Het eerstgeboorterecht in de Bijbel: betekenis, Christus en erfenis

Waarom deze vergeten waarheid zo belangrijk is

Wie bij het eerstgeboorterecht in de Bijbel alleen denkt aan een oude familietraditie waarbij de oudste zoon een groter deel van de erfenis kreeg, mist een belangrijke lijn die van Genesis tot het Nieuwe Testament loopt.

Het eerstgeboorterecht heeft in de Schrift te maken met positie, erfenis, verantwoordelijkheid, voorrang en bestemming. En uiteindelijk werpt dit begrip verrassend veel licht op de Here Jezus Christus als de Eerstgeborene, op Zijn plaats boven de schepping, op Zijn opstanding uit de doden en op de positie van de gelovige in Hem.

Dat maakt het eerstgeboorterecht veel meer dan een interessant oudtestamentisch onderwerp. Het is een sleutel tot het verstaan van Gods voornemen in Christus.

 

Wat betekent het eerstgeboorterecht in de Bijbel?

In onze taal denken we bij het woord eerstgeborene als vanzelf aan degene die als eerste geboren werd. In de Bijbel kan dat inderdaad de betekenis zijn, maar zeker niet altijd.

God zegt bijvoorbeeld over Israël:

“Dan zult gij tot Farao zeggen: Alzo zegt de HEERE: Mijn zoon, Mijn eerstgeborene, is Israël.” — Exodus 4:22 (STV)

Israël was bepaald niet het eerste volk dat ooit op aarde bestond. Het woord eerstgeborene kan hier dus onmogelijk uitsluitend chronologisch worden opgevat.

Het spreekt van rang en positie.

Dat is direct van belang wanneer het Nieuwe Testament de Here Jezus Christus noemt:

“Dewelke het Beeld is des onzienlijken Gods, de Eerstgeborene aller kreaturen.” — Kolossenzen 1:15 (STV)

Sommigen lezen daaruit dat Christus het eerste geschapen wezen zou zijn. Maar die uitleg botst onmiddellijk met de volgende woorden:

“Want door Hem zijn alle dingen geschapen, die in de hemelen en die op de aarde zijn, die zienlijk en die onzienlijk zijn…” — Kolossenzen 1:16 (STV)

Christus wordt dus niet binnen de schepping geplaatst als het eerste schepsel. Hij staat erboven als Degene door Wie alle dingen geschapen zijn.

Paulus legt de betekenis enkele verzen later zelf uit:

“…opdat Hij in allen de Eerste zou zijn.” — Kolossenzen 1:18 (STV)

Daar ligt de kern van het Bijbelse begrip eerstgeboorte:

voorrang, positie en erfgenaamschap.

Eerstgeboorterecht de betekenis
Eerstgeboorterecht in de Bijbel

Het eerstgeboorterecht verbonden met erfenis

Het eerstgeboorterecht was geen lege titel. Aan de eerstgeborene was een bijzondere plaats in het huis van zijn vader verbonden.

De Wet zegt:

“Maar den eerstgeborene […] zal hij kennen, gevende hem het dubbele deel van alles wat bij hem zal gevonden worden; want hij is het beginsel zijner kracht, het recht der eerstgeboorte is zijne.” — Deuteronomium 21:17 (STV)

De eerstgeborene ontving dus een dubbel erfdeel.

Daarmee wordt duidelijk dat eerstgeboorte te maken had met meer dan leeftijd. Het ging om positie binnen het huis, verantwoordelijkheid en erfenis.

Juist daarom zijn de geschiedenissen van Ezau, Ruben, Jozef, Manasse en Efraïm zo belangrijk.

 

Ezau verachtte zijn eerstgeboorterecht

Ezau is een van de bekendste voorbeelden.

Wanneer hij hongerig thuiskomt en Jakob voedsel vraagt, verlangt Jakob daarvoor zijn eerstgeboorterecht.

Ezau antwoordt:

“Zie, ik ga sterven; en waartoe mij dan de eerstgeboorte?” — Genesis 25:32 (STV)

Daarna verkoopt hij zijn eerstgeboorterecht.

De Schrift trekt zelf de conclusie:

“Alzo verachtte Ezau de eerstgeboorte.” — Genesis 25:34 (STV)

Dat ene woord is veelzeggend: verachtte.

Ezau achtte iets wat met Gods belofte, positie en toekomstige erfenis te maken had minder belangrijk dan zijn onmiddellijke lichamelijke behoefte.

Het zichtbare woog zwaarder dan de belofte.

Het tijdelijke woog zwaarder dan de erfenis.

Het vlees woog zwaarder dan hetgeen God had toegezegd.

Eeuwen later grijpt Hebreeën terug op precies deze geschiedenis:

“Dat niet iemand zij een hoereerder, of een onheilige, gelijk Ezau, die om één spijze het recht van zijn eerstgeboorte weggaf.” — Hebreeën 12:16 (STV)

Dit was dus geen onbeduidend familievoorval.

Ezau waardeerde niet wat God waardeerde.

Dat maakt zijn geschiedenis ook vandaag nog indringend.

 

Ruben was eerstgeborene maar verloor het eerstegeboorterecht

Bij Ruben wordt nog duidelijker dat geboortevolgorde en eerstgeboorterecht niet identiek zijn.

Jakob zegt tegen hem:

“Ruben, gij zijt mijn eerstgeborene, mijn kracht en het begin mijner macht…” — Genesis 49:3 (STV)

Ruben was inderdaad letterlijk de eerste zoon van Jakob.

Maar later lezen we:

“De kinderen nu van Ruben, den eerstgeborene Israëls (want hij was de eerstgeborene, maar omdat hij zijns vaders bed had ontheiligd, zo werd zijn eerstgeboorte gegeven aan de kinderen van Jozef, den zoon van Israël…” — 1 Kronieken 5:1 (STV)

Dat is een sleuteltekst.

Ruben bleef biologisch de eerstgeborene, maar de eerstgeboorte werd aan Jozef gegeven.

De Schrift maakt dus zelf onderscheid tussen als eerste geboren worden en de positie van eerstgeboorte bezitten.

Het volgende vers is nog opmerkelijker:

“Want Juda werd machtig onder zijn broederen, en uit hem is de Vorst voortgekomen; doch de eerstgeboorte was van Jozef.” — 1 Kronieken 5:2 (STV)

Uit Juda komt de Vorst.

Maar het eerstgeboorterecht ligt bij Jozef.

