Hebt u de Heilige Geest ontvangen toen u tot geloof kwam?

Wat Handelingen 19 echt zegt; waarschuwing tegen geestelijke verwarring

Er zijn van die Bijbelteksten die telkens opnieuw uit de kast worden gehaald zodra men een bepaalde geestelijke ervaring wil verdedigen. Handelingen 19 is zo’n gedeelte. Paulus ontmoet in Éfeze enkele discipelen en stelt hun de vraag:

“Zeide hij tot hen: Hebt gij den Heiligen Geest ontvangen, als gij geloofd hebt? En zij zeiden tot hem: Wij hebben zelfs niet gehoord, of er een Heiligen Geest is.” Handelingen 19:2 (STV)

Voor bepaalde mensen  is daarmee de zaak beslist. Zie je wel, zegt men dan, je kunt dus geloven en tóch de Heilige Geest nog niet ontvangen hebben. Eerst kom je tot geloof, later moet er nog iets bij komen: een aparte ervaring, een tweede zegen, een geestesdoop, een doorbraak, een aanraking, een impartatie, een krachtmoment.

Maar is dat wat Handelingen 19 leert?

Of wordt hier een overgangssituatie in de heilsgeschiedenis gebruikt als gietmal voor een hedendaagse ervaringsleer?

Dat is geen onbelangrijke vraag. Het raakt de zekerheid van de gelovige, het verstaan van het werk van Christus en de vraag of wij rusten in wat God in Christus gegeven heeft, of blijven jagen naar iets waarvan de Schrift gewoon zegt dat het ons al geschonken is.

wat-Handelingen19 echt zegt
Wat-Handelingen-19 echt zegt.

De vraag van Paulus was geen charismatische ‘altar call’

Paulus vraagt niet aan willekeurige religieuze zoekers of zij een bijzondere ervaring hadden gehad. Hij ontmoet discipelen. Mensen die in zekere zin volgelingen waren, maar kennelijk met een (ernstig) gebrek aan onderwijs.

Zij kenden de doop van Johannes. Zij stonden dus in de lijn van verwachting, bekering en uitzien naar de Komende. Maar zij hadden niet helemaal begrepen wat er inmiddels gebeurd was: Christus was gekomen, gestorven, opgestaan en verheerlijkt. De belofte van de Geest moest in dat licht worden verstaan.

Hun probleem was niet dat Christus (werk) onvolledig was. Hun probleem was dat hun kennis onvolledig was.

Dat is nogal een verschil.

Paulus behandelt hen daarom niet als mensen die nog een trapje hoger op een geestelijke ladder moeten. Hij onderwijst hen. Hij brengt ze bij Christus. Hij laat zien dat Johannes vooruitwees naar Hem Die na hem kwam.

“Maar Paulus zeide: Johannes heeft wel gedoopt den doop der bekering, zeggende tot het volk, dat zij geloven zouden in Dengene, Die na hem kwam, dat is, in Christus Jezus.” Handelingen 19:4 (STV)

De kern is dus niet: zoek een tweede ervaring.

De kern is: zie op Christus, de Gekruisigde en Opgestane, in Wie de belofte vervuld is.

 

De Heilige Geest is geen los verkrijgbare powerbank

Een groot probleem in veel moderne prediking is dat de Heilige Geest wordt losgemaakt van Christus. Dan wordt de Geest vooral verbonden met kracht, gevoel, manifestatie, profetie, tongentaal, genezing, aanbiddingshoogtepunten en bijzondere ervaringen.

Maar de Schrift verbindt de Heilige Geest veel dieper met Christus Zelf.

De Heilige Geest is de Geest van God, maar Hij wordt in het Nieuwe Testament nadrukkelijk openbaar in verbinding met de opgestane Christus.

Hij is de Geest der waarheid, de Trooster, de Geest van het leven, de Geest waardoor de gelovige deel krijgt aan Christus’ opstandingsleven.

Dat maakt een levensgroot verschil.

Want dan is de Heilige Geest niet een extra toevoeging bovenop Christus.

Hij is niet een aparte geestelijke accessoire voor wie na zijn bekering op een hoger geestelijk niveau komt. Hij is niet de beloning voor de vurigen, de gevoeligen of de geestelijk ambitieuzeren.

De Heilige Geest is verbonden met het heil in Christus.

Wie door geloof in Christus is, is niet half gered, half levend, half verzegeld en half verbonden aan God. Hij is in Christus.

Paulus schrijft aan dezelfde Efeziërs later:

“In Welken ook gij zijt, nadat gij het woord der waarheid, namelijk het Evangelie uwer zaligheid gehoord hebt; in Welken gij ook, nadat gij geloofd hebt, zijt verzegeld geworden met den Heiligen Geest der belofte;” Efeze 1:13 (STV)

Let op de volgorde.

Het woord der waarheid wordt gehoord.

Het Evangelie der zaligheid wordt geloofd.

En de gelovige wordt verzegeld met de Heilige Geest der belofte.

Dat is geen wankel, zweverig ongrijpbaar iets.

Dat is Gods zegel.

 

“Nadat gij geloofd hebt” betekent niet: op een later tijdstip

Sommigen lezen Efeze 1:13 alsof daar ruimte zit voor een latere, aparte fase: eerst geloof, daarna misschien ooit de Geest.

“Nadat u geloofd hebt” betekent niet: nadat u een tijd als gelovige als kip zonder kop zonder Geest hebt rondgelopen. Het betekent: toen u tot geloof gekomen bent. Nadat het geloof begonnen is, volgt de verzegeling.

Niet als los tweede stadium, maar als onderdeel van Gods heilswerk in Christus.

Dát is de bemoediging.

De gelovige hoeft niet in onzekerheid te leven. Hij hoeft niet te denken:

Ben ik wel ver genoeg? Heb ik wel genoeg ervaren? Is mijn geloof wel aangevuld met de juiste kracht? Heb ik wel de echte Geestesdoop gehad?

NEE. De Bijbel wijst hem niet naar zichzelf, maar naar Christus.

Wie gelooft, kijkt niet naar binnen om zekerheid te vinden in de intensiteit van zijn ervaring. Hij kijkt naar Christus en naar het Woord van God.

 

Johannes 20 is belangrijker dan vaak wordt erkend

Een sleuteltekst in dit vraagstuk is Johannes 20. Op de dag van Zijn opstanding verschijnt de Heere Jezus aan Zijn discipelen. Niet met een vaag symbool, maar met een zeer betekenisvolle daad:

“En als Hij dit gezegd had, blies Hij op hen, en zeide tot hen: Ontvang de Heilige Geest.” Johannes 20:22 (STV)

Dit gebeurt niet op de Pinksterdag, maar op de dag van de opstanding.

Dat is van groot belang.

Christus blaast op hen. Adem, wind en geest liggen in de Bijbelse taal dicht bij elkaar. De opgestane Christus deelt Zijn leven mee. Het gaat om opstandingsleven. Om leven uit de dood. Om nieuwe schepping.

Zoals God bij Adam de levensadem inblies, zo blaast Christus hier op Zijn discipelen. Maar nu gaat het niet om natuurlijk leven uit de eerste schepping. Het gaat om leven uit de opstanding, leven verbonden met de tweede Mens, de laatste Adam.

De Heilige Geest is hier niet een sfeer, niet een emotie, niet een religieuze tinteling, maar het leven van de opgestane Christus.

 

Pinksteren is geen correctie op Pasen

Veel christenen denken onbewust alsof Pasen en Pinksteren twee losse geestelijke hoofdstukken zijn. Pasen is dan vergeving en opstanding. Pinksteren is kracht, ervaring en manifestatie. En vervolgens wordt er soms gedaan alsof Pasen niet genoeg is zonder een soort persoonlijk pinksterwonder.

Maar Pinksteren hóórt bij Pasen.

Pinksteren is de openlijke manifestatie van wat in Christus’ opstanding tot stand is gebracht. De opgestane Christus is de bron. De Geest wordt niet los van Hem uitgedeeld. Pinksteren is geen reparatie van een tekort in Pasen. Pinksteren is de publieke, krachtige openbaring van het opstandingsleven van Christus.

Daarom staat er in Handelingen 2:

“En zij werden allen vervuld met den Heiligen Geest, en begonnen te spreken met andere talen, zoals de Geest hun gaf uit te spreken.” Handelingen 2:4 (STV)

Let op het woord “vervuld”.

Vervuld worden met de Heilige Geest is niet hetzelfde als voor het eerst de Heilige Geest ontvangen. Vervulling wijst op de werking, doorwerking, openbaring en beheersing door de Geest. Ontvangen wijst op het bezit van de Geest als gave van God.

Wie dat onderscheid kwijtraakt, raakt al snel verstrikt in verwarring.

 

Ontvangen en vervuld worden zijn niet hetzelfde

Hier ligt een belangrijk Bijbels onderscheid.

De gelovige ontvangt de Heilige Geest bij het geloof in Christus. Hij wordt verzegeld. Hij krijgt deel aan Christus’ leven. Hij is wedergeboren. Hij is van Christus.

