Stelt de Heilige Geest ons in staat de wet te vervullen?

Hoeveel misvatting kun je in één zin kwijt?

“De Heilige Geest stelt ons in staat om de wet te vervullen.”

Dat hoorde ik zojuist beweren in een pinksterpreek.

Welke wet, op welke manier, en onder welk verbond?

Want zodra deze uitspraak betekent dat de gelovige door de Heilige Geest alsnog wordt teruggeleid naar de wet van Mozes als leefregel, zitten we niet meer bij Paulus. Dan zitten we bij een evangelische variant van Sinaï. Een christelijk aangeklede terugkeer naar het juk waarvan Christus ons juist heeft vrijgemaakt.

Het klinkt vroom: vroeger konden wij de wet niet houden, maar nu hebben wij de Geest en kunnen wij het wél.

Maar is dat de Bijbelse boodschap?

Paulus zegt niet: vroeger onder de wet zonder kracht, nu onder de wet mét kracht. Paulus zegt:

“Want de zonde zal over u niet heersen; want gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade.” Romeinen 6:14 (STV)

Niet: onder de wet met Geestelijke ondersteuning.
Niet: onder Sinaï met Pinksterkracht.
Niet: Mozes, maar dan uitvoerbaar gemaakt door de Geest.

Maar:

niet onder de wet, maar onder de genade.

Daar begint de correctie.

Stelt de heilige geest ons in staat de wet te vervullen?

 

De valstrik van een Bijbels klinkende zin

De uitspraak is verraderlijk omdat zij dicht langs Romeinen 8:4 schuurt.

Paulus schrijft:

“Opdat het recht der wet vervuld zou worden in ons, die niet naar het vlees wandelen, maar naar den Geest.” Romeinen 8:4 (STV)

Daar grijpt men dan naar: zie je wel, het recht van de wet wordt vervuld in ons. Dus de Heilige Geest stelt ons in staat om de wet te vervullen.

Maar dat is te snel. Veel te snel.

Want Paulus zegt niet dat de gelovige weer onder de wet wordt geplaatst om die nu, met hulp van de Geest, alsnog als leefregel af te werken. Hij zegt dat het recht der wet vervuld wordt in hen die niet naar het vlees wandelen, maar naar de Geest.

Dat is iets anders.

Het gaat niet om een terugkeer naar de wet als verbondssysteem. Het gaat om een wandel door de Geest waarin Gods rechtvaardige bedoeling niet wordt geschonden, maar zichtbaar wordt als vrucht van het nieuwe leven.

De Geest maakt van de wet geen christelijke loopband.
De Geest werkt Christus’ leven uit in hen die niet onder de wet, maar onder de genade zijn.

 

Paulus nekt de misvatting zelf

Wie beweert dat de Heilige Geest ons onder de wet brengt om haar te vervullen, moet langs Galaten 5 heen. En dat lukt niet.

Paulus schrijft:

“Maar indien gij door den Geest geleid wordt, zo zijt gij niet onder de wet.” Galaten 5:18 (STV)

Dat vers is eenvoudig. Bijna hinderlijk eenvoudig.

 

Door de Geest geleid? Dan niet onder de wet.

Dus de Geest is niet gegeven om de gelovige terug onder de wet te plaatsen. De Geest is juist kenmerkend voor een andere sfeer: niet de sfeer van Sinaï, maar van Christus; niet de bediening van de letter, maar van het leven; niet de slavernij, maar de vrijheid.

Daarom is de uitspraak “de Heilige Geest stelt ons in staat de wet te vervullen” op zijn minst riskant. Zij kan waar klinken, maar verkeerd werken. Zij kan vroom beginnen en wettisch eindigen.

Want in de praktijk wordt het vaak dit:

Christus verlost mij van de vloek van de wet.
De Geest helpt mij daarna om de wet alsnog als leefregel te houden.

Dat is geen genadeleer. Dat is Galatianisme met een Pinksterjas aan.

 

Niet onder de wet, maar onder de genade

Paulus zegt:

“Want de zonde zal over u niet heersen; want gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade.” Romeinen 6:14 (STV)

Dat is geen los staande tekst. Dat is een principiële uitspraak over de positie van de gelovige. De gelovige staat niet meer onder (het regime van) de wet. Hij staat onder genade.

Dat is waar veel verwarring ontstaat. Men denkt dat genade wel goed is voor vergeving, maar dat de wet daarna nodig is voor heiliging. Alsof genade de voordeur is en de wet de woonkamer. Alsof Christus binnenbrengt, maar Mozes daarna het huis bestuurt.

Maar Paulus doet dat niet.

Hij schrijft niet:

de zonde zal over u niet heersen, want de Geest stelt u nu in staat de wet te houden.

Hij schrijft:

de zonde zal over u niet heersen, want gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade.

Dat is de omgekeerde redenering van veel prediking.

 

De wet is heilig, maar zij is niet de leefregel van de gelovige

Nu moet niemand een karikatuur maken. De wet zelf is niet slecht.

Paulus zegt:

“Alzo is dan de wet heilig, en het gebod is heilig, en rechtvaardig, en goed.” Romeinen 7:12 (STV)

En:

“Want wij weten, dat de wet geestelijk is, maar ik ben vleselijk, verkocht onder de zonde.” Romeinen 7:14 (STV)

De wet is heilig. De wet is rechtvaardig. De wet is goed. Het probleem ligt niet in de wet, maar in de mens. De wet eist, openbaart, veroordeelt en toont zonde. Maar zij geeft geen leven, geen kracht, geen vrijheid.

Daarom zegt Paulus ook:

“Want hetgeen der wet onmogelijk was, dewijl zij door het vlees krachteloos was, heeft God, Zijn Zoon zendende in gelijkheid des zondigen vleses, en dat voor de zonde, de zonde veroordeeld in het vlees.” Romeinen 8:3 (STV)

Let goed op: Paulus zegt niet dat God de wet nu alsnog krachtig heeft gemaakt als leefregel. Hij zegt dat God Zijn Zoon gezonden heeft. De oplossing is niet de wet plus Geestelijke bekrachtiging. De oplossing is Christus.

De wet kon niet tot stand brengen wat Christus gedaan heeft.

 

Romeinen 8:4 is geen terugkeer naar Sinaï

Romeinen 8:4 wordt vaak gebruikt als sluiproute terug naar de wet.

“Opdat het recht der wet vervuld zou worden in ons, die niet naar het vlees wandelen, maar naar den Geest.” Romeinen 8:4 (STV)

Maar let op de formulering.

