Hebben christenen schuld tegenover het Joodse volk?

Moeten christenen schuld belijden voor wat in het verleden in de naam van Jezus is misdaan tegenover het Joodse volk?

Het is een vraag die regelmatig terugkeert. Begrijpelijk, want de geschiedenis van het christendom kent gitzwarte bladzijden.

Joden zijn vervolgd, vernederd, gedwongen zich te bekeren en zelfs vermoord door mensen die zich christen noemden. Soms gebeurde dat met instemming van kerkelijke leiders. Soms waren die leiders zelf de aanstichters.

Daar kunnen we niet omheen. En dat moeten we ook niet willen.

Maar betekent dit dat christenen van vandaag schuldig zijn aan wat anderen eeuwen geleden hebben gedaan? Moeten wij namens vorige generaties schuld belijden tegenover het Joodse volk?

En hoe verhoudt die vraag zich tot onze houding tegenover Israël, de kruisiging van Christus en het antisemitisme dat ook vandaag nog voorkomt?

Wie daarop een Bijbels antwoord zoekt, zal een aantal zaken helder moeten onderscheiden.

Dragen christenen schuld naar het Joodse volk?
Dragen christenen schuld naar het Joodse volk?

Zwarte bladzijden

De vervolging van het Joodse volk is niet alleen een geschiedenis van politieke machthebbers en heidense volken. Ook de kerkgeschiedenis kent ernstige misstanden.

Denk aan de gedwongen bekeringen, de verdrijving van Joodse gemeenschappen, de beschuldigingen van rituele moord en de vervolgingen tijdens de kruistochten. In verschillende perioden werden Joden als tweederangsburgers behandeld, uitgesloten van beroepen of gedwongen in afzonderlijke wijken te wonen.

En het bleef niet beperkt tot de Rooms-Katholieke Kerk. Ook binnen het protestantisme heeft vijandschap tegenover Joden bestaan. De latere geschriften van Maarten Luther over de Joden zijn daarvan een beschamend voorbeeld.

Dat alles is des te schrijnender omdat het gebeurde onder de vlag van een geloof waarvan de Here Jezus Christus het middelpunt hoort te zijn.

Hoe kon men in Zijn naam handelen op een manier die zo lijnrecht inging tegen Zijn onderwijs?

De Here Jezus zei:

“Maar Ik zeg u: Hebt uw vijanden lief; zegent ze, die u vervloeken; doet wel dengenen, die u haten; en bidt voor degenen, die u geweld doen, en die u vervolgen.” Mattheüs 5:44 (STV)

Wie Joden vervolgt, bedreigt of mishandelt, kan zich daarbij nooit op Christus beroepen. Zijn naam gebruiken maakt een daad nog niet christelijk.

En laten we daarbij niet de gemakkelijke uitweg kiezen door iedereen die zich aan zulke dingen schuldig maakte achteraf een naamchristen te noemen. Ook mensen die zichzelf oprecht als gelovigen beschouwden, hebben ernstig gedwaald en gezondigd.

De geschiedenis moet eerlijk verteld worden. Ook wanneer dat ongemakkelijk is.

 

Maar is de schuld van onze voorouders ook onze schuld?

Hier komen we bij de kern van de vraag.

Het is tegenwoordig niet ongebruikelijk dat christenen worden opgeroepen om namens eerdere generaties schuld te belijden. Men spreekt dan bijvoorbeeld over de schuld van de kerk tegenover het Joodse volk.

Maar wie is die kerk? En wie heeft die schuld?

Ben ik schuldig aan wat een bisschop in de middeleeuwen heeft gedaan? Draagt een gelovige vandaag persoonlijke schuld voor de antisemitische uitspraken van Luther? En kan iemand berouw hebben over een daad die hij zelf niet heeft begaan?

De Bijbel is zeer duidelijk over persoonlijke schuld.

“De ziel, die zondigt, die zal sterven; de zoon zal niet dragen de ongerechtigheid des vaders, en de vader zal niet dragen de ongerechtigheid des zoons; de gerechtigheid des rechtvaardigen zal op hem zijn, en de goddeloosheid des goddelozen zal op hem zijn.” Ezechiël 18:20 (STV)

Dat is een belangrijk beginsel.