Maar de gelovige kan wel meer of minder vervuld zijn met de Geest. Hij kan wandelen door de Geest of het vlees ruimte geven. Hij kan geleid worden in de waarheid of onwetend blijven. Hij kan geestelijk groeien of kind blijven. Hij kan de Geest bedroeven. Hij kan de werking van de Geest in zijn leven weerstaan in de praktijk.

Dat is dus heel iets anders dan zeggen dat een gelovige de Heilige Geest nog niet heeft.

De vraag moet niet zijn: heb ik als gelovige de Heilige Geest wel ontvangen?

De vraag is: leef ik uit wat God mij in Christus gegeven heeft?

Dat is scherper. En eerlijker.

 

De gelovigen in Efeze hadden vooral onderwijs nodig

De mannen in Handelingen 19 wisten niet wat “Heilige Geest” inhield. Zij kenden de prediking van Johannes, maar misten zicht op de vervulling in Christus. Hun gebrek was geen bewijs voor een normale christelijke toestand zonder Heilige Geest. Het was een overgangssituatie.

Met name Handelingen staat vol van zulke overgangssituaties. Het boek beschrijft hoe het Evangelie van Jeruzalem naar Judea, Samaria en de einden der aarde gaat. Joden, Samaritanen, heidenen en discipelen van Johannes worden in de voortgang van Gods werk zichtbaar verbonden aan Christus.

Daarom moet je Handelingen aandachtig en met onderscheid  lezen. Niet alles wat beschreven wordt, is automatisch voorgeschreven als vaste regeling van orde voor de Gemeente vandaag.

Wie van elke bijzondere gebeurtenis in Handelingen een standaardmodel maakt, bouwt zijn leer op overgangsmomenten. Dat is gevaarlijk. Dan ga je van uitzonderingen een dichtgemetseld systeem maken.

En dat is wat ik vaak zie gebeuren.

 

Tongentaal en profetie waren tekenen, geen maatstaf voor elke gelovige

In Handelingen 19 gebeurt er iets zichtbaars:

“En als Paulus hun de handen opgelegd had, kwam de Heilige Geest op hen; en zij spraken met vreemde talen, en profeteerden.” Handelingen 19:6 (STV)

Dat wordt nogal eens gebruikt als pressiemiddel.

Men zegt dan: zie je wel, als de Geest komt, moet er iets zichtbaar gebeuren. Er moet tongentaal zijn. Er moet profetie zijn. Er moet een waarneembaar bewijs zijn.

Maar dat is een onzorgvuldige en nogal voorbarige conclusie.

In Handelingen 19 gaat het om een bijzondere bevestiging in een bijzondere situatie. Deze mannen stonden nog in de lijn van Johannes’ doop en moesten zichtbaar worden ingevoegd in de werkelijkheid van Christus’ volbrachte werk. De tekenen bevestigen dat zij niet buiten de vervulling staan.

Maar nergens leert de Schrift dat iedere gelovige tongentaal moet spreken als bewijs dat hij de Heilige Geest heeft.

Dat zou bovendien strijdig zijn met Paulus’ eigen onderwijs in 1 Korinthe 12, waar hij juist duidelijk maakt dat niet allen dezelfde gave hebben. De Geest deelt uit naar Zijn wil. De Geest is geen machine die bij iedereen hetzelfde verschijnsel produceert.

Wie tongentaal of zichtbare manifestaties tot bewijs van het hebben ontvangen van de Heilige Geest maakt, verschuift en vermagert de zekerheid in Christus naar ervaring. En dat is bepaald geen verdieping. Dat is verlies.

 

Bidden om de Heilige Geest alsof Hij nog niet gegeven is

In sommige kringen wordt gelovigen geleerd om te bidden om de Heilige Geest alsof zij Hem nog niet ontvangen hebben. Dat klinkt vroom. Het klinkt afhankelijk. Het kan ook diep verwarrend zijn.

Want als een gelovige in Christus is, verzegeld met de Heilige Geest der belofte, dan is het niet Bijbels om hem te leren bidden alsof God Zijn Geest nog moet geven.

Natuurlijk mag een gelovige bidden om vervulling, leiding, kracht, wijsheid, vrijmoedigheid, vrucht, groei en gehoorzaamheid. Natuurlijk is hij afhankelijk van de Geest. Natuurlijk kan hij zonder de werking van de Geest niets geestelijks voortbrengen.

Maar dat is iets anders dan bidden alsof hij de Geest nog niet bezit.

Het eerste is Bijbels.

Het tweede maakt onzeker.

 

De Geest leidt in de hele waarheid, niet in onzekerheid

De Heere Jezus noemt de Heilige Geest “de Geest der waarheid”. Dat is veelzeggend. De Geest is niet de Geest van verwarring, groepsdruk, religieuze opwinding, twijfel of onzekerheid

Hij leidt in de hele waarheid.

Dat betekent: Hij verheerlijkt Christus. Hij opent het Woord. Hij leert de gelovige verstaan wat hem in Christus geschonken is. Hij richt het geloof niet op zichzelf, maar op de Heere.

Daarom is gedegen onderwijs ook zo belangrijk. Paulus lost de situatie in Éfeze niet op met sfeer, muziek, emotionaliteit of massale druk. Hij legt uit. Hij wijst op Christus. Hij brengt orde in hun begrip.

Dat is vandaag de dag ook hard nodig.

Veel gelovigen zijn geestelijk onrustig, niet omdat zij te weinig ervaring hebben, maar omdat zij te weinig Bijbels onderwijs hebben ontvangen. Zij zoeken iets wat God allang in Christus gegeven heeft.

Zij wachten op een doorbraak, terwijl zij moeten leren staan in hun positie.

 

De gelovige is met Christus verbonden

De Heilige Geest ontvangen betekent dat de gelovige verbonden is met Christus. Niet oppervlakkig. Niet symbolisch alleen. Werkelijk.

Paulus zegt:

“En heeft ons mede opgewekt, en heeft ons mede gezet in den hemel in Christus Jezus;” Efeze 2:6 (STV)

En in Kolossenzen:

“Want gij zijt gestorven, en uw leven is met Christus verborgen in God.” Kolossenzen 3:3 (STV)

Dat is ontzagwekkend rijk.

De gelovige leeft niet vanuit een leegte die eerst nog gevuld moet worden door een latere extra geestelijke ervaring. Hij leeft vanuit de volheid die hij moet leren kennen, geloven en praktisch uitleven.

Hij is gestorven met Christus.

Hij is opgewekt met Christus.

Zijn leven is verborgen met Christus in God.

Hij is verzegeld met de Heilige Geest.

 

Dat is geen armoedig christendom.

Dat is geen droge leer.

Dat is de vaste grond onder het geloof.

 

De moderne ervaringsdrang maakt gelovigen arm

Hier mag het scherp gezegd worden.

Een prediking die gelovigen voortdurend vertelt dat zij méér moeten ontvangen om eindelijk echt geestelijk te zijn, kan vroom klinken, maar zij berooft hen vaak van de rijkdom die zij in Christus al hebben ontvangen.

Dan wordt Christus het begin, maar ervaring de voltooiing.

Dan wordt geloof de deur, maar manifestatie de uitwerking.

Dan wordt het Woord de aanzet, maar gevoel de bevestiging.

Dat is een gevaarlijke vervanging.

De Bijbel leert niet dat de gelovige zijn zekerheid moet zoeken in de vraag of er genoeg kracht, tinteling, tongentaal, profetie, emotie of vuur in zijn leven zichtbaar is. De Bijbel leert dat de gelovige moet rusten in Christus en wandelen door de Geest.

Dat is niet minder geestelijk. Dat is juist geestelijk.

 

Niet jagen naar een tweede zegen, maar leren wandelen in de gegeven zegen

De gelovige heeft geen tweede fundament nodig. Hij heeft onderwijs nodig in het Ene fundament.

Hij hoeft niet naar een tweede Christus, een tweede evangelie of een tweede inwijding. Hij moet leren begrijpen wat het betekent dat Christus gestorven, opgestaan en verheerlijkt is.

De Geest is gegeven om Christus te verheerlijken, niet om de aandacht van Christus af te trekken naar de ervaring van de gelovige.

Daarom is het zo belangrijk om het verschil te zien tussen:

bezit van de Geest

vervulling met de Geest

werking van de Geest

vrucht van de Geest

gaven van de Geest

leiding door de Geest

Wie dat allemaal op één hoop gooit, krijgt verwarring. En verwarring is geen vrucht van de Geest.

 

Wat Handelingen 19 ons laat zien

Handelingen 19 leert niet dat iedere gelovige na zijn bekering nog een aparte geestesdoop moet zoeken of ervaren.

Het leert dat er mensen kunnen zijn die wel onderwijs hebben ontvangen, maar nog niet helder zien wat God in Christus heeft gedaan.

Het leert dat onvolledig onderwijs moet worden aangevuld met prediking van Christus en Zijn werk.

Het leert dat Johannes niet het eindpunt was, maar de wegwijzer naar Christus.

Het leert dat de Heilige Geest verbonden is met de opgestane Heer.

Het leert dat bijzondere tekenen in Handelingen een bevestigende functie hadden in een overgangstijd.

Het leert dat de Geest de gelovige brengt tot waarheid, vrijmoedigheid en kennis van wat God geschonken heeft.