Er staat niet: opdat wij onder de wet zouden worden gesteld.
Er staat niet: opdat wij de wet van Mozes als christelijke leefregel zouden onderhouden.
Er staat niet: opdat wij met hulp van de Geest de Sinaï-code zouden uitvoeren.

Er staat:

opdat het recht der wet vervuld zou worden in ons.

Dat gebeurt niet door terugkeer naar de letter, maar door wandel naar de Geest. Niet door onder de wet te staan, maar juist doordat de gelovige in Christus is.

De wet vroeg rechtvaardigheid, maar kon die niet geven. Christus heeft gedaan wat de wet niet vermocht. En de Geest werkt in de gelovige een leven dat niet tegen Gods heiligheid ingaat, maar vrucht draagt tot God.

Niet wet als systeem.
Niet wet als juk.
Niet wet als verbondscontract.
Maar Christus als leven, de Geest als kracht, genade als sfeer.

 

De wet als leefregel klinkt vroom, maar berooft genade van haar vrijheid

Hier zit het venijn.

Men zegt: “Wij zijn niet door de wet gerechtvaardigd, maar de wet blijft wel onze leefregel.”

Dat klinkt netjes. Orthodox. Veilig.

Maar Paulus is veel scherper. Hij zegt:

“Zo dan, mijn broeders, gij zijt ook der wet gedood door het lichaam van Christus, opdat gij zoudt worden eens Anderen, namelijk Desgenen, Die van de doden opgewekt is, opdat wij Gode vruchten dragen zouden.” Romeinen 7:4 (STV)

Niet: gij zijt der wet gedood om daarna door de Geest beter onder de wet te leven.

Nee:

“opdat gij zoudt worden eens Anderen”

Van Wie? Van Christus, Die uit de doden opgewekt is.

En met welk doel?

“opdat wij Gode vruchten dragen zouden.”

De vrucht komt niet uit een vernieuwde relatie met de wet. De vrucht komt uit verbondenheid met de opgestane Christus.

Daarna zegt Paulus:

“Maar nu zijn wij vrijgemaakt van de wet, overmits wij dien gestorven zijn, onder welken wij gehouden waren; alzo dat wij dienen in nieuwigheid des geestes, en niet in de oudheid der letter.” Romeinen 7:6 (STV)

Dat is een bevrijding.

Niet dienen in de oudheid der letter.
Maar dienen in nieuwigheid des geestes.

 

Galatianisme met Geestelijke taal

De gevaarlijkste vorm van wetticisme zegt niet altijd: u moet de wet houden om behouden te worden.

Dat is te herkenbaar.

De subtielere vorm zegt: u bent uit genade behouden, maar nu geeft de Geest u kracht om de wet te vervullen.

En daar moet je wakker worden.

Want dan wordt genade de startmotor en de wet de rijbaan. Christus opent de deur, Mozes neemt het stuur over, en de Heilige Geest wordt gereduceerd tot brandstof voor een reis terug naar Sinaï.

Dat is geestelijke verwarring.

Paulus schrijft aan de Galaten:

“Zijt gij zo uitzinnig? Daar gij met den Geest begonnen zijt, voleindigt gij nu met het vlees?” Galaten 3:3 (STV)

En daarvoor:

“Dit alleen wil ik van u leren: hebt gij den Geest ontvangen uit de werken der wet, of uit de prediking des geloofs?” Galaten 3:2 (STV)

Dat is de vraag die men vandaag opnieuw moet stellen.

Hebt gij den Geest ontvangen uit de werken der wet?
Nee.

Waarom zou de Geest u dan vervolgens terugbrengen onder datzelfde systeem?

De Geest werd niet ontvangen uit de werken der wet, maar uit de prediking des geloofs. En de wandel door de Geest blijft op diezelfde genadegrond staan.

 

De liefde vervult de wet, maar liefde is geen terugkeer onder de wet

Nu zal iemand zeggen: maar Paulus schrijft toch dat de liefde de wet vervult?

Ja.

“Zijt niemand iets schuldig, dan elkander lief te hebben; want die den ander liefheeft, die heeft de wet vervuld.” Romeinen 13:8 (STV)

En:

“Want de gehele wet wordt in één woord vervuld, namelijk in dit: Gij zult uw naaste liefhebben gelijk uzelven.” Galaten 5:14 (STV)

Maar ook hier moet je scherp lezen.

Paulus zegt niet: ga terug onder de wet. Hij zegt dat liefde doet wat de wet eiste zonder dat de gelovige onder het wetssysteem staat. Liefde is niet de christelijke verpakking van Mozes. Liefde is vrucht van de Geest.

Direct na Galaten 5:14 zegt Paulus niet: onderhoud dus de wet.

Hij zegt:

“En ik zeg: Wandelt door den Geest en volbrengt de begeerlijkheid des vleses niet.” Galaten 5:16 (STV)

En even later:

“Maar de vrucht des Geestes is liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, matigheid.” Galaten 5:22 (STV)

De liefde komt dus niet voort uit wet als juk, maar uit de Geest als vrucht.

Dat is een wereld van verschil.

 

De Geest werkt vrucht, geen wettische prestatie

De Geest is niet gegeven als hemelse krachtcentrale om de oude mens nu eindelijk religieus productief te maken.

De Geest werkt vanuit Christus. Hij verheerlijkt Christus. Hij past het Woord toe. Hij doet de gelovige wandelen in nieuwheid des levens. Hij brengt vrucht voort die de wet niet kon produceren.

De wet zegt: doe en leef.
De genade zegt: leef, en wandel nu waardig.

De wet eist vrucht van een dorre boom.
De genade geeft leven in Christus en brengt vrucht voort door de Geest.

De wet zegt: gij zult.
De Geest werkt: Christus in u.

Dat is geen semantisch verschil. Dat is het verschil tussen slavernij en vrijheid.

 

Geen antinomianisme

Nu komt de bekende beschuldiging: “Maar als je zegt dat de gelovige niet onder de wet is, krijg je losbandigheid.”

Dat is precies de vraag die Paulus zelf al ondervangt.

“Wat dan? Zullen wij zondigen, omdat wij niet zijn onder de wet, maar onder de genade? Dat zij verre.” Romeinen 6:15 (STV)

Paulus kent de verdraaiing. Maar let op: hij corrigeert losbandigheid niet door de gelovige terug onder de wet te zetten. Hij zegt niet: o, als u dat denkt, moet u toch weer Mozes als leefregel nemen.

Nee. Hij houdt vast aan de genadepositie en werkt vanuit de vereniging met Christus.

