Loon en beloning voor de gelovige: kun je als christen loon verliezen?

Behoud is het begin

Wie vandaag christelijke prediking beluistert, zou gemakkelijk de indruk kunnen krijgen dat het christelijke leven uiteindelijk om één vraag draait:

Ben je gered?

Die vraag is van eeuwig belang. Maar wanneer daar vervolgens vrijwel een punt achter wordt gezet, blijft een aanzienlijk deel van het onderwijs van het Nieuwe Testament liggen.

Want de Schrift spreekt niet alleen over behouden worden, maar opvallend vaak over loon, beloning, vergelding, kronen, trouw, arbeid, schade en het verliezen van loon.

Dat roept een belangrijke vraag op.

Als een wedergeboren gelovige reeds eeuwig leven bezit uit genade, waarvoor ontvangt hij dan nog loon?

En nog scherper:

hoe kan iemand behouden zijn en toch schade lijden?

Het antwoord maakt het verschil duidelijk tussen redding als gave en loon als beloning.

Dat onderscheid beschermt enerzijds het Evangelie van genade en maakt anderzijds duidelijk dat het leven van de gelovige bepaald niet vrijblijvend is.

loon en beloning in de Bijbel
Loon voor de gelovige

Behoud is een gave, geen beloning

Hier moet een duidelijk onderscheid worden gemaakt.

Een mens wordt niet behouden omdat hij voldoende goede werken heeft gedaan. Hij wordt evenmin behouden omdat zijn goede werken uiteindelijk zwaarder wegen dan zijn verkeerde werken.

Paulus schrijft:

“Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave; Niet uit de werken, opdat niemand roeme.” (Efeze 2:8-9, STV)

Let op het woord gave.

Redding is geen salaris dat God uitbetaalt nadat wij voldoende gepresteerd hebben. Het is Gods gave in Christus.

Dat onderscheid vinden we ook in Romeinen:

“Doch dengene, die werkt, wordt het loon niet toegerekend naar genade, maar naar schuld.” (Romeinen 4:4, STV)

Genade en verschuldigd loon zijn principieel verschillende zaken.

Wanneer ik ergens voor werk en mijn werkgever betaalt mij mijn salaris, heeft hij mij geen genade bewezen. Hij betaalt wat mij op grond van mijn arbeid toekomt.

Maar zo wordt een zondaar niet gerechtvaardigd.

Daarom:

Behoud wordt ontvangen. Loon wordt verdiend.

Wie die twee door elkaar haalt, maakt van genade alsnog een beloningssysteem.

Maar Genade maakt werken niet onbelangrijk

Hier ontstaat vervolgens gemakkelijk het tegenovergestelde misverstand.

Als mijn werken mij niet kunnen behouden, zouden mijn werken er dan uiteindelijk niet toe doen?

Paulus voorkomt die conclusie onmiddellijk.

Na gezegd te hebben dat wij niet uit werken behouden worden, schrijft hij:

“Want wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, welke God voorbereid heeft, opdat wij in dezelve zouden wandelen.” (Efeze 2:10, STV)

De volgorde is allesbepalend.

Niet:

goede werken → behoudenis.

Maar:

behoudenis uit genade → nieuw leven in Christus → goede werken.

Wij werken dus niet om behouden te worden.

Wij mogen werken omdat wij behouden zijn.

Het christelijke leven begint daarom niet bij onze prestaties. Het begint bij wat God in Christus gedaan heeft.

Maar juist daarna begint onze verantwoordelijkheid.

Wedergeboorte is het begin, niet de finish

Hier zit misschien een van de grootste blinde vlekken.

Wanneer iemand tot geloof komt, heeft hij niet het einddoel van zijn christelijke leven bereikt. Hij heeft nieuw leven ontvangen.

Vanaf dat moment begint een wandel.

Er kan groei zijn.

Er kan vrucht zijn.

Er kan trouwe dienst zijn.

Maar er kan ook geestelijke stilstand, eigenwilligheid en verspilde arbeid zijn.

Paulus schrijft:

“Want wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken…” (Efeze 2:10, STV)

Een christen is dus niet slechts iemand die ooit “ja” tegen het Evangelie heeft gezegd en vervolgens wacht totdat hij naar de hemel gaat.

