Hebben veel, zo niet de meeste christenen, een ‘valse Bijbel’?

Over Gods Woord, menselijke twijfel en Gods trouw

Hebben veel christenen een valse Bijbel?

Die beschuldiging klinkt misschien vroom en waakzaam, maar gaat veel verder dan een discussie over vertalingen. Wie zegt dat gelovigen een valse Bijbel hebben, zegt indirect ook iets over God: alsof Hij Zijn Woord wel heeft ingegeven, maar niet werkelijk heeft bewaard.

Natuurlijk moeten vertalingen getoetst worden. Natuurlijk bestaan er tekstvarianten. Maar dat is iets anders dan zeggen dat de Bijbel vals is.

Er zijn van die beschuldigingen die godvruchtig klinken, maar ondertussen meer kapotslopen dan ze opbouwen.

Op het eerste gehoor lijkt het misschien een uiting van ernst. Iemand wil zuiverheid. Iemand wil waken over Gods Woord. Iemand wil niet zomaar alles slikken wat uitgevers, vertaalcommissies of moderne theologen ons voorzetten.

Dat verlangen kan oprecht zijn.

Maar de uitspraak zelf is bloedlink.

Want wie zegt dat gelovigen een valse Bijbel hebben, zegt niet alleen iets over vertalers. Niet alleen over handschriften. Niet alleen over kerkgeschiedenis. Niet alleen over de Statenvertaling, de Textus Receptus, de Masoretische tekst, moderne vertalingen of tekstkritiek.

Hij zegt indirect ook iets over God.

Alsof God Zijn Woord wel heeft ingegeven, maar daarna niet afdoende heeft bewaard. Alsof de Heer wel gesproken heeft, maar Zijn spreken vervolgens in de mist is kwijtgeraakt. Alsof de Gemeente nu moet  leven van een beschadigde, verdachte, halfbetrouwbare tekst.

Dat is niet zomaar een beschuldiging.

Het is een aanklacht tegen Gods voorzienigheid.

valse Bijbel?

 

Christus sprak niet alsof men een valse Bijbel had

De Here Jezus leefde in een tijd waarin er ook handschriften waren. Er waren boekrollen. Er waren vertalingen. Er was gebruik van de Hebreeuwse Schrift, maar ook van de Griekse vertaling van het Oude Testament.

Er waren schriftgeleerden, overleveringen, religieuze discussies en misbruiken.

En toch sprak Christus niet alsof de Schriften in Zijn dagen onbetrouwbaar waren.

Hij zei niet: jullie moeten eerst wachten tot de zuivere autografen zijn teruggevonden.

Hij zei niet: pas op, jullie Bijbel is hoogstwaarschjnlijk vals.

Hij zei niet: Gods Woord is ooit ingegeven, maar in de praktijk niet meer overal betrouwbaar beschikbaar.

Nee. Hij beriep Zich op de Schrift als het gezaghebbende Woord van God.

 

“Er is geschreven: De mens zal bij brood alleen niet leven, maar bij alle woord, dat door den mond Gods uitgaat.” Matthéüs 4:4 (STV)

“De Schrift kan niet gebroken worden.” Johannes 10:35 (STV)

“Heilig ze in Uw waarheid; Uw woord is de waarheid.” Johannes 17:17 (STV)

 

Dat is de toon van Christus. Niet paniek. Niet achterdocht. Niet tekstwanhoop.

Maar vast vertrouwen in het Woord van God.

In de Bijbel wordt dit terecht als uitgangspunt genomen: Jezus Christus wist en geloofde dat “de Schriften” waar, geïnspireerd en gezaghebbend waren, en Zijn getuigenis daarover is doorslaggevend voor iedere gelovige.

Daar begint het.

Niet bij ons wantrouwen.

Niet bij internetpolemiek.

Niet bij angstige filmpjes waarin elke vertaling behalve de eigen favoriete uitgave verdacht wordt gemaakt.

Maar bij Christus.

 

De beschuldiging klinkt scherp, maar slaat de plank mis

Natuurlijk moet je vertalingen toetsen. Natuurlijk moet je niet naïef zijn.

Natuurlijk zijn er moderne vertalingen waarin keuzes zijn gemaakt die je kritisch mag en soms moet afwijzen.

Natuurlijk zijn er tekstvarianten.

Natuurlijk zijn er verschillen tussen handschrifttradities.

Natuurlijk kan een vertaling op plaatsen zwak, onnauwkeurig of gekleurd zijn.

Maar dat is iets anders dan zeggen: ze hebben een valse Bijbel.

 

Verdenking

Dat woord “vals” is niet neutraal. Het suggereert bedrog.

Misleiding. Namaak. Opzet. Een nepboek. Een geestelijk vervalst document.

Als iemand zegt: “Deze vertaling is op bepaalde plaatsen zwak”, dan kun je daarover spreken.

Als iemand zegt: “Deze tekstkeuze is betwistbaar”, dan kun je bronnen naast elkaar leggen.

Als iemand zegt: “Deze weergave doet geen recht aan de grondtekst”, dan kun je dat onderzoeken.

Maar als iemand zegt: “Dat is een valse Bijbel”, dan is hij een brug te ver gegaan.

Dan wordt de gewone gelovige niet geholpen, maar ontworteld.

Dan wordt Gods Woord niet geëerd, maar verdacht gemaakt.

Dan wordt de Bijbel niet geopend, maar onder verdenking geplaatst.

En dat is waar het uit de bocht vliegt.

 

Gods Woord is niet uit Zijn handen gevallen

De Schrift spreekt niet alleen over inspiratie, maar ook over duurzaamheid. Gods Woord is niet als een kostbaar document dat door mensenhanden ergens in een vochtige kelder is kwijtgeraakt.

God spreekt. God waakt. God bewaart.

 

“Het gras verdort, de bloem valt af; maar het Woord onzes Gods bestaat in der eeuwigheid.” Jesaja 40:8 (STV)

“De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar Mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan.” Matthéüs 24:35 (STV)

“Maar het Woord des Heeren blijft in der eeuwigheid; en dit is het Woord, dat onder u verkondigd is.” 1 Petrus 1:25 (STV)

 

Let vooral op dat laatste. Petrus spreekt niet over een onbereikbaar ideaal in de hemel. Hij verbindt het blijvende Woord met het verkondigde Woord. Het Woord dat blijft, is ook het Woord dat onder hen verkondigd is.

Dat geeft rust.

Niet omdat mensen foutloos zijn.

Niet omdat overschrijvers nooit fouten maakten.

Niet omdat vertalers geïnspireerd zijn.

Niet omdat elke drukeditie volmaakt is.

Maar omdat God niet machteloos is.

Wie over Gods Woord spreekt alsof alles op losse schroeven staat, heeft misschien veel informatie verzameld, maar weinig vertrouwen overgehouden.

 

De Bijbel is geen archeologisch wrak

Sommigen praten over de Bijbel alsof het een schipbreukeling is. Alsof er ergens nog wat planken ronddrijven uit een gezonken openbaring.

Dan moet de moderne mens, gewapend met academische gereedschappen, proberen Gods Woord stukje voor stukje te reconstrueren.

Dat klinkt geleerd.

Maar het is geestelijk armoedig.

De Bijbel is geen archeologisch wrak. De Schrift is het levende Woord van de levende God. Zij is door God gegeven, door God gebruikt, door God bewaard en door God gezegend tot bekering, vermaning, vertroosting, onderwijzing en heiliging.

