Waarom de kerkelijke drie-eenheidsleer schuurt met de Schrift

De drie-eenheidsleer getoetst aan de Schrift

De vraag is niet of Christus Goddelijk is. De vraag is of de kerkelijke formule van ‘drie Personen in één Wezen’ de taal van de Schrift is.

Er zijn woorden die zo vertrouwd klinken dat bijna niemand nog vraagt wat ze precies betekenen.
“Drie-eenheid” is zo’n woord.

Voor velen is het de hoogste toets van rechtzinnigheid geworden. Wie het woord gebruikt, zit veilig. Wie er vragen bij stelt, wordt al snel verdacht gemaakt. Alsof de geloofsbelijdenis van Nicea of Athanasius zelf uit de hemel is gevallen. Alsof de apostelen met dezelfde termen spraken. Alsof Petrus op Pinksteren zei: “Bekeert u en gelooft in één Wezen, bestaande uit drie onderscheiden Personen, gelijk in eeuwigheid en hoedanigheid.”

Maar dat zei Petrus niet.

Hij predikte Christus.

Daar begint het onderscheid.

Niet bij de Godheid van Christus. Die staat uitdrukkelijk niet ter discussie.

Niet bij de majesteit van de Vader. Niet bij het werk van de Heilige Geest.

Maar bij het kerkelijke systeem dat later over de Bijbelse openbaring heen is gelegd. Een systeem dat vaak meer lijkt op een leerstellige gietmal dan op de levende taal van de Schrift.

Drie eenheidsleer

De Bijbel spreekt anders dan het dogma

De klassieke drie-eenheidsleer zegt:

‘de Vader is God, de Zoon is God, de Heilige Geest is God; toch zijn het geen drie Goden maar één God. Vervolgens wordt daar een reeks dogmatische beschermhekken omheen gezet: niet vermengen, niet scheiden, geen eerder of later, geen meer of minder, drie Personen, één Wezen.’

Dat klinkt strak. Sluitend zelfs.

Maar de vraag is niet of het kerkelijk klopt.

De vraag is: spreekt de Schrift zo?

Dat zullen we zien.

De Schrift spreekt over God. Over Zijn Woord. Over Zijn Zoon. Over de Vader. Over de Geest. Over Christus als Beeld van de onzienlijke God. Over Zijn vernedering. Over Zijn gehoorzaamheid. Over Zijn vernedering, Zijn dood  Over Zijn opstanding. Over Zijn verhoging. Over Zijn aanstelling tot Heere en Christus. Over Zijn wederkomst. Over Zijn Koninkrijk.

Dat is geen abstract rekenschema. Dat is heilsgeschiedenis.

Het kerkelijke dogma bevriest die levende openbaring tot een formule. En zodra een formule de Schrift gaat beheersen in plaats van dienen, ontstaat er geestelijke kortsluiting.

Christus wordt niet minder als het dogma wordt bevraagd

Laat dit duidelijk zijn: wie de Godheid van Christus ontkent, snijdt diep in het hart van het Evangelie. De Here Jezus Christus is geen schepsel, geen engel, geen verheven profeet, geen halfgod, geen religieus tussenpersoon.

Hij is de Heer.

Paulus schrijft:

“Dewelke is het Beeld des onzienlijken Gods, de Eerstgeborene aller kreaturen.” Kolossenzen 1:15 (STV)

En Thomas belijdt na de opstanding:

“Mijn Heere en mijn God.” Johannes 20:28 (STV)

Daar is niets van af te dingen.

Omdat Christus zo groot is, moeten wij Hem niet opsluiten in kerkelijke terminologie die de Schrift zelf niet gebruikt. Het gevaar is niet dat Christus te hoog wordt beleden. Het gevaar is dat Zijn Bijbelse heerlijkheid wordt vervangen door een dogmatische constructie.

Dan belijd je misschien orthodoxe woorden, maar raak je de Bijbelse lijnen en het Bijbels getuigenis kwijt.

Vader en Zoon zijn geen losse vakjes in een hemels schema

In de Schrift zijn “Vader” en “Zoon” geen kille technische termen. Ze spreken over oorsprong, zending, erfenis, vertegenwoordiging, Messiaanse aanstelling en Koninklijke waardigheid.