Dat onderscheid is belangrijk en laat zien hoe nauwkeurig de Schrift met deze begrippen omgaat.

 

Waarom kreeg Jozef een dubbel deel?

Dan begrijpen we ook waarom Jozef via zijn zonen Efraïm en Manasse twee plaatsen binnen Israël krijgt.

Jakob zegt:

“Nu dan, uw twee zonen, die u in Egypteland geboren waren, eer ik tot u in Egypte gekomen ben, zijn mijne; Efraïm en Manasse zullen mijne zijn, als Ruben en Simeon.” — Genesis 48:5 (STV)

Efraïm en Manasse worden daarmee als het ware naast Jakobs eigen zonen geplaatst.

Jozef ontvangt via hen twee stamdelen.

En wat was het bijzondere erfdeel van de eerstgeborene?

Het dubbele deel.

Genesis 48 en 1 Kronieken 5 sluiten daarmee nauw op elkaar aan.

Het eerstgeboorterecht had dus concrete gevolgen voor de erfenis.

 

Efraïm en Manasse: de natuurlijke volgorde wordt opnieuw doorbroken

Zelfs binnen het huis van Jozef gebeurt hetzelfde patroon opnieuw.

Manasse was de oudste. Jozef zorgt er daarom bewust voor dat Manasse bij Jakobs rechterhand staat wanneer zijn vader de jongens zegent.

Maar Jakob kruist zijn handen en legt zijn rechterhand op Efraïm, de jongste.

Jozef denkt dat zijn vader zich vergist:

“Niet alzo, mijn vader! want deze is de eerstgeborene; leg uw rechterhand op zijn hoofd.” — Genesis 48:18 (STV)

Jakob antwoordt:

“Ik weet het, mijn zoon! ik weet het; hij zal ook tot een volk worden, en hij zal ook groot worden; maar nochtans zal zijn kleinste broeder groter worden dan hij…” — Genesis 48:19 (STV)

Opnieuw wordt de natuurlijke volgorde bewust doorbroken.

Gods toekenning van positie wordt niet eenvoudig bepaald door geboortevolgorde.

Dat patroon zien we vaker:

Kaïn vóór Seth.

Ismaël vóór Izak.

Ezau vóór Jakob.

Ruben vóór Jozef.

Manasse vóór Efraïm.

Dat is te consequent om als toevallig detail af te serveren.

Eerst het natuurlijke, daarna het geestelijke

Paulus geeft later woorden die dit patroon veel dieper plaatsen:

“Doch het geestelijke is niet eerst, maar het natuurlijke, daarna het geestelijke.” — 1 Korinthe 15:46 (STV)

En vervolgens:

“De eerste mens is uit de aarde, aards; de tweede Mens is de Heere uit den hemel.” — 1 Korinthe 15:47 (STV)

Daar staat de grote tegenstelling:

Adam tegenover Christus.

De eerste mens tegenover de Tweede Mens.

Het natuurlijke tegenover het geestelijke.

De oude schepping tegenover de nieuwe.

De geschiedenis van het eerstgeboorterecht loopt daardoor uiteindelijk niet dood bij Jakob, Jozef of Efraïm.

Zij wijst vooruit naar Christus.

 

Christus als Eerstgeborene van heel de schepping

Kolossenzen 1 is daarom van groot apologetisch belang.

“Dewelke het Beeld is des onzienlijken Gods, de Eerstgeborene aller kreaturen.” — Kolossenzen 1:15 (STV)

Wie daaruit concludeert dat Christus een schepsel is, negeert de directe context.

Paulus vervolgt:

“Want door Hem zijn alle dingen geschapen…” — Kolossenzen 1:16 (STV)

En:

“En Hij is vóór alle dingen, en alle dingen bestaan te zamen door Hem.” — Kolossenzen 1:17 (STV)

En tenslotte:

“…opdat Hij in allen de Eerste zou zijn.” — Kolossenzen 1:18 (STV)

Door Hem zijn alle dingen geschapen.

Tot Hem zijn alle dingen geschapen.

Hij is vóór alle dingen.

Door Hem bestaan alle dingen.

Hij moet in alles de Eerste zijn.

Dat is geen beschrijving van een geschapen wezen.

“Eerstgeborene” spreekt hier over Zijn hoogste positie boven de schepping.

 

Christus is de Eerstgeborene uit de doden

Paulus noemt Christus ook:

“…de Eerstgeborene uit de doden…” — Kolossenzen 1:18 (STV)

Ook dat kan niet simpelweg chronologisch betekenen dat Hij de eerste persoon was die ooit uit de dood werd opgewekt.

Voor Zijn opstanding waren immers al mensen uit de dood opgewekt.

Maar zij keerden terug in een sterfelijk bestaan.

Christus niet.

“Wetende dat Christus, opgewekt zijnde uit de doden, niet meer sterft; de dood heerst niet meer over Hem.” — Romeinen 6:9 (STV)

Zijn opstanding is van een andere orde.

Hij stond op in onvergankelijk leven.

Daarom noemt Paulus Hem ook:

“Maar nu, Christus is opgewekt uit de doden, en is de Eersteling geworden dergenen die ontslapen zijn.” — 1 Korinthe 15:20 (STV)

Eerstgeborene.

Eersteling.

Begin.

Christus staat aan het begin van een nieuwe orde.

 

De Laatste Adam en de Tweede Mens

Paulus schrijft:

“Alzo is er ook geschreven: De eerste mens Adam is geworden tot een levende ziel; de laatste Adam tot een levendmakenden Geest.” — 1 Korinthe 15:45 (STV)

Christus is niet een verbeterde versie van Adam.

Hij is de Laatste Adam.

En:

“De eerste mens is uit de aarde, aards; de tweede Mens is de Heere uit den hemel.” — 1 Korinthe 15:47 (STV)

De boodschap van de Schrift is dus niet dat God de oude mens door religieuze inspanning probeert te verbeteren.

In Christus ontstaat iets nieuws.

“Zo dan, indien iemand in Christus is, die is een nieuw schepsel; het oude is voorbijgegaan, ziet, het is alles nieuw geworden.” — 2 Korinthe 5:17 (STV)

Hier krijgt het patroon uit Genesis zijn diepste betekenis.

Eerst Adam.

Daarna Christus.

Eerst het natuurlijke.

Daarna het geestelijke.

