Wie Jezus Christus is

Geen schepsel, maar Schepper

Sektes en dwaalwegen hebben vaak als gemeenschappelijke factor dat Jezus wordt geportetteerd als was Hij slechts een profeet, of hooguit een veredeld werktuig van God. In werkelijkheid laat de Schrift Hem ons zien Wie hij echt is.

Johannes 1 laat zonder omwegen zien dat Jezus Christus Schepper is en geen schepsel. Het Woord was in den beginne, het Woord was bij God en het Woord was God. Alles wat gemaakt is, is door Hem gemaakt. Daarmee sluit de Schrift uit dat Christus Zelf tot de geschapen werkelijkheid behoort.

“In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God” (Johannes 1:1 STV)

Dat ene vers werpt elke gedachte omver dat Christus slechts een bijzonder mens, een verheven engel, een eerste schepsel of een door God gebruikt instrument zou zijn. Johannes zegt niet: in den beginne werd het Woord. Hij zegt: “was”. Het Woord bestond reeds. Voordat iets begon, was Hij er al.

En dan volgt de beslissende uitspraak:

“Alle dingen zijn door Hetzelve gemaakt, en zonder Hetzelve is geen ding gemaakt, dat gemaakt is” (Johannes 1:3 STV)

Dat is geen vrome grootspraak Dat is een absolute grenslijn. Alles wat gemaakt is, is door Hem gemaakt. Als alles wat gemaakt is door Hem gemaakt is, dan kan Hij Zelf niet behoren tot de dingen die gemaakt zijn. Hij staat niet aan de kant van het geschapene. Hij staat aan de kant van de Schepper.

Wie Johannes 1 serieus leest, kan niet volhouden dat Jezus Christus slechts een schepsel is. Hij is de Schepper door Wie alle dingen gemaakt zijn.

 

Het Woord was God

Johannes begint hoger dan Bethlehem

Wie de Here Jezus alleen bij Zijn menswording laat beginnen, mist de majesteit van Johannes 1. De geboorte van Christus is niet het begin van Zijn bestaan, maar Zijn komst in het vlees.

“En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond” (Johannes 1:14 STV)

Het Woord werd vlees. Niet: een mens werd later goddelijk. Niet: een schepsel werd verheven tot hemelse waardigheid. Niet: een engel nam een menselijke gedaante aan. Maar het eeuwige Woord, Dat bij God was en God was, werd vlees.

Dit is het wonder van de menswording. De Schepper kwam Zijn eigen schepping binnen. Hij nam deel aan vlees en bloed. Hij kwam werkelijk onder ons wonen. Niet als toeschouwer, maar als Degene Die Zich vernederde, leed, stierf en opstond.

Daarom is het belijden van Christus als Schepper geen theologische luxe. Het raakt het hart van het Evangelie. Als Hij slechts een schepsel was, kon Hij de schepping niet dragen, niet verlossen en niet tot haar doel brengen. Maar juist omdat Hij de Schepper is, heeft Zijn werk eeuwige waarde.

 

Het Woord was God

Johannes 1:1 zegt niet alleen dat het Woord bij God was. Het zegt ook:

“En het Woord was God” (Johannes 1:1 STV)

Hier worden twee dingen tegelijk bewaard. Het Woord is onderscheiden van God, want het Woord was bij God. En het Woord is Zelf God, want het Woord was God.

Daarom mogen wij Christus niet reduceren tot een verschijning, een kracht, een idee, een plan of een geschapen tussenpersoon. Het Woord is persoonlijk. Het Woord is eeuwig. Het Woord is God. En datzelfde Woord is vlees geworden.

Dit is geen filosofie, maar openbaring. De Schrift begint bij wat God zegt over Zijn Zoon. Niet onze kerkelijke modellen, niet menselijke redeneringen en niet religieuze traditie hebben het laatste woord, maar de Schrift.

En de Schrift is helder: Hij Die onder ons woonde, is Dezelfde door Wie alle dingen gemaakt zijn.

 

Alle dingen zijn door Hem gemaakt

Johannes 1:3 is één van de krachtigste Bijbelse bewijzen dat Christus niet geschapen is, maar Zelf de Schepper is van alles wat bestaat.

“Alle dingen zijn door Hetzelve gemaakt, en zonder Hetzelve is geen ding gemaakt, dat gemaakt is” (Johannes 1:3 STV).

Let op de dubbele nadruk. Eerst positief: alle dingen zijn door Hem gemaakt. Daarna negatief: zonder Hem is niets gemaakt dat gemaakt is.

Daarmee sluit Johannes elke uitzonderingspositie uit. Er bestaat geen geschapen werkelijkheid die buiten het Woord om tot stand kwam. Hemel en aarde, zichtbare en onzichtbare dingen, machten, ordeningen, leven, licht, tijd en ruimte: alles is door Hem.

Paulus zegt hetzelfde in Kolossenzen:

“Want door Hem zijn alle dingen geschapen, die in de hemelen en die op de aarde zijn, die zienlijk en die onzienlijk zijn, hetzij tronen, hetzij heerschappijen, hetzij overheden, hetzij machten; alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen” (Kolossenzen 1:16 STV).

Ook hier is de taal totaal. Alle dingen zijn door Hem geschapen. Alle dingen zijn tot Hem geschapen. Christus is dus niet alleen Degene door Wie God schiep, maar ook Degene tot Wie alles geschapen is.

Wie Christus tot schepsel maakt, botst frontaal met deze woorden. Want Paulus plaatst Hem niet binnen de categorie “geschapen dingen”, maar boven alle geschapen dingen als hun Oorsprong, Middelaar en Doel.

 

Uit Hem, door Hem en tot Hem

Romeinen 11:36 geeft een machtige samenvatting van Gods verhouding tot alle dingen:

“Want uit Hem, en door Hem, en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen” (Romeinen 11:36 STV).

