Het nieuwe verbond: van wet naar genade en vrijheid

Wat het nieuwe verbond betekent

Wat betekent het nieuwe verbond? Ontdek het verschil tussen wet en genade, Gods beloften aan Israël, Christus als Middelaar en de vrijheid waarin de gelovige vandaag mag leven.

Van wet naar genade en vrijheid in Jezus Christus

Het verschil tussen het oude en het nieuwe verbond is niet zomaar een detail uit het verleden. Het raakt aan de kern van de verhouding tussen God en de mens en aan de vraag hoe een gelovige vandaag hoort te leven.

Waar de religieuze mens vaak vastzit in een stelsel van regels, verplichtingen en menselijke verwachtingen, vinden we in het nieuwe verbond de heerlijke beloften van God, gegrond op het volbrachte werk van de Here Jezus Christus.

Niet de prestaties van de mens staan centraal, maar Gods genade. Niet de uiterlijke dwang van de wet, maar een innerlijke verandering van het hart. Niet de voortdurende angst tekort te schieten, maar de zekerheid van wat Christus heeft volbracht.

Maar wat betekent het nieuwe verbond werkelijk? Wat is het verschil met het oude verbond, voor wie is het bestemd en wat betekent dit alles voor de gelovige vandaag?

Het nieuwe verbond

Het verschil tussen het oude en het nieuwe verbond

Van voorwaardelijke gehoorzaamheid naar Gods beloften

Om de draagwijdte van het nieuwe verbond te begrijpen, moeten we eerst kijken naar de aard van het oude verbond.

Het oude verbond, dat God bij de Sinaï met het volk Israël sloot, was een voorwaardelijk verbond. Het werd gekenmerkt door het woord “indien”:

“Nu dan, indien gij naarstiglijk Mijner stem zult gehoorzamen, en Mijn verbond houden, zo zult gij Mijn eigendom zijn uit alle volken, want de ganse aarde is Mijn.” (Exodus 19:5, STV)

Het volk antwoordde daarop vol overtuiging:

“Toen antwoordde al het volk gelijkelijk, en zeide: Al wat de HEERE gesproken heeft, zullen wij doen!” (Exodus 19:8, STV)

Daarmee nam Israël de verplichtingen van het verbond op zich. De zegeningen van het verbond waren verbonden aan gehoorzaamheid en op ongehoorzaamheid rustte de vloek.

Het probleem lag niet bij de wet zelf. Paulus schrijft immers dat de wet heilig is en het gebod heilig, rechtvaardig en goed (Romeinen 7:12). Het probleem lag bij de mens, die vanwege de zwakheid van het vlees niet in staat was aan Gods rechtvaardige eisen te voldoen.

De wet kon de zonde aanwijzen, maar de zondaar niet rechtvaardigen. Zij maakte de overtreding openbaar, maar kon geen nieuw leven schenken.

Daarom spreekt Paulus over de bediening van de dood, die met letters in stenen was ingeschreven (2 Korinthe 3:7).

 

Het oude verbond stelde eisen aan de mens. Het nieuwe verbond stelt Gods eigen beloften en handelen op de voorgrond.

Dat verschil komt bijzonder duidelijk naar voren in Hebreeën 8:

“Want hen berispende, zegt Hij tot hen: Ziet, de dagen komen, spreekt de Heere, en Ik zal over het huis Israëls, en over het huis van Juda een nieuw verbond oprichten; Niet naar het verbond, dat Ik met hun vaderen gemaakt heb, ten dage, als Ik hen bij de hand nam, om hen uit Egypteland te leiden; want zij zijn in dit Mijn verbond niet gebleven, en Ik heb op hen niet geacht, zegt de Heere.” (Hebreeën 8:8-9, STV)

Let op het verschil.

Onder het oude verbond klonk het:

“Indien gij zult gehoorzamen.”

Onder het nieuwe verbond klinkt telkens Gods eigen belofte:

“Ik zal.”

God neemt Zelf het initiatief. Het nieuwe verbond is niet gebouwd op de beloften die de mens aan God doet, maar op de beloften die God Zelf geeft.

De grondslag daarvan is het bloed van de Here Jezus Christus, Die door Zijn dood de verzoening heeft aangebracht en door Zijn opstanding eeuwig leeft.

 

Voor wie is het nieuwe verbond bestemd?

Hier moeten we goed lezen wat de Schrift zegt.

God spreekt in Jeremia 31:31 en Hebreeën 8:8 uitdrukkelijk over het sluiten van een nieuw verbond met het huis van Israël en het huis van Juda.