 

De Eerstgeborene onder vele broederen

Romeinen 8 gaat nog verder:

“Want die Hij tevoren gekend heeft, die heeft Hij ook tevoren verordineerd den beelde Zijns Zoons gelijkvormig te zijn, opdat Hij de Eerstgeborene zij onder vele broederen.” — Romeinen 8:29 (STV)

Christus is dus niet alleen Eerstgeborene.

Hij is de Eerstgeborene onder vele broederen.

Zijn positie blijft uniek.

Hij blijft Degene Die in alles de Eerste is.

Maar God verbindt anderen met Hem.

Daarmee komen we bij een begrip dat nauw samenhangt met eerstgeboorterecht: zoonstelling.

 

Zoonstelling, erfenis en eerstgeboorterecht

Paulus schrijft:

“Die ons tevoren verordineerd heeft tot aanneming tot kinderen, door Jezus Christus, in Zichzelven…” — Efeze 1:5 (STV)

Het gaat hier om de gedachte van zoonstelling: geplaatst worden in de positie van zoon.

En waar zoonstelling verschijnt, is er ook sprake van erfenis.

“En indien wij kinderen zijn, zo zijn wij ook erfgenamen, erfgenamen Gods en mede-erfgenamen van Christus…” — Romeinen 8:17 (STV)

Dat is veel rijker dan de versmalling van het christelijke geloof tot:

Mijn zonden zijn vergeven en later ga ik naar de hemel.

Vergeving is onmisbaar.

Maar Gods voornemen gaat verder.

Hij spreekt over zoonstelling.

Over erfenis.

Over mede-erfgenamen.

Over gelijkvormigheid aan Zijn Zoon.

Over heerlijkheid.

En over Christus als Eerstgeborene onder vele broederen.

 

De Gemeente der eerstgeborenen

Dan krijgt Hebreeën 12 ineens veel meer betekenis:

“…tot de algemene vergadering en de Gemeente der eerstgeborenen, die in de hemelen opgeschreven zijn…” — Hebreeën 12:23 (STV)

De Gemeente der eerstgeborenen.

Hoe kan een hele Gemeente uit eerstgeborenen bestaan wanneer eerstgeborene alleen geboortevolgorde zou betekenen?

Dat kan niet.

Maar wanneer eerstgeboorte spreekt over positie en erfenis, wordt de uitdrukking begrijpelijk.

En precies die taal gebruikt Paulus wanneer hij spreekt over degenen die in Christus zijn.

Zij zijn geen eerstgeborenen los van Hem.

Hun hele positie bestaat in Christus.

“Gezegend zij de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in den hemel in Christus.” — Efeze 1:3 (STV)

Alles ligt in Hem.

Niet in religieuze prestaties.

Niet in menselijke waardigheid.

Niet in het onderhouden van een systeem.

Maar in Christus.

 

Waarom veel christelijke prediking hier tekortschiet

Veel prediking stopt feitelijk bij de ingang van het Evangelie.

De mens is zondaar.

Christus stierf voor zonden.

Wie gelooft, ontvangt vergeving.

Dat is helemaal waar.

Maar het is niet het hele verhaal.

Paulus stopt daar niet.

De gelovige is gerechtvaardigd, maar ook met Christus verbonden.

Hij behoort tot Zijn Lichaam.

Hij is gezegend met geestelijke zegeningen in de hemel.

Hij heeft een hemelse roeping.

Hij ontvangt zoonstelling.

Hij is erfgenaam.

Hij is mede-erfgenaam van Christus.

Zijn leven is met Christus verborgen in God.

En zijn toekomst is met Christus verbonden.

“Wanneer nu Christus zal geopenbaard zijn, Die ons Leven is, dan zult ook gij met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid.” — Kolossenzen 3:4 (STV)

Dat is veel rijker dan een Evangelie dat uiteindelijk nauwelijks verder komt dan de vraag waar iemand na zijn dood terechtkomt.

De Schrift spreekt niet alleen over waar wij van verlost zijn.

Zij spreekt ook over waartoe wij in Christus geroepen zijn.

 

Eerstgeboorterecht en behoud zijn niet hetzelfde

Juist hier moet zorgvuldig onderscheiden worden.

Het eeuwige leven is een gave.

“Want de bezoldiging der zonde is de dood, maar de genadegift Gods is het eeuwige leven, door Jezus Christus, onzen Heere.” — Romeinen 6:23 (STV)

Een gave verdien je niet.

Daarom moeten we van Ezau ook geen verhaal maken waarin iemand zogenaamd zijn behoudenis verloor omdat hij één maaltijd belangrijker vond.

De tekst zegt iets anders.

Hij verkocht zijn eerstgeboorterecht.

Dat ging over positie en erfenis.

Wanneer behoudenis, erfenis en eerstgeboorterecht zonder onderscheid door elkaar worden gebruikt, ontstaan onnodige tegenstrijdigheden.

De Schrift maakt onderscheid.

Wij zouden dat daarom ook moeten doen.

Waarom het eerstgeboorterecht belangrijk is voor Bijbeluitleg

Het eerstgeboorterecht blijkt een sleutel te zijn die verschillende Schriftgedeelten met elkaar verbindt.

Het helpt verklaren waarom Christus “Eerstgeborene aller kreaturen” genoemd wordt zonder dat Hij een schepsel is.

Het verklaart waarom Israël Gods eerstgeborene genoemd wordt zonder het eerste volk op aarde te zijn.

Het verklaart waarom Ruben biologisch eerstgeborene was en toch zijn eerstgeboorte verloor.

Het verklaart waarom Jozef een dubbel erfdeel ontvangt.

Het verklaart waarom Efraïm vóór Manasse wordt geplaatst.

Het verbindt zoonschap met erfenis.

Het werpt licht op Christus als Eerstgeborene onder vele broederen.

En het helpt ons de uitdrukking “Gemeente der eerstgeborenen” te verstaan.

Dit is daarom geen vrijblijvende studie over oude familiegebruiken.

Het raakt rechtstreeks aan de Persoon en positie van Christus.

 

Het eerstgeboorterecht vindt zijn vervulling in Christus

Wanneer we de hele Bijbelse lijn overzien, wordt het patroon steeds duidelijker.

De natuurlijke eerstgeborene is niet vanzelfsprekend degene die uiteindelijk de positie ontvangt.

Het eerstgeboorterecht is verbonden met erfenis.

Het kan aan een ander worden gegeven.

Een compleet volk kan eerstgeborene worden genoemd vanwege zijn positie.