Alle dingen zijn uit Hem. God is de Bron.
Alle dingen zijn door Hem. God is de Werkende.
Alle dingen zijn tot Hem. God is het Doel.

Romeinen 11:36 laat zien dat alle dingen uit God, door God en tot God zijn. Kolossenzen 1:16 past diezelfde heerlijkheid toe op Christus: alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen.

Daarmee ontstaat geen concurrentie tussen God en Christus. Integendeel. Het laat zien Wie Christus werkelijk is. Hij deelt niet in de eer van een schepsel, maar in de heerlijkheid van God Zelf.

Daarom is de aanbidding van Christus geen afgoderij. Het zou afgoderij zijn als Hij een schepsel was. Maar omdat Hij God is, is het ongeloof als men Hem die eer onthoudt.

 

Waarom Christus geen schepsel kan zijn

De redenering van Johannes is eenvoudig en vernietigend voor elke leer die Christus tot schepsel maakt.

Als alle dingen die gemaakt zijn door het Woord gemaakt zijn, dan behoort het Woord Zelf niet tot de gemaakte dingen. Anders zou Hij Zichzelf gemaakt moeten hebben. Dat is onmogelijk.

Johannes verdeelt de werkelijkheid in twee categorieën: het Woord en alles wat door het Woord gemaakt is. Christus staat niet in de tweede categorie, maar in de eerste. Hij is niet één van de dingen die gemaakt zijn. Hij is Degene door Wie alle dingen gemaakt zijn.

Daarom kan men niet tegelijk Johannes 1 geloven en beweren dat Christus een geschapen wezen is. Die twee sluiten elkaar uit.

Ook Kolossenzen 1 laat dat zien. Paulus zegt niet dat sommige dingen door Christus geschapen zijn. Hij zegt:

“Alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen” (Kolossenzen 1:16 STV).

Als alle dingen door Hem en tot Hem geschapen zijn, dan is Hij de Schepper en het Doel van de schepping. Dat kan van geen enkel schepsel gezegd worden.

Een engel kan dienen. Een profeet kan spreken. Een koning kan regeren. Een apostel kan getuigen. Maar geen enkel schepsel kan de Bron, Middelaar en het Doel van alle dingen zijn. Die plaats behoort aan God alleen.

 

De Schepper kwam tot het Zijne

Johannes schrijft vervolgens:

“Hij was in de wereld, en de wereld is door Hem gemaakt; en de wereld heeft Hem niet gekend. Hij is gekomen tot het Zijne, en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen” (Johannes 1:10-11 STV).

Dat is de aangrijpende tragedie van de mensheid. De Schepper kwam in Zijn eigen wereld, maar de wereld herkende Hem niet. Hij kwam tot het Zijne, maar de Zijnen namen Hem niet aan.

Hier ligt ook de ernst van alle dwaalleer over Christus. Het gaat niet om een klein verschil in terminologie. Wie Christus verlaagt, miskent Hem in Zijn heerlijkheid. Wie Hem tot schepsel maakt, spreekt Hem tegen Die zegt dat alle dingen door Hem gemaakt zijn.

De wereld heeft Hem niet gekend. Maar religie kan Hem óók missen. Men kan over Jezus spreken, Hem bewonderen, Hem profeet noemen, Hem voorbeeld noemen, Hem zelfs “zoon” noemen in een uitgeholde betekenis, en toch weigeren Hem te erkennen als het eeuwige Woord, God geopenbaard in het vlees.

 

Kinderen Gods door Hem

Johannes blijft niet steken bij de afwijzing. Hij schrijft:

“Maar zovelen Hem aangenomen hebben, dien heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden, namelijk die in Zijn Naam geloven” (Johannes 1:12 STV).

Let goed op: men wordt geen kind van God door natuurlijke afkomst, religieuze traditie, menselijke wilskracht of kerkelijke aansluiting!.

Johannes vervolgt:

“Welke niet uit den bloede, noch uit den wil des vleses, noch uit den wil des mans, maar uit God geboren zijn” (Johannes 1:13 STV).

De Schepper geeft leven. Het Woord in Wie het leven was, brengt mensen tot nieuw leven. Daarom is de belijdenis van Christus als Schepper direct verbonden met wedergeboorte. Hij is niet slechts een leraar Die informatie geeft. Hij is het Leven Zelf.

“In Hetzelve was het Leven, en het Leven was het Licht der mensen” (Johannes 1:4 STV).

Wie Hem ontvangt, ontvangt niet slechts een leer, maar leven. Wie in Zijn Naam gelooft, wordt uit God geboren.

 

Genade en waarheid door Jezus Christus

Johannes zet Mozes en Christus naast elkaar, niet om Mozes te verachten, maar om Christus te verheerlijken:

“Want de wet is door Mozes gegeven, de genade en de waarheid is door Jezus Christus geworden” (Johannes 1:17 STV).

Mozes was een dienstknecht. Christus is de Zoon. Mozes ontving en gaf de wet. Christus bracht genade en waarheid in alle volheid. Mozes wees vooruit. Christus is de vervulling.

De wet eist. Christus geeft.
De wet legt schuld bloot. Christus brengt verzoening.
De wet veroordeelt de zondaar. Christus redt de schuldige door genade.

Daarom is het Evangelie niet dat de mens zichzelf opwerkt tot God, maar dat God in Christus tot de mens kwam. De Schepper werd vlees. De Rechter werd Verlosser. Het Licht kwam in de duisternis.

 

De Zoon verklaart de Vader

Johannes sluit zijn majestueuze inleiding af met deze woorden:

“Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, Die in den schoot des Vaders is, Die heeft Hem ons verklaard” (Johannes 1:18 STV).

Christus verklaart God. Niet als iemand die van buitenaf iets over God geleerd heeft, maar als de eniggeboren Zoon, Die in de schoot des Vaders is. Hij kent de Vader volkomen. Hij openbaart de Vader volkomen.