De gelovige is met Christus gestorven. De oude mens is gekruisigd. De gelovige leeft voor God in Christus Jezus. Daarom moet hij niet wandelen naar het vlees, maar door de Geest.

Dat is geen wetteloosheid. Dat is hoger dan wet. Niet lager.

 

De leefregel van de gelovige is Christus

De vraag is dus niet: heeft de gelovige dan geen leefregel?

Natuurlijk wel.

Maar die leefregel is niet de wet van Mozes als verbondssysteem. De leefregel van de gelovige is Christus Zelf, toegepast door de Geest, onderwezen door de apostolische leer, in de sfeer van genade.

Johannes schrijft:

“Die zegt, dat hij in Hem blijft, die moet ook zelf alzo wandelen, gelijk Hij gewandeld heeft.” 1 Johannes 2:6 (STV)

Paulus schrijft:

“Zijt dan navolgers Gods, als geliefde kinderen;” Efeze 5:1 (STV)

En:

“En wandelt in de liefde, gelijkerwijs ook Christus ons liefgehad heeft, en Zichzelven voor ons heeft overgegeven tot een offerande en een slachtoffer, Gode tot een welriekenden reuk.” Efeze 5:2 (STV)

Dat is de toon van het Nieuwe Testament.

Niet: terug naar de stenen tafelen als centrale leefregel.
Maar: wandelen waardig de roeping, wandelen in liefde, wandelen als kinderen des lichts, wandelen door de Geest, wandelen zoals Christus gewandeld heeft.

Dat is geen mindere norm. Dat is een hogere Persoon.

 

De wet vraagt, Christus geeft

Dit is de kern.

De wet vraagt gerechtigheid.
Christus is onze gerechtigheid.

De wet legt schuld bloot.
Christus draagt schuld weg.

De wet veroordeelt de zondaar.
Christus rechtvaardigt de goddeloze die gelooft.

De wet toont wat de mens moet zijn.
Christus is wat de gelovige voor God geworden is.

De wet zegt: doe dit en gij zult leven.
Christus zegt: Ik leef, en gij zult leven.

De Geest is niet gegeven om de gelovige terug te brengen naar het systeem dat hem veroordeelde. De Geest is gegeven omdat de gelovige in Christus is en nu mag leven uit een nieuwe positie.

 

Wat dan met “het recht der wet”?

Romeinen 8:4 blijft belangrijk. Maar het moet op Paulus’ manier gelezen worden.

Het recht der wet wordt vervuld in ons die wandelen naar de Geest. Dat betekent: de rechtvaardige eis van God wordt niet genegeerd. Genade is geen morele afvalbak. De Geest brengt geen wetteloosheid voort.

Maar dit vervullen gebeurt niet doordat de gelovige onder de wet wordt gezet. Het gebeurt doordat hij in Christus leeft en door de Geest wandelt.

Daarom is de zuiverste formulering niet:

De Heilige Geest stelt ons in staat de wet te vervullen.

Maar:

De Heilige Geest doet de gelovige wandelen in overeenstemming met Gods wil, terwijl hij niet onder de wet staat maar onder de genade; en in die wandel wordt het recht der wet vervuld.

Dat is langer. Minder pakkend. Minder geschikt voor een snelle preekzin.

Maar wel Bijbels.

 

Waarom de korte uitspraak gevaarlijk is

De zin “de Heilige Geest stelt ons in staat de wet te vervullen” is gevaarlijk omdat hij te veel open laat.

Hij kan betekenen: de Geest brengt vrucht voort in de gelovige, zodat Gods rechtvaardige wil zichtbaar wordt. Dan is er veel goeds in te herkennen.

Maar hij kan ook betekenen: de Geest plaatst de gelovige terug onder de wet van Mozes als normatieve leefregel. Dan is het fout.

En helaas is dat laatste vaak wat er praktisch gebeurt. Eerst zegt men: wij zijn uit genade behouden. Daarna zegt men: de wet is onze leefregel. Vervolgens zegt men: de Geest helpt ons die wet te vervullen. En voordat je het weet, staat de gelovige weer onder een religieuze meetlat die Paulus juist heeft weggenomen.

Dan wordt de Geest gebruikt om de wet opnieuw binnen te dragen.

Alsof Pinksteren de lift terug naar Sinaï is.

Dat is het niet.

De Heilige Geest is niet gegeven om van de gelovige een betere wetshouder te maken onder het oude verbond. Hij is gegeven aan hen die in Christus zijn, die niet onder de wet staan maar onder de genade.

De Geest leidt niet terug naar de slavernij van de letter, maar doet wandelen in nieuwheid des levens.

Daarom moet deze uitspraak worden gefileerd.

Niet omdat heiliging onbelangrijk is.
Niet omdat gehoorzaamheid bijzaak is.
Niet omdat liefde vrijblijvend is.

Maar omdat de Schrift de gelovige niet onder Mozes plaatst met de Geest als hulpmotor. De Schrift plaatst de gelovige in Christus, onder genade, geleid door de Geest, tot vrucht voor God.

Dus nee, niet zo:

De Geest stelt ons in staat de wet te vervullen.

Maar zo:

De Geest doet ons wandelen in Christus, niet onder de wet maar onder de genade; en juist zo wordt het recht der wet vervuld.

Dat is geen wetteloosheid.

Dat is Paulus.

lees ook:

wet – Bijbelse basis

extern:

 de wet 

Kom, Heilige Geest?

“Kom, Heilige Geest.” Waarom deze uitroep niet Bijbels is

Het klinkt warm. Geestelijk. Afhankelijk zelfs.

Alleen moet de vraag hierbij gesteld worden:

“Was Die er nog niet?”

Niet elke godsdienstig mooi klinkende oproep is een Bijbelse. Niet elke aanbiddingsregel is gezonde leer. En niet elke geestelijke uitroep komt voort uit geestelijk inzicht. Soms komt het indrukwekkend en verlangend over, terwijl het in werkelijkheid onkunde verraadt. Soms lijkt iets afhankelijk, terwijl het eigenlijk voorbijgaat aan wat God gedaan en gezegd heeft.

De vraag is dus niet of mensen het oprecht bedoelen. Oprecht verkeerd blijft verkeerd. De vraag is: is deze uitroep naar de Schrift?

En daar wringt iets. Want de Schrift leert nergens dat de gelovige herhaaldelijk moet roepen om de komst van de Heilige Geest. De Schrift leert dat de Heilige Geest gegeven is aan allen die Christus toebehoren. Niet als tijdelijke bezoeker. Niet als sfeerbrenger. Niet als religieuze krachtwolk. Maar als Persoon, als Zegel, als Onderpand, als inwonende Geest van God.