Hij is in Christus tot iets geroepen.

En daarom zal ook zijn werk beoordeeld worden.

De tekst die het onderscheid glashelder maakt

Een van de belangrijkste Schriftgedeelten hierover staat in 1 Korinthe 3.

Paulus begint bij het fundament:

“Want niemand kan een ander fondament leggen, dan hetgeen gelegd is, hetwelk is Jezus Christus.” (1 Korinthe 3:11, STV)

Het fundament staat vast.

Maar vervolgens wordt op dat fundament gebouwd.

Paulus noemt goud, zilver en kostelijke stenen, maar ook hout, hooi en stoppelen.

Daarna komt de beoordeling:

“Eens iegelijks werk zal openbaar worden; want de dag zal het verklaren, dewijl het door vuur ontdekt wordt; en hoedanig eens iegelijks werk is, zal het vuur beproeven.” (1 Korinthe 3:13, STV)

Lees nauwkeurig wat hier beoordeeld wordt.

Niet:

of iemand voldoende gewerkt heeft om behouden te mogen worden.

Maar:

“hoedanig eens iegelijks werk is.”

Het werk wordt onderzocht.

En dan kunnen er twee uitkomsten zijn.

“Zo iemands werk blijft, dat hij daarop gebouwd heeft, die zal loon ontvangen.” (1 Korinthe 3:14, STV)

Maar vervolgens:

“Zo iemands werk zal verbrand worden, die zal schade lijden; maar zelf zal hij behouden worden, doch alzo als door vuur.” (1 Korinthe 3:15, STV)

Daar staat het.

Schade lijden — en toch behouden worden.

Je kunt behouden zijn en toch loon missen

Deze tekst is buitengewoon belangrijk omdat hij een veelvoorkomende verwarring onmogelijk maakt.

De persoon wiens werk verbrandt, verliest volgens deze tekst niet zijn behoudenis.

Paulus zegt juist nadrukkelijk:

“maar zelf zal hij behouden worden.”

Wat gaat dan verloren?

Zijn werk houdt voor Gods beoordeling geen stand.

Hij lijdt schade.

Dat betekent dat er voor een gelovige blijkbaar werkelijk iets te winnen én iets te verliezen valt zonder dat daarmee zijn positie in Christus opnieuw ter discussie wordt gesteld.

Dat wordt elders rechtstreeks bevestigd:

“Ziet toe voor uzelven, dat wij niet verliezen, hetgeen wij gearbeid hebben, maar een vol loon mogen ontvangen.” (2 Johannes 1:8, STV)

Waarom deze waarschuwing wanneer loon helemaal niet verloren zou kunnen gaan?

Er bestaat blijkbaar zoiets als vol loon.

En er bestaat blijkbaar de mogelijkheid dat arbeid niet leidt tot die volle beloning.

Dat zou ons wakker moeten schudden.

De rechterstoel van Christus is geen nieuwe verlossingsproef

Paulus schrijft:

“Want wij allen moeten geopenbaard worden voor den rechterstoel van Christus, opdat een iegelijk wegdrage hetgeen door het lichaam geschiedt, naardat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad.” (2 Korinthe 5:10, STV)

En:

“Want wij zullen allen voor den rechterstoel van Christus gesteld worden.” (Romeinen 14:10, STV)

Dat is ernstige taal.

Maar we moeten daarvan geen tweede Evangelie maken.

De gelovige verschijnt daar niet om alsnog door zijn werken te bewijzen dat Christus hem werkelijk mag behouden.

Zijn fundament is Christus.

De kwestie is zijn wandel en arbeid op dat fundament.

Dat is precies waarom 1 Korinthe 3 zo belangrijk is.

Het fundament wordt niet verbrand.

Het gebouw erop wordt getest.

De vraag is dus niet alleen:

Sta ik op het Fundament?

Maar voor wie daarop staat ook:

Wat heb ik erop gebouwd?

Het Nieuwe Testament spreekt opvallend vaak over loon

De gedachte van beloning staat bepaald niet alleen bij Paulus.