Wie Hem ziet, ziet geen schepsel dat iets van God weerspiegelt, maar de Zoon Die de Vader verklaart.

Daarom kan niemand om Christus heen. Niet de theoloog. Niet de scepticus. Niet de religieuze mens. Niet de moderne vrijzinnige. Niet de sekte die Hem verlaagt tot schepsel. Niet de vrome mens die Hem prijst, maar Hem niet werkelijk aanbidt.

De vraag is niet of wij Jezus een plaats willen geven in ons denken. De vraag is of wij buigen voor Wie Hij volgens de Schrift is.

 

Aanbidding is de enige passende reactie

De Bijbelse lijn is helder.

Het Woord was er in den beginne.
Het Woord was bij God.
Het Woord was God.
Alle dingen zijn door Hem gemaakt.
Zonder Hem is niets gemaakt dat gemaakt is.
Het Woord is vlees geworden.
Alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen.
Alle dingen zijn uit Hem, door Hem en tot Hem.

Daarom is de conclusie onontkoombaar: de Here Jezus Christus is geen schepsel, maar Schepper.

Wie Hem kleiner maakt, maakt het Evangelie kleiner. Wie Hem tot schepsel maakt, berooft Hem van Zijn heerlijkheid. Wie Hem slechts ziet als voorbeeld, mist Hem als Verlosser. Wie Hem slechts ziet als gezant, mist Hem als het eeuwige Woord.

Maar wie Hem gelooft zoals de Schrift Hem openbaart, ziet in Hem de heerlijkheid van God.

“En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond, en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als des Eniggeborenen van den Vader, vol van genade en waarheid” (Johannes 1:14 STV).

Johannes 1 dwingt ons tot aanbidding. Niet tot vage bewondering, maar tot diepe erkenning: Hij Die in nederigheid kwam, is de eeuwige Schepper. Hij Die verworpen werd door de wereld, is Degene door Wie de wereld gemaakt is. Hij Die vlees werd, is het Woord Dat God was.

Daarom eindigt alle echte Bijbelse Christusbelijdenis niet in discussie, maar in aanbidding.

Wie de Schrift laat spreken, komt bij deze belijdenis uit: Jezus Christus is het eeuwigblijvende Woord, geen schepsel maar Schepper, en alle dingen zijn uit Hem, door Hem en tot Hem.

“Want uit Hem, en door Hem, en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen” (Romeinen 11:36 STV).

 

Jezus is JHWH

Wie Hij is volgens de Schrift

Was Jezus slechts een bijzondere leraar? Een profeet? Een door God gezonden mens met een unieke roeping? Of is Hij werkelijk de HEERE Zelf, geopenbaard in het vlees?

Dat is geen bijzaak. Hier staat het hart van het christelijk geloof op het spel. Want als Jezus niet werkelijk God is, dan is Hij niet de volkomen Zaligmaker. Dan is Zijn werk niet het werk van God Zelf. Dan is Zijn bloed niet van oneindige waarde. Dan is aanbidding van Christus afgoderij.

Maar als Jezus wél JHWH is, dan is knielen voor Hem geen overdrijving, maar gehoorzaamheid. Dan is Hem aanroepen geen vrome vergissing, maar reddend geloof. Dan is Zijn Naam niet zomaar een naam, maar de Naam boven alle naam.

De Schrift laat daar geen onduidelijkheid over bestaan.

de Godheid van Jezus Christus
Jezus is JHWH

 

Niet beginnen bij de kerk, maar bij de Schrift

Veel discussies over de Godheid van Christus lopen direct vast in latere dogmatische termen. Dan gaat het meteen over “drie Personen”, “wezen”, “natuur” en “essentie”. Dat kan nuttig zijn om dwaling af te grenzen, maar de eerste vraag moet eenvoudiger zijn:

Wat doet de Schrift met Jezus?

Noemt deze Hem slechts een mens? Of schrijft deze Hem namen, werken, eer, aanbidding en oudtestamentische JHWH-teksten toe?

Wanneer je die vraag eerlijk stelt, wordt het beeld overweldigend helder: het Nieuwe Testament presenteert Jezus niet als een geschapen tussenwezen, niet als een verheven engel, niet als een profeet zoals velen, niet als een tweede god, maar als de Heere Zelf Die gekomen is in vernedering.

 

De weg van JHWH wordt de weg van Jezus

Jesaja profeteert:

“Een stem des roependen in de woestijn: Bereidt den weg des HEEREN, maakt recht in de wildernis een baan voor onzen God.” Jesaja 40:3 (STV)

Dat gaat in Jesaja over de weg van de HEERE. Over JHWH. Over onze God.

Maar Markus opent zijn Evangelie zo:

“Gelijk geschreven is in de profeten: Ziet, Ik zend Mijn engel voor Uw aangezicht, die Uw weg voor U heen bereiden zal. De stem des roependen in de woestijn: Bereidt den weg des Heeren, maakt Zijn paden recht.” Markus 1:2-3 (STV)

En over wie gaat dat? Over Jezus Christus, voor Wie Johannes de Doper uitgaat.

Dat is een enorme aanwijzing. De profetie over het bereiden van de weg van JHWH wordt toegepast op de komst van Jezus. Johannes bereidt niet slechts de weg voor een profeet. Hij bereidt de weg voor de Heere.

 

De Naam des HEEREN aanroepen

Joël zegt:

“En het zal geschieden, al wie den Naam des HEEREN zal aanroepen, zal behouden worden;” Joël 2:32 (STV)

Paulus citeert dit in Romeinen:

“Want een iegelijk, die den Naam des Heeren zal aanroepen, zal zalig worden.” Romeinen 10:13 (STV)

Maar de context van Romeinen 10 gaat over het belijden van Jezus als Heere:

“Namelijk, indien gij met uw mond zult belijden den Heere Jezus, en met uw hart geloven, dat God Hem uit de doden opgewekt heeft, zo zult gij zalig worden.” Romeinen 10:9 (STV)

Dat is geen toevallige overeenkomst. Paulus neemt een tekst over het aanroepen van de Naam van JHWH en plaatst die in het kader van het geloof in de Heere Jezus. De reddende aanroeping van de HEERE is in het Nieuwe Testament niet los verkrijgbaar van de Naam van Jezus Christus.