Dat kunnen we niet zomaar veranderen in “de Gemeente”.

Het nieuwe verbond hoort tot de beloften die God aan Israël heeft gedaan. Dat God deze beloften zal vervullen, staat vast, want Zijn trouw aan Israël is niet afhankelijk van de trouw van de mens.

Betekent dit dan dat de Gemeente van Jezus Christus geen deel heeft aan de zegeningen die met het nieuwe verbond verbonden zijn?

Nee!

De Here Jezus sprak bij de instelling van het avondmaal:

“Deze drinkbeker is het nieuwe testament in Mijn bloed, hetwelk voor u vergoten wordt.” (Lukas 22:20, STV)

En Paulus schrijft aan de Korinthiërs over de bediening van het nieuwe testament, niet van de letter, maar van de Geest (2 Korinthe 3:6).

Gelovigen uit de volken delen dus nu al in de geestelijke zegeningen die gegrond zijn op het bloed van Christus: vergeving van zonden, rechtvaardiging, vrede met God en het nieuwe leven door de Geest.

Maar dat betekent niet dat de Gemeente de plaats van Israël heeft ingenomen.

De Gemeente is het Lichaam van Christus, terwijl Gods verbondsbeloften aan Israël hun eigen betekenis en toekomstige vervulling behouden.

Delen in de zegeningen van het nieuwe verbond is niet hetzelfde als de plaats innemen van degenen aan wie God dat verbond heeft beloofd.

Dat onderscheid zien voorkomt dat de beloften van God aan Israël worden vergeestelijkt of aan een ander volk worden toegeschreven.

 

Gods wet geschreven in het hart

Een tweede groot verschil tussen het oude en het nieuwe verbond is de plaats waar Gods wet wordt geschreven.

Onder het oude verbond was de wet op stenen tafelen geschreven. Zij kwam van buitenaf tot de mens en stelde eisen aan zijn handelen.

Maar het nieuwe verbond spreekt over een verandering van binnenuit:

“Want dit is het verbond, dat Ik met het huis Israëls maken zal na die dagen, zegt de Heere: Ik zal Mijn wetten in hun verstand geven, en in hun harten zal Ik die inschrijven; en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn.” (Hebreeën 8:10, STV)

De tegenstelling is indrukwekkend.

Niet langer uitsluitend een gebod dat van buitenaf wordt opgelegd, maar Gods onderwijs dat een plaats krijgt in het verstand en het hart.

Paulus gebruikt in 2 Korinthe 3:3 de uitdrukking “vlezen tafelen des harten”.

Het gaat hier niet om de gedachte dat de mens door eigen inspanning alsnog de wet moet leren volbrengen. Het gaat om Gods werk in de mens.

Voor de gelovige in Christus betekent dit dat hij niet langer zijn rechtvaardiging of aanvaarding bij God hoeft te zoeken door het onderhouden van de wet.

Hij heeft nieuw leven ontvangen.

Zijn denken wordt vernieuwd door het Woord van God en zijn wandel wordt bepaald door de Geest.

Daarom schrijft Paulus:

“Maar indien gij door den Geest geleid wordt, zo zijt gij niet onder de wet.” (Galaten 5:18, STV)

Dat is een wezenlijk verschil.

Een gelovige leeft niet vanuit de gedachte:

“Wat moet ik allemaal doen om door God aanvaard te worden?”

Hij mag leven vanuit de zekerheid: “In Christus ben ik door genade aanvaard, en vanuit dat nieuwe leven mag ik God dienen.”

De vrucht van dat leven komt niet voort uit uiterlijke dwang, maar uit het werk van Gods Geest.

 

Jezus Christus als Middelaar van het nieuwe verbond

Onder het oude verbond dienden priesters uit de stam Levi in een aards heiligdom.

Hun priesterdienst was tijdelijk en moest telkens opnieuw worden voortgezet. De offers werden voortdurend herhaald, omdat zij de zonden niet definitief konden wegnemen.

Die hele dienst wees vooruit naar een grotere werkelijkheid.

De Here Jezus Christus is de volmaakte Hogepriester, Die niet in een aards heiligdom dient, maar in de hemel Zelf.

“De hoofdsom nu der dingen, waarvan wij spreken, is, dat wij hebben zodanigen Hogepriester, Die gezeten is aan de rechterhand van den troon der Majesteit in de hemelen.” (Hebreeën 8:1, STV)

En verder:

“En nu heeft Hij zoveel uitnemender bediening gekregen, als Hij ook eens beteren verbonds Middelaar is, hetwelk in betere beloftenissen bevestigd is.” (Hebreeën 8:6, STV)

Christus is Hogepriester naar de ordening van Melchizédek. Zijn priesterschap is niet tijdelijk, maar eeuwig.

