Wat valt er af te dingen op het kerkelijke dogma van de drie-eenheid?

De Bijbel boven het dogma

De Bijbel leert dat God één is en dat Christus waarachtig God en waarachtig Mens is. Maar betekent dat automatisch dat het kerkelijke dogma van de drie-eenheid de juiste Bijbelse formulering is?

Het kerkelijke dogma van de drie-eenheid geldt in veel kerken als onaantastbaar. Wie er vragen bij stelt, wordt al snel verdacht gemaakt. Alsof elke kritische vraag automatisch betekent dat men de Godheid van Christus ontkent.

Maar dat is een valse tegenstelling.

De vraag is niet of Jezus Christus waarachtig God is. De Schrift getuigt daar helder van. De vraag is ook niet of de Vader, de Zoon en de Heilige Geest in de Bijbel voorkomen. Dat doen zij. De vraag is veel scherper: mag een later kerkelijk dogma bepalen hoe wij de Bijbel moeten lezen?

Daar begint het onderscheid.

Niet de kerkelijke formule moet leidend zijn, maar de Schrift. Niet de traditie boven de Bijbel, maar de Bijbel boven de traditie.

“Hoor, Israël! de HEERE, onze God, is een enig HEERE!” Deuteronomium 6:4 (STV)

Daar begint alle Bijbelse Godskennis: God is één. Geen veelgodendom. Geen verzameling goddelijke wezens. Geen hemelse drieheid van afzonderlijke goden. Eén God.

Paulus schrijft:

“Nochtans hebben wij maar één God, den Vader, uit Welken alle dingen zijn, en wij tot Hem; en maar één Heere, Jezus Christus, door Welken alle dingen zijn, en wij door Hem.” 1 Korinthe 8:6 (STV)

Dat is geen dorre formule. Dat is openbaring. De Schrift spreekt over God, over de Vader, over de Here Jezus Christus, over schepping, verlossing, Middelaarschap en heerlijkheid. Maar zij doet dat niet in de latere technische taal van kerkelijke dogmatiek.

Het kerkelijke dogma van de drie-eenheid getoetst aan de Bijbel
Niet het dogma, maar de Schrift moet leidend zijn.

Christus is geen schepsel

Laat dit eerst volstrekt helder zijn: kritiek op het kerkelijke dogma van de drie-eenheid mag en kan nooit uitlopen op ontkenning van Christus’ Godheid.

Johannes begint zijn Evangelie niet voorzichtig, maar majesteitelijk:

“In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God.” Johannes 1:1 (STV)

En even later:

“En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond, en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als des Eniggeborenen van den Vader, vol van genade en waarheid.” Johannes 1:14 (STV)

Paulus zegt het eveneens krachtig:

“Want in Hem woont al de volheid der Godheid lichamelijk;” Kolossenzen 2:9 (STV)

Dat is geen taal voor een geschapen engel. Geen taal voor een verheven profeet. Geen taal voor een religieus voorbeeldfiguur. In Christus woont al de volheid der Godheid lichamelijk.

Wie dus het dogma van de drie-eenheid kritisch bevraagt, moet niet doorschieten naar arianisme, Jehova’s-getuigen-leer of moderne vrijzinnigheid. De Here Jezus Christus is niet minder dan God. Hij is de openbaring van God Zelf.

Maar juist daarom moeten wij ook voorzichtig zijn met menselijke schema’s die méér willen vastleggen dan de Schrift zelf zegt.

Het probleem zit in de kerkelijke gietmal

Het dogma van de drie-eenheid probeert de Bijbelse gegevens samen te vatten: één God, Vader, Zoon en Heilige Geest. Het is begrijpelijk dat men woorden zocht om dwaalleer af te weren.

Maar daar begint ook het probleem.

De Bijbel spreekt niet in de uitgewerkte formule: drie Personen in één Wezen, alle drie eeuwig gelijk, geen eerder of later, geen meer of minder. De Bijbel geeft geen filosofische ontleding van Gods innerlijke Wezen. De Bijbel openbaart God in Zijn handelen.

God schept. God spreekt. God zendt. De Zoon komt. De Zoon gehoorzaamt. De Zoon lijdt. De Zoon sterft. God wekt Hem op. God verhoogt Hem uitermate.en Hij ontvangt de Naam boven alle naam.. De Geest wordt gezonden. De Geest verheerlijkt Christus. De verhoogde Christus is Hoofd van de Gemeente.