En uiteindelijk verschijnt Christus als:

de Eerstgeborene aller kreaturen,

de Eerstgeborene uit de doden,

de Eerstgeborene onder vele broederen.

Daarna spreekt Hebreeën over:

de Gemeente der eerstgeborenen.

Dat zijn geen toevallige overeenkomsten.

De Schrift verklaart de Schrift.

Een begrip dat al vroeg in Genesis zichtbaar wordt, krijgt zijn volle betekenis in de opgestane en verheerlijkte Christus.

Paulus vat het uiteindelijk prachtig samen:

“En Hij is het Hoofd des lichaams, namelijk der Gemeente, Hij, Die het Begin is, de Eerstgeborene uit de doden, opdat Hij in allen de Eerste zou zijn.” — Kolossenzen 1:18 (STV)

Daar moet iedere studie over het eerstgeboorterecht eindigen.

Niet bij Jakob.

Niet bij Jozef.

Niet bij Israël.

En ook niet bij ons.

Maar bij Christus.

Hij is de Eerstgeborene. Hij is het Hoofd. Hij is de Erfgenaam. Hij is het Begin van de nieuwe schepping.

En alles wat de gelovige ontvangen heeft, bezit hij uitsluitend in Hem.

Daarom is het eerstgeboorterecht geen belegen, stoffig detail uit Genesis.

Het is een vergeten sleutel tot het verstaan van Gods voornemen in Christus.

Zie ook:

zoonstelling – Bijbelse basis

extern:

Bijbelstudie: Het eerstgeboorterecht – Bijbels Panorama

Galaten 6:14: roemen in het kruis

Niet in christelijk succes

“Maar het zij verre van mij, dat ik zou roemen, anders dan in het kruis van onzen Heere Jezus Christus; door Welken de wereld mij gekruisigd is, en ik der wereld.” — Galaten 6:14 (STV)

Er zijn Bijbelteksten die nauwelijks ruimte laten voor religieuze zelfverheerlijking. Galaten 6:14 is er één van.

Paulus zegt niet dat hij een beetje minder wil roemen in zichzelf. Hij zegt niet dat menselijke prestaties best waardevol zijn, zolang Christus er maar bij genoemd wordt. Hij trekt een veel radicalere grens:

er blijft voor hem maar één grond van roem over: het kruis van de Here Jezus Christus.

Dat staat haaks op veel van wat tegenwoordig als christelijk succes wordt gepresenteerd.

Groei. Invloed. Bereik. Aantallen. Zichtbaarheid. Een groter podium. Een grotere gemeente. Een grotere bediening. Meer impact.

Maar waar in dit alles staat het kruis?

Want Paulus zegt niet:

Zie eens wat wij voor Christus bereikt hebben.

Hij zegt:

zie wat Christus heeft volbracht.
Galaten 6 vers 14

 

De context maakt Galaten 6:14 nog scherper

Galaten 6:14 staat niet los in de brief. Paulus bestrijdt in Galaten een religie waarin aan het volbrachte werk van Christus alsnog iets van de mens werd toegevoegd.

De besnijdenis speelde daarin een belangrijke rol.

Paulus schrijft vlak vóór onze tekst:

“Want ook zij zelven, die besneden worden, houden de wet niet; maar zij willen, dat gij besneden wordt, opdat zij in uw vlees roemen zouden.” — Galaten 6:13 (STV)

Daar staat het probleem.

Roemen in uw vlees.

Het ging om iets zichtbaars. Iets waarmee men kon aantonen dat men resultaat had geboekt. Er kon als het ware worden gezegd: kijk eens hoeveel mensen wij zover hebben gekregen.

En dan komt Paulus:

“Maar het zij verre van mij, dat ik zou roemen, anders dan in het kruis van onzen Heere Jezus Christus…” — Galaten 6:14 (STV)

Dat is geen vrome aanvulling.

Dat is een regelrechte afwijzing van religieuze roem.

 

Het kruis laat niets van de menselijke grootheid heel

Waarom is het kruis zo vernietigend voor menselijke trots?

Omdat het kruis verklaart dat de mens zichzelf niet kan redden.

Als opvoeding voldoende was geweest, was het kruis niet nodig.

Als religie voldoende was geweest, was het kruis niet nodig.

Als de wet de mens had kunnen rechtvaardigen, was het kruis niet nodig.

Als menselijke verbetering voldoende was geweest, was het kruis niet nodig.

Paulus had dit eerder in dezelfde brief al vlijmscherp gezegd:

“Ik doe de genade Gods niet teniet; want indien de rechtvaardigheid door de wet is, zo is dan Christus tevergeefs gestorven.” — Galaten 2:21 (STV)

Daarom kan wet en genade niet eenvoudig worden samengevoegd tot één christelijk systeem waarin Christus het grootste deel doet en de mens vervolgens het ontbrekende stuk aanvult.

Het kruis zegt niet dat de mens een zetje nodig had.

Het kruis zegt dat Christus alles moest doen.

 

Het christendom heeft opnieuw leren roemen in het vlees

De vorm is veranderd.

We eisen misschien niet meer dat christenen besneden worden. Maar het beginsel waartegen Paulus strijdt, is bepaald niet verdwenen.

Ook vandaag kan het vlees religieus worden.

Sterker nog: het vlees kan zeer christelijk klinken.

“We hebben zoveel mensen bereikt.”

“Onze gemeente groeit enorm.”

“God gaat ons groot maken.”

“Wij gaan deze stad innemen.”

“Onze invloed zal verdubbelen.”

“God brengt ons naar een hoger niveau.”

“Wij bouwen iets geweldigs voor God.”

Het klinkt indrukwekkend.

Maar Galaten 6 stelt een ongemakkelijke vraag:

waarin wordt hier eigenlijk geroemd?

In Christus?

Of in het zichtbare resultaat van menselijke activiteit?

Dat onderscheid is essentieel.

Een grote gemeente is niet automatisch een verkeerde gemeente. Veel bereik hebben is geen zonde. Groei kan een zegen zijn.

Maar groei is geen Bijbelse maatstaf voor waarheid.

Succes is geen bewijs van Gods goedkeuring.

Aantallen bewijzen geen Bijbelgetrouwheid.

Zichtbaarheid bewijst geen geestelijke vrucht.

En invloed is nergens het fundament waarop de gelovige geroepen wordt te roemen.