Daarom is “Kom, Heilige Geest” geen onschuldige uitdrukking. Het kan een leerstellige mistbank zijn. Een wolk van vroomheid die het zicht beneemt op de duidelijke leer van het Nieuwe Testament.

kom Heilige Geest

 

De Geest is niet afwezig

Wie bidt: “Kom, Heilige Geest”, wekt al snel de indruk dat de Geest er nog niet is. Alsof Hij eerst moet afdalen voordat er echt iets kan gebeuren. Alsof de gelovige zonder Hem zit te wachten op een nieuwe komst, een nieuwe aanraking, een nieuwe hemelse injectie.

Maar Paulus zegt iets anders.

“Of weet gij niet, dat ulieder lichaam een tempel is des Heiligen Geestes, Die in u is, Dien gij van God hebt, en dat gij uws zelfs niet zijt?” 1 Korinthe 6:19 (STV)

Merk op die woorden: “Die in u is.”

Niet: Die hopelijk straks komt.
Niet: Die moet worden uitgenodigd.
Niet: Die pas aanwezig is als de muziek aanzwelt, de handen omhooggaan en de zaal in extase raakt.

De Heilige Geest is in de gelovige.

Dat is geen charismatische ervaringstaal, maar Bijbelse waarheid. Geen opwekkingsretoriek, maar leer van Paulus. De gelovige is een tempel van de Heilige Geest. Dat betekent: de Geest woont daar. Hij logeert niet. Hij zweeft niet op afstand. Hij wacht niet bij de deur tot wij Hem met genoeg emotie naar binnen zingen.

Hij is gegeven.

 

De Geest is gegeven als onderpand

De Schrift spreekt zelfs nog sterker. De Heilige Geest is niet alleen gegeven; Hij is gegeven als onderpand.

“Die ons ook heeft verzegeld, en het onderpand des Geestes in onze harten gegeven.” 2 Korinthe 1:22 (STV)

En opnieuw:

“In Welken ook gij zijt, nadat gij het woord der waarheid, namelijk het Evangelie uwer zaligheid gehoord hebt; in Welken gij ook, nadat gij geloofd hebt, zijt verzegeld geworden met den Heiligen Geest der belofte; Die het onderpand is van onze erfenis, tot de verkregen verlossing, tot prijs Zijner heerlijkheid.” Efeze 1:13-14 (STV)

Dat woord onderpand nekt de gedachte dat de gelovige telkens opnieuw moet roepen alsof de Geest nog moet komen.

Een onderpand is een garantie. Een aanbetaling. Een door God Zelf gegeven waarborg. De Heilige Geest is Gods zegel op de gelovige. Hij is de Goddelijke waarborg dat de erfenis zeker is.

Dus wat gebeurt er als een gelovige zingt of bidt: “Kom, Heilige Geest”?

Dan klinkt dat al snel alsof het onderpand ontbreekt. Alsof het zegel onzeker is. Alsof God iets nog niet gegeven heeft wat Hij volgens de Schrift wél gegeven heeft.

Dat is geen geestelijke diepgang. Dat is geestelijke slordigheid.

 

Niet vragen om de komst, maar wandelen door de Geest

De Schrift roept de gelovige niet op om de Geest naar beneden te zingen. De Schrift roept de gelovige op om te wandelen door de Geest Die reeds gegeven is.

“En ik zeg: Wandelt door den Geest en volbrengt de begeerlijkheid des vleses niet.” Galaten 5:16 (STV)

Dat is een totaal ander verhaal.

Niet: roep Hem dichterbij.
Maar: wandel door Hem.
Niet: haal Hem naar beneden.
Maar: leef in overeenstemming met Hem.
Niet: doe alsof Hij afwezig is.
Maar: erken dat Hij in u woont en onderwerp u aan Zijn leiding.

De gelovige heeft niet te weinig Geest omdat de Geest afwezig is. De gelovige leeft vaak te weinig uit de Geest omdat hij wandelt naar het vlees. Dat is een heel ander probleem.

En daar wordt de moderne vroomheid vaak wazig. Men maakt van de Heilige Geest een ervaring die moet neerdalen, terwijl de Schrift spreekt over een Persoon Die in de gelovige woont en door Wie de gelovige behoort te wandelen.

 

De Bijbel zegt: word vervuld met de Geest

De bekende tegenwerping komt snel: “Maar we bedoelen toch dat de Geest meer moet werken?”

Goed. Maar zeg dan wat de Schrift zegt.

Paulus schrijft:

“En wordt niet dronken in wijn, waarin overdaad is, maar wordt vervuld met den Geest;” Efeze 5:18 (STV)

Dát is de Bijbelse formulering. Wordt vervuld met de Geest.

Niet omdat de Geest nog niet gegeven is, maar omdat de gelovige onder Zijn invloed, leiding, kracht en heerschappij moet leven. Het verschil is wezenlijk.

De Geest  bezitten is één ding, ‘vervuld’ te zijn met de Geest is een ander ding.

Alle gelovigen hebben de Geest, maar niet allen zijn vervuld met de Geest.

Dat is het punt.

De kwestie is niet: heeft de gelovige de Geest?
Ja, anders behoort hij Christus niet toe.

De kwestie is: is de gelovige vervuld met de Geest?
Leeft hij onder Zijn leiding? Bedroeft hij Hem niet? Wandelt hij in gehoorzaamheid aan Christus?

Dáár ligt de Bijbelse spanning. Niet in het binnenroepen van een afwezige Geest, maar in het leven uit de inwonende Geest.

 

Zonder de Geest behoort men Christus niet toe

Paulus is hier niet voorzichtig. Hij zegt het scherp:

“Doch gijlieden zijt niet in het vlees, maar in den Geest, zo anders de Geest Gods in u woont. Maar zo iemand den Geest van Christus niet heeft, die komt Hem niet toe.” Romeinen 8:9 (STV)

Dat vers laat geen grijs middengebied over.

Wie Christus toebehoort, heeft de Geest.
Wie de Geest niet heeft, behoort Christus niet toe.

Daarom is het gevaarlijk om in de gemeente een taal te gebruiken die doet alsof gelovigen nog zonder de Geest zijn totdat zij Hem opnieuw aanroepen. Dat past niet bij Romeinen 8. Dat past eerder bij verwarring over Pinksteren, Handelingen en de overgangssituatie in de heilsgeschiedenis.