En het leert vooral dat de gelovige niet moet leven uit geestelijke onzekerheid, maar uit de vaste werkelijkheid van Christus’ volbrachte werk.

 

Dé vraag

De vraag is dus niet of een gelovige nog moet wachten op iets waardoor Christus eindelijk compleet wordt.

Christus is compleet.

Zijn werk is compleet.

Zijn opstanding is werkelijk.

Zijn Geest is gegeven.

De echte vraag is: kent de gelovige zijn rijkdom in Christus?

Weet hij wat hem geschonken is?

Wandelt hij door de Geest?

Laat hij zich leiden door het Woord?

Rust hij in Christus, of jaagt hij achter ervaringen aan die hem telkens weer onzeker maken?

Dat is de boodschap van Handelingen 19.

 

Rust in Christus, wandel door de Geest

“Hebt u de Heilige Geest ontvangen?” is geen slogan om gelovigen de onzekerheid in te jagen. Het is een vraag die ons terugbrengt naar de kern: weten wij wat God in Christus gegeven heeft?

De Heilige Geest is geen los verkrijgbaar geestelijk vuurwerk. Hij is de Geest van de waarheid. De Geest van Christus. De Geest van het opstandingsleven. De Geest waardoor de gelovige verzegeld is, onderwezen wordt, geleid wordt en leert wandelen in de werkelijkheid van Christus.

Wie gelooft in de Heere Jezus Christus, hoeft niet te leven als een geestelijke bedelaar die voor de deur blijft staan wachten op iets dat God nog zou moeten geven. Hij mag leren staan in wat God reeds gegeven heeft.

Niet opschepperig. Niet zelfverzekerd in het vlees. Niet hoogmoedig.

Maar vast, nuchter, dankbaar en Bijbelvast.

Want de rijkdom van de gelovige ligt niet in zijn ervaring.

Zijn leven is met Christus verborgen in God.

 

Handelingen 19 wordt vaak gebruikt om te leren dat gelovigen na hun bekering nog apart de Heilige Geest moeten ontvangen. Maar het gedeelte laat vooral zien dat de discipelen in Éfeze onvolledig onderwijs hadden ontvangen. Paulus wijst hen op Christus, naar Wie Johannes de Doper vooruitwees. De Heilige Geest is verbonden met de opgestane Christus en met het nieuwe leven dat de gelovige in Hem ontvangt. Wie gelooft, is verzegeld met de Heilige Geest der belofte. Vervuld worden met de Geest is belangrijk, maar dat moet niet worden verward met het fundamenteel ontvangen van de Geest bij het geloof.

 

Hebt u de Heilige Geest ontvangen?

Die vraag uit Handelingen 19 wordt vaak gebruikt om gelovigen onzeker te maken. Alsof geloof in Christus nog niet genoeg is. Alsof er na bekering nog een aparte geestelijke inwijding nodig is om écht mee te tellen.

Maar Paulus wijst de discipelen in Efeze niet naar een ervaring.

Hij wijst hen naar Christus.

De Heilige Geest is geen los verkrijgbaar krachtpakket. Hij is de Geest van de opgestane Christus. Wie gelooft, wordt verzegeld met de Heilige Geest der belofte.

De vraag is dus niet: heb ik genoeg gevoeld?

De vraag is: weet ik wat God mij in Christus geschonken heeft?

Daar begint de echte rust.

Zie ook:

heilige geest – Bijbelse basis

pinksteren – Bijbelse basis

Extern:

Bijbelstudie lezingen: De Heilige Geest- Bijbels Panorama ..

 

 

Wat valt er af te dingen op pinkstertheologie?

De pinksterleer onder de loep

Wie zegt: “Ik ben een echte Pinksterman”, zegt meestal niet alleen iets over zijn achtergrond. Hij zegt iets over zijn geloofsleven. Hij voelt zich thuis in een traditie waarin de Heilige Geest met nadruk wordt verbonden aan kracht, ervaring, genezing, tongentaal, profetie, aanbidding, doorbraak en verwachting.

Dat kan oprecht zijn. Daar moeten we eerlijk in zijn. Er zijn pinkstergelovigen met liefde voor Christus, ernst in gebed en bewogenheid voor verloren mensen. Het zou oneerlijk zijn om dat weg te zetten alsof het allemaal toneel is.

Dat is het punt hier ook niet.

Maar juist omdat het vaak oprecht is, moeten we des te serieuzer kijken naar de leer erachter. Want oprechtheid maakt een gedachtengang nog niet Bijbels. Vuur is functioneel in de haard, maar verwoestend als het door het huis gaat. Zo is het ook met geestelijke ervaring. Zij kan een plaats hebben, maar zij mag nooit het fundament worden.

En daar vliegt pinkstertheologie regelmatig uit de bocht.

Waar de focus kantelt

De traditionele pinksterbeweging legt veel nadruk op de doop met de Heilige Geest, de gaven van de Geest, tongentaal, profetie, genezing en directe leiding van God. Op zich zijn dat geen onbelangrijke dingen. De Bijbel spreekt veel over de Heilige Geest. De Bijbel spreekt ook over gaven. De Bijbel noemt gebed om genezing. De Bijbel benadrukt Gods leiding.

De vraag is hier dus niet of deze woorden in de Bijbel voorkomen.

De vraag is: welke plaats krijgen ze?

Daar gaat het vaak mis in de pinksterpraktijk. Dan komt het recht snijden van Gods Woord op de helling te staan. Niet altijd openlijk. Niet altijd bewust. Maar wel degelijk. Het geloofsleven rust dan steeds minder in het volbrachte werk van Christus en steeds meer in wat de gelovige vandaag ervaart, ontvangt, merkt, voelt, uitspreekt of meemaakt.

Dan verandert de terminologie. En men bedoelt ook iets anders.

Niet alleen: Christus is gestorven en opgestaan.
Maar: heb jij de kracht al ervaren?

Niet alleen: je bent in Hem aangenomen.
Maar: heb jij de doop in de Geest al ontvangen?

Niet alleen: wandel door geloof.
Maar: heb jij er wel verwachting voor?

Niet alleen: toets alles aan de Bijbel.
Maar: sta jij wel open voor wat de Geest nú wil doen?

Dat klinkt misschien vroom. Maar het is niet onschuldig. En zeker niet zonder risico. Want zodra de ervaring het bewijs van geestelijkheid wordt, raakt de gelovige zijn rust kwijt. Dan is Christus niet langer genoeg als vaste grond. Dan moet er steeds weer iets aan toegevoegd worden. Een aanraking. Een doorbraak. Een woord. Een bevestiging. Een genezing. Een manifestatie.

En zo wordt “er is meer” het nieuwe evangelie.

De eigen ervaring als meetlat voor de gemeente

Daar komt nog iets bij. In pinkster- en charismatische kringen wordt de eigen ervaring gemakkelijk tot norm verheven. Iemand is wonderlijk genezen, heeft iets bijzonders meegemaakt, kreeg een sterke indruk, ervoer een doorbraak — en vervolgens wordt die persoonlijke ervaring ongemerkt tot blauwdruk voor anderen gebombardeerd.

Dat klinkt geestelijk, maar het is gevaarlijk.

Als God iemand werkelijk heeft genezen, mag daar zeker dankbaarheid voor zijn. Dat hoeft ook zeker niet verdacht gemaakt te worden. Maar uit een bijzondere genade in iemands persoonlijke leven mag je geen algemene regel destilleren voor het hele lichaam van Christus.

En daar zit het euvel. De redenering wordt dan:

God genas mij, dus Hij wil dit kennelijk ook zo voor anderen.
Ik heb bevrijding ervaren, dus anderen moeten deze weg ook gaan.
Ik kreeg een woord of indruk, dus zo spreekt God blijkbaar vandaag.
Ik heb doorbraak meegemaakt, dus wie geen doorbraak ervaart, mist geloof, verwachting of openheid.

Maar dat is géén gezonde Bijbelse redeneertrant.

Dat is ervaring die zich voordoet als leer

 

De Bijbel is de norm, niet mijn verhaal. Mijn ervaring mag getuigen, maar mag niet regeren. Mag bemoedigen, maar mag geen juk worden op de schouders van anderen.

Ondergeschikt aan het Woord.

Altijd.

Want zodra mijn wonder de meetlat wordt, zadel ik de ander met zijn niet-genezen lichaam, zijn blijvende strijd of zijn uitblijvende doorbraak op met een last. Dan is de vraag niet meer:

wat heeft God geopenbaard in Zijn Woord?

maar:

waarom gebeurt bij jou niet wat bij mij gebeurde?

En dáár wordt een getuigenis puur giftig.

Een persoonlijke genezing kan echt zijn. Een bijzondere ervaring kan zondermeer oprecht zijn. Maar geen enkele ervaring, hoe aangrijpend ook, kan ooit de plaats innemen van de Schrift.

God is soeverein. Hij geneest de één en geeft de ander Genade om te dragen. Hij bevrijdt soms onmiddellijk en vormt soms door een levenslange weg van zwakheid heen.

Wie zijn eigen ervaring tot norm maakt, maakt Gods vrijmacht kleiner en legt mensen lasten op die de Schrift hen nergens oplegt.

Kort gezegd:

een wonder mag tot dankbaarheid leiden, maar nooit tot systeemvorming.