 

Paulus had genoeg om menselijk in te roemen

Het opmerkelijke is dat Paulus naar menselijke maatstaven juist indrukwekkende geloofsbrieven bezat.

Hij kende de Schrift. Hij was opgevoed binnen het Jodendom. Hij had een indrukwekkende religieuze achtergrond. Hij was ijverig. Hij had aanzien kunnen verwerven.

Maar toen hij Christus leerde kennen, veranderde zijn rekensom.

Wat voorheen winst was, verloor zijn waarde als grond van roem.

Het kruis maakte niet alleen een einde aan zijn vertrouwen in slechte werken.

Het maakte ook een einde aan zijn vertrouwen in goede religieuze werken als grond van gerechtigheid.

Dat is veel confronterender.

Want de zondaar wil soms best erkennen dat zijn zonden verkeerd zijn.

Veel moeilijker is het te erkennen dat zelfs zijn beste religieuze prestaties hem geen millimeter dichter bij God brengen.

 

“De wereld mij gekruisigd”

Paulus gaat in Galaten 6:14 nog verder:

“…door Welken de wereld mij gekruisigd is, en ik der wereld.” — Galaten 6:14 (STV)

Het kruis heeft dus niet alleen betrekking op onze schuld.

Het heeft ook betrekking op onze verhouding tot de wereld.

En daarmee bedoelen we niet simpelweg dat een christen niets meer met ongelovigen te maken mag hebben.

Paulus spreekt over een veel funamentelere breuk.

De wereld heeft haar systeem van waardering.

Wie is belangrijk?

Wie is succesvol?

Wie heeft macht?

Wie heeft aanzien?

Wie wordt gezien?

Wie heeft invloed?

Wie krijgt applaus?

Wie heeft het grootste bereik?

Dat systeem dringt gemakkelijk de christelijke wereld binnen.

En voor je het weet spreken gemeenten dezelfde taal als ondernemingen, influencers en marketingbureaus — alleen zetten we het woord “God” ervoor.

Maar Paulus zegt:

die wereld is voor mij gekruisigd.

De waardeschaal waarop de wereld mensen meet, mag niet de waardeschaal worden waarop het Lichaam van Christus zichzelf beoordeelt.

Ook ik ben der wereld gekruisigd

Er staat nog iets:

“…en ik der wereld.” — Galaten 6:14 (STV)

Dat is minstens net zo ingrijpend.

Paulus zegt niet alleen dat hij de wereld heeft afgeschreven.

De wereld heeft in zekere zin ook hem afgeschreven.

Een gekruisigde was niet indrukwekkend.

Een gekruisigde was geen winnaar.

Een gekruisigde had geen status.

Een gekruisigde werd niet bewonderd.

En juist dat beeld gebruikt Paulus voor zijn positie tegenover deze wereld.

Dat botst frontaal met christendom dat voortdurend probeert indrukwekkend, relevant, invloedrijk en maatschappelijk onweerstaanbaar te zijn.

De roeping van de Gemeente is niet om de wereld ervan te overtuigen hoe indrukwekkend zij is.

Zij is geroepen om Christus bekend te maken.

Dat kan in grote samenkomsten.

Dat kan ook door één onbekende gelovige die trouw het Woord doorgeeft aan één ander mens.

De hemel rekent kennelijk anders dan onze statistieken.

 

Het kruis betekent niet passiviteit

Hier ontstaat makkelijk een misverstand.

Wie zegt dat wij niet in menselijke prestaties mogen roemen, zegt daarmee niet dat de gelovige niets hoort te doen.

Paulus was bepaald geen passieve man.

Hij reisde, predikte, onderwees, schreef, leed en arbeidde.

Maar dat is nu juist het verschil:

hij werkte niet om iets te worden; hij werkte vanuit wat hij in Christus ontvangen had.

Dát is de richting van genade.

Niet:

werken om aanvaard te worden.

Maar:

werken omdat wij aanvaard zijn in Christus.

Niet:

presteren om identiteit te verwerven.

Maar:

wandelen vanuit de identiteit die God gegeven heeft.

Niet:

vrucht voortbrengen om leven te verkrijgen.

Maar:

vrucht dragen omdat er nieuw leven is.

Dat onderscheid is fundamenteel.

 

“Ik ben met Christus gekruist”

De gedachte van Galaten 6:14 is al eerder in de brief gegeven:

“Ik ben met Christus gekruist; en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij…” — Galaten 2:20 (STV)

Dat is het christelijke leven in één zin.

Niet de oude mens religieuzer maken.

Niet Adam christelijk oppoetsen.

Niet het vlees leren zich netter te gedragen zodat het vervolgens trots kan zijn op zijn geestelijke vooruitgang.

Maar:

Christus leeft in mij.

Het christelijke leven is niet de verbetering van het oude Adamitische leven door hogere idealen, maar het ontvangen van nieuw leven in Christus.

Daarom volgt onmiddellijk na Galaten 6:14:

“Want in Christus Jezus heeft noch besnijdenis enige kracht, noch voorhuid, maar een nieuw schepsel.” — Galaten 6:15 (STV)

Daar ligt de sleutel.

Een nieuw schepsel.

Niet een verbeterde religieuze versie van Adam.

 

Het kruis is Gods oordeel over religieuze zelfverheffing

Dat maakt Galaten 6:14 zo ongemakkelijk actueel.

Wij kunnen met de mond zeggen dat wij roemen in Christus en ondertussen complete christelijke culturen bouwen rondom menselijke reputatie.

De succesvolle voorganger.

De charismatische leider.

De grote bediening.

Het indrukwekkende gebouw.

De duizenden bezoekers.

De internationale invloed.

De vele volgers.

De enorme conferentie.

De “beweging” die iets gaat veranderen.

Maar het kruis stelt steeds dezelfde vraag:

waarom moet de mens hier zo groot worden?

Johannes de Doper zei:

“Hij moet wassen, maar ik minder worden.” — Johannes 3:30 (STV)

Het christelijke leven draait niet om de vergroting van mijn geestelijke reputatie.

Het draait om Christus.

 

Wanneer het kruis centraal staat, verdwijnt de christelijke borstklopperij

Dat betekent niet dat wij niet dankbaar mogen zijn voor wat God doet.

Natuurlijk wel.

Maar dankbaarheid en roem in eigen resultaat zijn twee verschillende dingen.

Dankbaarheid zegt:

God heeft het gedaan.

Religieuze trots zegt:

kijk wat wij hebben bereikt.