Psalm 2 zegt:

“Ik zal van het besluit verhalen: De HEERE heeft tot Mij gezegd: Gij zijt Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd.” Psalm 2:7 (STV)

Dat “heden” is geen detail. Het wordt in het Nieuwe Testament verbonden met Christus’ opstanding en verhoging. Paulus zegt in Antiochië:

“Gelijk ook in den tweeden psalm geschreven staat: Gij zijt Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd.” Handelingen 13:33 (STV)

Hier gaat het niet over een kerkelijk schema waarin eeuwige verhoudingen worden vastgeklonken Hier gaat het over de opgestane Christus, Die door God wordt aangewezen als de Zoon, de Erfgenaam, de Koning.

Dat is niet minder heerlijk. Het is veel concreter.

De Bijbel spreekt niet in de taal van een dogmatisch diagram. De Bijbel spreekt in de taal van belofte, vervulling, opstanding en verhoging.

Handelingen 2 past niet netjes in de klassieke formule

Petrus zegt op Pinksteren:

“Zo wete dan zekerlijk het ganse huis Israëls, dat God Hem tot een Heere en Christus gemaakt heeft, namelijk dezen Jezus, Dien gij gekruist hebt.” Handelingen 2:36 (STV)

Dat vers schuurt.

Niet met Christus’ heerlijkheid.
Wel met een platte dogmatiek waarin geen ruimte lijkt te zijn voor “gemaakt”, “gesteld”, “verhoogd” en “gegeven”.

Petrus zegt hier niet dat Jezus pas ná de opstanding begon te bestaan. Dat zou dwaasheid zijn. Maar hij zegt wel dat God Hem, de gekruisigde Jezus, tot Heere en Christus gemaakt heeft. Dat is Bijbelse taal. Aanstellingstaal. Koninkrijkstaal. Opstandingstaal.

De kerkelijke formule “geen eerder of later, geen meer of minder” klinkt dan ineens te glad. Te vlak. Te weinig historisch. Te weinig verbonden met de weg van vernedering naar verhoging.

Want de Schrift zegt ook:

“Daarom heeft Hem ook God uitermate verhoogd, en heeft Hem een Naam gegeven, welke boven allen naam is.” Filippenzen 2:9 (STV)

Merk op dat woord: daarom.

Christus vernederde Zich.
Christus werd gehoorzaam tot de dood.
Daarom heeft God Hem uitermate verhoogd.

Dat is geen toneelstukje. Dat is geen schijnbeweging binnen een onbeweeglijk schema. Dat is de weg van de Middelaar.

De vernedering van Christus wordt weggeredeneerd

Een groot bezwaar tegen de kerkelijke drie-eenheidsleer is dat zij de vernedering van Christus vaak meteen neutraliseert.

Men zegt dan: ja, naar Zijn menselijke natuur was Hij minder, maar naar Zijn Goddelijke natuur bleef Hij volkomen gelijk. Formeel is dat begrijpelijk. Maar als die uitleg ertoe leidt dat de volle ernst van Christus’ vernedering verdampt, is er iets mis.

De Schrift spreekt ronduit:

“Die in de gestaltenis Gods zijnde, geen roof geacht heeft Gode evengelijk te zijn; Maar heeft Zichzelven vernietigd, de gestaltenis eens dienstknechts aangenomen hebbende, en is den mensen gelijk geworden.” Filippenzen 2:6-7 (STV)

En ook:

“Maar wij zien Jezus met heerlijkheid en eer gekroond, Die een weinig minder dan de engelen geworden was, vanwege het lijden des doods.” Hebreeën 2:9 (STV)

Dat is geen bijzaak.
Dat is het Evangelie.

De eeuwige heerlijkheid van Christus mag niet worden losgemaakt van Zijn weg als de gehoorzame Knecht. Hij kwam niet als een goddelijke verschijning in menselijke vermomming.

Hij werd werkelijk Mens. Hij vernederde Zich werkelijk. Hij leed werkelijk. Hij stierf werkelijk. Hij werd werkelijk opgewekt. Hij werd werkelijk verhoogd.

Een dogma dat dat alles wegwerkt onder een formule, slaat de Schrift plat.

De Heilige Geest wordt een derde afzonderlijke Persoon

Ook bij de Heilige Geest schuurt het dogma.