Paulus schrijft:

“Al de Schrift is van God ingegeven, en is nuttig tot lering, tot wederlegging, tot verbetering, tot onderwijzing, die in de rechtvaardigheid is.” 2 Timótheüs 3:16 (STV)

Dat schrijft Paulus niet om Timótheüs in verlammende onzekerheid te brengen. Hij schrijft het juist om hem te funderen.

“En dat gij van kinds af de heilige Schriften geweten hebt, die u wijs kunnen maken tot zaligheid, door het geloof, hetwelk in Christus Jezus is.” 2 Timótheüs 3:15 (STV)

 

Timótheüs had de heilige Schriften. Hij kende ze. Ze konden hem wijs maken tot zaligheid. Paulus behandelt die Schriften niet als een verdachte verzameling religieuze documenten waarvan de betrouwbaarheid eigenlijk voortdurend tussen haakjes moet staan.

 

Tekstvarianten zijn geen rampgebied

Er wordt soms gedaan alsof het bestaan van tekstvarianten betekent dat de Bijbel onzeker is. Dat is misleidend.

Een tekstvariant is niet automatisch een leerstellige aardverschuiving. Veel varianten gaan over spelling, woordvolgorde, herhaling, kleine verschillen of zaken die de kern van het geloof niet veranderen. Er zijn ook grotere en belangrijkere tekstvragen. Die mag je serieus nemen. Maar serieus nemen is iets anders dan paniek zaaien.

De leer van Christus hangt niet aan één verborgen snipper.

De rechtvaardiging door geloof hangt niet aan één betwiste voetnoot.

De opstanding van Christus hangt niet aan één onzekere tekstregel.

De Godheid van Christus hangt niet aan één geïsoleerde variant.

De verzoening door Zijn bloed hangt niet aan een dun draadje dat door tekstcritici elk moment kan worden doorgeknipt.

Gods waarheid is breed verankerd in de Schrift.

Dat is juist de kracht van de Bijbel. Schrift verklaart Schrift. Waarheden staan niet op één smalle plank boven een afgrond, maar zijn verweven door het geheel van Gods openbaring.

 

Een vertaling is niet geïnspireerd, maar kan wel betrouwbaar zijn

Hier moeten we nuchter blijven.

De oorspronkelijke Schrift is door God ingegeven. Vertalingen zijn mensenwerk. Dat betekent dat vertalingen getoetst moeten worden. Een vertaler kan kiezen, kleuren, missen, fouten maken, interpreteren of versimpelen. Daarom is zorgvuldigheid nodig.

Maar mensenwerk betekent niet automatisch vals.

Een preek is ook mensenwerk. Toch kan een preek trouw Gods Woord doorgeven.

Een Bijbelstudie is mensenwerk. Toch kan die naar de Schrift zijn.

Een vertaling is mensenwerk. Toch kan deze betrouwbaar Gods Woord overbrengen in een andere taal.

Wie zegt dat alleen de oorspronkelijke Hebreeuwse, Aramese en Griekse woorden Gods Woord zijn en dat elke vertaling slechts een menselijke schaduw is zonder werkelijk gezag, maakt de eenvoudige gelovig afhankelijk van vertaaldeskundigen. Dan wordt de Bijbel in de volkstaal een soort tweederangs boek.

Maar dat is pertinent niet hoe God door de eeuwen heen gewerkt heeft.

God heeft Zijn Woord altijd  door vertaling heen gebruikt. Hij heeft mensen geroepen, overtuigd, vertroost en opgebouwd door Bijbels in hun eigen taal.

Niet omdat vertalers apostelen waren, maar omdat Gods waarheid werkelijk overgezet kan worden in menselijke taal.

 

De Statenvertaling niet behandelen als afgod

Dit moet ook nog eens gezegd worden.

Wie de Statenvertaling liefheeft, hoeft haar niet te vergoddelijken.

De Statenvertaling is een eerbiedwaardige, nauwkeurige, historische en invloedrijke vertaling. Zij heeft diepe wortels in de gereformeerde traditie en is voor velen nog altijd een rijke, krachtige en betrouwbare Bijbelvertaling.

Maar de Statenvertaling is niet zelf geïnspireerd zoals de oorspronkelijke Schrift geïnspireerd is.

De vertalers waren geen profeten.

De kanttekeningen zijn zeker niet onfeilbaar.

De zeventiende-eeuwse taalvorm is niet heilig.

En toch mag je dankbaar zeggen dat de Statenvertaling een zeer belangrijke en vaak zeer nauwkeurige getuige is van Gods Woord in het Nederlands.

Dat is de gezonde positie.

 

Betekenisvalstrikken

Niet: de Statenvertaling is een goddelijk unicum die boven elke toetsing staat.

Ook niet: de Statenvertaling is oud, dus achterhaald en verdacht.

Maar: de Statenvertaling verdient eerbiedige waardering, zorgvuldige lezing en waar nodig uitleg, juist omdat taal verandert en sommige woorden voor moderne lezers betekenisvalstrikken kunnen worden.

Daarmee val je de Statenvertaling niet aan. Je neemt haar juist serieus.

 

Nieuwe vertalingen vragen om onderscheid

Aan de andere kant is het naïef om te doen alsof elke moderne vertaling alleen maar een onschuldige poging tot begrijpelijkheid is. Vertaalfilosofie doet ertoe. Grondtekstkeuzes doen ertoe. Weergave van kernwoorden doet ertoe. De manier waarop zonde, genade, verzoening, gerechtigheid, behoud, geloof, bekering en oordeel worden vertaald, is niet onbelangrijk.

Soms wordt begrijpelijkheid gekocht tegen de prijs van scherpte.

Soms wordt eenvoud een excuus voor vervlakking.

Soms wordt uitleg in de tekst gesmokkeld.

Soms klinkt een vertaling vlot, maar is zij minder precies.

Daarom is toetsen nodig.

Maar toetsen is iets anders dan iedereen die een andere vertaling gebruikt verdacht maken. En het is zeker iets anders dan roepen dat christenen massaal met een “valse Bijbel” in handen zitten.

Daarmee help je de gemeente niet aan onderscheid.

Je jaagt ze de mist in.

 

Wie “valse Bijbel” roept, zaait wantrouwen

Het meest schadelijke van deze beschuldiging is niet dat er een stevige discussie ontstaat over tekst en vertaling. Stevige discussies mogen er zijn.

Het probleem is dat gewone gelovigen gaan denken: kan ik mijn Bijbel nog wel vertrouwen?

Dan leest iemand Johannes 3:16 en denkt: staat dit er eigenlijk wel goed?

Dan leest iemand Romeinen 5 en denkt: is dit misschien ook verdraaid?

Dan leest iemand het Evangelie en vraagt zich af: waar begint Gods Woord en waar begint menselijke vervalsing?

Zo wordt het geloof niet opgebouwd, maar aangevreten.

Dat is de bittere vrucht van wantrouwende Bijbelpolemiek. Zij lijkt eerbied voor het Woord te hebben, maar maakt ondertussen het Woord onbereikbaar. De gelovige moet eerst door een doolhof van claims, kampen, teksttradities en verdachtmakingen voordat hij durft te zeggen: hier spreekt God.

Maar de Heere Jezus zei:

“Onderzoekt de Schriften; want gij meent in dezelve het eeuwige leven te hebben; en die zijn het, die van Mij getuigen.” Johannes 5:39 (STV)

Hij zegt niet: wantrouw de Schriften.