De Schrift blijft in theorie leidend, maar raakt in de praktijk ondergeschikt

De meeste pinkstergelovigen zullen zeggen dat zij de Bijbel hoogachten. En dat geloof ik ook graag. De pijn zit hem vaak niet in de belijdenis, maar in de praktijk.

Officieel is de Schrift het hoogste gezag.

Praktisch komt daar een tweede laag overheen.

Een woord van de Heer.
Een profetische indruk.
Een beeld tijdens het gebed.
Een innerlijke stem.
Een “ik ervaar dat God zegt”.
Een bevestiging via omstandigheden.

En natuurlijk wordt er dan gezegd: “We moeten alles toetsen.” Maar in de praktijk is dat toetsen vaak boterzacht. Want wie durft nog rustig te zeggen: dit was niet van God, als iemand met tranen in de ogen vertelt dat de Heer het op zijn hart legde?

Daar begint de scheefgroei.

Niet omdat God niet kan leiden. Niet omdat de Heilige Geest niet werkt. Maar omdat menselijke indrukken het gezag toebedeeld krijgen dat zij niet mogen en horen te hebben.

De Schrift wordt uiteraard niet bruut van tafel geveegd. Dat zou te duidelijk zijn.

Zij wordt aangevuld.

En juist dat is bloedlink.

Want een Bijbel mét voortdurend aanvullende “woorden erbij” is in de praktijk geen gesloten en voldoende Woord meer. Dan heeft de gelovige niet genoeg aan wat geschreven staat. Dan heeft hij ook nog actuele signalen nodig om zeker te weten wat God precies wil.

Zo ontstaat een buitenbijbelse afhankelijkheid van ingevingen. En dat is iets anders dan afhankelijkheid van God.

De Geestdoop als tweede stap

Een belangrijk punt is de leer dat de gelovige na zijn bekering nog een aparte doop met de Heilige Geest zou horen te ondergaan. In veel pinksterkringen is dat bijna vanzelfsprekend. Eerst kom je tot geloof. Daarna moet je vervuld worden met kracht. En vaak hangt daar tongentaal, vrijmoedigheid, geestelijke intensiteit of een bijzondere ervaring aan vast.

Dat klinkt aansprekelijk. Wie wil er nu geen volheid? Wie wil er geen kracht? Wie wil er niet vuriger zijn?

Wie wil dat nou niet?

Maar de vraag is hier: wat doet dit met het Evangelie?

Het verdeelt gelovigen impliciet in twee groepen. Zij die “alleen” bekeerd zijn, en gelovigen die “meer” ontvangen hebben. Gewone christenen tegenover geestelijk toegeruste christenen. Mensen met Christus, en mensen met Christus plus kracht.

Dat is een gevaarlijke opsplitsing.

De Bijbel leert dat wie van Christus is, de Geest van Christus heeft. De gelovige is niet een halflege tempel in aanbouw die nog even moet worden aangesloten op de permanente stroomvoorziening. Natuurlijk zal een christen vervuld worden met de Geest. Natuurlijk zal hij wandelen door de Geest. Natuurlijk kan er groei, verdieping en vrijmoedigheid zijn.

Maar dat is iets anders dan een aparte status creëren waarbij sommige gelovigen kennelijk nog iets wezenlijks missen. De kers op de taart, zeg maar.

Zo’n leer brengt onrust en legt een vraag onder het geloofsleven:

heb ik het wel echt ontvangen?

En die vraag kan eindeloos blijven knagen.

Tongentaal als geestelijk keurmerk

Daar komt tongentaal bij. In de pinkstertraditie heeft tongentaal een uitzonderlijke plaats gekregen. Soms heel uitgesproken als bewijs van de Geestesdoop, soms wat voorzichtiger als teken van openheid, vrijheid of geestelijke verdieping.

Maar Paulus maakt er in 1 Korinthe geen keurmerk van. Integendeel. Hij begrenst, ordent en relativeert. Hij vraagt niet: “Spreken jullie allemaal in tongen? Dat zou wel moeten.” De strekking is daar juist dat niet allen dezelfde gave hebben.

Toch wordt tongentaal in de praktijk vaak meer dan een gave. Het wordt een prestatie. Wie het heeft, is ergens doorheen. Wie het niet heeft, mist blijkbaar iets. Misschien zegt men dat niet hardop, maar impliciet zegt men het wel.

En de sfeer is in zulke kringen regelmatig sterker dan de leer.

Mensen gaan meedoen. Klanken vormen. Verwachtingen invullen. Niet altijd uit bedrog, maar uit groepsdruk. Uit verlangen ergens bij te horen. Uit angst om de Geest tegen te staan. Uit het gevoel dat stilte minder geestelijk is dan kabaal.

Daar zit iets nogal wrangs in. Een gave die volgens de Bijbel tot opbouw moet dienen, wordt zo een meetlat voor de ziel.

Dat is geen vrijheid. Dat is prestatiedruk met een vroom smoelwerk.

Tongentaal als aangeleerde techniek

Een veelzeggend voorbeeld heb ik zelf horen verkondigen: de gedachte dat men tongentaal “thuis maar moet gaan oefenen”. Dat klinkt wellicht nogal onschuldig: probeer het maar, laat je remmingen los, oefen in overgave. Maar juist daarin wordt zichtbaar hoe krom de praktijk kan worden.

Want als de gave van tongentaal geoefend moet worden, wat is het dan nog?

Is het dan een gave van de Geest, of een aangeleerd religieus gedragspatroon? Is het spreken zoals de Geest gaf uit te spreken, of het produceren van klanken omdat de omgeving verwacht dat er iets moet komen? Wordt hier een geestelijke gave ontvangen, of wordt iemand langzaam een groepsdingetje aangeleerd?

In Handelingen 2 moesten de discipelen helemaal niet thuis oefenen met klanken. Zij spraken gewoon zoals de Geest hun gaf uit te spreken. Het initiatief lag ook daar bij God, niet bij een methode. Er was geen workshop tongentaal, geen trainingsschema, geen aansporing om de eerste lettergrepen maar gewoon uit te proberen.

De Geest gaf. En zij spraken.

Dat is dus iets radicaal anders dan mensen onder subtiele druk zetten om een ervaring te produceren.

Hier wordt de gave omgekat tot techniek. En zodra een gave techniek wordt, ligt imitatie op de loer. Dan kan iemand gaan denken: als ik maar begin, komt de rest vanzelf. Of: als ik het niet doe, sta ik de Geest tegen. Of: als anderen het kunnen en ik niet, zal er met mij wel iets mis zijn.

Dat is geen Bijbelse vrijheid. Dat is geestelijke conditionering.

Paulus spreekt in 1 Korinthe 12 over gaven die door de Geest worden uitgedeeld naar Zijn wil. Hij maakt er geen vaardigheid van die iedereen met wat oefening onder de knie kan krijgen. En in 1 Korinthe 14 wordt tongentaal bovendien begrensd door orde, verstaanbaarheid en opbouw van de gemeente. De richting is dus niet: oefenen tot iedereen het kan. De richting is: laat alles tot stichting geschieden.

Daarom is “ga thuis maar tongentaal oefenen” eigenlijk een zeer ontmaskerende zin. Deze laat zien dat men officieel over een gave spreekt, maar praktisch met een techniek werkt. Officieel zegt men: de Geest geeft. Praktisch zegt men: jij moet produceren.

En daar wordt de gelovige alweer belast. Niet met de eenvoudige oproep om te wandelen door geloof, maar met de druk om een religieuze uiting aan te leren die vervolgens als teken van geestelijke volheid wordt gezien.

Een gave die geoefend moet worden om echt te lijken, is hoogstwaarschijnlijk niet de gave waarover de Schrift spreekt.

Genezing en de last op de zieke

Nergens wordt het probleem schrijnender dan bij genezing.

Bidden om genezing is Bijbels. Laat dat helder zijn. God kan genezen. God geneest ook soms. De gemeente mag bidden. Zieken mogen bij de Heere worden gebracht. Daar hoeft geen enkele nuchtere christen bang voor te zijn.

Maar pinkstertheologie blijft eigenlijk nooit bij eenvoudig afhankelijk gebed. Er wordt vaak een laag overheen gelegd. Genezing wordt neergezet als iets wat altijd beschikbaar is, verwacht moet worden, opgeëist mag worden, ontvangen moet worden of in de verzoening besloten zou liggen.

En dan begint de ellende.

Want als genezing beschikbaar is en iemand geneest niet, waar ligt het dan toch aan?

Aan te weinig geloof?
Aan verborgen zonde?
Aan ongeloof in de omgeving?
Aan een vloek?
Aan een blokkade?
Aan het niet goed “ontvangen” van de genezing?
Aan een gebrek aan verwachting?

De zieke heeft dan niet alleen de ziekte te dragen, maar dient ook een uitputtend geestelijk onderzoek naar zijn tekort te ondergaan. Hij ligt al op de grond, en krijgt er nog een leerstellig gewicht bovenop.

Dat is hard. Soms zelfs zeer wreed.