Zijn offer hoeft niet herhaald te worden, want Hij heeft Zichzelf eenmaal geofferd.

Daarom rust de verhouding tussen God en de gelovige niet op de wisselende prestaties van de mens, maar op het volbrachte werk van Christus.

Hij leeft om voor de Zijnen te bidden.

De zekerheid van ons behoud ligt dus niet in onze eigen kracht, maar in Hem.

De belofte van het nieuwe verbond luidt:

“Want Ik zal hun ongerechtigheden genadig zijn, en hun zonden en hun overtredingen zal Ik geenszins meer gedenken.” (Hebreeën 8:12, STV)

Wat een geweldige tegenstelling met een religieus systeem waarin de mens voortdurend bezig is zijn schuld af te betalen!

Christus heeft de schuld gedragen. De verzoening is volbracht. De gelovige mag daarom rusten in wat Hij heeft gedaan.

 

Leven onder de genade: vrijheid in Christus

Wat betekent dit alles voor het dagelijkse leven?

Het verschil tussen wet en genade is niet slechts een leerstellig onderwerp waarover men kan discussiëren. Het heeft directe gevolgen voor de manier waarop een gelovige denkt, leeft en met anderen omgaat.

 

Niet handelen uit dwang, maar vanuit het nieuwe leven

Onder een wettisch systeem staat de verplichting centraal.

“Je moet dit.”

“Je mag dat niet.”

“Als je werkelijk een goede gelovige bent, dan behoor je…”

Zo ontstaat een godsdienstig leven waarin de mens voortdurend bezig is aan verwachtingen te voldoen.

Maar Paulus beschrijft het leven van de gelovige heel anders:

“Ik ben met Christus gekruist; en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij; en hetgeen ik nu in het vlees leef, dat leef ik door het geloof des Zoons van God, Die mij liefgehad heeft, en Zichzelven voor mij overgegeven heeft.” (Galaten 2:20, STV)

Dát is de kern van het nieuwe leven.

Niet het oude leven verbeteren door steeds meer regels toe te voegen, maar leven vanuit de verbondenheid met Christus.

De gelovige dient God niet om daardoor Zijn liefde te verdienen, maar omdat hij die liefde in Christus heeft leren kennen.

Er ontstaat een innerlijk verlangen om te doen wat God behaagt.

Niet omdat iemand voortdurend over zijn schouder meekijkt, maar omdat Gods Woord zijn denken en verlangen vormt.

Daarbij mogen we niet vergeten dat de gelovige nog steeds te maken heeft met de strijd tussen vlees en Geest. Het nieuwe leven betekent niet dat alles automatisch volmaakt gaat.

Maar de drijfveer is veranderd.

Niet: “Ik moet gehoorzamen om aangenomen te worden.”

Maar: “Omdat ik in Christus ben aangenomen, wil ik leven tot eer van Hem.”

 

Vrijheid van menselijke regels en onderlinge veroordeling

Een van de grote gevaren van godsdienst is dat menselijke voorschriften geleidelijk dezelfde plaats krijgen als het Woord van God.

Men gaat elkaar beoordelen op uiterlijke kenmerken, gewoonten, tradities en regels die nergens als verplichting in de Schrift worden opgelegd.

Paulus waarschuwt daar nadrukkelijk tegen:

“Staat dan in de vrijheid, met welke ons Christus vrijgemaakt heeft, en wordt niet wederom met het juk der dienstbaarheid bevangen.” (Galaten 5:1, STV)

De vrijheid in Christus betekent niet dat zonde onbelangrijk geworden is, maar dat de gelovige niet langer onder het juk van de wet of menselijke godsdienstige voorschriften leeft.

Ook het nieuwe verbond bevat een heerlijke belofte:

“En zij zullen niet leren, een ieder zijn naaste, en een ieder zijn broeder, zeggende: Ken den Heere; want zij zullen Mij allen kennen van den kleine onder hen tot den grote onder hen.” (Hebreeën 8:11, STV)

Deze belofte heeft in de eerste plaats betrekking op Israël en de toekomstige vervulling van het nieuwe verbond.

Tegelijk kennen gelovigen vandaag al de werkelijkheid van een persoonlijke verhouding met God door Jezus Christus.

Daarvoor hebben zij geen menselijke priester of religieuze tussenpersoon nodig.