De Schrift spreekt persoonlijk over de Geest. De Geest leert, leidt, overtuigt, getuigt, kan bedroefd worden. Dat moeten we niet negeren.

Maar de vraag is: dwingt de Schrift ons om de Heilige Geest te definiëren als een derde onderscheiden Persoon naast Vader en Zoon binnen ‘één Goddelijk Wezen?’

Dat is veel minder vanzelfsprekend dan men vaak doet voorkomen.

Johannes schrijft:

“En dit zeide Hij van den Geest, Denwelken ontvangen zouden die in Hem geloven; want de Heilige Geest was nog niet, overmits Jezus nog niet verheerlijkt was.” Johannes 7:39 (STV)

Dat is een opmerkelijke zin. De Geest van God was er al in het Oude Testament. De Geest werkte, sprak, bekwaamde, leidde. Maar Johannes zegt toch: “de Heilige Geest was nog niet”, in verband met de verheerlijking van Christus.

Dat wijst op een nieuwe bediening van de Geest ná Christus’ verhoging. De Geest is niet los verkrijgbaar als derde religieuze kracht. De Geest is nauw verbonden met de verhoogde Christus.

Paulus schrijft:

“De Heere nu is de Geest; en waar de Geest des Heeren is, aldaar is vrijheid.” 2 Korinthe 3:17 (STV)

Dat past niet lekker in een al te strak drie-vakjes-schema.

De Schrift spreekt vaak over “de Geest van God”, “de Geest van Christus”, “Christus in u”, “de Geest des Heeren”. Die lijnen lopen veel inniger in elkaar dan het kerkelijke model soms laat merken.

Mattheüs 28:19 is geen kant-en-klare dogmatiek

Vaak wordt Mattheüs 28:19 gebruikt alsof de klassieke drie-eenheidsleer daar letterlijk staat.

Maar er staat:

“Gaat dan henen, onderwijst al de volken, dezelve dopende in den Naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes; lerende hen onderhouden alles, wat Ik u geboden heb.” Mattheüs 28:19 (STV)

Dat is een machtige tekst. Maar er staat niet: drie eeuwige Personen in één Wezen, gelijk in majesteit, zonder eerder of later.

Dat wordt erin gelezen.

Bovendien begint de opdracht met deze woorden:

“Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde.” Mattheüs 28:18 (STV)

Weer dat woord: gegeven.

De Opgestane spreekt. De Verhoogde spreekt. Degene aan Wie alle macht gegeven is, zendt Zijn discipelen uit. De tekst staat dus niet los van opstanding, verhoging en koninklijke volmacht.

Wie Mattheüs 28:19 gebruikt als dogmatische snelweg naar Nicea, rijdt te hard langs de context.

Het grootste bezwaar: een kerkelijke formule wordt tot eis gemaakt

Hier wordt het echt serieus.

In sommige klassieke belijdenisvormen wordt de drie-eenheidsformule zo zwaar gemaakt dat zij ongeveer als voorwaarde voor behoud functioneert. Alsof iemand pas veilig is wanneer hij exact de kerkelijke terminologie kan onderschrijven.

Maar de Schrift zegt:

“Geloof in den Heere Jezus Christus, en gij zult zalig worden, gij en uw huis.” Handelingen 16:31 (STV)

Niet: geloof in de latere kerkelijke formulering van drie Personen in één Wezen.

Natuurlijk is het belangrijk wie Christus is. Een valse Christus redt niet. Een geschapen Christus redt niet. Een Christus Die niet werkelijk Heer is, is niet de Christus der Schriften.

Maar dat is iets anders dan zeggen dat een mens de latere dogmatische formulering moet onderschrijven om behouden te zijn.

Daar wordt een kerkelijke hek om Christus heen gezet. En soms lijkt het alsof de hek belangrijker wordt dan Christus Zelf.

Dat is gevaarlijk.

De zaligheid ligt niet in het correct uitspreken van een dogmatische formule. De zaligheid ligt in Christus.

De Schrift is rijker dan het dogma

De klassieke drie-eenheidsleer wil iets beschermen: de eenheid van God, de Godheid van Christus, de werkelijkheid van de Geest. Dat motief is begrijpelijk. Maar goede bedoelingen maken een formulering nog niet automatisch Bijbels.

De Schrift is rijker dan het schema.