De Bijbel leert lichamelijke genezing, maar tegelijkertijd ook blijvende zwakheid. De Bijbel kent wonderen, maar zeker ook tranen en teleurstelling. De Bijbel kent uitredding, maar ook lijden dat niet meteen wordt weggenomen. Paulus kende kracht, maar had ook een doorn in het vlees. Timotheüs kende geloof, maar had ook lichamelijke klachten. Trofimus werd door Paulus ziek achtergelaten.

Dat past erg slecht in een triomfantelijk genezingsdogma. Maar het past wel in de realiteit van een schepping die in barensnood is.

Het lichaam is gekocht door Christus. Feit. Maar het is nog niet verheerlijkt. Wij wachten nog op de verlossing van ons lichaam. Wie dat negeert, trekt de toekomst naar voren en maakt van het heden een podium voor teleurstelling en deceptie.

Profetie met overdrukventiel

Een ander zwak punt is de omgang met profetie. In charismatische taal klinkt al snel: “God liet mij zien”, “de Heer zegt”, “ik kreeg een woord”, “ik ervaar dat God dit spreekt”.

Dat klinkt indrukwekkend. Maar het roept een eenvoudige vraag op: als God het zegt, hoe feilbaar mag het dan zijn?

Bijbelse profetie draagt het gewicht en de lading van Gods spreken. Daar mag je nooit lichtvoetig mee omgaan. Als iemand vandaag zegt dat God iets zegt, moet hij niet achteraf wegduiken met het excuus: “Ja, het was natuurlijk ook deels menselijk gekleurd.”

Dat is veel te goedkoop.

Veel moderne profetie wil wel de kracht van Gods Naam, maar niet de verantwoordelijkheid van Gods gezag. Men wil wel spreken met gewicht, maar als het niet klopt, blijkt het ineens een oefening, indruk, aanvoelen of leerproces te zijn.

Dat is gewoon link. Want Gods Naam wordt gebruikt om menselijke gedachten extra gewicht te geven. En wie daartegen bezwaar maakt, krijgt al snel te horen dat hij de Geest bedroeft of te verstandelijk is.

Maar nuchter toetsen is geen ongehoorzaamheid aan de Geest. Het is een opdracht in gehoorzaamheid aan het Woord.

Het boek Handelingen als draaiboek

De pinksterleer leest Handelingen al snel alsof het een draaiboek is voor het normale christelijke leven. Wat daar gebeurde, moet nu ook net zo gebeuren. Dezelfde tekenen, dezelfde doorbraken, dezelfde krachten, dezelfde dynamiek.

Maar Handelingen is niet zomaar een handleiding voor onze wekelijkse gemeentepraktijk. Het is het verslag van een unieke heilshistorische overgang: van Jeruzalem naar de volken, van Israël naar de heidenen, van het fundament naar de verbreiding van het Evangelie.

Daarom moet je voorzichtig en begrijpend lezen. Niet alles wat beschreven wordt, is bedoeld als verbindende norm. De Bijbel geeft ook geschiedenis. En geschiedenis is niet automatisch opdracht.

Dat onderscheid wordt vaak onvoldoende of zelfs helemaal niet gemaakt. Dan pakt men uit Handelingen vooral de spectaculaire momenten en bouwt daar een verwachtingstheologie van. Maar men vergeet dat diezelfde Schrift ook spreekt over volharding, lijden, verdragen, wachten, sterven, eenvoud, orde, leer en trouw.

Wie Handelingen leest zonder de brieven, krijgt snel vuur zonder vuurplaats.

Moderne apostelen en geestelijke bouwfraude

In sommige kringen groeit de pinksterlijn uit naar het idee van hedendaagse apostelen en profeten. Niet altijd openlijk. Soms noemt men het anders. Apostolische leiders. Vaderfiguren. Fundamentbedieningen. Mensen met bijzondere zalving of gezag.

Maar de gemeente is gebouwd op het fundament van apostelen en profeten, waarbij Christus Zelf de uiterste Hoeksteen is. Een fundament leg je niet elke generatie opnieuw. Je bouwt erop.

Wie vandaag apostelen en profeten lanceert alsof de gemeente nog steeds nieuwe funderende stemmen nodig heeft, raakt aan de genoegzaamheid van het Bijbelse getuigenis. Dan krijgt de gemeente van Jezus Christus steeds nieuwe bouwtekeningen. Nieuwe bewegingen. Nieuwe accenten. Nieuwe woorden. Nieuwe doorbraken.

Maar een huis dat telkens opnieuw gefundeerd moet worden, is geen stevig huis.

Sterker nog: het is een bouwplaats zonder eindinspectie.

De pastorale optelsom

De zwaarste rekening wordt niet betaald door de sprekers op het podium. Die kunnen door naar de volgende conferentie, de volgende dienst, de volgende serie over doorbraak.

De rekening wordt betaald door de mensen in de stoelen.

De zieke die niet geneest.
De weduwe die geen stem uit de hemel hoort.
De stille gelovige die niet expressief genoeg is.
De jongere die tongentaal probeert te produceren.
De kwetsbare christen die denkt dat zijn geloof tekortschiet.
De kritische toetser die wordt weggezet als koud, angstig of controlerend.
De beschadigde ziel die na een mislukte profetie met de brokken blijft zitten.

Daar ligt de pijn. Pinksterleer belooft vaak vrijheid, maar levert niet zelden het tegenovergestelde. Zij spreekt over kracht, maar maakt zwakken soms nog zwakker. Zij spreekt over verwachting, maar heeft weinig taal voor teleurstelling. Zij spreekt over overwinning, maar weet vaak geen raad en geeft geen antwoord op het kruisvormige leven van de gelovige.

En daar wordt dan weer zichtbaar hoe diep de kloof eigenlijk ligt. Een leer moet je niet alleen beoordelen op de mooiste of krachtigste getuigenissen, maar ook op wat zij doet bij degene bij wie het wonder uitblijft.

De Bijbelgetrouwe lijn

De Heilige Geest hoeft niet verdedigd te worden met overdrijving.

Hij werkt.
Hij overtuigt.
Hij troost.
Hij heiligt.
Hij leidt.
Hij opent het Woord.
Hij verheerlijkt Christus.

Maar Hij maakt de gelovige niet, nooit, afhankelijk van geestelijke sensatie. Hij zet Christus niet in de schaduw. Hij maakt de Schrift niet onvoldoende. Hij schept geen elite van mensen met “meer”. Hij drijft zieken niet de schuldhoek in. Hij gebruikt Gods Naam niet als stempel op menselijke ingevingen.

De Geest van God bindt ons aan Christus en aan het Woord.

Daarom is de vraag niet of iemand vurig is. Vuur kan ook vreemd vuur zijn. De vraag is niet of iemand bewogen spreekt. Bewogenheid kan ook meeslepend misleiden. De vraag is niet of er iets gebeurt. Er gebeurt in de religieuze wereld altijd wel iets.

De vraag is:

is het Bijbelvast?

Wordt Christus verhoogd?
Wordt de Schrift geëerd?
Wordt het Evangelie helder gehouden?
Worden zwakken gedragen in plaats van belast?
Worden claims getoetst?
Wordt ervaring onder het Woord gebracht?
Blijft het kruis het centrum?

Als daarop geen helder ja komt, is voorzichtigheid geen ongeloof. Dan is voorzichtigheid gehoorzaamheid.

Van vaste grond naar bewegende grond

Er valt het nodige af te dingen op pinksterleer en praktijk.

Niet omdat iedere pinkstergelovige onecht, overspannen of, erger nog, onoprecht zou zijn. Niet omdat God niet zou kunnen genezen. Niet omdat de Heilige Geest niet vandaag werkt. Maar omdat deze theologie telkens de neiging heeft het geloofsleven te laten hellen van vaste grond naar bewegende grond.

Van Christus naar ervaring.
Van Woord naar indruk.
Van geloof naar gevoel.
Van genade naar krachtmeting.
Van kruis naar doorbraak.
Van wachten op de verlossing van het lichaam naar claimen van genezing nu.
Van apostolisch fundament naar moderne stemmen met gezag.
Van persoonlijk getuigenis naar algemene norm.
Van gave naar techniek.
Van afhankelijk ontvangen naar religieus produceren.

Dat laatste mag nooit onderschat worden. Een eigen ervaring, zelfs een indrukwekkende ervaring, is geen leerstellige meetlat. Geen mal om beton in te gieten. Een genezing is geen hermeneutische sleutel. Een doorbraak is geen dogma. Een indruk is geen openbaringsbron. Een getuigenis is geen Bijbelse norm voor de hele gemeente. En tongentaal die geoefend moet worden omdat dat verwacht wordt, is geen bewijs van geestelijke volheid, maar eerder een teken dat de praktijk haar Bijbelse kader is kwijtgeraakt.

Dat is niet zomaar een randzaak.

Dat raakt de kern van het christelijk leven.

Een gelovige heeft geen extra ervaring nodig om compleet te zijn in Christus. Hij hoeft niet door een charismatische sluis om werkelijk geestelijk te worden. Hij hoeft zijn ziekte niet te verklaren als geloofstekort. Hij hoeft menselijke indrukken niet te slikken omdat iemand er “de Heer zegt” boven zet. Hij hoeft het wonderverhaal van een ander niet als maatlat over zijn eigen leven te laten leggen. En hij hoeft geen klanken te oefenen om zichzelf of anderen te bewijzen dat hij geestelijk genoeg is.