De Here Jezus zegt:

“Verblijdt en verheugt u; want uw loon is groot in de hemelen…” (Mattheüs 5:12, STV)

Ook:

“Maar hebt uw vijanden lief, en doet goed, en leent, zonder iets weder te hopen; en uw loon zal groot zijn…” (Lukas 6:35, STV)

In Johannes lezen we:

“En die maait, ontvangt loon, en vergadert vrucht ten eeuwigen leven…” (Johannes 4:36, STV)

Hebreeën zegt:

“Werpt dan uw vrijmoedigheid niet weg, welke een grote vergelding des loons heeft.” (Hebreeën 10:35, STV)

En bijna aan het einde van de Bijbel zegt Christus:

“En zie, Ik kom haastelijk en Mijn loon is met Mij, om een iegelijk te vergelden, gelijk zijn werk zal zijn.” (Openbaring 22:12, STV)

Dat kan onmogelijk een onbelangrijk Bijbels zijspoor zijn.

De Schrift verbindt werk en loon herhaaldelijk met elkaar.

De Bijbel spreekt zelfs over kronen

Paulus vergelijkt het christelijke leven met een wedloop:

“Weet gijlieden niet, dat die in de loopbaan lopen, allen wel lopen, maar dat één den prijs ontvangt? Loopt alzo, dat gij dien moogt verkrijgen.” (1 Korinthe 9:24, STV)

En vervolgens:

“En een iegelijk, die om prijs strijdt, onthoudt zich in alles. Dezen dan doen wel dit, opdat zij een verderfelijke kroon zouden ontvangen, maar wij een onverderfelijke.” (1 Korinthe 9:25, STV)

Aan het einde van zijn leven kan Paulus schrijven:

“Voorts is mij weggelegd de kroon der rechtvaardigheid, welke mij de Heere, de rechtvaardige Rechter, in dien dag geven zal; en niet alleen mij, maar ook allen, die Zijn verschijning liefgehad hebben.” (2 Timotheüs 4:8, STV)

Jakobus spreekt over de kroon des levens:

“Zalig is de man, die verzoeking verdraagt; want als hij beproefd zal geweest zijn, zal hij de kroon des levens ontvangen, welke de Heere beloofd heeft dengenen, die Hem liefhebben.” (Jakobus 1:12, STV)

Petrus spreekt over:

“En als de overste Herder verschenen zal zijn, zo zult gij de onverwelkelijke kroon der heerlijkheid behalen.” (1 Petrus 5:4, STV)

En dan klinkt zelfs de waarschuwing:

“Zie, Ik kom haastelijk; houd dat gij hebt, opdat niemand uw kroon neme.” (Openbaring 3:11, STV)

Niet: opdat niemand uw eeuwige leven neme.

Maar:

“opdat niemand uw kroon neme.”

Dat onderscheid is veelzeggend.

Waaruit bestaat dat loon?

Hier moeten we niet méér invullen dan de Schrift zegt.

Het Nieuwe Testament spreekt over loon, kronen, heerlijkheid, erkenning en toekomstige verantwoordelijkheid. Er zijn bovendien Schriftgedeelten waarin trouw verbonden wordt met toekomstig regeren.

Paulus schrijft bijvoorbeeld:

“Indien wij verdragen, wij zullen ook met Hem heersen…” (2 Timotheüs 2:12, STV)

De precieze aard en omvang van iedere toekomstige beloning wordt ons niet in een soort hemelse salaristabel uitgelegd.

Maar één ding is wel duidelijk:

God acht de trouw van Zijn kinderen van werkelijk en blijvend belang.

Wat wij hier doen, kan eeuwigheidswaarde hebben.

Niet iedere christelijke activiteit is ook waardevol

Dat is misschien nog confronterender.

1 Korinthe 3 zegt niet alleen dat slechte dingen verdwijnen. Paulus spreekt over werk dat iemand gebouwd heeft en dat desondanks kan verbranden.

Een mens kan dus religieus actief zijn en toch bouwen met hout, hooi en stoppelen.

Dat stelt andere vragen dan:

Hoeveel heb ik gedaan?

De belangrijkere vragen worden:

Waaruit kwam mijn dienst voort?

Voor Wie deed ik het?

Bouwde ik overeenkomstig Gods Woord?