Zij spreekt over de ene God.
Zij openbaart Christus als Heere.
Zij toont Hem als het Beeld van de onzienlijke God.
Zij predikt Zijn vernedering.
Zij verkondigt Zijn opstanding.
Zij belijdt Zijn verhoging.
Zij wijst op Zijn Middelaarschap.
Zij spreekt over de Geest als Gods inwonende, werkzame, heiligende tegenwoordigheid, nauw verbonden met de verhoogde Christus.

Dat is geen armoede. Dat is geen verlaging van Christus. Dat is juist eerbied voor de wijze waarop God Zichzelf heeft geopenbaard.

Weg met de religieuze rekensom

De drie-eenheidsleer is vaak verdedigd met zinnen die niemand werkelijk begrijpt, maar die men toch moet nazeggen om veilig te lijken.

Drie, maar niet drie.
Eén, maar niet één op gewone wijze.
Onderscheiden, maar niet gescheiden.
Gelijk, maar toch gezonden.
Eeuwig gegenereerd, maar zonder begin.
Voortkomend, maar niet later.
Drie Personen, één Wezen.

Op een gegeven moment wordt geloof dan geen luisteren naar de Schrift meer, maar het instemmen met een kerkelijk taalspel.

En wie  daarbij vragen stelt, wordt verdacht gemaakt.

Maar Bijbels geloof staat of valt niet bij formules die de apostelen nooit hebben uitgesproken.

Bijbels geloof leeft van de openbaring van God in Christus.

“Want er is één God, er is ook één Middelaar Gods en der mensen, de Mens Christus Jezus.” 1 Timotheüs 2:5 (STV)

Dat is helder.
Dat is apostolisch.
Dat is genoeg om eerbiedig bij stil te staan.

Wat moeten we dan wél belijden?

Niet minder dan de Schrift.
Maar ook niet méér alsof onze latere woorden boven Gods Woord mogen gaan staan.

Er is één God.

De Here Jezus Christus is de Heer, het Beeld van de onzienlijke God, de Zoon, de Gezondene, de Middelaar, de Opgestane, de Verhoogde, de Erfgenaam, de Koning.

De Heilige Geest is Gods werkzame, inwonende, heiligende tegenwoordigheid, door Wie Christus in de Zijnen woont en werkt.

De Vader is de Bron, de Zender, Degene uit Wie alle dingen zijn.

De Zoon is Degene door Wie alle dingen zijn en in Wie God Zich volkomen heeft geopenbaard.

De Geest is Degene door Wie Gods leven, waarheid en kracht in de gelovigen werkt.

Maar wij hoeven dat niet gevangen te zetten in een kerkelijke formule die vervolgens als lakmoesproef voor behoud wordt gebruikt.

De scherpe conclusie

Het probleem met de kerkelijke drie-eenheidsleer is niet dat deze te hoog denkt van Christus. Het probleem is dat deze achteraf de Bijbelse openbaring in een schema perst.

-maakt van Vader, Zoon en Geest drie dogmatische vakjes.

-maakt van levende heilsgeschiedenis een abstracte constructie.

-maakt van Christus’ vernedering en verhoging een voetnoot.

-leest latere formuleringen terug in teksten die anders spreken.

En  kan een kerkelijke formule zwaarder laten wegen dan de apostolische prediking.

De apostelen riepen niet op tot geloof in een kerkelijk rekenschema.

Zij predikten Christus.

Gekruisigd.
Opgestaan.
Verhoogd.
Tot Heer en Christus gemaakt.
De komende Koning.

Dáár moet de kerk naar terug.

Niet naar minder eerbied voor Christus.
Maar naar minder dogmatische rook rond Christus.

Niet naar ontkenning van Zijn Godheid.
Maar naar een Bijbels belijden van Zijn heerlijkheid.

Want de vraag is niet of wij de juiste kerkelijke formule kunnen nazeggen.

De vraag is of we willen buigen voor Hem van Wie geschreven staat:

“En alle tong zou belijden, dat Jezus Christus de Heere zij, tot heerlijkheid Gods des Vaders.” Filippenzen 2:11 (STV)

lees ook:

tot Wie bidden en zingen? – Bijbelse basis

Waarom Handelingen geen blauwdruk is voor de gemeente vandaag – Bijbelse basis

Geverifieerd door MonsterInsights