Hij mag rusten in het volbrachte werk van Christus. Hij mag wandelen door geloof. Hij mag bidden om genezing zonder genezing op te eisen. Hij mag dankbaar luisteren naar een getuigenis zonder dat getuigenis tot leer te verheffen. Hij mag de Geest verwachten zonder achter elke emotie een openbaring te zoeken. Hij mag toetsen, vragen stellen, afstand houden en toch vol zijn van eerbied voor God.

Want de Heilige Geest is niet een Geest van druk, maar de Geest der waarheid. En waar Hij werkt, daar wordt de gemeente niet opgejaagd naar steeds meer spektakel, maar dieper geworteld in Christus, nuchter in het Woord, ootmoedig in het geloof en rijk in Genade.

 

Zie ook:

Genezingsbedieningen? – Bijbelse basis

VPE kritisch bekeken: profetie, leiderschap en pinkstertheologie getoetst aan de Bijbel – Bijbelse basis

Tongentaal of misleiding? De Bijbel spreekt – Bijbelse basis

Klanktaal als “full-color geloof”? – Bijbelse basis

Als een genezingsdienst eindigt in het graf: de harde werkelijkheid achter charismatische genezingsclaims

Als genezing wordt geclaimd maar de zieke sterft: de gevaarlijke misleiding van charismatische genezingsclaims

Als een genezingsdienst eindigt in het graf

leugenachtige charismatische genezingsclaims

Er zijn verhalen die je niet zomaar “gevallen” kunt noemen. Daarvoor komen ze té dichtbij. Te pijnlijk. Te echt.

Dit betreft namelijk een zeer nabij familielid.

Het gebeurde ruim 20 jaar geleden.

Een man op leeftijd  krijgt prostaatkanker. Hij verlangt naar genezing. Hij bidt. Hij hoopt. Hij strekt zich uit. Hij reist stad en land af naar genezingsdiensten, omdat hem steeds wordt voorgehouden dat God ook vandaag lichamelijke genezing wil en kan geven, en dat je die genezing mag verwachten, ontvangen, vasthouden, uitspreken.

Dan komt hij trerecht bij een bekende maar niet nader genoemde gebedsgenezer. die op campagne is zoals dat heet.Tijdens de genezingsdienst klinkt de uitspraak:

“Er zijn hier vier mannen met prostaatkanker.”

Wie ernstig ziek is, hoort zo’n zin niet neutraal. Die hoort hoop. Die hoort misschien zelfs: dit is mijn moment. God heeft mij gezien. God roept mij naar voren.

Zo ook deze man. Hij gaat naar voren. Hij wordt ter plekke genezen verklaard.

Maar later overlijdt hij.

Aan prostaatkanker.

En dan komt de vraag die niemand in zulke kringen ooit hardop stelt:

Hoe kan dat?

Niet hoe het medisch kan. Dat is duidelijk genoeg.
Maar hoe het geestelijk kan.

Hoe kan iemand in de Naam van God genezen verklaard worden, terwijl diezelfde ziekte later het lichaam sloopt en het graf wint?

Daar moet je niet omheen praten. Daar moet je niet vroom omheen dansen. Daar moet je niet achteraf een mistgordijn van “misschien”, “innerlijk”, “procesmatig”, “je moet het geestelijk zien” of “hij had het moeten vasthouden” overheen kwakken.

Het eerlijke antwoord is even eenvoudig als onthutsend:

Die genezingsverklaring was niet waar.

Het probleem is niet gebed, maar valse pretentie

Laat dit meteen duidelijk zijn: het probleem is niet dát er voor zieken gebeden wordt.

Daar mag geen misverstand over bestaan. Een christen mag bidden voor genezing. Een gemeente mag bidden voor zieken. Oudsten mogen bij een zieke komen. Jakobus 5 spreekt daar openlijk over. Er is niets mis met vrijmoedig gebed, met smeking, met tranen, met hoop, met het vragen om Gods ontferming.

Het probleem begint waar bidden verandert in verklaren.

Bidden zegt:

Heere, ontferm U. Genees als het U behaagt. Draag deze zieke. Geef kracht. Geef vrede. Geef genade.

Maar verklaren zegt:

U bent genezen. De ziekte is weg. God heeft het gedaan. Ontvang het. Twijfel niet. Spreek het uit.

Dat is van een andere orde.

Het eerste buigt onder God.
Het tweede spreekt namens God.

En dáár gaat het doorgaans mis in charismatische genezingskringen. Men bidt niet alleen. Men claimt. Men verklaart. Men spreekt uit. Men benoemt ziekten vanaf het podium. Men wekt de indruk dat God op dat moment concreet en aantoonbaar handelt.

Maar als de zieke later overlijdt aan precies diezelfde ziekte, dan blijkt dat er niet namens God is gesproken, maar voor God uit.

En dat is zeer ernstig.

“Er zijn hier vier mannen met prostaatkanker”

Die zin klinkt indrukwekkend. Bijna profetisch. Alsof er een hemelse radar door de zaal gaat. Alsof God Zelf via de spreker de verborgen ziekten aanwijst.

 

Maar laten we nuchter zijn

In een grote samenkomst is het statistisch helemaal niet wonderlijk dat er mannen met prostaatkanker aanwezig zijn. Prostaatkanker komt veel voor, zeker onder oudere mannen. In een zaal met honderden mensen is de kans aanzienlijk dat meerdere mannen met die diagnose aanwezig zijn of zijn geweest.

Een algemene uitspraak kan dan klinken als een bovennatuurlijke openbaring, terwijl ze in werkelijkheid breed genoeg is om doel te treffen.

Maar de pijn zit nog dieper.

Want zelfs als de spreker werkelijk dacht dat hij iets van God ontving, blijft de vraag:

Is het waar gebleken?

Dat is de Bijbelse toets.

Niet: klonk het indrukwekkend?
Niet: raakte het iemand emotioneel?
Niet: kwam er beweging in de zaal?
Niet: voelde iemand warmte, tinteling, kracht of hoop?

Maar: is het waar?

Wanneer iemand met prostaatkanker naar voren wordt geroepen, genezen wordt verklaard en later aan prostaatkanker overlijdt, dan heeft de toetsing plaatsgevonden.

De claim is door de mand gezakt.

Niet een beetje. Niet bijna. Niet “anders dan verwacht”.

Keihard.Gezakt.

 

Achteraf vergeestelijken is laf

In zulke situaties zie je vaak een bekende uitweg.

Men zegt dan:

“Misschien was hij geestelijk genezen.”
“Misschien ging het om innerlijke genezing.”
“Misschien is er toch iets gebeurd wat wij niet kunnen zien.”

Dat klinkt heilig, maar het is vaak niets anders dan een reddingsboei voor een mislukte claim.

Want laten we eerlijk zijn: als iemand naar voren komt vanwege prostaatkanker, in een genezingsdienst, na een aanwijzing over prostaatkanker, en vervolgens genezen wordt verklaard, dan begrijpt iedereen wat er bedoeld wordt.

Niet: “u hebt innerlijke rust ontvangen.”
Niet: “u bent geestelijk bemoedigd.”
Niet: “u hebt kracht gekregen om te sterven.”

Nee

De boodschap is:

De kanker is aangepakt. U bent lichamelijk genezen.

Als later blijkt dat dit niet zo is, mag men niet ineens de betekenis veranderen.

Dat is geen uitleg.
Dat is laf vluchtgedrag.

Eerst lichamelijke genezing claimen en daarna, als de dood komt, zeggen dat het “misschien geestelijk bedoeld was”, is gewoon oneerlijk. Dan verschuif je de doelpalen nadat de bal naast is gegaan.

De zieke krijgt de rekening

De meest giftige uitweg is deze:

“Hij had het moeten vasthouden.”
“Hij is gaan twijfelen.”
“Hij heeft de genezing niet beleden.”
“Er was ongeloof.”
“De vijand heeft het geroofd.”

Daarmee wordt de lijder alsnog verantwoordelijk gemaakt voor de valse claim van de genezer.

Dat is ronduit wreed.

Een ernstig zieke man die stad en land afreist naar genezingsdiensten, is meestal geen cynicus. Dat is iemand die hoopt. Iemand die bidt. Iemand die zich vastklampt aan elke strohalm. Iemand die misschien bang is. Iemand die zijn vrouw, kinderen en kleinkinderen nog niet wil en kan loslaten. Iemand die leeft tussen scan, uitslag, behandeling, pijn, vermoeidheid en gebed.

En juist zo iemand wordt dan geestelijk belast met de gedachte:

Had ik maar meer geloof gehad.
Had ik maar minder getwijfeld.
Had ik maar beter beleden.
Had ik maar sterker gestaan.
Had ik maar meer verwacht.

Dat is géén herderlijke zorg.

Dat is zware geestelijke mishandeling in vrome verpakking

 

Christus genas echt

Wie de genezingen van de Heere Jezus leest, ziet iets heel anders dan wat in veel moderne genezingsdiensten gebeurt.

Wanneer Christus geneest, gebeurt het werkelijk. Zichtbaar. Concreet. Aantoonbaar.