Zocht ik menselijke erkenning of de goedkeuring van Christus?

Was mijn arbeid werkelijk vrucht van het nieuwe leven?

Een indrukwekkend christelijk bouwwerk kan in menselijke ogen succesvol lijken en voor Gods beoordeling nauwelijks waarde blijken te hebben.

Omgekeerd kan een leven dat hier vrijwel niemand opmerkt voor Hem kostbaar zijn.

Dat zet onze menselijke maatstaven behoorlijk op hun kop.

Dit ontneemt de gelovige zijn zekerheid niet

Sommigen worden nerveus zodra er over verantwoordelijkheid, werken en beoordeling wordt gesproken.

Dat is begrijpelijk wanneer men nooit geleerd heeft onderscheid te maken tussen behoud en loon.

Maar juist dat onderscheid geeft rust.

Mijn behoudenis rust niet op de kwaliteit van mijn christelijke prestaties.

Mijn behoudenis rust op Christus.

Tegelijkertijd geeft die zekerheid mij geen vrijbrief om mijn leven te verspillen.

Integendeel.

Juist omdat ik niet meer hoef te werken voor mijn redding, ben ik vrijgemaakt om te leven en te dienen vanuit mijn redding.

Genade schakelt verantwoordelijkheid niet uit.

Genade maakt ware dienst juist mogelijk.

Misschien moeten we stoppen met vragen naar het minimum

Een merkwaardige vraag die soms impliciet boven het christelijke leven hangt, is:

Hoeveel moet ik eigenlijk doen als ik toch al behouden ben?

Maar iemand die begrijpt wat hem in Christus geschonken is, zou uiteindelijk een andere vraag moeten stellen:

Heer, wat wilt U met het leven dat U mij gegeven hebt?

Niet uit angst dat Christus ons anders afwijst.

Niet om alsnog onze plaats in de hemel te verdienen.

Niet om tegenover andere christenen iets te bewijzen.

Maar uit dankbaarheid, geloof en liefde.

Paulus zegt:

“Zo dan, mijn geliefde broeders, zijt standvastig, onbewegelijk, altijd overvloedig zijnde in het werk des Heeren, als die weet, dat uw arbeid niet ijdel is in den Heere.” (1 Korinthe 15:58, STV)

Niet ijdel.

Dat is de belofte.

Werk dat werkelijk in den Heere geschiedt, is niet vergeefs.

Wat bouw jij op het Fundament?

Misschien is dat uiteindelijk de vraag die deze leer zo persoonlijk maakt.

Wanneer Christus ons Fundament is, ligt onze eeuwige zekerheid niet in onszelf.

Maar op dat Fundament wordt gebouwd.

Dag na dag.

Met onze tijd.

Met onze mogelijkheden.

Met onze woorden.

Met onze keuzes.

Met de kennis die God ons uit Zijn Woord geeft.

Met de wijze waarop wij anderen dienen.

Met datgene wat wij doen wanneer niemand kijkt.

Er komt een moment waarop openbaar zal worden hoedanig ons werk is geweest.

Dan kunnen menselijke reputatie, kerkelijke status, aantallen, zichtbaarheid en succes ineens volkomen betekenisloos blijken.

Want het oordeel daarover ligt bij Christus.

Daarom is de leer over het loon geen bedreiging voor de genade.

Het is juist een krachtige aansporing voor hen die door genade reeds behouden zijn.

Je hoeft niet te werken om kind van God te worden.

Maar als je in Christus nieuw leven ontvangen hebt, doet het ertoe hoe je dat leven besteedt.

Er kan loon zijn.

Er kan vol loon zijn.

Er kan schade zijn.

Er kan iets verloren gaan.

En toch blijft het fundament staan:

“Zo iemands werk zal verbrand worden, die zal schade lijden; maar zelf zal hij behouden worden, doch alzo als door vuur.” (1 Korinthe 3:15, STV)

Dat is tegelijkertijd volmaakte genade en ernstige verantwoordelijkheid.

De vraag voor de wedergeboren gelovige is daarom niet alleen:

Ben ik behouden?

Maar ook:

Als straks blijkt wat ik op Christus gebouwd heb — wat zal er dan overblijven?