Dankbaarheid wijst omhoog.

Trots wijst naar het podium.

Dankbaarheid maakt Christus groot.

Trots gebruikt Christus om de eigen bediening groter te maken.

Daarom blijft Galaten 6:14 een noodzakelijke correctie voor iedere generatie christenen.

 

Alleen het kruis blijft over

Aan het einde blijft er voor Paulus geen indrukwekkend christelijk cv over waarop hij zich voor God beroept.

Geen wet.

Geen besnijdenis.

Geen afkomst.

Geen reputatie.

Geen religieuze prestatie.

Geen aantallen.

Geen invloed.

Geen menselijke grootheid.

Alleen Christus.

En Christus gekruisigd.

 

Daarom is Galaten 6:14 geen lieflijk wandtekstje voor aan de muur. Het is een frontale aanval op de religieuze mens die ondanks al zijn spreken over genade tóch graag iets van zichzelf wil overhouden om in te roemen.

Het kruis neemt hem dat af.

En precies daarin ligt zijn bevrijding.

“Maar het zij verre van mij, dat ik zou roemen, anders dan in het kruis van onzen Heere Jezus Christus; door Welken de wereld mij gekruisigd is, en ik der wereld.” — Galaten 6:14 (STV)

Dát is christelijk roemen: niet groot worden voor Christus, maar Christus grootmaken. Niet wijzen op onze prestaties, maar op Zijn volbrachte werk. Niet leven voor het applaus van de wereld, maar vanuit het nieuwe leven dat alleen in Hem gevonden wordt.

Zie ook:

het kruis – Bijbelse basis

Succes is geen roeping: de Bijbel tegenover succesprediking

Waarom “je gemeente zal verdubbelen” geen Bijbelse maatstaf is

“Je gemeente zal verdubbelen”

Het klinkt geweldig.

Je gemeente zal groeien. Je bediening zal uitbreiden. Je invloed zal toenemen. Er komt doorbraak. Meer mensen. Meer bereik. Meer zichtbaarheid.…

Uitgesproken  in de gemeente door een geestdriftige spreker, welhaast met de ondertoon van een profetie, verwachtingsvol en goedkeurend ontvangen…..

En wie zou daar nou eigenlijk tegen kunnen zijn?

Dit is een van de manieren waarop succesprediking in de kerk zo gemakkelijk ingang vindt. Zij gebruikt christelijke woorden, spreekt over geloof en Gods zegen en presenteert groei als ultiem bewijs dat God hier aan het werk is.

Maar er is hier een jeukvraag die veel belangrijker is:

Waar leert de Schrift dan, dat zichtbare groei de maatstaf  zou zijn voor de roeping en trouw van het Lichaam van Christus?

Het antwoord is zowel eenvoudig als duidelijk:

nergens.

De apostel Paulus zegt niet dat een gemeente succesvol zou moeten zijn.

Hij zegt:

“Voorts wordt in de uitdelers vereist, dat elk getrouw bevonden worde.” — 1 Korinthe 4:2 (STV)

Daar staat Gods maatstaf.

Niet groot.

Niet invloedrijk.

Niet succesvol.

Getrouw.

En dat verschil is veel groter dan het oppervlakkig bekeken lijkt.

de kerk als bedrijf?
Geen succesprediking in de kerk

Groei is geen bewijs van Gods goedkeuring

Een van de gevaarlijkste redeneringen binnen het moderne christendom luidt ongeveer zo:

Het groeit, dus God zegent het.

Maar dat is geen Bijbelse redenering.

” Benaarstig u om uzelven Gode beproefd voor te stellen, een arbeider die niet beschaamd wordt, die het Woord der waarheid recht snijdt.
Maar stel u tegen het ongoddelijk ijdel roepen; want zij zullen in meerdere goddeloosheid toenemen;En hun woord zal voorteten gelijk de kanker; onder welke is Hymenéüs en Filétus2 Timotheus 2:15-17 (STV)

Een moskee kan groeien. Een sekte kan groeien. Een politieke beweging kan groeien. Een commerciële onderneming kan groeien. Een dwaalleer kan zich razendsnel verspreiden.

Waarom zou numerieke groei binnen een kerk ineens een bewijs van waarheid zijn?

Een gemeente kan in enkele jaren zomaar verdubbelen terwijl de prediking oppervlakkiger wordt.

Een andere gemeente kan kleiner worden omdat zij weigert haar boodschap aantrekkelijker te maken ten koste van de waarheid.

Welke van de twee is volgens God succesvoller?

Die vraag is al helemaal verkeerd gesteld.

De Bijbelse vraag is:

Welke is Bijbelgetrouw?

 

De Gemeente is geen onderneming

Hier raakt de succesprediking aan een dieper liggend probleem.

Veel hedendaagse kerkelijke taal lijkt opvallend veel op managementtaal:

visie, leiderschap, strategie, impact, groei, bereik, doelgroep, cultuurverandering, invloed.

Natuurlijk zijn niet al die woorden op zichzelf verkeerd. Een gemeente moet ook praktische zaken organiseren.

Maar ongemerkt kan de gemeente daardoor als een onderneming worden beschouwd.

De voorganger wordt een visionair leider.

De gemeente wordt een organisatie.

De samenkomst wordt een product.

De bezoekers worden de doelgroep.

En groei wordt de KPI van Gods zegen.

Maar Paulus noemt de Gemeente geen onderneming.

Hij noemt deze het Lichaam van Christus.

“En Hij is het Hoofd des lichaams, namelijk der Gemeente, Hij, Die het Begin is, de Eerstgeborene uit de doden, opdat Hij in allen de Eerste zou zijn.” — Kolossenzen 1:18 (STV)

Dat zet alles in een ander daglicht:

Het doel van het Lichaam is niet zichzelf groot te maken.

Het Hoofd moet de eerste plaats hebben.

Daarom hoort de belangrijkste vraag van een gemeente nooit te zijn:

Hoe krijgen wij meer mensen binnen?

Maar:

Krijgt Christus hier de eerste plaats en wordt Zijn Woord recht gesneden?

 

Het Lichaam van Christus heeft een hemelse roeping

Het verlangen naar zichtbaar succes hangt dikwijls samen met een ander misverstand: de gedachte dat de Gemeente geroepen zou zijn om Gods Koninkrijk hier en nu, steeds zichtbaarder, op aarde te vestigen.

Dan ontstaan grote woorden en plannen.