Wie Jezus aanroept als Heere, roept niet een lagere heer aan. Hij roept de HEERE aan.

 

Thomas spreekt Jezus aan als God

Na de opstanding ontmoet Thomas de levende Christus. Zijn reactie is niet: “Mijn leraar.” Niet: “Mijn meester.” Niet eens alleen: “Mijn Messias.”

Hij zegt:

“Mijn Heere en mijn God!” Johannes 20:28 (STV)

Dat is rechtstreeks gericht tot Jezus.

En wat doet Jezus? Hij wijst Thomas niet terecht. Hij zegt niet: “Thomas, pas op, alleen de Vader is God.” Hij zegt niet: “Noem Mij zo niet.” Integendeel:

“Jezus zeide tot hem: Omdat gij Mij gezien hebt, Thomas, zo hebt gij geloofd; zalig zijn zij, die niet zullen gezien hebben, en nochtans zullen geloofd hebben.” Johannes 20:29 (STV)

De belijdenis van Thomas wordt door Jezus verbonden met geloof. Het Evangelie naar Johannes loopt juist naar deze belijdenis toe: Jezus is de Christus, de Zoon van God, en in Hem is het leven.

 

Het Woord was God

Johannes begint zijn Evangelie niet bij Bethlehem, maar vóór de schepping:

“In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God.” Johannes 1:1 (STV)

Daarna zegt Johannes:

“Alle dingen zijn door Hetzelve gemaakt, en zonder Hetzelve is geen ding gemaakt, dat gemaakt is.” Johannes 1:3 (STV)

En vervolgens:

“En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond,” Johannes 1:14 (STV)

Dat is de kern. Het Woord werd niet geschapen. Het Woord was. Het Woord was bij God. Het Woord was God. En dat Woord is vlees geworden.

Dat betekent niet dat Jezus ophield God te zijn toen Hij mens werd. Het betekent dat Hij werkelijk mens werd zonder op te houden te zijn Wie Hij eeuwig is.

 

“Eer Abraham was, ben Ik”

In Johannes 8 zegt Jezus:

“Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Eer Abraham was, ben Ik.” Johannes 8:58 (STV)

Hij zegt niet: “Eer Abraham was, was Ik.” Hij zegt: “ben Ik.”

De reactie van de Joden zegt veel:

“Zij namen dan stenen op, dat zij ze op Hem wierpen;” Johannes 8:59 (STV)

Waarom zo heftig? Omdat zij begrepen dat Jezus méér zei dan beweren dat Hij ouder was dan Abraham. Hij sprak in termen die raken aan de Goddelijke zelfopenbaring. Hij plaatst Zich niet slechts vóór Abraham in de tijd, maar boven Abraham in wezen en heerlijkheid.

 

De volheid der Godheid woont in Hem

Paulus schrijft aan de Kolossenzen:

“Want in Hem woont al de volheid der Godheid lichamelijk;” Kolossenzen 2:9 (STV)

Niet: in Hem woont iets Goddelijks. Niet: in Hem woont een bijzondere kracht. Niet: in Hem woont een afstraling van God.

“Al de volheid der Godheid.”

En dat “lichamelijk”. Juist in Christus, de Mens geworden Zoon, woont de volheid der Godheid. Dat bewaart ons voor twee dwalingen tegelijk. We mogen Zijn Godheid niet verkleinen. En we mogen Zijn echte mensheid niet wegredeneren.

 

Jezus is Schepper, niet schepsel

De Schrift maakt een absoluut onderscheid tussen de Schepper en het geschapene. Alles wat gemaakt is, behoort tot de schepping. God alleen is de Schepper.

Maar over Christus staat geschreven:

“Want door Hem zijn alle dingen geschapen, die in de hemelen en die op de aarde zijn, die zienlijk en die onzienlijk zijn, hetzij tronen, hetzij heerschappijen, hetzij overheden, hetzij machten; alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen;” Kolossenzen 1:16 (STV)

En daarna:

“En Hij is vóór alle dingen, en alle dingen bestaan te zamen door Hem;” Kolossenzen 1:17 (STV)

Dat is geen taal voor een schepsel. Een schepsel behoort tot “alle dingen” die geschapen zijn. Christus staat daar niet in als onderdeel van de schepping, maar erboven als Degene door Wie en tot Wie alle dingen geschapen zijn.

 

De Zoon wordt aangesproken als God

Hebreeën 1 is vernietigend voor elke leer die Christus verlaagt tot engel, schepsel of ondergod. Over de Zoon wordt gezegd:

“Maar tot den Zoon zegt Hij: Uw troon, o God, is in alle eeuwigheid; de schepter Uws Koninkrijks is een rechte schepter.” Hebreeën 1:8 (STV)

God spreekt de Zoon aan als God.

Daarna wordt op de Zoon toegepast:

“En: Gij, Heere, hebt in den beginne de aarde gegrond, en de hemelen zijn werken Uwer handen;” Hebreeën 1:10 (STV)

Dat is scheppingstaal. Dat is HEERE-taal. De Zoon staat niet aan de kant van de engelen. Hij staat oneindig boven hen.

 

Jezus ontvangt aanbidding

Wanneer mensen of engelen in de Schrift ten onrechte aanbidding ontvangen, wordt dat afgewezen. Maar Jezus ontvangt aanbidding.