YouTube player

De erfenis van de gelovige volgens de Bijbel

De erfenis van de gelovige volgens de Bijbel

De Bijbel spreekt op meerdere plaatsen over een erfenis die voor de gelovige is weggelegd. Die erfenis valt echter niet samen met het behoud zelf. Studie maakt duidelijk dat de gelovige wel behouden is, maar dat de erfenis in de toekomst ligt. Het huidige geloofsleven staat in het teken van verwachting, voorbereiding en vooruitgrijpen op wat beloofd is, en nog komen zal.

Het onderpand

Paulus schrijft in Efeze dat gelovigen, nadat zij tot geloof gekomen zijn,

“verzegeld zijn geworden met den Heiligen Geest der belofte, Die het onderpand is van onze erfenis, tot de verkregene verlossing” (Efeze 1:13–14).

Met deze woorden maakt de apostel duidelijk dat de Heilige Geest niet de erfenis zelf is, maar het onderpand ervan. Een onderpand is een voorschot, een garantie dat het volledige bezit nog zal volgen. Alles wat de gelovige nu ontvangt aan geestelijk leven, leiding en kracht, is daarom afgeleid van een erfenis die nog niet in bezit genomen is.

De Erfenis

De erfenis wordt in de Schrift verbonden met de toekomst, en in het bijzonder met de verlossing van het lichaam. Hoewel de gelovige nu al verlost is door het bloed van Christus, is die verlossing nog niet voltooid. Paulus spreekt hierover wanneer hij zegt dat wij zuchten in dit lichaam, verlangend naar de overkleding met het nieuwe, hemelse lichaam, en voegt daaraan toe dat God ons

 “het onderpand des Geestes gegeven heeft” (2 Korinthe 5:5).

De erfenis wordt dus pas volledig ontvangen bij de verheerlijking.

Meer dan eeuwig leven

De Bijbel benadrukt dat de erfenis meer omvat dan alleen eeuwig leven. Eeuwig leven is noodzakelijk om te kunnen erven, maar is niet de erfenis zelf. De Schrift spreekt over het erven van het Koninkrijk Gods, over heerlijkheid en over mede-erfgenaamschap met Christus. Paulus schrijft:

 “En indien wij kinderen zijn, zo zijn wij ook erfgenamen; erfgenamen van God en mede-erfgenamen van Christus; zo wij anders met Hem lijden, opdat wij ook met Hem verheerlijkt worden” (Romeinen 8:17).

Erven als vast gegeven

Hier wordt het erfgenaamschap als vast gegeven gepresenteerd, terwijl de verheerlijking verbonden wordt aan de geloofsweg.

Daarmee maakt de Schrift een duidelijk onderscheid tussen behoudenis en erven. Behoudenis is uit genade en staat vast voor iedere gelovige, zoals Paulus schrijft:

“Want uit genade zijt gij zalig geworden, door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave” (Efeze 2:8).

Erven daarentegen is verbonden aan volharding en trouw. Daarom kan Paulus tot gelovigen zeggen:

“Werkt uw zelfs zaligheid met vreze en beven” (Filippenzen 2:12).

Voltooiing

Deze oproep heeft geen betrekking op behouden worden, maar op de uitwerking en voltooiing van het geloofsleven.

De Bijbel laat bovendien zien dat een gelovige zijn erfenis kan mislopen zonder zijn kind schap te verliezen. Israël werd verlost uit Egypte, maar een hele generatie ging Kanaän niet binnen. Ezau bleef zoon van Izak, maar

“om één spijze gaf hij het recht van zijn eerstgeboorte weg” (Hebreeën 12:16).

Deze voorbeelden laten zien dat erven niet vanzelfsprekend is, ook niet voor wie tot het huis behoort.

Doel

Daarom wordt het leven van de gelovige in de Bijbel ook beschreven als een weg van voorbereiding. Men is uit de wereld getrokken met als doel om te groeien tot geestelijke volwassenheid en geschikt te worden om de erfenis te dragen. Het lijden van de gelovige is daarbij niet zinloos, maar erfgericht.

Wie met Christus lijdt, zal ook met Hem verheerlijkt worden.

Is er een kroon voor de gelovige?

Is er een kroon voor de gelovige?