Hij zegt: onderzoek ze.

 

De echte aanval is niet altijd frontaal

Soms wordt de Bijbel openlijk aangevallen door ongelovigen. Dan zegt men: de Bijbel is een mythe, fabel, mensenwerk, religieuze evolutie, machtsmiddel of achterhaalde literatuur.

Dat is duidelijk vijandig.

Maar er is ook een vrome vorm van ondermijning. Dan zegt men: wij verdedigen de Bijbel, maar ondertussen wordt bijna elke Bijbel die de gelovigeleest verdacht gemaakt. Dan blijft er uiteindelijk maar één kamp, één leraar, één schema of één uitgave over als veilig eiland.

Dat lijkt op waakzaamheid.

Maar het kan heel snel sektarisch worden.

Want de vraag verschuift dan van: “Wat zegt de Schrift?” naar: “Heb jij wel onze exacte tekstlijn, onze exacte editie, onze exacte formule?”

Dan wordt de gelovige niet naar Christus gedreven, maar naar een controlemodel.

En zodra de Bijbel alleen nog veilig is in handen van jouw groep, is er iets grondig mis.

 

Gods Woord staat boven menselijke systemen

Het Woord van God is niet afhankelijk van eigentijdse academici. Maar het is ook niet opgesloten in de slogans van hypertraditionele strijders.

Gods Woord staat boven beide.

Boven de universiteit.

Boven de synode.

Boven de uitgever.

Boven de vertaalcommissie.

Boven de internetapologeet.

Boven de man die met grote stelligheid roept dat alleen hij nog weet wat de echte Bijbel is.

De Schrift zelf is norm. Niet onze angst. Niet onze voorkeur. Niet onze traditie. Niet onze allergie tegen moderniteit. Niet ons wantrouwen tegenover alles wat na een bepaald jaar gedrukt is.

 

“Maak mij Uw wegen bekend, HEERE; leer mij Uw paden.” Psalm 25:4 (STV)

 

Dat is de houding die past.

Leerbaar. Eerbiedig. Wakker. Maar niet paniekerig.

 

Bewaring is geen simplistische theorie

Sommige mensen maken van Gods bewaring een te simpel rekensommetje. Alsof bewaring betekent dat er nooit een tekstvariant mocht ontstaan. Nooit een overschrijffout. Nooit een discussie. Nooit een vertaalprobleem. Nooit een moeilijke passage.

Maar dat is niet hoe God werkt.

God bewaart Zijn volk ook, maar dat betekent niet dat gelovigen nooit strijd, ziekte, vervolging, verwarring of zwakte kennen.

God bewaart Zijn gemeente, maar dat betekent niet dat er nooit dwaalleer opkomt.

God bewaart Zijn waarheid, maar dat betekent niet dat er nooit aanvallen, misbruik of verkeerde uitleg zijn.

Bewaring betekent niet dat de menselijke geschiedenis steriel wordt. Bewaring betekent dat God door die geschiedenis heen Zijn doel niet laat mislukken.

Daarom moeten we geen karikatuur maken. Niet aan de ene kant. Niet aan de andere kant.

Wie zegt dat elke tekstvraag Gods bewaring ontkent, denkt te plat.

Wie zegt dat tekstvarianten bewijzen dat Gods Woord niet betrouwbaar bewaard is, denkt even plat.

De Bijbelse lijn is rijker en steviger: God is trouw, ook door menselijke zwakheid heen.

 

De Schrift is niet gebroken

Een van de krachtigste woorden van Christus over de Schrift is kort en hard als graniet:

 

“De Schrift kan niet gebroken worden.” Johannes 10:35 (STV)

 

Dat ene zinnetje is genoeg om veel moderne en vrome twijfel te breken.

De Schrift kan niet gebroken worden.

Niet door een Farao.

Niet door Babel.

Niet door Rome.

Niet door middeleeuwse duisternis.

Niet door moderne kritiek.

Niet door slordige overschrijvers.

Niet door hoogmoedige theologen.

Niet door uitgevers.

Niet door vertaalcommissies.

Niet door mensen die de Bijbel aanvallen.

En ook niet door mensen die de Bijbel denken te verdedigen, maar ondertussen het vertrouwen in Gods Woord ondergraven.

De Schrift kan niet gebroken worden.

Dat is geen vrijbrief voor slordigheid. Maar het is wel een verdedgingsmuur tegen wanhoop.

 

Het probleem zit niet in de Bijbel, maar in de mens

Veel aanvallen op de Bijbel komen uiteindelijk voort uit hetzelfde oude probleem: de mens wil niet buigen. Soms doet hij dat openlijk. Soms vroom. Soms wetenschappelijk. Soms steunend op traditie. Maar het oude hart blijft hetzelfde.

De ongelovige zegt: de Bijbel is vals, want ik wil niet, ik geloof niet dat God spreekt.

De religieuze mens zegt soms: bijna alle Bijbels zijn vals, behalve de uitgave waarmee ik mijn systeem kan bewaken.

De moderne mens zegt: de Bijbel moet aangepast worden aan mijn tijd.

De traditionele mens kan zeggen: mijn traditie bepaalt precies waar Gods Woord nog veilig is.

In al die gevallen dreigt dezelfde omkering: niet de mens wordt geoordeeld door het Woord, maar het Woord wordt voortdurend voor de rechtbank van de mens gesleept.

Maar Hebreeën zegt:

 

“Want het Woord Gods is levend en krachtig, en scherpsnijdender dan enig tweesnijdend zwaard, en gaat door tot de verdeling der ziel en des geestes, en der samenvoegselen en des mergs, en is een oordeler der gedachten en der overleggingen des harten.” Hebreeën 4:12 (STV)

 

Niet de mens staat boven het Woord.

Het Woord gaat door de mens heen.

 

De goede reactie is niet naïviteit, maar vertrouwen

Dus nee, we hoeven niet naïef te zijn. We mogen vragen stellen. We mogen vertalingen vergelijken. We mogen bronnen onderzoeken. We mogen tekstkeuzes bespreken. We mogen waarschuwen tegen vertalingen die te vrij omgaan met de tekst. Wijemogen de Statenvertaling verdedigen waar deze betrouwbaar en krachtig weergeeft wat er staat.

Maar we mogen niet spreken alsof God Zijn Woord uit handen heeft laten vallen.

Dat is de grens.

De gelovige houding is niet: alles is even goed.

De gelovige houding is ook niet: bijna alles is vals.

De gelovige houding is: God heeft gesproken, God bewaart Zijn Woord, en daarom lezen wij met eerbied, toetsen wij met zorgvuldigheid en buigen wij onder het gezag van de Schrift.

 

“Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad.” Psalm 119:105 (STV)

 

Een lamp die niet brandt, leidt niet.

Een licht dat verdwenen is, verlicht geen pad.

Maar Gods Woord is werkelijk een lamp. Niet denkbeeldig. Niet verloren. Niet vals.

 

Wie wordt hier eigenlijk aangeklaagd?

Dat is de vraag die gesteld moet worden aan iedereen die achteloos roept: “Velen hebben een valse Bijbel.”

Besef je wat je zegt?

Beschuldig je alleen mensen?

Of beschuldig je uiteindelijk ook God?