De Geest is gekomen op Pinksteren. De Gemeente leeft niet vóór Pinksteren, maar ná Pinksteren. De gelovige staat niet te wachten in de opperzaal. Hij staat in Christus, verzegeld met de Geest der belofte.

 

“Kom” klinkt vroom, maar kan ongeloof ademen

Hier moeten we eerlijk zijn. De uitroep “Kom, Heilige Geest” kan voortkomen uit verlangen. Maar leerstellig bezien kan zij ook iets anders ademen: ongeloof tegenover wat God zegt dat Hij al gedaan heeft.

God zegt: Ik heb u Mijn Geest gegeven.
De liedcultuur zegt: Kom, Heilige Geest.

God zegt: u bent verzegeld.
De aanbiddingsretoriek zegt: kom dichterbij.

God zegt: uw lichaam is een tempel van de Heilige Geest.
De religieuze sfeer zegt: daal neer in deze plaats.

God zegt: wandel door de Geest.
De emotiecultuur zegt: raak ons aan.

Dat klinkt scherp, maar het moet gezegd worden. Oppervlakkig hedendaags christendom leeft niet uit volbrachte feiten, maar uit herhaalde verlangens. Niet uit positie in Christus, maar uit honger naar beleving. Niet uit de leer van de apostelen, maar uit de dynamiek van het moment.

En daar zit het manco.

De Heilige Geest wordt zo niet meer vooral gezien als Degene Die Christus verheerlijkt, de gelovige verzegelt, het Woord toepast, de gelovige heiligt en in de waarheid leidt. Hij wordt de “aanwezige sfeer” die men probeert op te roepen.

Dat is niet Bijbels. Dat is religieuze stemmingmakerij.

 

De Heilige Geest verheerlijkt Christus

De Heere Jezus zegt over de Heilige Geest:

“Die zal Mij verheerlijken; want Hij zal het uit het Mijne nemen, en zal het u verkondigen.” Johannes 16:14 (STV)

Waar de Heilige Geest werkt, wordt Christus verheerlijkt. Niet de ervaring. Niet de zaal. Niet de aanbiddingsleider. Niet de zalving van het moment. Niet de zogenaamde atmosfeer. Christus.

De Geest trekt geen aandacht naar Zichzelf los van de Zoon. Hij maakt Christus groot. Hij neemt uit Christus en verkondigt het aan de Zijnen. Hij leidt in de waarheid. Hij past het Woord toe. Hij overtuigt. Hij heiligt. Hij troost. Hij verzegelt.

Daarom is een Geest-taal die losraakt van Christus en het Woord altijd verdacht. Ze kan indrukwekkend klinken, maar indrukwekkend is niet hetzelfde als Bijbels.

 

De verwarring komt voort uit verkeerde toepassing van Handelingen

Veel van deze verwarring ontstaat doordat men het boek Handelingen leest als een herhaalbaar draaiboek voor de gemeente vandaag. Men ziet daar bijzondere momenten waarop de Geest komt, valt, vervult, zichtbaar werkt, en men maakt daarvan een patroon voor iedere samenkomst.

Maar Handelingen beschrijft een overgangsperiode. Het boek laat zien hoe het Evangelie vanuit Jeruzalem naar Judea, Samaria en de heidenen gaat. Het beschrijft heilshistorische momenten. Niet elk gebeuren in Handelingen is een opdracht om dat vandaag kerks na te bootsen.

De brieven geven de normale leerstellige positie van de gelovige en de gemeente. En in die brieven is de lijn helder: de gelovige heeft de Geest ontvangen, is verzegeld met de Geest, behoort te wandelen door de Geest, mag de Geest niet bedroeven en moet vervuld worden met de Geest.

De Schrift leert in  1 Korinthe 6 dat het lichaam van de gelovige “een tempel van de Heilige Geest” is en dat de Geest daarin woont. Dan moet de vraag gesteld worden of het naar de Schrift is om te zeggen dat sommige christenen niet de inwoning van de Heilige Geest hebben.

Die vraag legt de vinger bij het probleem: men mag en kan de inwoning van de Geest bij de gelovige niet onzeker maken.

 

De Geest wordt bedroefd, niet opnieuw opgeroepen

De Schrift zegt niet: roep de Geest telkens opnieuw. De Schrift zegt:

“En bedroeft den Heiligen Geest Gods niet, door Welken gij verzegeld zijt tot den dag der verlossing.” Efeze 4:30 (STV)

Ook dit is veelzeggend.

De Geest is zo werkelijk aanwezig in de gelovige, dat Hij bedroefd kan worden. Niet omdat Hij afwezig is, maar juist omdat Hij inwonend aanwezig is. De oproep is daarom niet: haal Hem terug. De oproep is: bedroef Hem niet.

Dat maakt de zaak concreter en ernstiger.

Het probleem is niet dat de Geest weg is. Het probleem is dat de gelovige Hem kan bedroeven door zonde, ongehoorzaamheid, bitterheid, onreinheid, hoogmoed, wereldgelijkvormigheid, vleselijkheid en ongehoorzaamheid aan het Woord.

Daar helpt geen herhaalde zangregel tegen. Daar helpt bekering, belijdenis, gehoorzaamheid en wandelen door de Geest.

 

Bijbelse gebedstaal

Wie Bijbels wil bidden, hoeft de Heilige Geest niet te negeren. Integendeel. Juist wie de Schrift serieus neemt, zal diep afhankelijk willen leven van Zijn werk.

Maar dan wel in de taal en lijn van de Schrift.

Bid dus niet alsof de Geest afwezig is, maar bid vanuit het feit dat Hij gegeven is.

“Vader, vervul mij met Uw Geest.”

“Heere, laat mij wandelen door Uw Geest.”

“Vader, bewaar mij ervoor Uw Geest te bedroeven.”

“Heere, open mijn ogen voor Uw Woord.”

“Vader, werk door Uw Geest in mij, opdat Christus verheerlijkt wordt.”

Dat is geen dor rationalisme. Dat is geen angst voor de Heilige Geest. Dat is juist eerbied voor de Heilige Geest zoals Hij Zich in de Schrift laat kennen.

Wie werkelijk Bijbels over de Geest wil spreken, moet ophouden Hem te behandelen als een afwezige gast en beginnen te rekenen met Zijn inwonende aanwezigheid.

 

Het verschil tussen vroom klinken en Bijbels spreken

“Kom, Heilige Geest” is een zin die goed klinkt in een zaal. Hij doet het goed in muziek. Hij roept gevoel op. Hij lijkt nederig.

Maar de vraag is niet: klinkt het mooi?
De vraag is: klopt het met de Schrift?