God rekent een mens niet de zonden van zijn voorouders toe. Een zoon is niet persoonlijk schuldig omdat zijn vader gezondigd heeft. En een christen van vandaag is niet persoonlijk schuldig omdat mensen die zich eeuwen geleden christen noemden, het Joodse volk hebben vervolgd.

Dat betekent niet dat het verleden geen gevolgen heeft. Zonden kunnen generaties lang doorwerken. Vooroordelen kunnen worden doorgegeven. Onrecht kan sporen nalaten die nog lang zichtbaar blijven.

Maar de gevolgen van vroegere zonden dragen is iets anders dan persoonlijk schuldig zijn aan die zonden.

Dat onderscheid moeten we willen zien.

 

En Daniël dan? Die beleed toch de zonden van zijn volk?

Een bekend bezwaar is dan dat Daniël in zijn gebed de zonden van Israël beleed.

“Wij hebben gezondigd, en hebben onrecht gedaan, en goddelooslijk gehandeld, en gerebelleerd, met af te wijken van Uw geboden en van Uw rechten.” Daniël 9:5 (STV)

Daniël spreekt inderdaad in de wij-vorm. Hij stelt zich niet buiten zijn volk, maar vereenzelvigt zich ermee.

Toch moeten we goed lezen wat hier staat.

Daniël hoort bij Israël, het volk waarmee God Zijn verbond had gesloten. Zijn gebed staat rechtstreeks in verband met de ongehoorzaamheid van Israël, de aangekondigde oordelen en de beloften die God aan dat volk had gedaan.

Daniël erkent de rechtvaardigheid van Gods weg met Israël. Hij bidt om ontferming en herstel.

Maar volgt daaruit dan dat iedere gelovige vandaag verplicht is schuld te belijden voor alle zonden die ooit door mensen met dezelfde geloofsnaam zijn gepleegd?

Nee. Die conclusie gaat veel verder dan de tekst ons toestaat.

Er bestaat een verschil tussen het erkennen van de zonden binnen een gemeenschap waartoe men behoort en het persoonlijk op zich nemen van schuld aan daden die anderen hebben begaan.

Een kerkelijke organisatie kan bovendien terecht verantwoordelijkheid nemen voor misstanden uit haar eigen geschiedenis. Zij kan onrecht erkennen, slachtoffers recht doen en afstand nemen van vroegere leerstellingen en praktijken.

Dat is toch iets anders dan te beweren dat iedere christen persoonlijk schuldig staat tegenover het Joodse volk.

 

De Bijbel waarschuwt juist tegen hoogmoed tegenover Israël

Dat christenen geen erfelijke schuld dragen, betekent zeker niet dat zij onverschillig tegenover het Joodse volk zouden mogen staan.

Integendeel.

Paulus richt zich in Romeinen 11 uitdrukkelijk tot gelovigen uit de heidenen. Hij waarschuwt ze tegen een houding van hoogmoed tegenover Israël.

“Zo roem niet tegen de takken; en indien gij daartegen roemt, gij draagt den wortel niet, maar de wortel u.” Romeinen 11:18 (STV)

Wat een ernstige waarschuwing!

De gelovigen uit de heidenen hebben geen enkele reden om zich boven Israël te verheffen. Zij hebben geen grond om neer te kijken op het volk waaruit, naar het vlees, de Christus is voortgekomen.

Paulus maakt bovendien duidelijk dat Gods beloften en roeping ten aanzien van Israël niet zijn verdwenen.

“Want de genadegiften en de roeping Gods zijn onberouwelijk.” Romeinen 11:29 (STV)

Toch heeft juist op dit punt een ernstige ontsporing plaatsgevonden.

In grote delen van de kerkgeschiedenis groeide de gedachte dat God met Israël had afgedaan en dat de kerk definitief de plaats van Israël had ingenomen. Het Joodse volk werd vervolgens niet zelden beschouwd als een verworpen volk, dat vanwege zijn ongeloof onder een blijvende vloek zou staan.

Maar Paulus leert iets anders.

Hij spreekt over Israëls ongeloof, maar ook over Gods trouw. Hij waarschuwt de heidenen niet om zich op de borst te slaan, maar om te vrezen.

Hoe opmerkelijk is het dan dat juist onder mensen die de brief aan de Romeinen lazen, zoveel minachting voor Israël kon ontstaan?

Wie Romeinen 11 serieus neemt, kan geen ruimte geven aan christelijke hoogmoed tegenover het Joodse volk.