Want als de gelovigen met een valse Bijbel opgescheept zitten,  wat zegt dat dan over Gods zorg? Wat zegt dat over Christus’ belofte? Wat zegt dat over de Heilige Geest, Die de Gemeente leidt in de waarheid? Wat zegt dat over de prediking waardoor mensen tot geloof komen? Wat zegt dat over martelaren die sterven met Schriftwoorden op hun lippen?

Gevoed door een valse Bijbel?

Zijn miljoenen gelovigen vertroost door een tekst die eigenlijk verdacht is?

Hier moet men niet te snel overheen praten.

De beschuldiging “valse Bijbel” is geen stoere slogan. Het is een geestelijk explosief.

 

De Schrift gaat over Christus

Het doel van de Schrift is niet dat wij verdwalen in eindeloze tekstretoriek De Schrift getuigt van Christus.

 

“Onderzoekt de Schriften; want gij meent in dezelve het eeuwige leven te hebben; en die zijn het, die van Mij getuigen.” Johannes 5:39 (STV)

 

Na Zijn opstanding opent Christus de Schriften en laat Hij zien dat Mozes, de Profeten en de Psalmen van Hem spreken.

 

“En Hij zeide tot hen: Dit zijn de woorden, die Ik tot u sprak, als Ik nog met u was, namelijk dat het alles moest vervuld worden, wat van Mij geschreven is in de wet van Mozes, en de profeten, en psalmen.” Lukas 24:44 (STV)

Voilá

De Schrift brengt ons niet tot een teksttraditie als eindstation. De Schrift brengt ons tot Christus. Tot Zijn Persoon. Zijn lijden. Zijn opstanding. Zijn heerlijkheid. Zijn wederkomst. Zijn volbrachte werk.

Een Bijbelstrijd die mensen niet dieper brengt onder het gezag van Christus, maar vooral banger, harder, veroordelender, sektarischer en wantrouwiger maakt, is geen gezonde strijd.

 

Geen valse Bijbel, wel valse beschuldigingen

Hebben velen een valse Bijbel?

Nee.

Gelovigen hebben een betrouwbaar bewaard Woord van God. Niet omdat mensen zo betrouwbaar zijn. Niet omdat elke vertaling volmaakt is. Niet omdat elke tekstvraag eenvoudig is. Niet omdat de kerkgeschiedenis schoon en foutloos is.

Maar omdat God betrouwbaar is.

Omdat Christus de Schrift bevestigt.

Omdat de Heilige Geest door het Woord werkt.

Omdat Gods Woord blijft.

De echte vraag is daarom niet of God Zijn Woord wel heeft bewaard.

De echte vraag is of wij nog buigen voor het Woord dat Hij bewaard heeft.

Want het probleem van onze tijd is niet dat God te weinig gesproken heeft.

Het probleem is dat mensen te weinig luisteren.

De beschuldiging “valse Bijbel” klinkt misschien scherp, maar is vaak bot waar deze precies zou moeten zijn. Smijt tekstvragen, vertaalkeuzes, handschriftverschillen en geestelijk wantrouwen door elkaar tot één giftige cocktail.

Een Bijbelgetrouwe houding is anders.

Wij toetsen vertalingen.

Wij wegen woorden.

Wij zijn niet blind voor verschillen.

Wij erkennen dat vertalers mensen zijn.

Wij verabsoluteren geen menselijke uitgave.

Maar wij weigeren te spreken alsof God Zijn Woord niet heeft bewaard.

Want de Here Jezus heeft gezegd:

 

“De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar Mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan.” Matthéüs 24:35 (STV)

 

Daar mag een gelovige in rusten.

Niet lui.

Niet oppervlakkig.

Niet kritiekloos.

Maar wel vast.

Gods Woord is niet uit Zijn handen gevallen.

 

Zie ook:

De KJV-only en Statenvertaling alléén controverse ontzenuwd – Bijbelse basis

Vervalste Bijbels… zijn ‘moderne’ Bijbels vervalst? – Bijbelse basis

 

Door Zijn striemen genezen, waarvan?

Nog eens Jesaja 53:5 in de spotlight

Er zijn Bijbelteksten die steeds opnieuw worden losgescheurd uit hun verband. Jesaja 53:5 is daar een schrijnend voorbeeld van.

“Door Zijn striemen is ons genezing geworden.”

Voor veel mensen is dat een uitgemaakte zaak.

‘”Zie je wel”, zeggen ze, “lichamelijke genezing ligt vast in de verzoening. Christus heeft niet alleen onze zonden gedragen, maar ook onze ziekten. Dus wie ziek blijft, heeft iets nog niet begrepen. Of niet genoeg geloof. Of moet nog leren claimen wat zogenaamd al van hem is.”

Dat klinkt geestelijk.

Maar het kan verwoestend zijn.

Want zodra je van Jesaja 53:5 een algemeen principe maakt, leg je een last op zieke gelovigen die de Schrift zelf niet oplegt. Dan wordt het kruis niet langer verkondigd als de plaats waar Christus onze zonden droeg, maar als een soort hemelse zorgpolis die nu al lichamelijke gezondheid garandeert.

En als die gezondheid uitblijft?

Dan blijft de zieke achter met de rekening.

Niet alleen lichamelijk gebroken, maar ook geestelijk verdacht gemaakt.

claims op lichamelijke genezing

De vraag is niet of God kán genezen

Laten we daar eerlijk over zijn. God kán genezen. God heeft genezen. God geneest soms ook vandaag. Niemand die de Schrift serieus neemt, hoeft dat te ontkennen.

Maar dat is niet de vraag.

De vraag is: leert Jesaja 53:5 dat iedere gelovige op grond van het kruis recht heeft op lichamelijke genezing hier en nu?

Dat is iets heel anders.

De Bijbel vraagt niet of wij groot genoeg durven geloven. De Bijbel vraagt of wij de tekst recht snijden.

En daar gaat het vaak mis.

Jesaja 53 wordt dan behandeld alsof het een losse troefkaart is. Een geestelijke tegoedbon. Een vers dat je kunt pakken, claimen, uitspreken en toepassen op elke ziekte.

Maar Jesaja 53 is geen toverformule tegen kanker, artrose, depressie, hersenletsel of chronische pijn.

Jesaja 53 is het diepe hoofdstuk over de lijdende Knecht des HEEREN Die de zonde van velen draagt.

Waar gaat Jesaja 53 eigenlijk over?

De lijn van Jesaja 53 is niet onduidelijk.

De Knecht wordt veracht.

Hij wordt verworpen.

Hij draagt smarten.

Hij wordt verwond om overtredingen.

Hij wordt verbrijzeld om ongerechtigheden.

De straf die vrede aanbrengt, is op Hem.

Het hele hoofdstuk ademt plaatsvervanging, schuld, oordeel, verzoening en vrede met God.

Dat is de bedding van de tekst. Niet een genezingsdienst. Niet een podium met applaus. Niet een rij mensen die naar voren moeten komen om hun wonder te ontvangen.

Het gaat over de Messias Die onder het oordeel gaat staan dat zondaren verdiend hebben.

Daarom is het zo ernstig wanneer men uitgerekend dit hoofdstuk gebruikt om zieke mensen onder druk te zetten. De blik wordt verschoven van schuld naar symptoom, van zonde naar ziekte, van verzoening naar lichamelijk herstel.

Maar Jesaja 53 zegt niet: door Zijn striemen is elke kwaal nu al verdwenen.

Jesaja 53 zegt: door Zijn lijden wordt de kloof tussen God en zondaren overbrugd.