Dat is Bijbelse taal. Levende taal. Openbaringstaal.

Het dogma maakt daar gemakkelijk een stilstaand schema van. Alles strak op één lijn. Alles keurig ingepast. Alles afgerond. Maar de Bijbel is vaak beweeglijker, rijker en concreter dan het kerkelijke systeem verdraagt.

Dan wordt het dogma geen hulp meer, maar een mal. En een mal drukt altijd iets plat.

De vernedering van Christus mag niet worden afgevlakt

Een van de grootste bezwaren tegen een te strak drie-eenheidsdogma is dat de werkelijke vernedering van Christus gemakkelijk wordt afgevlakt.

Paulus schrijft:

“Die in de gestaltenis Gods zijnde, geen roof geacht heeft Gode even gelijk te zijn; Maar heeft Zichzelven vernietigd, de gestaltenis eens dienstknechts aangenomen hebbende, en is den mensen gelijk geworden;” Filippenzen 2:6-7 (STV)

En daarna:

“En in gedaante gevonden als een mens, heeft Hij Zichzelven vernederd, gehoorzaam geworden zijnde tot den dood, ja, den dood des kruises.” Filippenzen 2:8 (STV)

Let op die woorden: vernederd, gehoorzaam geworden, tot de dood.

Dat is geen toneel. Geen schijnmensheid. Geen Goddelijk rollenspel waarin de vernedering eigenlijk niet echt is. De Zoon is werkelijk Mens geworden. Hij heeft werkelijk geleden. Hij heeft werkelijk gehoorzaamd. Hij is werkelijk gestorven.

Daarna schrijft Paulus:

“Daarom heeft Hem ook God uitermate verhoogd, en heeft Hem een Naam gegeven, welke boven allen naam is;” Filippenzen 2:9 (STV)

Dat woord daarom moet blijven staan. De verhoging volgt op Zijn vernedering. De Naam wordt Hem gegeven. Dat is Bijbelse taal.

Wie dit direct gladstrijkt met “eeuwig gelijk, geen meer of minder”, loopt het risico de beweging van de tekst onschadelijk te maken. Dan wordt de vernedering van Christus leerstellig wel beleden, maar praktisch afgezwakt.

Handelingen 2:36 moet blijven spreken

Petrus zegt op de Pinksterdag:

“Zo wete dan zekerlijk het ganse huis Israëls, dat God Hem tot een Heere en Christus gemaakt heeft, namelijk dezen Jezus, Dien gij gekruist hebt.” Handelingen 2:36 (STV)

Dat is een tekst waar men niet te snel overheen moet lezen.

Petrus zegt niet dat Jezus slechts een gewoon mens was. Hij zegt ook niet dat Jezus pas bij Zijn opstanding begon te bestaan. Maar hij zegt wel dat God deze gekruisigde Jezus tot een Heere en Christus gemaakt heeft.

Dat is verhogingstaal. Aanstellingstaal. Messiaanse taal. De door mensen verworpen Jezus is door God opgewekt en verhoogd. De gekruisigde is door God aangewezen als Heere en Christus.

Een dogma dat zulke teksten nauwelijks nog laat spreken, is te strak geworden. Dan beschermt het de Schrift niet meer. Dan dempt het de Schrift.

Vader en Zoon worden niet vlak naast elkaar gezet

De Bijbel spreekt niet alleen over eenheid, maar ook over verhouding.

Jezus zegt:

“Mijn Vader is meerder dan Ik.” Johannes 14:28 (STV)

Die tekst mag niet misbruikt worden om Christus’ Godheid te ontkennen. Maar hij mag ook niet worden weggepoetst alsof hij er eigenlijk niet staat.

De Here Jezus spreekt hier in Zijn vernederde positie. Als de Gezondene. Als de Knecht. Als de Mens Christus Jezus.

Paulus schrijft:

“Want er is één God, er is ook één Middelaar Gods en der mensen, de Mens Christus Jezus;” 1 Timotheüs 2:5 (STV)

Dat is leerstellig zeer belangrijk. Christus is de Middelaar. En als Middelaar staat Hij niet in een abstract schema, maar in een concrete verhouding: tussen God en mensen.