Wie is schuldig aan de kruisdood van Christus?

Eeuwenlang is het Joodse volk beschuldigd van de moord op Christus. Die beschuldiging werd vervolgens gebruikt om vijandschap en vervolging te rechtvaardigen.

Maar hier moeten we een belangrijke vraag stellen.

Wie is er schuldig aan de kruisdood van de Here Jezus?

Natuurlijk kunnen we wijzen op de historische gebeurtenissen. Op de Joodse leiders die Zijn dood verlangden. Op Pilatus, die Hem ondanks zijn overtuiging dat Hij onschuldig was, overleverde. Op de Romeinse soldaten die Hem kruisigden.

Maar daarmee hebben we nog lang niet alles gezegd.

Want waarom moest Christus eigenlijk sterven?

Paulus schrijft:

“Want zij hebben allen gezondigd, en derven de heerlijkheid Gods;” Romeinen 3:23 (STV)

Allen!

Niet alleen de Joden. Niet alleen de Romeinen. Niet alleen de mensen die destijds bij de kruisiging betrokken waren.

Ook wij.

De Bijbel leert dat Christus gestorven is voor onze zonden. Dat is de kern van het Evangelie.

“Want ik heb ulieden ten eerste overgegeven, hetgeen ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften;” 1 Korinthe 15:3 (STV)

En Jesaja schreef eeuwen eerder:

“Wij dwaalden allen als schapen, wij keerden ons een iegelijk naar zijn weg; doch de HEERE heeft onzer aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen.” Jesaja 53:6 (STV)

Hier ligt de diepste oorzaak van het lijden en sterven van Christus.

Onze zonden.

In die zin zijn alle mensen schuldig aan de kruisdood van Christus.

Niet omdat ieder mens persoonlijk aanwezig was bij Golgotha of de historische handeling heeft uitgevoerd, heeft geroepen: “Kruisig Hem!”

Maar omdat allen gezondigd hebben en het offer van Christus noodzakelijk was voor onze verzoening met God.

Wie dat begrijpt, zal zich wel tweemaal bedenken voordat hij met een beschuldigende vinger naar het Joodse volk wijst.

Want wat zou ik daarmee zeggen? Dat hun zonden Christus aan het kruis brachten, maar de mijne niet?

De Schrift laat daar geen enkele ruimte voor.

Bovendien verklaart Petrus dat Christus is overgegeven naar Gods bepaalde raad en voorkennis (Handelingen 2:23). De kruisdood was geen onverwachte gebeurtenis waardoor Gods plan mislukte. Het was juist de vervulling van Zijn heilsplan.

Dat neemt de verantwoordelijkheid van de historische daders niet weg. Maar het laat zien dat de betekenis van het kruis veel verder reikt dan de gebeurtenissen in Jeruzalem.

En het maakt iedere gedachte aan een bijzondere, erfelijke schuld van het Joodse volk aan de kruisiging onhoudbaar.

Niet één volk heeft een Zaligmaker nodig. De hele wereld heeft een Zaligmaker nodig.

 

Liefde voor Israël betekent niet dat de staat Israël geen kritiek mag krijgen

Hier is nog een belangrijk onderscheid nodig. Een onderscheid dat in onze tijd heel makkelijk verloren gaat.

Wie het Joodse volk een warm hart toedraagt en gelooft dat God Zijn beloften aan Israël zal vervullen, hoeft daarom niet automatisch achter iedere beslissing van de huidige Israëlische regering te staan.

Het Bijbelse Israël, het Joodse volk en de moderne staat Israël zijn begrippen die met elkaar samenhangen, maar niet zonder meer samenvallen.

De staat Israël is een politieke realiteit met een regering, een leger en een rechtsorde. De beslissingen die daar genomen worden, mogen net als die van andere staten worden onderzocht en bekritiseerd.

Dat is geen antisemitisme.

Het is dan ook onjuist en oneerlijk om kritiek op het optreden van de Israëlische regering gelijk te stellen aan Jodenhaat. Toch gebeurt dat in het publieke debat. Daarmee dreigt het begrip antisemitisme zijn noodzakelijke scherpte te verliezen.

Want antisemitisme bestaat. Het is een ernstig kwaad dat bestreden moet worden. Joden worden nog altijd geconfronteerd met haat, bedreigingen, vijandigheid en vooroordelen,ook vanwege gebeurtenissen waarvoor zij persoonlijk geen enkele verantwoordelijkheid dragen.