Dat is geen kleine genezing. Dat is de grootste genezing die er bestaat.

Petrus legt Jesaja 53 uit

Wie wil weten hoe “door Zijn striemen genezen” moet worden verstaan, hoeft niet te gissen. Het Nieuwe Testament past deze tekst zelf toe.

Petrus schrijft:

“Die Zelf onze zonden in Zijn lichaam gedragen heeft op het hout; opdat wij, der zonden afgestorven zijnde, der gerechtigheid leven zouden; door Wiens striemen gij genezen zijt.”
1 Petrus 2:24 (STV)

Let op de woorden.

Niet: opdat wij altijd gezond zouden zijn.

Niet: opdat wij geen lichamelijke kwalen meer zouden dragen.

Niet: opdat elke ziekte nu al moet wijken.

Maar:

opdat wij, der zonden afgestorven zijnde, der gerechtigheid leven zouden.

Petrus zet de genezing rechtstreeks in verband met zonde en gerechtigheid. Met sterven aan de zonde en leven voor God. Met verzoening en heiliging. Met bevrijding uit de macht van de zonde.

Dat is geen bijzaak. Dat is de apostolische uitleg.

Wie Jesaja 53 gebruikt om gegarandeerde lichamelijke genezing te beloven, moet langs Petrus heen. En dat is geen kleine exegetische vergissing. Dat is het negeren van de uitleg die de Heilige Geest Zelf in het Nieuwe Testament geeft.

Het gevaar

De moderne genezingsclaim klinkt vaak aantrekkelijk omdat zij direct aansluit bij ons verlangen. Niemand wil ziek zijn. Niemand wil pijn. Niemand wil aftakeling, scans, uitslagen, behandelingen, beperkingen of uitbehandeld zijn.

Juist daarom is deze leer zo gevaarlijk.

Zij grijpt mensen op hun kwetsbaarste punt.

Ze zegt: Christus heeft het al voor je gekocht. Je hoeft het alleen nog te ontvangen. Ziekte hoort niet bij jou. Spreek het uit. Claim het. Wijs het af. Laat je niet beroven.

Maar onder die vrome taal zit vaak een harde redenering: als genezing niet komt, ligt het probleem niet bij de leer, maar bij jou.

Jij gelooft niet genoeg.

Jij spreekt verkeerd.

Jij laat twijfel toe.

Jij hebt nog blokkades.

Jij moet nog doorbraak hebben.

Zo wordt de zieke gelovige langzaam van troost beroofd. Eerst wordt hem genezing beloofd. Daarna wordt zijn uitblijvende genezing tegen hem gebruikt.

Dat is geen herderlijke zorg.

Dat is geestelijke drukverkoop.

Het kruis wordt kleiner gemaakt

Het tragische is dat deze leer vaak zegt het kruis groot te maken, maar het in werkelijkheid versmalt.

Want het kruis wordt dan vooral nuttig voor mijn directe behoefte: mijn lichaam, mijn pijn, mijn herstel, mijn doorbraak, mijn overwinning nu.

Maar het kruis van Christus is dieper dan dat.

Aan het kruis droeg Christus niet slechts tijdelijke gevolgen van de gebroken schepping. Hij droeg schuld. Hij droeg oordeel. Hij droeg zonde. Hij droeg wat ons werkelijk van God scheidde.

Een genezen lichaam dat nog onder de schuld staat, is niet gered.

Een gezond mens zonder verzoening is nog steeds verloren.

Maar een zieke gelovige die in Christus is, is verzoend met God, gerechtvaardigd, levend gemaakt en bestemd voor de heerlijkheid waarin ook het lichaam eenmaal verlost zal worden.

Dat is de Bijbelse volgorde.

Niet: nu al volledige lichamelijke gezondheid.

Maar: nu vergeving, nieuw leven en hoop; straks ook de verlossing van het lichaam.

De verlossing van het lichaam is toekomstig

De Bijbel ontkent het lichaam niet. Het christelijk geloof is geen zwevende zielenspiritualiteit. God heeft het lichaam geschapen. Christus is lichamelijk opgestaan. De gelovige verwacht de opstanding van het lichaam.

Maar zeker ook  daarom moeten we eerlijk zijn over de tijdlijn.

Paulus schrijft dat wij zuchten, verwachtende de aanneming tot kinderen, namelijk de verlossing van ons lichaam. Die verlossing is dus nog toekomstig. Wij hebben de Geest als eersteling, maar wij leven nog in een lichaam dat sterft.

De schepping zucht nog.

Gelovigen zuchten nog.

Ook apostelen werden ziek, zwak, vervolgd en gedood.

Trofimus bleef ziek achter. Timotheüs had zijn maagklachten. Paulus droeg een doorn in het vlees. Epafroditus was de dood nabij geweest.

Blijkbaar leefden deze mannen niet in een systeem waarin elke ziekte eenvoudig geclaimd kon worden weg te zijn.

En juist dat maakt de moderne genezingsleer zo kunstmatig. Zij moet voortdurend teksten isoleren en voorbeelden wegduwen. Ze heeft een eigen logica nodig, omdat de Schrift zelf veel nuchterder spreekt.

God geneest soms, maar niet als claimrecht

Dat God soms lichamelijk geneest, is waar. Maar een gave van Gods barmhartigheid is iets anders dan een afdwingbaar recht.

Gebed om genezing is Bijbels.

Zorg voor zieken is Bijbels.

Zalving, voorbede, medeleven, praktische hulp: allemaal Bijbels.

Maar het claimen van genezing alsof Golgotha een automatische garantie heeft afgegeven voor lichamelijke gezondheid hier en nu, is iets anders.

Dat maakt van geloof een drukmiddel.

Van gebed een techniek.

Van het kruis een transactie.

Van ziekte een verdacht dossier.

En van de zieke een gelovige die blijkbaar ergens tekortschiet.

Dat is niet de geur van Christus. Dat is de rook van een systeem dat niet kan omgaan met lijden.

De echte genezing is groter dan de slogan

“Door Zijn striemen genezen” is geen zwakke tekst. Integendeel. Het is een machtige tekst.

Maar zij wordt zwak gemaakt wanneer men haar versmalt tot lichamelijke genezing.

Want wat is groter?

Dat een mens tijdelijk geneest en later alsnog sterft?

Of dat een zondaar wordt verzoend met God, uit de macht van de zonde wordt bevrijd, een nieuw leven ontvangt en eenmaal lichamelijk zal opstaan in heerlijkheid?

De Bijbel kiest voor het laatste.

De genezing van Jesaja 53 is niet minder dan lichamelijke genezing. Zij is dieper. Zij raakt de wortel. Niet alleen het symptoom van de gevallen wereld, maar de schuld van de gevallen mens.

Christus kwam niet slechts om ons tijdelijk comfortabeler door een stervende wereld te dragen. Hij kwam om zondaren te redden.

Dat is waarom Petrus schrijft dat Christus onze zonden droeg op het hout.

Dat is waarom hij spreekt over sterven aan de zonde en leven voor de gerechtigheid.

Dat is waarom “door Zijn striemen” niet eindigt bij een genezen rug, knie, prostaat of long, maar bij een verzoende zondaar die leeft voor God.

De puinhoop van verkeerde toepassing

De schade van deze verkeerde toepassing is niet theoretisch.