Christus is de Middelaar.

Dat sluit onderlinge vermaning, onderwijs en geestelijke zorg niet uit. De Schrift roept gelovigen immers op elkaar te onderwijzen en te dienen.

Maar niemand heeft het recht zichzelf op te werpen als de heerser over het geweten van een ander.

De Gemeente hoort geen plaats van geestelijke controle te zijn, maar een gemeenschap waarin Christus centraal staat en Zijn Woord het hoogste gezag heeft.

 

Vrijmoedig naderen tot de Vader

Onder het oude verbond was de toegang tot het heilige der heiligen beperkt.

Slechts de hogepriester mocht daar binnengaan, eenmaal per jaar, en niet zonder bloed.

Maar door het offer van de Here Jezus Christus is de weg tot God geopend.

De gelovige hoeft niet langer op afstand te blijven staan.

Hij mag vrijmoedig naderen tot de troon der genade.

Niet omdat hij zonder tekortkomingen is, maar omdat Christus de toegang heeft geopend.

Daarom mag hij zijn vertrouwen niet stellen op zijn eigen godsdienstige prestaties, maar op de trouw van de Here Jezus Christus.

Paulus verwoordt die zekerheid op indrukwekkende wijze:

“Want ik ben verzekerd, dat noch dood, noch leven, noch engelen, noch overheden, noch krachten, noch tegenwoordige, noch toekomende dingen, noch hoogte, noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onzen Heere.” (Romeinen 8:38-39, STV)

Wat een rust geeft dat!

Onze gemeenschap met God rust niet op de vraag of wij vandaag voldoende hebben gepresteerd.

Deze is gegrond op de Here Jezus Christus, Die ons heeft liefgehad en Zichzelf voor ons heeft overgegeven.

Wat betekent het nieuwe verbond voor gelovigen vandaag?

Het nieuwe verbond laat zien dat Gods weg tot verlossing niet ligt in de pogingen van de mens om zichzelf door wetsgehoorzaamheid rechtvaardig te maken.

De wet maakt de zonde openbaar, maar Christus heeft gedaan wat de mens zelf niet kon doen.

In Hem vinden wij vergeving, rechtvaardiging en vrede met God.

Voor de gelovige betekent dit een leven vanuit de genade.

Het betekent dat wij Gods Woord niet benaderen als een verzameling voorschriften waarmee wij ons behoud moeten verdienen, maar als de waarheid waardoor ons denken vernieuwd wordt.

Het betekent ook dat wij niet langer gebonden zijn aan menselijke godsdienstige systemen die ons voortdurend opnieuw onder een juk van verplichtingen willen brengen.

Onze vrijheid is echter geen vrijheid om naar het vlees te leven.

Paulus schrijft:

“Want gij zijt tot vrijheid geroepen, broeders; alleenlijk gebruikt de vrijheid niet tot een oorzaak voor het vlees, maar dient elkander door de liefde.” (Galaten 5:13, STV)

De vrijheid van de gelovige is dus geen wetteloosheid.

Het is de vrijheid om God te dienen zonder de slavernij van het wetticisme.

Een leven waarin niet de angst voor veroordeling, maar de liefde van Christus de drijfveer is.

 

Samengevat: niet onder de wet, maar levend uit genade

Het nieuwe verbond is gegrond op Gods beloften en op het bloed van de Here Jezus Christus.

Het werd door God beloofd aan Israël en Juda, en die beloften behouden hun eigen betekenis en vervulling.

Tegelijk mogen gelovigen uit de volken vandaag delen in de geestelijke zegeningen die door Christus werkelijkheid zijn geworden.

Het verschil tussen het oude en het nieuwe verbond laat zien hoe groot de tegenstelling is tussen menselijke inspanning en goddelijke genade, tussen een uitwendige wet en een innerlijke vernieuwing, tussen de voortdurende herhaling van offers en het ene, volkomen offer van Christus.

Daarom mag het leven van een gelovige geen wettisch keurslijf zijn.

Wie in Christus is, hoeft niet voortdurend te proberen Gods aanvaarding te verdienen.

Hij mag leven vanuit wat hem in Christus geschonken is.

 

Wanneer het Woord van God rijkelijk in ons woont, verandert ons denken en wordt ons handelen steeds meer gevormd door de waarheid.

Niet door dwang van buitenaf, maar door het werk van Gods Geest.

Niet leven om genade te verdienen, maar leven omdat genade ons geschonken is.

Dát is de vrijheid waarin Christus ons heeft gesteld.

Geverifieerd door MonsterInsights