Maar daarom moeten we heel zorgvuldig zijn met onze woorden.

Kritiek op een regering is niet hetzelfde als haat tegen een volk.

Wie Joden verantwoordelijk houdt voor alles wat de Israëlische staat doet, maakt zich schuldig aan een onrechtvaardige veralgemenisering. En wie antisemitische denkbeelden verpakt als politieke kritiek, kan zich niet verschuilen achter de vrijheid om een regering te bekritiseren.

Maar omgekeerd geldt ook dat iemand die concrete kritiek uit op het beleid of militaire optreden van Israël niet zonder meer van antisemitisme mag worden beschuldigd.

De Bijbel zelf geeft ons alle reden om dat onderscheid te maken.

Denk eens aan de profeten van Israël. Zij spaarden de koningen, priesters en leiders van hun eigen volk niet wanneer die zich schuldig maakten aan onrecht, onderdrukking of afgoderij.

Jesaja, Jeremia, Amos en andere profeten spraken soms buitengewoon scherp en hard tegen Israël.

Waren zij daarom vijanden van Israël?

Nee! Omdat zij namens God spraken, moesten zij het onrecht aanwijzen.

Gods trouw aan Israël betekende nooit dat de leiders van Israël boven Zijn oordeel verheven waren.

Waarom zouden wij dat vandaag dan wel zo moeten voorstellen?

Wie Gods beloften aan Israël serieus neemt, hoeft het handelen van de huidige Israëlische overheid niet kritiekloos te verdedigen.

En wie kritiek heeft op die overheid, hoeft daarmee Gods beloften aan Israël niet te ontkennen.

Bijbelse verbondenheid met Israël is geen blanco cheque voor politiek of militair handelen.

Dat is geen gebrek aan liefde voor het Joodse volk. Het is een kwestie van rechtvaardigheid.

 

Moeten christenen daarom hun mond houden over het Evangelie?

Soms wordt uit de pijnlijke geschiedenis een andere conclusie getrokken: christenen zouden tegenover Joden terughoudend moeten zijn met het Evangelie, omdat er in het verleden zoveel kwaad is aangericht in de naam van Jezus.

De gedachte daarachter is begrijpelijk. Maar is het ook Bijbels?

Paulus schrijft:

“Want ik schaam mij des Evangelies van Christus niet; want het is een kracht Gods tot zaligheid een iegelijk, die gelooft, eerst den Jood, en ook den Griek.”  Romeinen 1:16 (STV)

Let op die woorden: eerst de Jood, en ook de Griek.

Het Evangelie is niet het eigendom van een kerkelijke organisatie. Het is Gods boodschap van genade en verzoening in de Here Jezus Christus.

Dat mensen in Zijn naam verschrikkelijke dingen hebben gedaan, maakt het Evangelie zelf niet schuldig.

Integendeel. Die geschiedenis laat ons zien hoe ver mensen kunnen afdwalen wanneer zij zich niet meer onderwerpen aan Gods Woord.

Betekent dit dat christenen zonder gevoel voor de geschiedenis het gesprek met Joodse mensen moeten aangaan? Natuurlijk niet.

Wie het Evangelie verkondigt, behoort dat te doen met liefde, respect en bescheidenheid. Niet vanuit een houding van superioriteit. Niet met dwang. Niet met minachting voor de Joodse afkomst of geschiedenis.

Maar ook niet vanuit de gedachte dat Jezus Christus voor het Joodse volk niet de Messias zou mogen zijn.

Dat zou een heel foute uitkomst zijn van een geschiedenis waarin juist Zijn naam zo vaak verkeerd is gebruikt.

 

Schuld belijden of verantwoordelijkheid nemen?

Misschien ligt hier wel het belangrijkste onderscheid.

Ik kan geen berouw hebben over een zonde die ik niet zelf heb begaan, alsof die zonde mijn persoonlijke daad was. Maar ik kan wel erkennen dat anderen verschrikkelijk hebben gehandeld. Ik kan mij daarvan uitdrukkelijk distantiëren. En ik kan ervoor waken dat dezelfde denkbeelden opnieuw ingang vinden.

Wanneer ik antisemitisme tegenkom, kan ik me daartegen uitspreken.