Wie ernstig ziek is en telkens hoort dat genezing al beschikbaar is, raakt gemakkelijk verstrikt in angst. Heb ik te weinig geloof? Heb ik verkeerd gebeden? Heb ik negatieve woorden uitgesproken? Zit er zonde in mijn leven? Houd ik mijn eigen wonder tegen?

Zo wordt een ziekbed een rechtbank.

Terwijl juist daar herderlijke troost nodig is.

Een zieke gelovige heeft geen geestelijke zweep nodig. Hij heeft Christus nodig. Niet als leverancier van een wonder op bestelling, maar als Zaligmaker, Hogepriester, Herder en Voorbidder.

Hij heeft geen podiumtaal nodig, maar Schriftuurlijke waarheid.

Geen applaus, maar nabijheid.

Geen valse zekerheid, maar vaste hoop.

Geen claimcultuur, maar genade.

Het Evangelie is beter dan de genezingsclaim

Het evangelie zegt niet: als je goed genoeg gelooft, word je nu altijd gezond.

Het evangelie zegt: Christus heeft zondaren liefgehad en Zichzelf voor hen gegeven.

Het evangelie zegt: uw schuld is gedragen.

Het evangelie zegt: er is vrede met God door het bloed van het kruis.

Het evangelie zegt: de dood heeft niet het laatste woord.

Het evangelie zegt: ook uw lichaam zal eenmaal verlost worden.

Dat is veel steviger dan de opgefokte taal van genezingsclaims. Want die claim stort in zodra het lichaam niet meewerkt. Maar het evangelie blijft staan, ook in het ziekenhuisbed. Ook na een slechte uitslag. Ook bij chronische pijn. Ook wanneer de genezing niet komt.

Christus is niet minder Zaligmaker wanneer het lichaam ziek blijft.

Zijn kruis is niet minder krachtig wanneer de scan slecht is.

Zijn genade is niet minder echt wanneer de pijn niet verdwijnt.

Terug naar de tekst

Jesaja 53:5 moet terug naar zijn eigen context Naar de lijdende Knecht. Naar schuld en verzoening. Naar de straf die vrede aanbrengt. Naar de Messias Die verwond werd om overtredingen en verbrijzeld om ongerechtigheden.

En 1 Petrus 2:24 moet serieus genomen worden als apostolische uitleg.

Daar ligt de kern.

Christus droeg onze zonden.

Wij zijn geroepen om aan de zonde te sterven.

Wij mogen leven voor de gerechtigheid.

Door Zijn striemen zijn wij genezen.

Niet omdat elke ziekte nu al verdwijnt.

Maar omdat de dodelijkste kwaal is aangepakt: onze zonde voor God.

De genezingsleer die Jesaja 53:5 gebruikt als garantie voor lichamelijk herstel klinkt misschien krachtig, maar zij is in werkelijkheid wankel. Zij belooft meer dan de tekst belooft en troost minder dan het evangelie troost.

Zij wijst de zieke naar zijn geloof.

De Schrift wijst de zondaar naar Christus.

En dat is precies het verschil.

Want uiteindelijk ligt onze zekerheid niet in de vraag of wij genezing genoeg kunnen claimen, maar in de Heere Jezus Christus Die werkelijk droeg wat ons van God scheidde.

Door Zijn striemen zijn wij genezen.

Niet goedkoop.

Niet oppervlakkig.

Niet als slogan voor een genezingscampagne.

Maar diep, werkelijk en eeuwig: van schuld, van dood, van slavernij aan de zonde

tot vrede met God en leven voor Hem.

zie ook:

genezing – Bijbelse basis

Waarom een Bijbelvertaling begrijpelijk moet blijven

Betekenisvalstrikken:

Als vertrouwde woorden valstrikken worden

Een Bijbelvertaling moet twee dingen tegelijk zijn: betrouwbaar en begrijpelijk.

Laat je één van die twee los, dan gaat het mis.

Is een vertaling wel begrijpelijk, maar niet betrouwbaar, dan krijg je geen zuivere weergave van Gods Woord meer. Dan wordt de Bijbel gemakkelijk een parafrase, een uitleggende tekst, of zelfs een tekst die meer zegt wat de vertaler bedoelt dan wat er werkelijk staat.

Maar het omgekeerde is óók waar.

Is een vertaling op zichzelf betrouwbaar bedoeld, maar voor gewone lezers steeds minder begrijpelijk, dan ontstaat een ander probleem. Dan ligt de Bijbel wel open, maar blijft de betekenis dicht. Dan worden woorden uitgesproken, gelezen en herhaald, terwijl veel mensen niet meer precies weten wat zij lezen.

Dat is geen bagatel.

Want een Bijbelvertaling is er niet voor een kleine kring van taalvaardige kenners. Zij is er opdat het gewone volk Gods Woord kan horen in de eigen taal.

begrijpelijke Bijbelvertaling
Begrijpelijke Bijbelvertaling

De Bijbel is geen museumstuk

Sommigen spreken over oude Bijbeltaal alsof zij op zichzelf heiliger is. Alsof een woord eerbiediger wordt naarmate het minder gebruikt wordt. Maar dat is een gevaarlijke vergissing.

Veel oude woorden klinken voor ons verheven omdat wij ze alleen nog in kerkelijke context horen. Daardoor krijgen ze vanzelf een soort gewijde glans. Maar dat betekent niet dat ze oorspronkelijk zo bedoeld waren.

De Statenvertaling was niet gemaakt als een soort heilige kerktaal die boven het gewone Nederlands zweefde. Zij moest geen platte straattaal zijn, geen streektaal, geen modieuze praattaal, maar wel begrijpelijk Nederlands. Waardig, nauwkeurig, betrouwbaar — maar verstaanbaar.

Dat is een belangrijk onderscheid.

Wat nu plechtig klinkt, was toen vaak gewoon goed Nederlands. Wat nu als “oude eerbiedige taal” voelt, was toen voor veel lezers veel dichterbij. De afstand is niet ontstaan doordat de Bijbel veranderd is, maar doordat onze taal veranderd is.

En taal verandert. Altijd.

 

Taal staat niet stil

Geen enkele levende taal blijft hetzelfde. Woorden verschuiven. Zinnen veranderen. Uitdrukkingen verdwijnen. Nieuwe woorden komen op. Oude woorden krijgen een andere gevoelswaarde.

Neem het woord wijf. Ooit kon dat gewoon “vrouw” betekenen. Nu klinkt het in het algemeen grof of beledigend. Wie dat woord vandaag in een Bijbelvertaling zou laten staan, wekt bij moderne lezers iets op wat vroeger niet bedoeld was.

Of neem woorden als maagschap, onderwinden, betrachten, krankheid, medicijnmeester, mits, dewijl of overmits. Sommige mensen herkennen ze nog. Anderen denken dat ze ze begrijpen. En juist daar zit het gevaar.

Een moeilijk woord valt op. Een schijnbekend woord niet.

Dat is de echte valstrik.

Bij een moeilijk woord weet de lezer: hier moet ik zoeken, vragen of nadenken. Maar bij een woord dat bekend lijkt en intussen van betekenis is verschoven, vult de lezer ongemerkt de moderne betekenis in. Dan ontstaat er geen onbegrip dat eerlijk wordt opgemerkt, maar schijnbegrip dat ongemerkt blijft zitten.

Dat is misschien nog gevaarlijker.