We moeten steden transformeren.

De cultuur veranderen.

Invloedssferen innemen.

Het Koninkrijk zichtbaar maken.

Maatschappelijke posities veroveren.

De wereld laten zien wat de Kerk kan betekenen.

Maar Paulus wijst het Lichaam van Christus omhoog in plaats van horizontaal;:

“Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zo zoekt de dingen die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechterhand Gods.” — Kolossenzen 3:1 (STV)

En vervolgens:

“Bedenkt de dingen die boven zijn, niet die op de aarde zijn.” — Kolossenzen 3:2 (STV)

Waarom?

“Want gij zijt gestorven, en uw leven is met Christus verborgen in God.” — Kolossenzen 3:3 (STV)

Dat woord verborgen verdient aandacht.

De huidige positie van het Lichaam van Christus wordt juist niet gekenmerkt door een triomfantelijke zichtbare heerschappij over deze wereld.

Christus Zelf wordt door deze wereld niet erkend.

En de Gemeente is met Hem verbonden.

 

Wij zijn nu al gezet in de hemel

Paulus gaat nog verder:

“En heeft ons mede opgewekt, en heeft ons mede gezet in den hemel in Christus Jezus;” — Efeze 2:6 (STV)

Er staat niet dat dat toekomst is, als wij goed ons best blijven doen en de juiste marktstrategie volgen.

De positie van de gelovige is helemaal niet gericht op het verwerven van een zichtbare machtspositie op aarde.

Zijn burgerschap en positie zijn in de hemel, verbonden met de opgewekte Christus.

Dat betekent niet dat een christen maatschappelijk passief moet zijn. Het betekent evenmin dat evangelisatie onbelangrijk zou zijn.

Het betekent iets anders:

aardse invloed is niet de identiteit en evenmin de roeping van het Lichaam van Christus.

Dat onderscheid verdwijnt gemakkelijk wanneer christelijk succes wordt afgemeten aan gebouwen, bezoekersaantallen, online bereik en plaatselijke invloed.

 

Er komt zichtbaarheid, maar niet door onze marketing

De Schrift spreekt wel degelijk over een moment waarop Christus en Zijn heerlijkheid openbaar zullen worden.

Paulus schrijft:

“Wanneer nu Christus zal geopenbaard zijn, Die ons Leven is, dan zult ook gij met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid.” — Kolossenzen 3:4 (STV)

Let op die volgorde.

Nu: verborgen met Christus.

Straks: met Christus geopenbaard.

Dat is de essentie.

De Gemeente hoeft niet door menselijke strategie alvast zichtbaar te realiseren wat God op Zijn tijd in Christus openbaar zal maken.

Onze opdracht is niet Christus populair te maken.

Onze opdracht is Hem trouw bekend te maken.

 

Paulus zou volgens moderne succesformules een probleemgeval zijn

Wanneer succes werkelijk de maatstaf van een bediening is, moeten we consequent zijn.

Dan moeten we ook Paulus langs die meetlat leggen.

En dan wordt het ongemakkelijk.

Aan het einde van zijn bediening schrijft hij:

“Gij weet dit, dat allen die in Azië zijn, zich van mij afgewend hebben;” — 2 Timotheüs 1:15 (STV)

Dat klinkt niet echt als gemeentegroei.

Later schrijft hij:

“zij hebben mij allen verlaten; het worde hun niet toegerekend.” — 2 Timotheüs 4:16 (STV)

Stel je voor dat dit het jaarverslag van een moderne bediening was.

Mensen afgehaakt.

Medewerkers verdwenen.

Leider gevangen.

Weinig maatschappelijke invloed.

Geen indrukwekkend gebouw.

Geen succesverhaal.

Op het oog een fiasco.

Volgens sommige hedendaagse maatstaven zou er onmiddellijk een consultant moeten worden ingevlogen.

Paulus beoordeelt zijn bediening echter heel anders:

“Ik heb den goeden strijd gestreden, ik heb den loop geëindigd, ik heb het geloof behouden.” — 2 Timotheüs 4:7 (STV)

Het geloof behouden.

Dáár ligt de maatstaf.

 

De Bijbel voorspelt zelfs dat gezonde leer aantallen kan kosten

Dit maakt het nog schrijnender.

Paulus vertelt Timotheüs niet dat trouwe prediking uiteindelijk gegarandeerd grote aantallen mensen zal trekken.

Hij zegt:

“Predik het Woord; houd aan tijdiglijk, ontijdiglijk; wederleg, bestraf, vermaan in alle lankmoedigheid en leer.” — 2 Timotheüs 4:2 (STV)

Waarom is dat nodig?

Omdat er juist weerstand tegen gezonde leer komt:

“Want er zal een tijd zijn, wanneer zij de gezonde leer niet zullen verdragen; maar kittelachtig zijnde van gehoor, zullen zij zichzelven leraars opgaderen, naar hun eigen begeerlijkheden;” — 2 Timotheüs 4:3 (STV)

Lees dat nog maar eens naast de voorbarig uitgesproken belofte:

Je gemeente zal verdubbelen.

De Schrift waarschuwt dat mensen de gezonde leer niet zullen verdragen.

Dat betekent dat trouw aan het Woord juist bezoekers kan kosten.

En dan?

Moeten we de boodschap dan gaan aanpassen totdat er weer groei komt?

Paulus zegt het tegenovergestelde:

Predik het Woord.

 

Het Evangelie is geen groeistrategie

Daar ligt misschien wel het grootste gevaar van succesprediking.

Het Evangelie kan langzaam veranderen van een boodschap die verkondigd moet worden in een middel waarmee iets bereikt moet worden.

Meer bezoekers.

Meer invloed.

Een grotere kerk.

Een sterkere beweging.

Een betere samenleving.

Maar het Evangelie der genade Gods is geen marketinginstrument.

Paulus zegt:

“Maar ik acht op geen ding, noch houd mijn leven dierbaar voor mijzelven, opdat ik mijn loop met blijdschap mag volbrengen, en den dienst, welken ik van den Heere Jezus ontvangen heb, om te betuigen het Evangelie der genade Gods.” — Handelingen 20:24 (STV)

Opnieuw ontbreekt hier de succesformule.

Paulus wil zijn loop volbrengen.

Hij wil getuigen.

Het resultaat daarvan ligt bij God.

 

Paulus predikte Christus, niet menselijke potentie

De succesboodschap richt de aandacht gemakkelijk op de mens:

jouw bestemming.

jouw doorbraak.

jouw invloed.

jouw succes.

jouw potentieel.

jouw droom.