Blinden zien.
Verlamden lopen.
Melaatsen worden gereinigd.
Doven horen.
Doden staan op.

Er is geen achteraf praat nodig. Geen verklaring dat iemand “in de geest” genezen is terwijl zijn lichaam zichtbaar ziek blijft. Geen podiumclaim die later door de werkelijkheid wordt ingehaald.

Bij Christus is genezing geen theater van verwachting. Geen suggestieve massapsychologie. Geen emotionele druk. Geen kunstig opgebouwde sfeer. Geen oproep om vooral niet te twijfelen aan iets wat niet aantoonbaar gebeurd is.

Zijn genezingen dragen gezag.

Dat is precies waarom de vergelijking tussen Christus en moderne gebedsgenezers zo gruwelijk pijnlijk is. Men leent de taal van Jezus’ wonderen, maar levert vaak iets totaal anders: claims, verwachtingen, sfeer, suggestie, en achteraf een stapel excuses.

 

Ook de apostelen waren geen genezingsmachines

Ook in het Nieuwe Testament zelf is het beeld veel nuchterder dan de harde charismatische genezingsleer suggereert.

Paulus had een bijzondere apostolische bediening. God deed krachtige tekenen door hem. En toch lezen we ook dit:

“Trofimus heb ik te Milete ziek achtergelaten.”
2 Timotheüs 4:20 (STV)

Dat ene zinnetje snijdt dwars door veel moderne genezingstheologie heen.

Waarom liet Paulus Trofimus ziek achter?
Waarom verklaarde hij hem niet genezen?
Waarom sprak hij geen “woord van geloof” over hem uit?
Waarom zei hij niet: “Trofimus, ontvang je genezing”?

Omdat zelfs de apostelen niet beschikten over een permanente genezingsknop.

Timotheüs had lichamelijke klachten. Paulus adviseert hem niet om zijn genezing te claimen, maar schrijft:

“Drink niet langer alleen water, maar gebruik een weinig wijn, om uw maag en uw menigvuldige zwakheden.”
1 Timotheüs 5:23 (STV)

Epafroditus was ernstig ziek, zelfs bijna gestorven. Paulus zegt niet dat dit onmogelijk was voor een trouwe dienaar van God. Hij beschrijft het gewoon als werkelijkheid.

“Want hij is ook ziek geweest tot nabij de dood; maar God heeft Zich over hem ontfermd.”
Filippenzen 2:27 (STV)

Let op de formulering: God ontfermde Zich. Dat is Genade. Geen techniek. Geen recht dat men afdwingt. Geen pakket dat automatisch geactiveerd wordt door genoeg geloof.

Paulus zelf kende ook zwakheid. Zijn doorn in het vlees werd niet weggenomen, ondanks herhaald gebed. Het antwoord van de Heere was:

“Mijn genade is u genoeg; want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht.”
2 Korinthe 12:9 (STV)

Dat is een heel andere toon dan: “U hoeft dit niet te dragen, want genezing ligt al klaar.”

 

De Bijbel belooft verlossing van het lichaam, maar niet volledige gezondheid nu

Hier zit een belangrijk punt.

De Bijbel leert dat het lichaam ertoe doet. Het christelijk geloof is niet zweverig. De opstanding is lichamelijk. De toekomst is niet dat wij als zielen ergens in een wolk verdwijnen, maar dat God Zijn schepping verlost en Zijn kinderen opwekt in heerlijkheid.

Maar die volledige lichamelijke verlossing is nog toekomstig.

Paulus schrijft dat ook gelovigen zuchten en wachten op de verlossing van hun lichaam. Zie Romeinen 8:23.

Dat betekent: wij leven nog in een gebroken lichaam, in een gevallen schepping, onder vergankelijkheid, ziekte en dood.

God kan nu genezen. Zeker.
God mag nu genezen. Zeker.
God geneest soms ook nu. Zeker.

Maar dat is niet hetzelfde als zeggen dat iedere gelovige recht heeft op lichamelijke genezing in dit leven, of dat ziekte altijd een indringer is die eenvoudig verdreven moet worden door genoeg geloof, verwachting of proclamatie.

De dood is een vijand.
Het lichaam is sterfelijk.
De schepping zucht.

Wie doet alsof de volle opstandingswerkelijkheid nu al opeisbaar is, schuift de toekomst naar voren en verkoopt een halve waarheid als hele waarheid.

En wat dat echt is weet iedereen.

Halve waarheden zijn vaak de gevaarlijkste leugens.

 

Genezing in de verzoening is geen vrijbrief voor genezingsclaims

Vaak wordt gezegd: “Maar door Zijn striemen zijn wij genezen.”

Daarmee wordt dan bedoeld: lichamelijke genezing is net zo gegarandeerd als vergeving van zonden. Een soort “one package deal”. Jezus droeg zonde én ziekte, dus een gelovige mag genezing claimen.

Maar dat gaat MANK.

Jesaja 53 spreekt in de kern over de Knecht Die de ongerechtigheid van velen draagt. De diepste wond van de mens is niet kanker, artrose, verlamming of pijn. De diepste wond is zonde, schuld, vervreemding van God, oordeel en verlorenheid.

De genezing waar Jesaja 53 in zijn diepste betekenis over spreekt, is allereerst de herstelling van de breuk tussen God en zondaren.

Lichamelijke genezing is niet los verkrijgbaar als bewijs dat je genoeg geloof hebt. En ze is ook niet gegarandeerd in dit leven alsof elke zieke christen eigenlijk al genezen zou moeten zijn.

De opstanding komt. De verlossing van het lichaam komt. Geen ziekte krijgt het laatste woord over wie in Christus is.

Maar dat betekent niet dat elke gelovige nu al uit elke ziekte wordt opgetild.

Wie dat wel beweert, moet niet alleen kijken naar triomfantelijke teksten, maar ook naar Trofimus, Timotheüs, Epafroditus, Paulus’ doorn, het zuchten van de schepping en de werkelijkheid van het sterven.

 

De grote schade: valse hoop in Gods Naam

Het ergste aan deze charismatische genezingsclaims is niet dat mensen hoop hebben.

Hoop is kostbaar.

Het ergste is dat mensen hoop krijgen op basis van woorden die God niet gesproken heeft.

Dat is geen kleine fout. Dat raakt aan Gods Naam.

Wanneer iemand zegt: “U bent genezen”, terwijl God dat niet aantoonbaar heeft gedaan, wordt Gods Naam verbonden aan menselijke overmoed. De zieke denkt: God heeft mij genezen. De familie denkt: God heeft gesproken.

De gemeente denkt: hier is een wonder gebeurd.

En als de ziekte daarna doorgaat, komt de verwarring.

Heeft God Zich bedacht?
Was de genezing tijdelijk?
Heeft satan het gestolen?
Hebben wij gefaald?
Was er verborgen zonde?
Was er ongeloof?
Waarom heeft God dit toegelaten?

Maar de vraag die veel eerder gesteld had moeten worden, is deze:

Wie gaf die genezer het recht om dit namens God uit te spreken?

Dat is de vraag die bijna nooit gesteld mag worden.

Want wie die vraag stelt, wordt al snel weggezet als kritisch, ongelovig, rationeel, koud, religieus, tegen de Geest of vijandig tegenover genezing.

Maar Bijbelvaste toetsing is geen ongeloof.
Toetsing is gehoorzaamheid.

 

Toetsing is geen zonde

In charismatische kringen wordt toetsing vaak verdacht gemaakt. Je mag niet “negatief spreken”. Je moet “ontvangen”. Je moet “in geloof blijven staan”. Je moet “de atmosfeer niet verstoren”. Je moet “niet redeneren”.

Maar de Bijbel roept dus op tot toetsen.

Niet alles wat geestelijk klinkt, komt van de Geest van God. Niet iedereen die met kracht spreekt, spreekt waarheid. Niet ieder “woord van kennis” is kennis. Niet iedere genezingsclaim is genezing. Niet ieder indrukwekkend podiummoment is een werk van God.

Een Bijbelvaste toets is eenvoudig:

Is de ziekte weg?
Is er medische bevestiging?
Is de claim controleerbaar?
Komt de uitspraak uit?
Wordt de zieke vrijgelaten of onder druk gezet?
Wordt Christus verheerlijkt of de genezer?
Wordt de Schrift recht gedaan of misbruikt?
Wordt er nederig gebeden of hoogmoedig verklaard?

Waar die vragen niet welkom zijn, is iets grondig mis.

Waar toetsing verboden wordt, krijgt misleiding ruimte.

 

“Raak Mijn gezalfden niet aan” is geen vrijbrief voor geestelijke onverantwoordelijkheid

Vaak wordt kritiek op bekende genezers afgeweerd met teksten als:

“Raak Mijn gezalfden niet aan.”

Maar dat is misbruik van de Schrift.

Niemand staat boven toetsing. Geen spreker, geen apostel, geen profeet, geen genezer, geen voorganger, geen bediening, geen beweging.

Als iemand publiekelijk zieken genezen verklaart, mag hij publiekelijk getoetst worden.

Wie grote woorden spreekt, moet grote toetsing verdragen.

En als blijkt dat iemand mensen genezen verklaart die later aan dezelfde ziekte overlijden, dan is de vraag niet of wij wel eerbiedig genoeg zijn voor zijn bediening.