 

Betekenisvalstrikken in de Statenvertaling

Er zijn woorden in oudere Bijbeltaal die niet alleen verouderd zijn, maar ook misleidend kunnen worden. Ze lijken bekend, maar betekenen iets anders dan veel lezers vandaag denken.

Dat kunnen we betekenisvalstrikken noemen.

Niet omdat de vertaling zelf een valstrik wil zijn. Natuurlijk niet. Maar omdat de afstand tussen toen en nu zo groot is geworden dat moderne lezers bij bepaalde woorden gemakkelijk een verkeerde betekenis invullen.

Denk aan een woord als betrachten. Veel moderne lezers horen daarin iets als “proberen te doen” of “naleven”. Maar in oudere taal kan het ook de betekenis hebben van vertellen, verkondigen of overdenken. Wie dat niet weet, leest een tekst zomaar in een andere richting.

Of neem oude woordvolgordes die vandaag niet meer vanzelf spreken. Soms staat er iets wat grammaticaal nog wel Nederlands is, maar voor moderne lezers zo vreemd loopt dat zij de zin verkeerd opvatten. Dan moet de predikant of uitlegger eerst de vertaling gaan vertalen voordat hij de tekst kan uitleggen.

Dat is een teken aan de wand.

Een Bijbelvertaling hoort de Bijbeltekst toegankelijk te maken. Als de vertaling zelf voortdurend vertaald moet worden, is er iets verschoven.

 

 

De brontalen blijven de norm

Hier moet meteen iets bij gezegd worden.

Een Bijbelvertaling is niet de uiteindelijke norm boven de Schrift. De Schrift is gegeven in de brontalen: Hebreeuws, Aramees en Grieks. Een vertaling is noodzakelijk, kostbaar en bruikbaar, maar bij leerstellige of exegetische kwesties mag een vertaling nooit absoluut gemaakt worden boven de brontekst.

Dat was juist één van de grote beginselen van de Reformatie.

De Bijbel moest niet blijven opgesloten in een kerktaal die het volk niet verstond. Maar men wilde ook niet zomaar een vertaling van een vertaling. Men wilde terug naar de bronnen. Niet omdat gewone mensen allemaal Hebreeuws en Grieks moesten leren, maar omdat de vertaling die zij lazen zo dicht mogelijk bij de oorspronkelijke tekst moest blijven.

Daar ligt de gezonde spanning: zo trouw mogelijk aan de brontalen, zo begrijpelijk mogelijk in de doeltaal.

Wie alleen betrouwbaarheid noemt en begrijpelijkheid verwaarloost, maakt van de Bijbel een boek voor ingewijden.

Wie alleen begrijpelijkheid noemt en betrouwbaarheid loslaat, maakt van de Bijbel een kneedbare tekst.

Beide wegen zijn verkeerd.

 

Vertalen is altijd kiezen

Een vertaling is nooit een mechanische omzetting van woord naar woord. Dat kán niet.

Eén Hebreeuws woord kan meerdere Nederlandse betekenissen hebben. Eén Grieks woord kan afhankelijk van de context anders klinken in het Nederlands. Soms moet een vertaler kiezen tussen twee mogelijkheden die allebei iets verdedigbaars hebben.

Daarom verdwijnen in elke vertaling bepaalde verbanden. En soms verschijnen er verbanden die in de brontekst minder sterk aanwezig zijn.

Dat is geen vrijbrief voor slordigheid. Het is wel een nuchtere erkenning van wat vertalen is.

Wie doet alsof een vertaling op elk punt één-op-één samenvalt met de brontekst, maakt de vertaling zwaarder dan zij zelf kan dragen. Zelfs de meest nauwkeurige vertaling blijft een vertaling.

Daarom is het ook zo belangrijk dat vertalers eerlijk zijn over moeilijke keuzes, alternatieve vertalingen en plaatsen waar de brontekst meerdere mogelijkheden biedt.

 

De Statenvertaling zelf is aangepast

Een vaak vergeten feit is dat de Statenvertaling zoals veel mensen die nu gebruiken, niet simpelweg de onveranderde tekst van 1637 is.

Er zijn drukfouten hersteld. Spelling is aangepast. Woorden zijn veranderd. Edities zijn herzien. De tekst die nu in veel reformatorische kring gebruikt wordt, staat historisch gezien niet los van latere negentiende-eeuwse bewerkingen.

Dat is geen aanval op de Statenvertaling. Integendeel. Het is gewoon eerlijk omgaan met de geschiedenis.

Wie zegt dat er nooit iets aan een vertaling veranderd mag worden, heeft eigenlijk een probleem met de geschiedenis van de Statenvertaling zelf. Want dan zou ook veel van wat later al aangepast is, principieel verdacht moeten zijn.

De vraag is dus niet: mag er ooit iets aangepast worden?

Dat is al gebeurd.

De echte vraag is: wanneer is aanpassing nodig, hoe zorgvuldig gebeurt zij, en blijft de vertaling trouw aan de brontekst?

 

Emotie is geen onzin

Toch moeten we eerlijk zijn: voor veel oudere lezers doet verandering pijn.

Dat mag niet worden weggezet als domheid of koppigheid.

Wie zijn hele leven woorden heeft gehoord als maagschap, krankheid, dewijl, mitsdien of medicijnmeester, verbindt daar herinneringen aan. Kerkdiensten. Catechisatie. Een vader die voorlas. Een moeder die bad. Een sterfbed. Een preek die insloeg. Een psalmvers na de maaltijd. Een Bijbeltekst die door de jaren heen meeging.

Taal is niet koud.

Taal draagt herinnering.

Daarom voelt een herziening of nieuwe vertaling voor sommigen als verlies. Niet alleen als technische wijziging, maar als aantasting van iets vertrouwds.

Dat moeten we serieus nemen.

Maar emotioneel verlies is niet hetzelfde als een principieel Bijbels bezwaar. Je mag verdriet hebben over het verdwijnen van vertrouwde formuleringen. Je mag een bepaalde plechtigheid missen. Je mag moeten wennen. Dat is menselijk.

Maar de nieuwe generatie mag niet de prijs betalen voor onze gewenning aan oude taal.

 

De Bijbel moet niet eindigen als exclusief kerkelijk jargon

Het grote gevaar is dat de Bijbel langzaam verandert in een boek dat nog wel in de kerk klinkt, maar thuis steeds minder wordt gelezen.

Dan wordt de Bijbel een soort heilige klanklaag. Men hoort woorden, herkent ritme, voelt eerbied, maar begrijpt steeds minder.

Dat is precies wat de Reformatie niet wilde.

De Reformatie wilde de Schrift teruggeven aan de gemeente. Niet aan een elite. Niet alleen aan geestelijken. Niet alleen aan academici. Niet alleen aan mensen die oude taal beheersen. Maar aan het volk.

Als de taal van een vertaling zo ver van het dagelijks Nederlands af komt te staan dat gewone lezers afhaken, ontstaat er een reformatorisch probleem. Dan verdedigen we misschien met veel vuur een oude vertaalvorm, terwijl we ongemerkt het reformatorische beginsel ondergraven: Gods Woord in de taal van het volk.

Dat is pijnlijk, maar noodzakelijk om te zeggen.

 

Begrijpelijkheid is niet hetzelfde als oppervlakkigheid

Sommigen vrezen dat begrijpelijke taal vanzelf oppervlakkige taal wordt. Dat hoeft helemaal niet.

