas wil openbaren.
Zij heeft geen nieuwe ‘apostelen’ nodig die een tweede fundament leggen.
Zij heeft geen geestelijke elite nodig die toegang claimt tot verborgen kennis uit de hemel.
Wat de Gemeente nodig heeft, is een terugkeer naar het gezag, de betrouwbaarheid en de genoegzaamheid van de Bijbel.
Naar de verkondiging van de gekruisigde, opgestane en verheerlijkte Here Jezus Christus.
Naar het Evangelie van Gods genade.
Naar gezond Bijbels onderwijs waarin de Schrift wordt uitgelegd in plaats van verdrongen door persoonlijke ervaringen.
Dit vraagt om geestelijke onderscheiding, maar ook om nederigheid.
Want niemand van ons staat boven het Woord.
Geen voorganger. Geen Bijbelleraar. Geen evangelist. Geen apostel of profeet die vandaag aanspraak maakt op bijzonder gezag.
Ook ik niet.
Iedere leerstelling moet aan de Schrift worden getoetst.
En waar de Schrift duidelijk spreekt, hoort de mens gewoon te luisteren.
God hééft gesproken. Luisteren wij nog?
Het probleem van onze tijd is niet dat God te weinig heeft gezegd.
Het probleem is dat we vaak te weinig aandacht schenken aan wat Hij heeft gezegd.
We zoeken het bijzondere, terwijl het geïnspireerde Woord voor ons ligt.
We luisteren naar mensen die beweren namens God te spreken, terwijl we nauwelijks onderzoeken wat God Zelf in de Schrift heeft laten vastleggen.
We verlangen naar nieuwe openbaringen, terwijl de rijkdom van de al gegeven openbaring voor velen grotendeels onbekend blijft.
Dat is geen geestelijke vooruitgang.
Dat is een gevaarlijke verschuiving van Gods objectieve waarheid naar menselijke subjectiviteit.
De Here Jezus Christus is Gods beslissende openbaring. De Heilige Schrift is Zijn geïnspireerde, gezaghebbende en voldoende Woord voor de Gemeente.
Wie méér gezaghebbende openbaring zoekt dan God ons heeft toevertrouwd, loopt het gevaar minder waarde te hechten aan wat Hij reeds heeft gegeven.
De hoogste vorm van geestelijkheid is niet dat iemand voortdurend nieuwe woorden van God beweert te ontvangen.
Het is dat hij gelooft, bewaart en gehoorzaamt wat God heeft gesproken.
We hebben geen nieuw woord van God nodig.
We moeten terug naar het Woord van God.