Daarom moeten wij voorzichtig zijn met taal die elke Bijbelse verhouding meteen neutraliseert. De Schrift spreekt over de Vader Die zendt, de Zoon Die gezonden wordt, de Zoon Die gehoorzaamt, de Vader Die Hem verhoogt, de Zoon Die aan de rechterhand Gods is.

Dat ontkent Zijn Godheid niet. Het bewaart juist de rijkdom van Zijn Middelaarschap.

De Geest verheerlijkt Christus

Ook de Heilige Geest is geen onpersoonlijke kracht. De Geest spreekt, leidt, leert, getuigt, overtuigt en woont in de gelovigen.

Maar opnieuw: de Bijbel spreekt anders dan de latere dogmatische formule. De Schrift geeft geen abstracte omschrijving van de Geest in technische ker taal. De Schrift laat zien wat de Geest doet.

De Geest wordt gegeven. De Geest wordt gezonden. De Geest woont in de gelovigen. De Geest verheerlijkt Christus.

Jezus zegt:

“Die zal Mij verheerlijken; want Hij zal het uit het Mijne nemen, en zal het u verkondigen.” Johannes 16:14 (STV)

Daar ligt de Bijbelse nadruk. De Geest trekt geen aandacht los van Christus. De Geest verheerlijkt Christus. Hij maakt het werk, de woorden en de heerlijkheid van Christus bekend.

Dat is iets anders dan een dogmatisch evenwichtsschema waarin alles vooral netjes gelijkgetrokken moet worden.

De bewijsplaatsen zijn niet allemaal even sterk

In discussies over de drie-eenheid worden vaak dezelfde teksten aangehaald. Soms terecht. Soms te gemakkelijk.

Een bekend voorbeeld is 1 Johannes 5:7:

“Want Drie zijn er, Die getuigen in den hemel, de Vader, het Woord en de Heilige Geest; en deze Drie zijn Een.” 1 Johannes 5:7 (STV)

Deze tekst staat in de Statenvertaling, maar is tekstkritisch omstreden. Komt niet voor in de oudste manuscripten. Bovendien staat er ook niet letterlijk “Vader, Zoon en Heilige Geest”, maar “de Vader, het Woord en de Heilige Geest”. Dat is op zichzelf al een aanwijzing dat men voorzichtig moet zijn met een te snelle dogmatische bewijsvoering.

En daarmee valt de Godheid van Christus niet weg. Integendeel. Even verderop staat:

“Doch wij weten, dat de Zoon van God gekomen is, en heeft ons het verstand gegeven, dat wij den Waarachtige kennen; en wij zijn in den Waarachtige, namelijk in Zijn Zoon Jezus Christus. Deze is de waarachtige God, en het eeuwige Leven.” 1 Johannes 5:20 (STV)

Dat is veel sterker dan een losse bewijsplaats. De Zoon van God wordt rechtstreeks verbonden met de Waarachtige en het eeuwige Leven.

De Bijbel heeft geen zwakke bewijsvoering nodig. Zij getuigt zelf krachtig genoeg van Christus.

Het gevaar van kerkelijke bewakingsdrang

Het kerkelijke dogma van de drie-eenheid is vaak een grenspaal geworden. Wie de formule exact nazegt, hoort erbij. Wie vragen stelt, wordt verdacht.

Maar de Bijbel vraagt niet eerst of iemand de juiste kerkelijke terminologie beheerst. De Bijbel vraagt of iemand gelooft in de Zoon van God.

“Die in den Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven; maar die den Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem.” Johannes 3:36 (STV)

Dat is het punt. Niet: beheerst iemand de latere dogmatische taal? Maar: gelooft iemand in de Zoon? Eert iemand de Zoon? Buigt iemand voor Hem als de door God verhoogde Heere?

Jezus zegt:

“Opdat zij allen den Zoon eren, gelijk zij den Vader eren. Die den Zoon niet eert, eert den Vader niet, Die Hem gezonden heeft.” Johannes 5:23 (STV)

Dat is enorm sterk. De Zoon moet geëerd worden zoals de Vader geëerd wordt. Wie de Zoon niet eert, eert de Vader niet.

Daar staat de Godheid en heerlijkheid van Christus stevig overeind. Maar let op: ook hier spreekt de Schrift in termen van Vader, Zoon, zending en eer. Niet in termen van een latere formule.