De Schrift spreekt niet alleen over het ontvangen van eeuwig leven, maar ook over een kroon die voor de gelovige is weggelegd. Deze twee worden vaak op één lijn gezet, maar het Nieuwe Testament maakt daar zelf een duidelijk onderscheid in. Eeuwig leven is een gave van genade, terwijl de kroon behoort tot het loon dat in de toekomst geopenbaard zal worden.

Eeuwig leven wordt ontvangen op grond van het volbrachte werk van Christus. Dat is niet afhankelijk van menselijke inzet, volharding of trouw, maar uitsluitend van genade. Paulus verwoordt dat helder wanneer hij schrijft:

“Want uit genade zijt gij zalig geworden, door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave” (Efeze 2:8)

Het behoud is daarmee vast en zeker voor iedere gelovige.

Toekomst

Wanneer de Schrift echter spreekt over een kroon, verschuift de aandacht naar de toekomst. Het gebruikte beeld is niet dat van een koningskroon, maar van een overwinningskrans. Paulus gebruikt dat beeld wanneer hij schrijft:

“En een iegelijk, die om prijs strijdt, onthoudt zich in alles; deze dan om een verderfelijke kroon te ontvangen, maar wij een onverderfelijke” (1 Korinthe 9:25).

De kroon wordt hier verbonden aan de loopbaan, niet aan het begin ervan.

Dat de kroon toekomstig is, blijkt ook uit Paulus’ persoonlijke getuigenis aan het einde van zijn leven. Hij schrijft:

“Voorts is mij weggelegd de kroon der rechtvaardigheid, welke mij de Heere, de rechtvaardige Rechter, geven zal in dien dag; en niet alleen mij, maar ook allen, die Zijn verschijning liefgehad hebben” (2 Timotheüs 4:8).

De kroon is dus niet iets wat de gelovige nu reeds bezit, maar iets wat bewaard wordt tot de dag van Christus.

In Romeinen verbindt Paulus deze toekomstige verheerlijking aan het lijden met Christus. Hij schrijft:

“En indien wij kinderen zijn, zo zijn wij ook erfgenamen; erfgenamen van God en mede-erfgenamen van Christus; zo wij anders met Hem lijden, opdat wij ook met Hem verheerlijkt worden” (Romeinen 8:17).

Het kindschap en het erfgenaamschap staan vast, maar de verheerlijking wordt hier verbonden aan trouw en volharding.

Dat verklaart ook waarom Paulus tot gelovigen kan zeggen:

“Werkt uw zelfs zaligheid met vreze en beven” (Filippenzen 2:12).

Uitwerking

Deze woorden kunnen niet betekenen dat men zichzelf zou moeten behouden, want Paulus schrijft dit aan mensen die al zalig zijn. Het gaat hier om de uitwerking en voltooiing van het geloofsleven, niet om het verkrijgen van eeuwig leven, maar om het verkrijgen van loon.

De Schrift laat bovendien zien dat een gelovige loon kan missen. In Openbaring klinkt de ernstige waarschuwing:

“Houd dat gij hebt, opdat niemand uw kroon neme” (Openbaring 3:11).

Dat zegt ons dat de kroon ontvangen wordt, ook al is men een gelovige.

Het bekende voorbeeld van Ezau bevestigt dit principe. Van hem wordt gezegd dat hij

“om één spijze het recht van zijn eerstgeboorte weggaf” (Hebreeën 12:16).

Ezau bleef zoon, maar verloor zijn eerstgeboorterecht. Zo kan ook een gelovige behouden zijn en toch een deel van de erfenis missen.

De kroon behoort daarom niet tot het fundament van het geloof, maar tot de volheid van de erfenis. Het fundament is Christus alleen. Alles wat daarbovenuit ontvangen wordt, is verbonden aan trouw, volharding en het wandelen met Hem. De Heilige Geest, Die de gelovige nu reeds ontvangen heeft, is het onderpand van wat nog komt en wijst vooruit naar de toekomstige verheerlijking.

Zo laat de Schrift zien dat de kroon geen beloning is voor uitzonderlijke prestaties, maar het gevolg van een voleindigde loopbaan. Niet tot eer van de mens

Geverifieerd door MonsterInsights