Na de storm op zee lezen we:

“Die nu in het schip waren, kwamen en aanbaden Hem, zeggende: Waarlijk, Gij zijt Gods Zoon!” Mattheüs 14:33 (STV)

Na de opstanding:

“En zij aanbaden Hem, en keerden weder naar Jeruzalem met grote blijdschap.” Lukas 24:52 (STV)

Als Jezus slechts een schepsel was, zou dit geestelijk rampzalig zijn. Dan zou het Nieuwe Testament afgoderij goedkeuren. Maar dat doet het niet. Het laat zien dat de aanbidding van Christus past bij Wie Hij is.

 

Toch is Jezus ook werkelijk Mens

De belijdenis “Jezus is JHWH” mag nooit veranderen in een ontkenning van Zijn menswording. Dat zou geen Bijbelse Christusleer zijn, maar een geestelijke kortsluiting.

De Schrift zegt:

“ Want dat gevoelen zij in u, hetwelk ook in Christus Jezus was,

Die in de gestaltenis Gods zijnde, geen roof geacht heeft Gode evengelijk te zijn,

Maar heeft Zichzelven vernietigd, de gestaltenis eens dienstknechts aangenomen hebbende, en is den mensen gelijk geworden;

En in gedaante gevonden als een mens, heeft Hij Zichzelven vernederd, gehoorzaam geworden zijnde tot den dood, ja, den dood des kruises.

Daarom heeft Hem ook God uitermate verhoogd en heeft Hem een Naam gegeven, welke boven allen naam is,

 Opdat in den Naam van Jezus zich zou buigen alle knie dergenen die in den hemel, en die op de aarde, en die onder de aarde zijn” Filippenzen 2:5-10 (STV)

“Want er is één God, er is ook één Middelaar Gods en der mensen, de Mens Christus Jezus;” 1 Timotheüs 2:5 (STV)

En:

“Maar wanneer de volheid des tijds gekomen is, heeft God Zijn Zoon uitgezonden, geworden uit een vrouw, geworden onder de wet;” Galaten 4:4 (STV)

Hij is werkelijk Mens geworden. Niet schijnbaar. Niet als toneelstuk. Niet als God in een menselijk omhulsel. Hij is geboren uit een vrouw, gekomen onder de wet, vernederd, gehoorzaam geworden, gestorven en opgewekt.

Daarom moeten we zorgvuldig spreken. Jezus is niet de Vader. De Zoon bidt tot de Vader. De Vader zendt de Zoon. De Zoon gehoorzaamt de Vader in Zijn vernederde positie. Maar dat onderscheid in verhouding betekent geen ontkenning van Zijn Godheid.

De Zoon is dus God en Mens.

 

Waarom dit leerstellig zo belangrijk is

Als Jezus niet JHWH is, ontstaat er onmiddellijk een verlossingsprobleem.

Een schepsel kan geen eeuwige verlossing dragen. Een engel kan geen Zaligmaker van zondaren zijn. Een louter mens kan niet het Lam van oneindige waarde zijn. De zonde is tegen God begaan; de verlossing moet van God komen.

Daarom is het Evangelie zo groot: God heeft niet slechts iemand gestuurd. God is Zelf gekomen in de Persoon van Zijn Zoon.

“God was in Christus de wereld met Zichzelven verzoenende, hun zonden hun niet toerekenende; en heeft het woord der verzoening in ons gelegd.” 2 Korinthe 5:19 (STV)

Dat is geen krachteloos Evangelie. Dat is geen religieuze verbetering. Dat is God Die Zelf handelt tot verlossing van verloren mensen.

 

De Naam boven alle naam

Paulus schrijft over Christus’ vernedering en verhoging:

“Daarom heeft Hem ook God uitermate verhoogd, en heeft Hem een Naam gegeven, welke boven allen naam is;” Filippenzen 2:9 (STV)

En dan:

“Opdat in den Naam van Jezus zich zou buigen alle knie dergenen, die in den hemel, en die op de aarde, en die onder de aarde zijn;” Filippenzen 2:10 (STV)

Dat grijpt terug op de taal van Jesaja:

“Ik heb gezworen bij Mijzelven, er is een woord der gerechtigheid uit Mijn mond gegaan, en het zal niet wederkeren: dat Mij alle knie zal gebogen worden, alle tong Mij zal zweren.” Jesaja 45:23 (STV)

Wat bij Jesaja aan JHWH toekomt, wordt in Filippenzen verbonden met de Naam van Jezus. Iedere knie zal buigen. Iedere tong zal belijden.

Niet omdat Jezus een concurrent van God is. Maar omdat Hij deelt in de Goddelijke heerlijkheid.

 

Geen latere uitvinding, maar Bijbelse belijdenis

De Godheid van Christus is geen kerkelijke versiering die later aan een eenvoudige Jezus is toegevoegd. Zij ligt ingebed in het getuigenis van apostelen en profeten.

Hij is het Woord dat God was.
Hij is de Heere voor Wie Johannes de weg bereidde.
Hij is Degene op Wie JHWH-teksten worden toegepast.
Hij is Schepper en Onderhouder van alle dingen.
Hij wordt aangesproken als God.
Hij ontvangt aanbidding.
Hij draagt de Naam boven alle naam.
In Hem woont al de volheid der Godheid lichamelijk.

Wie Hem verlaagt, verliest de Christus van de Schrift.

 

Samengevat

Jezus is JHWH

Niet als losse slogan. Niet als dogmatische spierballentaal. Maar als de onontkoombare conclusie van Schrift met Schrift vergelijken.

De HEERE Die Israël leidde, de HEERE van Wie de profeten spraken, de HEERE Wiens Naam aangeroepen wordt tot zaligheid, is in de volheid des tijds gekomen in de Persoon van Jezus Christus.

Hij kwam in vernedering. Hij werd vlees. Hij droeg onze zonden. Hij stierf. Hij stond op. Hij is verhoogd. En Hij komt weder.