De Bijbel is veel rijker dan het dogma

Het probleem met de kerkelijke drie-eenheidsleer is niet dat zij Christus te hoog acht. Het probleem is dat zij de Bijbelse gegevens soms in een te strak schema perst.

De Schrift laat ons Christus zien als:

  • het Woord Dat God was;
  • de Zoon van God;
  • de Zoon des mensen;
  • de Knecht;
  • de Middelaar;
  • de Erfgenaam;
  • de Eerstgeborene uit de doden;
  • de Hogepriester;
  • de laatste Adam;
  • de verhoogde Heere;
  • het Hoofd van de Gemeente.

Al die lijnen zijn Bijbels. Al die lijnen moeten blijven staan. Geen enkele lijn mag worden weggepoetst omdat zij lastig is voor het systeem.

Wanneer het dogma zegt: “Dit past alleen als u het precies zo formuleert,” dan wordt de Bijbel onder een kerkelijke mal gelegd. Maar de Schrift moet niet door een mal. De mal moet door de Schrift worden getoetst.

Een Bijbels evenwicht

Wij hoeven dus niet te kiezen tussen kerkelijk dogmatisme en ontkenning van Christus’ Godheid. Er is een betere weg: Schriftgetrouw spreken.

Wij belijden één God.

Wij belijden dat Jezus Christus waarachtig God en waarachtig Mens is.

Wij belijden dat in Hem al de volheid der Godheid lichamelijk woont.

Wij belijden dat Hij werkelijk vernederd is, werkelijk gehoorzaam geworden is, werkelijk gestorven is, werkelijk opgewekt is en werkelijk door God verhoogd is.

Wij belijden dat de Heilige Geest door God gegeven is, Christus verheerlijkt en in de gelovigen woont.

Maar wij weigeren om menselijke systeemtaal boven de Schrift te plaatsen.

Conclusie

Er is dus zeker wat af te dingen op het kerkelijke dogma van de drie-eenheid. Niet omdat Christus minder zou zijn dan het dogma zegt, maar omdat de Schrift anders spreekt dan het dogma doet.

De Bijbel vraagt niet om een filosofisch afgerond godsmodel. De Bijbel openbaart de levende God in Christus.

Daarom moeten wij niet beginnen bij de kerkelijke formule, maar bij de Schrift.

Niet: hoe past deze tekst in het dogma?

Maar: wat zegt God hier?

Zodra het dogma de Schrift gaat corrigeren, dempen of begrenzen, is het geen bescherming meer. Dan wordt het een religieuze gietmal.

De gelovige heeft geen gietmal nodig. Hij heeft het Woord nodig.

En dat Woord getuigt helder genoeg:

“Doch wij weten, dat de Zoon van God gekomen is, en heeft ons het verstand gegeven, dat wij den Waarachtige kennen; en wij zijn in den Waarachtige, namelijk in Zijn Zoon Jezus Christus. Deze is de waarachtige God, en het eeuwige Leven.” 1 Johannes 5:20 (STV)

Ik het eerder al geblogd over dit onderwerp:

Waarom de kerkelijke drie-eenheidsleer schuurt met de Schrift – Bijbelse basis

Waarom de kerkelijke drie-eenheidsleer schuurt met de Schrift

De drie-eenheidsleer getoetst aan de Schrift

De vraag is niet of Christus Goddelijk is. De vraag is of de kerkelijke formule van ‘drie Personen in één Wezen’ de taal van de Schrift is.

Er zijn woorden die zo vertrouwd klinken dat bijna niemand nog vraagt wat ze precies betekenen.
“Drie-eenheid” is zo’n woord.

Voor velen is het de hoogste toets van rechtzinnigheid geworden. Wie het woord gebruikt, zit veilig. Wie er vragen bij stelt, wordt al snel verdacht gemaakt. Alsof de geloofsbelijdenis van Nicea of Athanasius zelf uit de hemel is gevallen. Alsof de apostelen met dezelfde termen spraken. Alsof Petrus op Pinksteren zei: “Bekeert u en gelooft in één Wezen, bestaande uit drie onderscheiden Personen, gelijk in eeuwigheid en hoedanigheid.”

Maar dat zei Petrus niet.

Hij predikte Christus.

Daar begint het onderscheid.