Wanneer iemand beweert dat God Israël heeft verworpen, kan ik de Schrift openen en laten zien wat Paulus daarover schrijft.

Wanneer het verleden wordt verdraaid of gebagatelliseerd, kan ik de waarheid verdedigen.

En wanneer een Joodse medemens geconfronteerd wordt met haat of bedreiging, mag ik niet onverschillig blijven.

Maar ik mag ook niet zwijgen wanneer het begrip antisemitisme wordt gebruikt om terechte kritiek op het handelen van een overheid te smoren.

Want rechtvaardigheid vraagt niet om selectieve verontwaardiging.

Daarvoor hoef ik geen schuld te belijden die niet de mijne is.

Sterker nog: een openbare schuldbelijdenis kan makkelijk een leeg gebaar worden wanneer het niet gepaard gaat met een Bijbelse houding in het heden.

Het gaat niet om de vraag of wij ons schuldig genoeg voelen over het verleden. Het gaat erom of wij vandaag rechtvaardig handelen.

 

Wat zijn christenen het Joodse volk dan verschuldigd?

Geen erfelijke schuld. Geen verplichting om persoonlijke verantwoordelijkheid op zich te nemen voor de misdaden van eerdere generaties.

Maar wel liefde, eerlijkheid, respect en de bereidheid om op te komen tegen onrecht.

En bovenal: een houding die gevormd wordt door de Schrift.

Dat betekent dat wij het Joodse volk niet moeten idealiseren. Israël is, evenals ieder ander volk, bepaald niet vrij van zonde. De Bijbel spreekt daar zelf openlijk over.

Maar het betekent evenmin dat wij Israël mogen verachten of Gods beloften aan dat volk terzijde mogen schuiven.

De Schrift geeft ons geen ruimte voor antisemitisme, maar ook geen opdracht om uit schuldgevoel het onderscheid tussen Israël en de Gemeente uit te wissen.

En zij geeft ons evenmin een opdracht om iedere politieke beslissing van de moderne staat Israël als de wil van God te beschouwen.

Wij hoeven het verleden niet goed te praten om het Evangelie te verdedigen. Wij hoeven het Evangelie niet te verzwijgen om het verleden eerlijk onder ogen te zien. En wij hoeven een regering niet kritiekloos te steunen om het Joodse volk lief te hebben.

Wij zijn schuldig om hen met de Zoon in aanraking te brengen, dat wat Paulus aanhoudend deed.

Niet de schuld van anderen, maar onze eigen verantwoordelijkheid

De geschiedenis van de vervolging van het Joodse volk is ernstig. Vooral wanneer die vervolging plaatsvond in de naam van Hem Die leerde om zelfs onze vijanden lief te hebben.

Niet wegpoetsen dat.

Maar schuld is geen erfenis die zomaar van generatie op generatie wordt overgedragen. God houdt de mens verantwoordelijk voor zijn eigen handelen.

Tegelijk mogen we nooit vergeten dat er één geschiedenis is waarbij niemand van ons kan zeggen dat hij er niets mee te maken heeft:

De kruisdood van de Here Jezus Christus.

Niet omdat wij allemaal persoonlijk bij de kruisiging aanwezig waren, maar omdat wij allemaal gezondigd hebben.

Daarom is het zo fout om het Joodse volk een bijzondere schuld aan de dood van Christus toe te rekenen.

De vraag is niet of wij alsnog schuld moeten belijden voor wat anderen eeuwen geleden hebben gedaan.

De vraag is of wij onze eigen schuld tegenover God erkennen en bereid zijn te luisteren naar wat Hij in Zijn Woord zegt.

Over Israël. Over Zijn trouw. Over menselijke hoogmoed. Over de liefde tot onze naaste. Over rechtvaardigheid. En bovenal over de Here Jezus Christus, Die gekomen is om zondaren zalig te maken.

Christenen hebben geen geërfde schuld tegenover het Joodse volk. Maar zij hebben wel een verantwoordelijkheid tegenover God om het Joodse volk rechtvaardig en liefdevol te behandelen. Zonder antisemitisme. Zonder politieke blindheid. En zonder het Evangelie prijs te geven.

Want uiteindelijk hebben Jood en heiden precies hetzelfde nodig.

Niet een verklaring van historische onschuld.

Maar verzoening met God door de Here Jezus Christus.

 

Geverifieerd door MonsterInsights