En dan moeten we eerlijk zijn: voor de gelovige ná Pinksteren is deze uitroep op zijn minst onzuiver en eigenlijk ronduit misleidend. Want hij suggereert een gemis dat de Schrift niet leert. Hij maakt onzeker wat God zeker heeft gemaakt. Hij vraagt om een komst waar de apostelen spreken over inwoning, verzegeling en onderpand.

Taal vormt denken. Liederen vormen leer. Gebeden vormen verwachting. En verkeerde verwachting opent de deur voor verkeerde praktijk.

Als je steeds roept om een Geest Die volgens de Schrift al gegeven is, ga je op den duur zoeken naar tekenen dat Hij eindelijk gekomen is. Dan wordt beleving de bevestiging. Dan wordt sfeer de maatstaf. Dan wordt intensiteit verward met waarheid.

En dan ben je verder van huis dan je denkt.

De Heilige Geest hoeft niet door de gemeente naar beneden geroepen te worden. Hij is door de Vader en de Zoon gegeven. Hij woont in iedere ware gelovige. Hij verzegelt tot de dag der verlossing. Hij is het onderpand van de erfenis. Hij verheerlijkt Christus. Hij leidt in de waarheid. Hij werkt door het Woord.

 

Daarom is de Bijbelse roep niet:

Kom, Heilige Geest.

Maar:

Heer, leer mij wandelen door de Geest Die U gegeven hebt.

Niet onzeker smeken om wat God al gaf, maar gelovig leven uit wat God heeft gezegd.

Dat is nuchter. Scherp. Minder geschikt voor religieuze mistmachines wellicht.

Maar dichter bij de Schrift.

Lees ook:

Heilige Geest – Bijbelse basis

extern:

 Heilige Geest – Stichting Vlichthus

De doop met de Heilige Geest – Bijbelstudie

 

Geen second blessing, maar Christus

Geen second blessing : alles IS gegeven in Christus

Er is een vorm van christelijk jargon dat vroom klinkt, maar de gelovige én Christus schromelijk tekortdoet.

Je hebt Christus wel ontvangen, maar nog niet volledig
Je bent wel bekeerd, maar nog niet bekrachtigd.
Je bent wel gered, maar mist nog de doorbraak.
Je hebt wel de Geest, maar bent nog niet vervuld
Je hebt wel geloof, maar nog niet die zo noodzakelijke “second blessing”.

Onder dat soort taal zit een dubbele bodem. Christus wordt niet ronduit ontkend, maar Hij wordt wel aangevuld. Alsof de gelovige in Hem nog niet helemaal compleet is.

Alsof het leven met Christus pas echt begint na een tweede ervaring, een aparte geestesdoop, een speciale aanraking, een extra zalving of een geestelijke boost.

Maar Petrus schrijft:

“Gelijk ons Zijn Goddelijke kracht alles, wat tot het leven en de godzaligheid behoort, geschonken heeft, door de kennis Desgenen, Die ons geroepen heeft tot heerlijkheid en deugd;”
2 Petrus 1:3 (STV)

Dat ene woord zet een dikke streep door de hele gedachte van een noodzakelijke tweede zegen:

geschonken heeft

Niet: zal misschien later schenken als je je er maar naar uitstrekt.
Niet: schenkt aan gevorderde gelovigen.
Niet: geeft pas na een aparte ervaring.
Niet: bewaart dit voor wie door een bijzondere geestelijke poort gaat.

Maar:

geschonken heeft.

Wat heeft God geschonken?

Niet een beetje. Niet een startpakket. Niet een demo. Niet een halve uitrusting. Niet een geestelijke basisversie die later via een charismatische update moet worden uitgebreid.

Petrus zegt:

alles, wat tot het leven en de godzaligheid behoort.

Dat zegt alles.

Dat is een bom onder elk systeem dat de gelovige na Christus nog principieel onvolledig verklaart.

 

Geen tweede zegen
Geen tweede zegen

 

De gelovige krijgt geen uitgekleed startpakket

‘Second-blessing-denken’ werkt alsof de bekering slechts de voordeur is. Je bent binnen, maar je hebt nog geen stroom. Je bent gered, maar nog niet krachtig. Je hebt vergeving, maar nog niet de echte Geesteskracht. Je hebt Christus, maar het volle christelijke leven ligt nog achter een tweede ervaring.

Dan wordt het geloofsleven een jacht.

Een jacht op meer.
Meer kracht.
Meer zalving.
Meer ervaring.
Meer vuur.
Meer doorbraak.
Meer manifestatie.

En ergens onderweg raakt de blik op Christus verduisterd. Niet altijd met grote woorden. Soms heel subtiel. Christus blijft in de belijdenis staan, maar in de praktijk verschuift de aandacht naar de ervaring ná Christus.

Dan wordt de vraag niet meer: leef ik uit wat God in Christus gegeven heeft?

Maar: heb ik die extra ervaring al gehad?

Dat is ongezond. Dat is geestelijke onzekerheid in een vroom jasje.

Petrus zet de gelovige niet op zo’n loopband. Hij begint niet met een tekort, maar met een gave. Hij zegt niet: zoek eerst nog iets wat ontbreekt. Hij zegt: Gods Goddelijke kracht heeft ons alles geschonken wat tot leven en godzaligheid behoort.

Dat is de Bijbelse orde.

Eerst gave.
Dan groei.
Eerst Christus.
Dan vrucht.
Eerst geschonken rijkdom.
Dan geestelijke oefening.

 

Groei is geen bewijs dat er eerst iets ontbrak

Natuurlijk moet een gelovige groeien. Petrus ontkent dat niet. Integendeel, hij werkt het direct uit:

“En gij, tot hetzelve ook alle naarstigheid toebrengende, voegt bij uw geloof deugd, en bij de deugd kennis,”
2 Petrus 1:5 (STV)

Daarna noemt hij matigheid, lijdzaamheid, godzaligheid, broederlijke liefde en liefde. Er is dus groei. Er is oefening. Er is geestelijke vorming. Er is strijd tegen zonde. Er is verdieping in kennis. Er is toenemende vrucht.

Maar die groei komt niet voort uit een ontbrekend fundament. Die groei komt voort uit een geschonken volheid.

Dat verschil is enorm.

De second-blessing-gedachte zegt in feite: je mist nog iets wezenlijks, dus zoek een tweede ervaring.

Petrus zegt: je hebt in Gods kracht alles ontvangen wat tot leven en godzaligheid behoort, breng daarom alle naarstigheid toe.