Daarom is de vraag niet alleen of wij kunnen uitleggen dat Jezus JHWH is. De vraag is ook of wij Hem zo belijden, aanbidden en vertrouwen.

Want wie Jezus slechts bewondert als leraar of profeet, blijft op afstand.
Wie Hem erkent als JHWH geopenbaard in het vlees, buigt.

En daar begint aanbidding.

Circular wheel diagram with a central circle reading “JESUS IS YAHWEH,” surrounded by labeled segments (God, Creator, Light, Savior, Judge, The First and The Last, Rock, etc.). Each segment contains Bible cross-references to support the claim.

Waarom de kerkelijke drie-eenheidsleer schuurt met de Schrift

De drie-eenheidsleer getoetst aan de Schrift

De vraag is niet of Christus Goddelijk is. De vraag is of de kerkelijke formule van ‘drie Personen in één Wezen’ de taal van de Schrift is.

Er zijn woorden die zo vertrouwd klinken dat bijna niemand nog vraagt wat ze precies betekenen.
“Drie-eenheid” is zo’n woord.

Voor velen is het de hoogste toets van rechtzinnigheid geworden. Wie het woord gebruikt, zit veilig. Wie er vragen bij stelt, wordt al snel verdacht gemaakt. Alsof de geloofsbelijdenis van Nicea of Athanasius zelf uit de hemel is gevallen. Alsof de apostelen met dezelfde termen spraken. Alsof Petrus op Pinksteren zei: “Bekeert u en gelooft in één Wezen, bestaande uit drie onderscheiden Personen, gelijk in eeuwigheid en hoedanigheid.”

Maar dat zei Petrus niet.

Hij predikte Christus.

Daar begint het onderscheid.

Niet bij de Godheid van Christus. Die staat uitdrukkelijk niet ter discussie.

Niet bij de Majesteit van de Vader. Niet bij het werk van de Heilige Geest.

Maar bij het kerkelijke systeem dat later over de Bijbelse openbaring heen is gelegd. Een systeem dat vaak meer lijkt op een leerstellige gietmal dan op de levende taal van de Schrift.

Drie eenheidsleer

De Bijbel spreekt anders dan het dogma

De klassieke drie-eenheidsleer zegt:

‘de Vader is God, de Zoon is God, de Heilige Geest is God; toch zijn het geen drie Goden maar één God. Vervolgens wordt daar een reeks dogmatische beschermhekken omheen gezet: niet vermengen, niet scheiden, geen eerder of later, geen meer of minder, drie Personen, één Wezen.’

Dat klinkt strak. Sluitend zelfs.

Maar de vraag is niet of het kerkelijk klopt.

De vraag is: spreekt de Schrift zo?

Dat zullen we zien.

De Schrift spreekt over God. Over Zijn Woord. Over Zijn Zoon. Over de Vader. Over de Geest. Over Christus als Beeld van de onzienlijke God. Over Zijn vernedering. Over Zijn gehoorzaamheid. Over Zijn vernedering, Zijn dood  Over Zijn opstanding. Over Zijn verhoging. Over Zijn aanstelling tot Heere en Christus. Over Zijn wederkomst. Over Zijn Koninkrijk.

Dat is geen abstract rekenschema. Dat is heilsgeschiedenis.

Het kerkelijke dogma bevriest die levende openbaring tot een formule. En zodra een formule de Schrift gaat beheersen in plaats van dienen, ontstaat er geestelijke kortsluiting.

Christus wordt niet minder als het dogma wordt bevraagd

Laat dit duidelijk zijn: wie de Godheid van Christus ontkent, snijdt diep in het hart van het Evangelie. De Here Jezus Christus is geen schepsel, geen engel, geen verheven profeet, geen halfgod, geen religieus tussenpersoon.

Hij is de Heer.

Paulus schrijft:

“Dewelke is het Beeld des onzienlijken Gods, de Eerstgeborene aller kreaturen.” Kolossenzen 1:15 (STV)

En Thomas belijdt na de opstanding:

“Mijn Heere en mijn God.” Johannes 20:28 (STV)

Daar is niets van af te dingen.

Omdat Christus zo groot is, moeten wij Hem niet opsluiten in kerkelijke terminologie die de Schrift zelf niet gebruikt. Het gevaar is niet dat Christus te hoog wordt beleden. Het gevaar is dat Zijn Bijbelse heerlijkheid wordt vervangen door een dogmatische constructie.

Dan belijd je misschien orthodoxe woorden, maar raak je de Bijbelse lijnen en het Bijbels getuigenis kwijt.

Vader en Zoon zijn geen losse vakjes in een hemels schema

In de Schrift zijn “Vader” en “Zoon” geen kille technische termen. Ze spreken over oorsprong, zending, erfenis, vertegenwoordiging, Messiaanse aanstelling en Koninklijke waardigheid.

Psalm 2 zegt:

“Ik zal van het besluit verhalen: De HEERE heeft tot Mij gezegd: Gij zijt Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd.” Psalm 2:7 (STV)

Dat “heden” is geen detail. Het wordt in het Nieuwe Testament verbonden met Christus’ opstanding en verhoging. Paulus zegt in Antiochië:

“Gelijk ook in den tweeden psalm geschreven staat: Gij zijt Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd.” Handelingen 13:33 (STV)

Hier gaat het niet over een kerkelijk schema waarin eeuwige verhoudingen worden vastgeklonken Hier gaat het over de opgestane Christus, Die door God wordt aangewezen als de Zoon, de Erfgenaam, de Koning.

Dat is niet minder heerlijk. Het is veel concreter.

De Bijbel spreekt niet in de taal van een dogmatisch diagram. De Bijbel spreekt in de taal van belofte, vervulling, opstanding en verhoging.

Handelingen 2 past niet netjes in de klassieke formule

Petrus zegt op Pinksteren:

“Zo wete dan zekerlijk het ganse huis Israëls, dat God Hem tot een Heere en Christus gemaakt heeft, namelijk dezen Jezus, Dien gij gekruist hebt.” Handelingen 2:36 (STV)

Dat vers schuurt.