De Bijbel zelf bevat diepe waarheden, moeilijke gedeelten, rijke verbanden, historische achtergronden, profetische lagen, poëzie, wetsteksten, brieven, geslachtsregisters, beeldspraak en leerstellige diepte.

Dat wordt niet allemaal eenvoudig omdat je hedendaags Nederlands gebruikt.

Er zullen altijd woorden uitgelegd moeten worden. Farizeeën. Sadduceeën. Verzoening. Rechtvaardiging. Verbond. Heiliging. Hogepriester. Tabernakel. Pascha. Pinksteren. Wannen. Dorsvloer. Rondas. Sikkel. Efa.

Dat zijn geen verouderde Nederlandse woorden, maar Bijbelse, historische of inhoudelijke begrippen. Die moet je niet wegpoetsen. Die moet je uitleggen.

Maar dat is iets anders dan lezers opzadelen met gewone Nederlandse woorden die vroeger normaal waren en nu niet meer functioneren.

Een Bijbelvertaling mag moeilijk zijn waar de Bijbel zelf moeilijk is. Zij moet niet moeilijk zijn omdat het Nederlands verouderd is.

 

Geestelijk verstaan en taalbegrip zijn niet hetzelfde

Natuurlijk is er meer nodig dan taalbegrip.

Een mens kan alle woorden begrijpen en toch blind blijven voor de geestelijke kern van de Schrift. Je kunt Grieks lezen, Hebreeuws kennen, grammatica beheersen en toch de heerlijkheid van Christus niet zien.

Daarvoor is het licht van Gods Geest nodig.

Maar dat argument mag niet misbruikt worden.

Dat de Heilige Geest nodig is om de Schrift geestelijk te verstaan, betekent niet dat de woorden zelf onbegrijpelijk mogen zijn. Anders zou vertalen überhaupt overbodig zijn. Dan zou men net zo goed kunnen zeggen: laat de Bijbel maar in het Latijn, Grieks of Hebreeuws staan, want de Geest moet het toch openen.

Zo redeneerde de Reformatie niet.

De Geest werkt niet tegen het Woord in, maar door het Woord. En een vertaling dient juist om dat Woord hoorbaar en leesbaar te maken in de taal van de mensen.

 

De echte vraag

De vraag is dus niet óf wij de Statenvertaling waarderen. Dat doen we.

De vraag is ook niet of de Statenvertalers kundige, eerbiedige en nauwgezette mannen waren. Dat waren ze.

De vraag is niet of oude formuleringen dierbaar kunnen zijn. Dat kunnen zij.

De vraag is scherper:

Kan een gewone lezer vandaag nog zonder voortdurende vertaalslag begrijpen wat hij leest?

En als het antwoord steeds vaker nee is, moeten we eerlijk zijn.

Dan gaat het niet om minachting voor het verleden. Dan gaat het om trouw aan het doel waarvoor een vertaling bestaat.

Een vertaling is geen monument om alleen te bewonderen. Zij is een venster waardoor het licht van de Schrift moet vallen.

Als het venster beslagen raakt door taalveroudering, moet je niet boos worden op wie het schoon wil maken.

 

Een Bijbel voor de gemeente

De gemeente heeft geen behoefte aan een losse, modieuze, uitgeklede Bijbeltekst. Geen Bijbel als praattaalproduct. Geen vertaling waarin de scherpe randen van Gods Woord zijn weggeschuurd.

Maar de gemeente heeft ook geen behoefte aan een taalvorm die steeds meer mensen op afstand zet.

We hebben een Bijbelvertaling nodig die betrouwbaar is, eerbiedig, zorgvuldig, kerkelijk bruikbaar, dicht bij de brontekst — en tegelijk werkelijk Nederlands.

Niet Nederlands van vier eeuwen geleden.

Niet Nederlands dat alleen nog binnen een kleine kring functioneert.

Niet taal die vooral herkenning oproept bij wie ermee opgegroeid is.

Maar Nederlands waarin kinderen, jongeren, buitenstaanders, nieuwe gelovigen en gewone gemeenteleden kunnen horen wat God zegt.

 

Wat op het spel staat

Op het spel staat niet onze smaak. Ook niet onze nostalgie. Zelfs niet onze vertrouwde klank.

Op het spel staat de vraag of het Woord werkelijk gelezen wordt.

Want een gesloten Bijbel kan ook open op tafel liggen.

Hij is gesloten wanneer de woorden wel zichtbaar zijn, maar niet meer landen. Wanneer de zinnen wel klinken, maar de betekenis wegloopt. Wanneer mensen eerbiedig knikken, maar thuis niet meer lezen omdat het hun te veel moeite kost.

Dat is een stille ramp.

Niet spectaculair. Niet luidruchtig. Maar wel ernstig.

Een kerk die haar Bijbeltaal niet meer durft te toetsen aan begrijpelijkheid, loopt het risico dat zij een vorm bewaart terwijl het gebruik verdwijnt.

Dan blijft de kaft. Dan blijft de traditie. Dan blijft de klank.

Maar de lezer haakt af.

 

Slot

Een betrouwbare Bijbelvertaling is onmisbaar. Zonder trouw aan de brontekst verliezen we het Woord zelf.

Maar begrijpelijkheid is geen luxe. Zij hoort bij het wezen van vertalen.

De Bijbel moet niet opgesloten raken in taal die alleen ingewijden nog beheersen. Hij moet gelezen worden aan de keukentafel, gehoord worden in de kerk, begrepen worden door jongeren, door zoekers, door gewone gemeenteleden, door mensen die niet zijn opgegroeid met kerktaal.

Dat vraagt zorgvuldigheid. Geduld. Eerbied. Historisch besef. En ook liefde voor hen die moeite hebben met verandering.

Maar het vraagt óók eerlijkheid.

Niet elk oud woord is moeilijk. Sommige oude woorden zijn juist gevaarlijk omdat ze gemakkelijk lijken. Daar ontstaan betekenisvalstrikken. Daar denkt de lezer dat hij begrijpt wat er staat, terwijl hij ongemerkt een moderne betekenis invult.

Wie de Bijbel liefheeft, mag dat niet negeren.

De vraag is niet of wij oude taal mooi vinden.

De vraag is of mensen vandaag in hun eigen taal nog Gods Woord horen.

En als het antwoord daarop steeds onzekerder wordt, is vasthouden aan oude taal geen bewijs van trouw, maar kan het juist een hindernis worden voor het lezen van de Schrift.

De Bijbel is géén erfstuk voor de vitrine of schoorsteenmantel

Hij moet open.
Hij moet gelezen worden.
Hij moet verstaan worden.
Want God spreekt door Zijn Woord.

Zie ook:

De “Statenvertaling-alleen” denkfout en de verwarring – Bijbelse basis

Betekenisverschuiving in de Statenvertaling: een overzicht en duiding – Bijbelse basis

Statenvertaling 2027 werk van de duivel? Een ontmaskering van vrome bangmakerij – Bijbelse basis

Waarom de Statenvertaling verschilt van de King James Version – Bijbelse basis

De KJV-only en Statenvertaling alléén controverse ontzenuwd – Bijbelse basis

Van Ruckman naar SV1637 – Bijbelse basis

Checklist ‘Vervalste Bijbels’ van sv1637.org gecheckt: De claims – Bijbelse basis

extern:

Lezen wij en onze kinderen elke dag uit de Bijbel? Het belang van een begrijpelijke Bijbelvertaling

Geverifieerd door MonsterInsights