Dat is geen passiviteit. Dat is ook geen dode orthodoxie. Dat is juist gezond geestelijk leven. Niet jagen op een ontbrekende zegen, maar wandelen uit een ontvangen zegen.

Niet zoeken naar een tweede fundament, maar bouwen op het ene fundament: Christus.

 

Geen bonuspakket voor gevorderden

Een van de grote problemen in veel charismatische en pinksterachtige schema’s is dat de Heilige Geest praktisch wordt losgemaakt van de bekering tot Christus. Men zegt dan wel dat iedere gelovige de Geest heeft, maar tegelijk wordt geleerd dat er nog een aparte doop met de Geest nodig is om werkelijk krachtig, vrijmoedig of volledig toegerust te zijn.

Daarmee ontstaat een tweedeling onder gelovigen.

Gewone christenen.
En Geestgedoopte christenen.
Christenen met basisgeloof.
En christenen met kracht.
Mensen die Christus hebben.
En mensen die de volle ervaring hebben.

Maar Paulus schrijft:

“Want ook wij allen zijn door één Geest tot één lichaam gedoopt, hetzij Joden, hetzij Grieken, hetzij dienstknechten, hetzij vrijen; en wij zijn allen tot één Geest gedrenkt.”
1 Korinthe 12:13 (STV)

Let op:

wij allen

Niet een geestelijke elite. Niet een aparte categorie overwinningschristenen. Niet alleen mensen met een indrukwekkend getuigenis over een latere ervaring. Allen die tot het lichaam van Christus behoren, zijn door één Geest tot dat ene lichaam gedoopt.

De Geest is geen bonuspakket voor gevorderden. Hij is niet de losse powerbank die je na je bekering nog moet aansluiten. Hij is de Geest van Christus, door Wie de gelovige tot Christus behoort.

Paulus schrijft ook:

“In Welken ook gij zijt, nadat gij het woord der waarheid, namelijk het Evangelie uwer zaligheid gehoord hebt; in Welken gij ook, nadat gij geloofd hebt, zijt verzegeld geworden met den Heiligen Geest der belofte;”
Efeze 1:13 (STV)

De verzegeling met de Heilige Geest wordt hier verbonden met het geloof in het Evangelie. Niet met een later geestelijk examen. Niet met een tweede crisiservaring. Niet met een aparte bijeenkomst waarin iemand eindelijk “meer” ontvangt.

De Geest verzegelt de gelovige in Christus.

Dat is geen armoedige waarheid. Dat is rijkdom.

 

Kolossenzen laat geen ruimte voor geestelijke tekorten in Christus

Paulus is in Kolossenzen scherp omdat hij precies dit gevaar ziet: Christus plus iets.

Christus plus filosofie.
Christus plus menselijke inzettingen.
Christus plus geestelijke tussenmachten.
Christus plus ascese.
Christus plus religieuze regels.
Christus plus ervaringen.

En dan schrijft hij:

“En gij zijt in Hem volmaakt, Die het Hoofd is van alle overheid en macht;”
Kolossenzen 2:10 (STV)

“In Hem volmaakt.”

Niet in Hem begonnen, maar elders compleet gemaakt.
Niet in Hem gered, maar door een tweede zegen geestelijk afgemaakt.
Niet in Hem aangenomen, maar pas door een aparte zalving bruikbaar.

Nee:

in Hem volmaakt.

Dat betekent niet dat de gelovige in zichzelf al volmaakt leeft. Dat is duidelijk niet zo. De gelovige moet groeien, leren, strijden, belijden, zich bekeren, volharden. Maar zijn positie, zijn geestelijke grond en zijn volledige toerusting liggen in Christus.

Wie daar iets noodzakelijks naast zet, maakt Christus praktisch kleiner.

Dat is de ernst.

Niet elke taal over “meer van God” is verkeerd. Een gelovige mag verlangen naar meer kennis, grotere gehoorzaamheid, meer liefde, meer vrijmoedigheid, meer vrucht. Maar zodra “meer van God” betekent dat Christus nog niet genoeg is, zijn we van de Bijbelse weg af.

Dan wordt verlangen vermomd als tekortleer.

 

De Bijbel roept op tot vervulling met de Geest

Soms wordt tegengeworpen: maar Paulus zegt toch dat wij vervuld moeten worden met de Geest?

Zeker.

“En wordt niet dronken in wijn, waarin overdaad is, maar wordt vervuld met den Geest;”
Efeze 5:18 (STV)

Maar dat is iets radicaal anders dan een eenmalige tweede geestesdoop als noodzakelijke aanvulling op de bekering. Vervulling met de Geest heeft te maken met wandelen onder Zijn leiding, leven in gehoorzaamheid, spreken tot elkaar met psalmen, lofzangen en geestelijke liederen, dankzegging en onderwerping in de vreze Gods.

Het is geen tweede fundament. Het is de dagelijkse werking van de Geest in het leven van wie Christus toebehoort.

Daar zit het verschil.

De Bijbel leert wel: wandel door de Geest.
De Bijbel leert wel: bedroef de Geest niet.
De Bijbel leert wel: wordt vervuld met de Geest.
De Bijbel leert wel: leef niet naar het vlees.
De Bijbel leert wel: breng vrucht voort.

Maar de Bijbel leert niet dat de gelovige na zijn bekering nog een aparte, noodzakelijke tweede geestesdoop moet ontvangen om ‘eindelijk compleet’ te zijn.

Dat is een systeem dat teksten op elkaar stapelt, vooral uit Handelingen, en vervolgens de brieven van de apostelen onder druk zet. Maar de leerstellige uitleg voor de gemeente vinden we juist helder in de brieven.

En daar klinkt de lijn steeds opnieuw:

In Christus ontvangen.
Door de Geest verzegeld.
Tot één lichaam gedoopt.
In Hem volmaakt.
Alles geschonken wat tot leven en godzaligheid behoort.

 

‘Second-blessing-denken’ maakt gelovigen onzeker en afhankelijk van ervaring

Het klinkt misschien vurig, maar het maakt vaak onzeker.

Want wanneer heb je genoeg ontvangen?
Wanneer was je ervaring echt?
Was die emotie van God of van jezelf?
Waarom voel je nu minder dan toen?
Waarom spreek jij niet in tongen?
Waarom ervaar jij geen vuur?
Waarom lijkt een ander verder?
Waarom blijft jouw strijd bestaan?

Zo ontstaat geestelijke klassevorming. De ene gelovige staat op het podium als bewijs van kracht. De ander zit in de zaal en vraagt zich af wat hij mist.