Niet met Christus’ heerlijkheid.
Wel met een platte dogmatiek waarin geen ruimte lijkt te zijn voor “gemaakt”, “gesteld”, “verhoogd” en “gegeven”.

Petrus zegt hier niet dat Jezus pas ná de opstanding begon te bestaan. Dat zou dwaasheid zijn. Maar hij zegt wel dat God Hem, de gekruisigde Jezus, tot Heere en Christus gemaakt heeft. Dat is Bijbelse taal. Aanstellingstaal. Koninkrijkstaal. Opstandingstaal.

De kerkelijke formule “geen eerder of later, geen meer of minder” klinkt dan ineens te glad. Te vlak. Te weinig historisch. Te weinig verbonden met de weg van vernedering naar verhoging.

Want de Schrift zegt ook:

“Daarom heeft Hem ook God uitermate verhoogd, en heeft Hem een Naam gegeven, welke boven allen naam is.” Filippenzen 2:9 (STV)

Merk op dat woord: daarom.

Christus vernederde Zich.
Christus werd gehoorzaam tot de dood.
Daarom heeft God Hem uitermate verhoogd.

Dat is geen toneelstukje. Dat is geen schijnbeweging binnen een onbeweeglijk schema. Dat is de weg van de Middelaar.

De vernedering van Christus wordt weggeredeneerd

Een groot bezwaar tegen de kerkelijke drie-eenheidsleer is dat zij de vernedering van Christus vaak meteen neutraliseert.

Men zegt dan: ja, naar Zijn menselijke natuur was Hij minder, maar naar Zijn Goddelijke natuur bleef Hij volkomen gelijk. Formeel is dat begrijpelijk. Maar als die uitleg ertoe leidt dat de volle ernst van Christus’ vernedering verdampt, is er iets mis.

De Schrift spreekt ronduit:

“Die in de gestaltenis Gods zijnde, geen roof geacht heeft Gode evengelijk te zijn; Maar heeft Zichzelven vernietigd, de gestaltenis eens dienstknechts aangenomen hebbende, en is den mensen gelijk geworden.” Filippenzen 2:6-7 (STV)

En ook:

“Maar wij zien Jezus met heerlijkheid en eer gekroond, Die een weinig minder dan de engelen geworden was, vanwege het lijden des doods.” Hebreeën 2:9 (STV)

Dat is geen bijzaak.
Dat is het Evangelie.

De eeuwige heerlijkheid van Christus mag niet worden losgemaakt van Zijn weg als de gehoorzame Knecht. Hij kwam niet als een goddelijke verschijning in menselijke vermomming.

Hij werd werkelijk Mens. Hij vernederde Zich werkelijk. Hij leed werkelijk. Hij stierf werkelijk. Hij werd werkelijk opgewekt. Hij werd werkelijk verhoogd.

Een dogma dat dat alles wegwerkt onder een formule, slaat de Schrift plat.

De Heilige Geest wordt een derde afzonderlijke Persoon

Ook bij de Heilige Geest schuurt het dogma.

De Schrift spreekt persoonlijk over de Geest. De Geest leert, leidt, overtuigt, getuigt, kan bedroefd worden. Dat moeten we niet negeren.

Maar de vraag is: dwingt de Schrift ons om de Heilige Geest te definiëren als een derde onderscheiden Persoon naast Vader en Zoon binnen ‘één Goddelijk Wezen?’

Dat is veel minder vanzelfsprekend dan men vaak doet voorkomen.

Johannes schrijft:

“En dit zeide Hij van den Geest, Denwelken ontvangen zouden die in Hem geloven; want de Heilige Geest was nog niet, overmits Jezus nog niet verheerlijkt was.” Johannes 7:39 (STV)

Dat is een opmerkelijke zin. De Geest van God was er al in het Oude Testament. De Geest werkte, sprak, bekwaamde, leidde. Maar Johannes zegt toch: “de Heilige Geest was nog niet”, in verband met de verheerlijking van Christus.

Dat wijst op een nieuwe bediening van de Geest ná Christus’ verhoging. De Geest is niet los verkrijgbaar als derde religieuze kracht. De Geest is nauw verbonden met de verhoogde Christus.

Paulus schrijft:

“De Heere nu is de Geest; en waar de Geest des Heeren is, aldaar is vrijheid.” 2 Korinthe 3:17 (STV)

Dat past niet lekker in een al te strak drie-vakjes-schema.

De Schrift spreekt vaak over “de Geest van God”, “de Geest van Christus”, “Christus in u”, “de Geest des Heeren”. Die lijnen lopen veel inniger in elkaar dan het kerkelijke model soms laat merken.

Mattheüs 28:19 is geen kant-en-klare dogmatiek

Vaak wordt Mattheüs 28:19 gebruikt alsof de klassieke drie-eenheidsleer daar letterlijk staat.

Maar er staat:

“Gaat dan henen, onderwijst al de volken, dezelve dopende in den Naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes; lerende hen onderhouden alles, wat Ik u geboden heb.” Mattheüs 28:19 (STV)

Dat is een machtige tekst. Maar er staat niet: drie eeuwige Personen in één Wezen, gelijk in majesteit, zonder eerder of later.

Dat wordt erin gelezen.

Bovendien begint de opdracht met deze woorden:

“Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde.” Mattheüs 28:18 (STV)

Weer dat woord: gegeven.

De Opgestane spreekt. De Verhoogde spreekt. Degene aan Wie alle macht gegeven is, zendt Zijn discipelen uit. De tekst staat dus niet los van opstanding, verhoging en koninklijke volmacht.

Wie Mattheüs 28:19 gebruikt als dogmatische snelweg naar Nicea, rijdt te hard langs de context.

Het grootste bezwaar: een kerkelijke formule wordt tot eis gemaakt

Hier wordt het echt serieus.