Niet bij de Godheid van Christus. Die staat uitdrukkelijk niet ter discussie.

Niet bij de Majesteit van de Vader. Niet bij het werk van de Heilige Geest.

Maar bij het kerkelijke systeem dat later over de Bijbelse openbaring heen is gelegd. Een systeem dat vaak meer lijkt op een leerstellige gietmal dan op de levende taal van de Schrift.

Drie eenheidsleer

De Bijbel spreekt anders dan het dogma

De klassieke drie-eenheidsleer zegt:

‘de Vader is God, de Zoon is God, de Heilige Geest is God; toch zijn het geen drie Goden maar één God. Vervolgens wordt daar een reeks dogmatische beschermhekken omheen gezet: niet vermengen, niet scheiden, geen eerder of later, geen meer of minder, drie Personen, één Wezen.’

Dat klinkt strak. Sluitend zelfs.

Maar de vraag is niet of het kerkelijk klopt.

De vraag is: spreekt de Schrift zo?

Dat zullen we zien.

De Schrift spreekt over God. Over Zijn Woord. Over Zijn Zoon. Over de Vader. Over de Geest. Over Christus als Beeld van de onzienlijke God. Over Zijn vernedering. Over Zijn gehoorzaamheid. Over Zijn vernedering, Zijn dood  Over Zijn opstanding. Over Zijn verhoging. Over Zijn aanstelling tot Heere en Christus. Over Zijn wederkomst. Over Zijn Koninkrijk.

Dat is geen abstract rekenschema. Dat is heilsgeschiedenis.

Het kerkelijke dogma bevriest die levende openbaring tot een formule. En zodra een formule de Schrift gaat beheersen in plaats van dienen, ontstaat er geestelijke kortsluiting.

Christus wordt niet minder als het dogma wordt bevraagd

Laat dit duidelijk zijn: wie de Godheid van Christus ontkent, snijdt diep in het hart van het Evangelie. De Here Jezus Christus is geen schepsel, geen engel, geen verheven profeet, geen halfgod, geen religieus tussenpersoon.

Hij is de Heer.

Paulus schrijft:

“Dewelke is het Beeld des onzienlijken Gods, de Eerstgeborene aller kreaturen.” Kolossenzen 1:15 (STV)

En Thomas belijdt na de opstanding:

“Mijn Heere en mijn God.” Johannes 20:28 (STV)

Daar is niets van af te dingen.

Omdat Christus zo groot is, moeten wij Hem niet opsluiten in kerkelijke terminologie die de Schrift zelf niet gebruikt. Het gevaar is niet dat Christus te hoog wordt beleden. Het gevaar is dat Zijn Bijbelse heerlijkheid wordt vervangen door een dogmatische constructie.

Dan belijd je misschien orthodoxe woorden, maar raak je de Bijbelse lijnen en het Bijbels getuigenis kwijt.

Vader en Zoon zijn geen losse vakjes in een hemels schema

In de Schrift zijn “Vader” en “Zoon” geen kille technische termen. Ze spreken over oorsprong, zending, erfenis, vertegenwoordiging, Messiaanse aanstelling en Koninklijke waardigheid.

Psalm 2 zegt:

“Ik zal van het besluit verhalen: De HEERE heeft tot Mij gezegd: Gij zijt Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd.” Psalm 2:7 (STV)

Dat “heden” is geen detail. Het wordt in het Nieuwe Testament verbonden met Christus’ opstanding en verhoging. Paulus zegt in Antiochië:

“Gelijk ook in den tweeden psalm geschreven staat: Gij zijt Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd.” Handelingen 13:33 (STV)

Hier gaat het niet over een kerkelijk schema waarin eeuwige verhoudingen worden vastgeklonken Hier gaat het over de opgestane Christus, Die door God wordt aangewezen als de Zoon, de Erfgenaam, de Koning.

Dat is niet minder heerlijk. Het is veel concreter.

De Bijbel spreekt niet in de taal van een dogmatisch diagram. De Bijbel spreekt in de taal van belofte, vervulling, opstanding en verhoging.

Handelingen 2 past niet netjes in de klassieke formule

Petrus zegt op Pinksteren:

“Zo wete dan zekerlijk het ganse huis Israëls, dat God Hem tot een Heere en Christus gemaakt heeft, namelijk dezen Jezus, Dien gij gekruist hebt.” Handelingen 2:36 (STV)

Dat vers schuurt.