Maar het probleem is niet dat hij Christus mist. Het probleem is dat hij verkeerd is onderwezen over wat hij in Christus ontvangen heeft.

Petrus begint niet met geestelijke jaloezie. Hij begint met zekerheid.

Gods Goddelijke kracht heeft geschonken.
Alles wat tot leven en godzaligheid behoort.
Door de kennis van Hem.

Dat haalt de gelovige niet uit de strijd, maar het zet hem wel op vaste grond. Hij hoeft niet te bedelen om een tweede fundament. Hij mag leren leven uit het ene Fundament dat God Zelf gelegd heeft.

 

De duivel wint terrein als Christus niet genoeg lijkt

De gevaarlijkste dwaling is niet altijd de dwaling die Christus openlijk ontkent. Soms is het de dwaling die Christus prijst, maar Hem ondertussen aanvult.

Christus én een tweede zegen.
Christus én een aparte geestesdoop.
Christus én een speciale zalving.
Christus én een ‘profetische activatie.’
Christus én een impartatie.
Christus én een geestelijke doorbraakformule.

Dat klinkt vol. In werkelijkheid wordt het leeg.

Want zodra Christus niet genoeg lijkt, wordt de gelovige vatbaar voor geestelijke marktkooplui. Voor mensen die beloven wat God al gegeven heeft. Voor systemen die tekorten creëren en daarna hun eigen methode aanbieden als oplossing.

Dat is tricky.

Wie gelovigen eerst wijsmaakt dat zij iets wezenlijks missen, gaat daarna bepalen waar zij het moeten halen. Bij een spreker. Bij een conferentie. Bij handoplegging. Bij een cursus. Bij een “gezalfde” bediening. Bij een ervaring die steeds opnieuw moet worden nagejaagd.

Maar Petrus roeit dat gedachtengoed uit bij de wortel.

Alles is geschonken door Gods Goddelijke kracht, door de kennis van Hem.

Niet door de kennis van een methode.
Niet door de aanraking van een bijzondere prediker.
Niet door een sfeer.
Niet door muziek.
Niet door groepsdruk.
Niet door manifestaties.

Door de kennis van Hem.

 

Echte geestelijke kracht richt op Christus

De Heilige Geest maakt Christus groot. Hij trekt de aandacht niet los van Christus naar losse krachtservaringen. De Geest bindt aan het Woord, verheerlijkt Christus, werkt geloof, overtuigt van zonde, leidt in waarheid, vormt vrucht en doet de gelovige leven tot eer van God.

Daarom is het verdacht wanneer “Geesteswerk” vooral draait om het bijzondere, het zichtbare, het voelbare en het spectaculaire.

Niet omdat God niet machtig is.
Niet omdat God niet kan ingrijpen.
Niet omdat het christelijk leven koud en verstandelijk moet zijn.

Maar omdat de Bijbel ons niet leert leven op ‘wat voor ogen is’, maar uit geloof in Gods geopenbaarde waarheid.

Een gelovige leeft niet van kippenvel.
Niet van druk op het voorhoofd.
Niet van omvallen.
Niet van een zaal vol kabaal.
Niet van een profetisch woord dat hem even optilt.
Niet van de volgende geestelijke injectie.

Hij leeft uit Christus.

En daarom heeft hij Bijbelkennis nodig. Niet als droge theorie, maar als bescherming. Wie niet weet wat God werkelijk geschonken heeft, is kwetsbaar voor iedereen die beweert dat er nog iets ontbreekt.

 

Niet armer, maar rijker

Sommigen zullen zeggen: sloop je hiermee niet de verwachting uit het geloofsleven?

Nee. Je haalt de kramp eruit.

Het is niet arm om te zeggen dat de gelovige alles al in Christus ontvangen heeft. Het is enorm rijk.

Het is niet minder geestelijk om een noodzakelijke second blessing af te wijzen. Het is daarentrgen geestelijk volwassen omdat je weigert de volheid in Christus te verkleinen.

Het is niet koud om te zeggen dat de Geest iedere gelovige verzegelt en inlijft in het lichaam van Christus. Het is troostrijk. Het is vast. Het is Bijbels.

De gelovige hoeft niet te leven als iemand die nog wacht op zijn kickstart. Hij mag leven als iemand die in Christus gezegend is en daarom geroepen wordt om te wandelen waardiglijk.

Dat geeft rust én ernst.

Rust, omdat het fundament niet in mijn ervaring ligt.
Ernst, omdat ik geroepen ben te leven uit wat God gegeven heeft.

 

De goede vraag

De vraag is dus niet: heb jij ‘de second blessing’ al ontvangen?

De goede vraag is:

Leef jij uit Christus, in Wie God alles geschonken heeft wat tot leven en godzaligheid behoort?

Dat is scherp.En Bijbels,.

Want het gevaar van second-blessing-denken is dat het de gelovige naar binnen jaagt: heb ik genoeg ervaren, genoeg gevoeld, genoeg ontvangen?

De Schrift richt hem naar boven: zie op Christus.

Daar ligt de volheid.
Daar ligt de kracht.
Daar ligt het leven.
Daar ligt de godzaligheid.
Daar ligt de zekerheid.

Niet in een tweede zegen naast Hem, maar in Hem Zelf.

2 Petrus 1:3 is een Bijbelse muur tegen elke vorm van ‘geestelijke tekortleer’ die de gelovige na Christus nog afhankelijk maakt van een tweede, noodzakelijke ervaring.

Gods Goddelijke kracht heeft geschonken.

Alles.

Wat tot het leven en de godzaligheid behoort.

Door de kennis van Hem.

Wie dat serieus neemt, hoeft de Heilige Geest niet kleiner te maken. Integendeel. Hij eert juist het werk van de Geest door te erkennen dat de Geest de gelovige niet naar een losse ervaring leidt, maar naar Christus en Zijn volheid.

Geen second blessing als ontbrekende schakel.

Geen geestelijke upgrade bovenop Christus.

Geen verheven categorie van gelovigen die ‘echt de Geest’ zouden hebben.

Maar

De Geest, geschonken aan wie gelooft.
Gods kracht, werkzaam in wie Hem toebehoren
En een gelovige die niet jaagt op een ontbrekend fundament, maar leert wandelen uit wat hem in Christus geschonken is.

 

Lees ook (extern):

Bijbelstudie: Het onderpand der erfenis – Bijbels Panorama.

“Laat het los, laat God het doen!” … en waarom dat een slecht idee is – Geloofstoerusting

Christelijke Apologeet | Is de doop met de Heilige Geest een ‘second blessing’?

Geverifieerd door MonsterInsights