In sommige klassieke belijdenisvormen wordt de drie-eenheidsformule zo zwaar gemaakt dat zij ongeveer als voorwaarde voor behoud functioneert. Alsof iemand pas veilig is wanneer hij exact de kerkelijke terminologie kan onderschrijven.

Maar de Schrift zegt:

“Geloof in den Heere Jezus Christus, en gij zult zalig worden, gij en uw huis.” Handelingen 16:31 (STV)

Niet: geloof in de latere kerkelijke formulering van drie Personen in één Wezen.

Natuurlijk is het belangrijk wie Christus is. Een valse Christus redt niet. Een geschapen Christus redt niet. Een Christus Die niet werkelijk Heer is, is niet de Christus der Schriften.

Maar dat is iets anders dan zeggen dat een mens de latere dogmatische formulering moet onderschrijven om behouden te zijn.

Daar wordt een kerkelijke hek om Christus heen gezet. En soms lijkt het alsof de hek belangrijker wordt dan Christus Zelf.

Dat is gevaarlijk.

De zaligheid ligt niet in het correct uitspreken van een dogmatische formule. De zaligheid ligt in Christus.

De Schrift is rijker dan het dogma

De klassieke drie-eenheidsleer wil iets beschermen: de eenheid van God, de Godheid van Christus, de werkelijkheid van de Geest. Dat motief is begrijpelijk. Maar goede bedoelingen maken een formulering nog niet automatisch Bijbels.

De Schrift is rijker dan het schema.

Zij spreekt over de ene God.
Zij openbaart Christus als Heere.
Zij toont Hem als het Beeld van de onzienlijke God.
Zij predikt Zijn vernedering.
Zij verkondigt Zijn opstanding.
Zij belijdt Zijn verhoging.
Zij wijst op Zijn Middelaarschap.
Zij spreekt over de Geest als Gods inwonende, werkzame, heiligende tegenwoordigheid, nauw verbonden met de verhoogde Christus.

Dat is geen armoede. Dat is geen verlaging van Christus. Dat is juist eerbied voor de wijze waarop God Zichzelf heeft geopenbaard.

Weg met de religieuze rekensom

De drie-eenheidsleer is vaak verdedigd met zinnen die niemand werkelijk begrijpt, maar die men toch moet nazeggen om veilig te lijken.

Drie, maar niet drie.
Eén, maar niet één op gewone wijze.
Onderscheiden, maar niet gescheiden.
Gelijk, maar toch gezonden.
Eeuwig gegenereerd, maar zonder begin.
Voortkomend, maar niet later.
Drie Personen, één Wezen.

Op een gegeven moment wordt geloof dan geen luisteren naar de Schrift meer, maar het instemmen met een kerkelijk taalspel.

En wie daarbij vragen stelt, wordt verdacht gemaakt.

Maar Bijbels geloof staat of valt niet bij formules die de apostelen nooit hebben uitgesproken.

Bijbels geloof leeft van de openbaring van God in Christus.

“Want er is één God, er is ook één Middelaar Gods en der mensen, de Mens Christus Jezus.” 1 Timotheüs 2:5 (STV)

Dat is helder.
Dat is apostolisch.
Dat is genoeg om eerbiedig bij stil te staan.

Wat dan wél belijden?

Niet minder dan de Schrift.
Maar ook niet méér alsof onze latere woorden boven Gods Woord mogen gaan staan.

Er is één God.

De Here Jezus Christus is de Heer, het Beeld van de onzienlijke God, de Zoon, de Gezondene, de Middelaar, de Opgestane, de Verhoogde, de Erfgenaam, de Koning.

De Heilige Geest is Gods werkzame, inwonende, heiligende tegenwoordigheid, door Wie Christus in de Zijnen woont en werkt.

De Vader is de Bron, de Zender, Degene uit Wie alle dingen zijn.

De Zoon is Degene door Wie alle dingen zijn en in Wie God Zich volkomen heeft geopenbaard.

De Geest is Degene door Wie Gods leven, waarheid en kracht in de gelovigen werkt.

Maar wij hoeven dat niet gevangen te zetten in een kerkelijke formule die vervolgens als lakmoesproef voor behoud wordt gebruikt.

De scherpe conclusie

Het probleem met de kerkelijke drie-eenheidsleer is niet dat deze te hoog denkt van Christus. Het probleem is dat deze achteraf de Bijbelse openbaring in een schema perst.

-maakt van Vader, Zoon en Geest drie dogmatische vakjes.

-maakt van levende heilsgeschiedenis een abstracte constructie.

-maakt van Christus’ vernedering en verhoging een voetnoot.

-leest latere formuleringen terug in teksten die anders spreken.

En  kan een kerkelijke formule zwaarder laten wegen dan de apostolische prediking.

De apostelen riepen niet op tot geloof in een kerkelijk rekenschema.

Zij predikten Christus.

Gekruisigd.
Opgestaan.
Verhoogd.
Tot Heer en Christus gemaakt.
De komende Koning.

Dáár moet de kerk naar terug.

Niet naar minder eerbied voor Christus.
Maar naar minder dogmatische rook rond Christus.

Niet naar ontkenning van Zijn Godheid.
Maar naar een Bijbels belijden van Zijn heerlijkheid.

Want de vraag is niet of wij de juiste kerkelijke formule kunnen nazeggen.

De vraag is of we willen buigen voor Hem van Wie geschreven staat:

“En alle tong zou belijden, dat Jezus Christus de Heere zij, tot heerlijkheid Gods des Vaders.” Filippenzen 2:11 (STV)

lees ook:

Is de Here Jezus JHWH? – Bijbelse basis

tot Wie bidden en zingen? – Bijbelse basis

Waarom Handelingen geen blauwdruk is voor de gemeente vandaag – Bijbelse basis

Extern:
Geverifieerd door MonsterInsights