Niet met Christus’ heerlijkheid.
Wel met een platte dogmatiek waarin geen ruimte lijkt te zijn voor “gemaakt”, “gesteld”, “verhoogd” en “gegeven”.

Petrus zegt hier niet dat Jezus pas ná de opstanding begon te bestaan. Dat zou dwaasheid zijn. Maar hij zegt wel dat God Hem, de gekruisigde Jezus, tot Heere en Christus gemaakt heeft. Dat is Bijbelse taal. Aanstellingstaal. Koninkrijkstaal. Opstandingstaal.

De kerkelijke formule “geen eerder of later, geen meer of minder” klinkt dan ineens te glad. Te vlak. Te weinig historisch. Te weinig verbonden met de weg van vernedering naar verhoging.

Want de Schrift zegt ook:

“Daarom heeft Hem ook God uitermate verhoogd, en heeft Hem een Naam gegeven, welke boven allen naam is.” Filippenzen 2:9 (STV)

Merk op dat woord: daarom.

Christus vernederde Zich.
Christus werd gehoorzaam tot de dood.
Daarom heeft God Hem uitermate verhoogd.

Dat is geen toneelstukje. Dat is geen schijnbeweging binnen een onbeweeglijk schema. Dat is de weg van de Middelaar.

De vernedering van Christus wordt weggeredeneerd

Een groot bezwaar tegen de kerkelijke drie-eenheidsleer is dat zij de vernedering van Christus vaak meteen neutraliseert.

Men zegt dan: ja, naar Zijn menselijke natuur was Hij minder, maar naar Zijn Goddelijke natuur bleef Hij volkomen gelijk. Formeel is dat begrijpelijk. Maar als die uitleg ertoe leidt dat de volle ernst van Christus’ vernedering verdampt, is er iets mis.

De Schrift spreekt ronduit:

“Die in de gestaltenis Gods zijnde, geen roof geacht heeft Gode evengelijk te zijn; Maar heeft Zichzelven vernietigd, de gestaltenis eens dienstknechts aangenomen hebbende, en is den mensen gelijk geworden.” Filippenzen 2:6-7 (STV)

En ook:

“Maar wij zien Jezus met heerlijkheid en eer gekroond, Die een weinig minder dan de engelen geworden was, vanwege het lijden des doods.” Hebreeën 2:9 (STV)

Dat is geen bijzaak.
Dat is het Evangelie.

De eeuwige heerlijkheid van Christus mag niet worden losgemaakt van Zijn weg als de gehoorzame Knecht. Hij kwam niet als een goddelijke verschijning in menselijke vermomming.

Hij werd werkelijk Mens. Hij vernederde Zich werkelijk. Hij leed werkelijk. Hij stierf werkelijk. Hij werd werkelijk opgewekt. Hij werd werkelijk verhoogd.

Een dogma dat dat alles wegwerkt onder een formule, slaat de Schrift plat.

De Heilige Geest wordt een derde afzonderlijke Persoon

Ook bij de Heilige Geest schuurt het dogma.

De Schrift spreekt persoonlijk over de Geest. De Geest leert, leidt, overtuigt, getuigt, kan bedroefd worden. Dat moeten we niet negeren.

Maar de vraag is: dwingt de Schrift ons om de Heilige Geest te definiëren als een derde onderscheiden Persoon naast Vader en Zoon binnen ‘één Goddelijk Wezen?’

Dat is veel minder vanzelfsprekend dan men vaak doet voorkomen.

Johannes schrijft:

“En dit zeide Hij van den Geest, Denwelken ontvangen zouden die in Hem geloven; want de Heilige Geest was nog niet, overmits Jezus nog niet verheerlijkt was.” Johannes 7:39 (STV)

Dat is een opmerkelijke zin. De Geest van God was er al in het Oude Testament. De Geest werkte, sprak, bekwaamde, leidde. Maar Johannes zegt toch: “de Heilige Geest was nog niet”, in verband met de verheerlijking van Christus.

Dat wijst op een nieuwe bediening van de Geest ná Christus’ verhoging. De Geest is niet los verkrijgbaar als derde religieuze kracht. De Geest is nauw verbonden met de verhoogde Christus.