Paulus’ boodschap heeft een ander middelpunt.

“Want ik heb niet voorgenomen iets te weten onder u, dan Jezus Christus, en Dien gekruisigd.” — 1 Korinthe 2:2 (STV)

Het kruis is bepaald geen symbool van menselijke zelfverwezenlijking.

Het kruis betekent juist het einde van menselijke aanspraken.

En daarom schrijft Paulus:

“Maar het zij verre van mij, dat ik9 zou roemen, anders dan in het kruis van onzen Heere Jezus Christus; door Welken de wereld mij gekruisigd is, en ik der wereld.” — Galaten 6:14 (STV)

Dat schuurt behoorlijk met een evangelie waarin Christus uiteindelijk degene wordt Die jouw dromen, ambities en succes mogelijk moet maken.

Het Evangelie draait niet om de verheffing van de mens, maar om de heerlijkheid van Christus.

 

Vruchtbaarheid is niet hetzelfde als zichtbaarheid

Hier moeten we zorgvuldig blijven.

De Bijbel is niet tegen vruchtbaarheid.

Ook niet tegen gemeentegroei.

Wanneer mensen door het Evangelie tot geloof komen, is dat reden tot grote blijdschap.

Het probleem is dus niet groei.

Het probleem is groei als bewijsmateriaal van Gods goedkeuring en als doel van de bediening.

Dat zijn twee totaal verschillende dingen.

Paulus schrijft:

“Ik heb geplant, Apollos heeft nat gemaakt; maar God heeft den wasdom gegeven.” — 1 Korinthe 3:6 (STV)

Dat is bevrijdend.

De dienaar plant.

Een ander begiet.

God geeft de wasdom.

Zodra wij verantwoordelijk worden gemaakt voor de gegarandeerde uitkomst — jouw gemeente zal verdubbelen — verschuift iets wat aan God behoort naar de mens.

 

De kleine gemeente hoeft zich niet te schamen

Dit is ook pastoraal belangrijk.

Wat doet succesprediking met de voorganger die al twintig jaar trouw het Woord verkondigt aan veertig mensen?

Wat doet zij met een gemeente die kleiner wordt?

Wat doet zij met zendelingen die jarenlang arbeiden en nauwelijks resultaat zien?

Wat doet de boodschap „God wil groei, invloed en vermenigvuldiging” met hen?

Zij kan een vals schuldgevoel produceren:

Wat doen wij verkeerd?

Misschien wel helemaal niets.

Misschien weigert die voorganger gewoon zijn boodschap af te zwakken.

Misschien is hij niet hip genoeg voor Instagram.

Misschien organiseert hij geen spectaculaire diensten.

Misschien belooft hij mensen geen doorbraak.

Misschien predikt hij wel gewoon het Woord.

Dan kan een kleine gemeente in Gods ogen gezonder zijn dan een megakerk.

Want God telt niet zoals wij tellen.

 

Het probleem is uiteindelijk het vlees

De Schrift zegt niet:

Ontdek hoe groot jij kunt worden.

De Schrift brengt ons bij Christus.

 

“Je gemeente zal verdubbelen” kan een gevaarlijke belofte zijn

Niet omdat verdubbeling an sich onmogelijk of verkeerd zou zijn.

Een gemeente kan verdubbelen.

Zij kan vertienvoudigen.

God kan een bediening een enorm bereik geven.

Maar niemand heeft daarom het recht daarvan een algemene geestelijke belofte te maken.

En al helemaal niet om succes vervolgens als bewijs van zalving, geloof of gehoorzaamheid te presenteren.

Want dan volgt onvermijdelijk de andere kant:

Als jouw gemeente niet verdubbelt, heb je dan te weinig geloof?

Heb je Gods visie gemist?

Ben je niet gezalfd genoeg?

Heb je onvoldoende groot gedacht?

Daar begint geestelijke manipulatie.

Een menselijke succesnorm wordt dan voorzien van Gods handtekening.

 

Misschien moet een gemeente wel helemaal niet verdubbelen

Misschien moet zij eerst leren.

Misschien moet zij dwaling opruimen.

Misschien moet zij Christus weer centraal stellen.

Misschien moeten gelovigen leren wie zij in Christus zijn.

Misschien moet de prediking dieper in plaats van aantrekkelijker.

Misschien moeten er niet meer stoelen worden neergezet, maar meer Bijbels worden opengeslagen.

Misschien moeten wij minder bezig zijn met hoeveel mensen er binnenkomen en meer met wat hun geleerd wordt wanneer zij binnen zijn.

Dat is minder spectaculair.

Maar het zou weleens veel Bijbelser kunnen zijn.

 

Succes is geen roeping, trouw wel

De vraag waarmee wij begonnen kunnen we daarom beantwoorden.

Waarom is het streven naar zichtbaar succes en invloed niet de roeping van het Lichaam van Christus?

Omdat het Lichaam reeds in Christus een hemelse positie heeft.

Omdat Christus het Hoofd is.

Omdat het leven van de Gemeente nu met Christus verborgen is in God.

Omdat de Gemeente niet geroepen is zichzelf te verheerlijken maar Christus bekend te maken.

Omdat groei door God wordt gegeven en niet door mensen kan worden gegarandeerd.

Omdat Paulus trouw, gezonde leer en het bewaren van het geloof als maatstaven geeft.

En omdat het uiteindelijke oordeel over onze dienst niet wordt uitgesproken door bezoekersaantallen, algoritmen, conferenties of kerkelijke jaarverslagen.

Daarom mag de tegenstelling scherp worden neergezet:

Succesprediking vraagt:

hoeveel groter ben je geworden?

De Schrift vraagt:

ben je trouw gebleven?

Een volle zaal kan indrukwekkend zijn.

Een verdubbelde gemeente kan prachtig zijn.

Een groot bereik kan nuttig zijn.

Maar geen van deze dingen bewijst dat God Zijn goedkeuring eraan heeft gegeven.

De dienaar van Christus heeft een veel eenvoudiger en tegelijk veel zwaardere opdracht:

Predik het Woord. Bewaar het geloof. Maak Christus groot. Blijf getrouw.

En laat de wasdom aan God.

lees ook:

De gemeente van Jezus Christus is geen bedrijf maar een levend lichaam – Bijbelse basis

Geverifieerd door MonsterInsights