De vraag is of zijn bediening wel eerbiedig genoeg is voor Gods Naam, Gods Woord en Gods kwetsbare kinderen.

 

De vrome taal maakt het niet minder ernstig

Juist de vrome taal maakt dit gevaarlijk.

Niemand zegt: “Ik geef u valse hoop.”
Niemand zegt: “Ik weet eigenlijk niet zeker of God dit doet.”
Niemand zegt: “Ik gebruik religieuze suggestie in een emotioneel geladen omgeving.”

Nee, men zegt:

“De Heilige Geest laat mij zien…”
“De Heer zegt…”
“Ik spreek genezing uit…”
“Ontvang het…”
“Het is volbracht…”
“De kanker moet wijken…”
“U bent genezen in Jezus’ Naam…”

Maar vrome woorden maken een onware uitspraak niet waar.

Sterker nog: vrome woorden kunnen een onware uitspraak extra gevaarlijk maken, omdat de zieke niet meer durft te twijfelen aan de spreker zonder te vrezen dat hij aan God twijfelt.

Dat is geestelijke druk.

En die druk hoort niet bij de goede Herder.

 

De goede Herder breekt het gekrookte riet niet

Christus gaat anders om met lijdende mensen.

Hij verplettert hen niet onder geloofsprestaties. Hij maakt van ziekte geen examen waarbij de uitslag afhangt van de intensiteit van je verwachting. Hij legt op stervende gelovigen geen extra last: “Als je maar genoeg gelooft, hoef je niet te sterven.”

De Heere is nabij in ziekte.
Hij is nabij in angst.
Hij is nabij in pijn.
Hij is nabij in chemo, bestraling, ziekenhuisbedden, slapeloze nachten en stille tranen.
Hij is nabij wanneer genezing komt.
En Hij is nabij wanneer genezing uitblijft.

Dat is geen zwak evangelie.

Dat is een dieper evangelie dan de glitter van genezingspodia.

Want de troost van Christus is niet afhankelijk van een geslaagde genezingsdienst. De hoop van de gelovige rust niet op een man met een microfoon, maar op de gekruisigde en opgestane Heere.

 

De dood van een gelovige is geen nederlaag van God

Wanneer een gelovige sterft aan kanker, is dat niet omdat kanker sterker is dan God.

Het is ook niet automatisch omdat iemand te weinig geloof had.
Niet omdat de familie verkeerd bad.
Niet omdat de gemeente onvoldoende verwachting had.
Niet omdat een genezing “geroofd” werd.

Een gelovige sterft omdat wij nog leven in een wereld waarin de dood nog werkelijkheid is. Maar voor wie in Christus is, heeft de dood niet het laatste woord.

Dat is het verschil tussen Bijbelse hoop en charismatische overmoed.

Charismatische overmoed zegt:

“Je hoeft niet ziek te zijn. Je hoeft niet te sterven. Claim je genezing.”

Bijbelse hoop zegt:

“God kan genezen. Maar ook als het lichaam sterft, is Christus de Opstanding en het Leven.”

Dat tweede klinkt misschien minder spectaculair op een podium. Maar het houdt wel stand bij een graf.

 

Een graf ontmaskert veel podiumtaal

Er is weinig zo ontnuchterend als een graf.

Een graf prikt door opgeklopte taal heen.
Een graf laat zien welke woorden standhouden.
Een graf vraagt niet naar sfeer, muziek, handoplegging of kippenvel.
Een graf vraagt: was het waar?

Als iemand genezen is verklaard en later aan dezelfde ziekte overlijdt, dan heeft het graf de claim ontmaskerd.

Niet God is ontmaskerd.
Niet het evangelie is ontmaskerd.
Niet de kracht van Christus is ontmaskerd.

De menselijke pretentie is ontmaskerd.

En dat moet gezegd worden.

Juist uit liefde voor zieken. Juist uit eerbied voor God. Juist uit zorg voor families die anders achterblijven met schuld, twijfel en geestelijke verwarring.

 

Noem het wat het is

We moeten ophouden met nette woorden voor geestelijke roekeloosheid.

Een zieke genezen verklaren zonder dat God aantoonbaar genezen heeft, is geen geloof.
Het is overmoed.

Een kankerdiagnose vanaf het podium benoemen en daarna iemand genezen verklaren zonder controleerbare werkelijkheid, is geen bewijs van apostolische kracht.
Het is gevaarlijk religieus theater.

Een stervende gelovige achterlaten met de gedachte dat hij zijn genezing misschien niet goed heeft vastgehouden, is geen pastorale zorg.
Het is geestelijke beschadiging.

Een mislukte genezingsclaim achteraf vergeestelijken, is geen diepe uitleg.
Het is damage control.

En Gods Naam verbinden aan een uitspraak die niet waar blijkt te zijn, is geen zalving.
Het is ijdel gebruik van Gods Naam.

 

Wat had men dan moeten zeggen?

Heel eenvoudig.

Men had mogen bidden.

Men had mogen zeggen:

“Broeder, wij bidden dat de Heere Zich over u ontfermt. Wij vragen om genezing. Wij vertrouwen Zijn macht. Wij leggen u in Zijn handen. En wat er ook gebeurt: Christus is getrouw.”

Dat is Bijbelvast.
Dat is eerlijk.
Dat is herderlijk.

Maar men had nooit mogen zeggen:

“U bent genezen.”

Tenzij het echt zo was.

En dan nog zou nederigheid passen. Laat medisch onderzoek het bevestigen. Laat de tijd het tonen. Laat God de eer krijgen zonder haastige podiumtriomf.

Echte genezing heeft geen marketing nodig.

 

De vraag aan iedere christen

Daarom moet iedere gelovige deze vraag eerlijk doordenken:

Wat geloof ik eigenlijk over ziekte, genezing en geloof?

Geloof ik dat God kan genezen?
Ja.

Geloof ik dat wij voor zieken mogen bidden?
Ja.

Geloof ik dat God soms wonderlijk ingrijpt?
Ja.

Maar geloof ik dat iedere zieke gelovige nu recht heeft op lichamelijke genezing?
Nee.

Geloof ik dat een genezer iemand zomaar genezen mag verklaren zonder aantoonbare werkelijkheid?
Nee.

Geloof ik dat uitblijvende genezing op het conto van de zieke mag worden gezet?
Nee.

Geloof ik dat de Schrift ruimte laat voor lijden, ziekte, zwakheid en sterven van gelovigen?
Ja.

Geloof ik dat Christus ook daarin genoeg is?
Ja.

En precies daar ligt het verschil tussen Bijbels geloof en charismatische verwarring.

 

Een scherpe conclusie

De vraag is dus niet of God kan genezen.

Natuurlijk kan God genezen.

De vraag is of mensen het recht hebben om namens God genezing uit te spreken wanneer God die genezing niet aantoonbaar geeft.

En het antwoord is: nee.

Een man met prostaatkanker naar voren roepen, hem genezen verklaren, en hem later aan prostaatkanker zien overlijden, is geen klein pastoraal misverstand. Het is een ernstige geestelijke ontsporing.

Daar mag de kerk niet omheen praten.

Want achter elke mislukte genezingsclaim staat geen abstract debat, maar een mens. Een gezin. Een sterfbed. Een graf. En vaak een spoor van verwarring dat nog jaren blijft liggen.

Daarom moet dit hardop gezegd worden:

 

Wie namens God genezing uitspreekt die God niet geeft, geneest geen zieken maar verwondt gewetens.

 

En nog scherper:

 

Een genezingsdienst die eindigt in schuld, verwarring en een graf, heeft geen bewijs geleverd van Gods kracht, maar van charismatische overmoed.

 

De hoop van de zieke gelovige ligt niet in een genezingsdienst. Niet in een “woord van kennis”. Niet in een bekende gebedsgenezer. Niet in een sfeer van verwachting. Niet in een uitgesproken claim.

De hoop van de zieke gelovige ligt in Christus.

Hij kan genezen.
Hij mag genezen.
Hij geeft soms genezing.

Maar als Hij niet geneest, is Hij nog stééds de goede Herder.

 

En wie in Zijn hand sterft, is niet mislukt. Die is niet tekortgeschoten. Die heeft geen nederlaag geleden door gebrek aan geloof.

Die is geborgen.

Niet omdat een genezer hem genezen verklaarde.

Maar omdat Christus Zijn eigendom nooit loslaat, ook niet door ziekte, kanker, dood en graf heen.

Zie ook

Is lichamelijke genezing inbegrepen in de verzoening? – Bijbelse basis

Moderne claims op lichamelijke genezing: Bijbels of misleidend? – Bijbelse basis

Genezingscampagne of het Evangelie? – Bijbelse basis

Genezingsbedieningen? – Bijbelse basis

(extern)

‘God geneest’-claim mag niet op flyer, wel online | Trouw

Minister waarschuwt voor controversiële gebedsgenezer Tom de Wal | NPO Radio 1

Zijn genezingsclaims van gebedsgenezers schadelijk?

Op zoek naar een wonder tijdens genezingsdienst Jan Zijlstra – Omroep Gelderland

 

Geverifieerd door MonsterInsights