Paulus schrijft:

“De Heere nu is de Geest; en waar de Geest des Heeren is, aldaar is vrijheid.” 2 Korinthe 3:17 (STV)

Dat past niet lekker in een al te strak drie-vakjes-schema.

De Schrift spreekt vaak over “de Geest van God”, “de Geest van Christus”, “Christus in u”, “de Geest des Heeren”. Die lijnen lopen veel inniger in elkaar dan het kerkelijke model soms laat merken.

Mattheüs 28:19 is geen kant-en-klare dogmatiek

Vaak wordt Mattheüs 28:19 gebruikt alsof de klassieke drie-eenheidsleer daar letterlijk staat.

Maar er staat:

“Gaat dan henen, onderwijst al de volken, dezelve dopende in den Naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes; lerende hen onderhouden alles, wat Ik u geboden heb.” Mattheüs 28:19 (STV)

Dat is een machtige tekst. Maar er staat niet: drie eeuwige Personen in één Wezen, gelijk in majesteit, zonder eerder of later.

Dat wordt erin gelezen.

Bovendien begint de opdracht met deze woorden:

“Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde.” Mattheüs 28:18 (STV)

Weer dat woord: gegeven.

De Opgestane spreekt. De Verhoogde spreekt. Degene aan Wie alle macht gegeven is, zendt Zijn discipelen uit. De tekst staat dus niet los van opstanding, verhoging en koninklijke volmacht.

Wie Mattheüs 28:19 gebruikt als dogmatische snelweg naar Nicea, rijdt te hard langs de context.

Het grootste bezwaar: een kerkelijke formule wordt tot eis gemaakt

Hier wordt het echt serieus.

In sommige klassieke belijdenisvormen wordt de drie-eenheidsformule zo zwaar gemaakt dat zij ongeveer als voorwaarde voor behoud functioneert. Alsof iemand pas veilig is wanneer hij exact de kerkelijke terminologie kan onderschrijven.

Maar de Schrift zegt:

“Geloof in den Heere Jezus Christus, en gij zult zalig worden, gij en uw huis.” Handelingen 16:31 (STV)

Niet: geloof in de latere kerkelijke formulering van drie Personen in één Wezen.

Natuurlijk is het belangrijk wie Christus is. Een valse Christus redt niet. Een geschapen Christus redt niet. Een Christus Die niet werkelijk Heer is, is niet de Christus der Schriften.

Maar dat is iets anders dan zeggen dat een mens de latere dogmatische formulering moet onderschrijven om behouden te zijn.

Daar wordt een kerkelijke hek om Christus heen gezet. En soms lijkt het alsof de hek belangrijker wordt dan Christus Zelf.

Dat is gevaarlijk.

De zaligheid ligt niet in het correct uitspreken van een dogmatische formule. De zaligheid ligt in Christus.

De Schrift is rijker dan het dogma

De klassieke drie-eenheidsleer wil iets beschermen: de eenheid van God, de Godheid van Christus, de werkelijkheid van de Geest. Dat motief is begrijpelijk. Maar goede bedoelingen maken een formulering nog niet automatisch Bijbels.

De Schrift is rijker dan het schema.

Zij spreekt over de ene God.
Zij openbaart Christus als Heere.
Zij toont Hem als het Beeld van de onzienlijke God.
Zij predikt Zijn vernedering.
Zij verkondigt Zijn opstanding.
Zij belijdt Zijn verhoging.
Zij wijst op Zijn Middelaarschap.
Zij spreekt over de Geest als Gods inwonende, werkzame, heiligende tegenwoordigheid, nauw verbonden met de verhoogde Christus.

Dat is geen armoede. Dat is geen verlaging van Christus. Dat is juist eerbied voor de wijze waarop God Zichzelf heeft geopenbaard.

Weg met de religieuze rekensom

De drie-eenheidsleer is vaak verdedigd met zinnen die niemand werkelijk begrijpt, maar die men toch moet nazeggen om veilig te lijken.

Drie, maar niet drie.
Eén, maar niet één op gewone wijze.
Onderscheiden, maar niet gescheiden.
Gelijk, maar toch gezonden.
Eeuwig gegenereerd, maar zonder begin.
Voortkomend, maar niet later.
Drie Personen, één Wezen.

Op een gegeven moment wordt geloof dan geen luisteren naar de Schrift meer, maar het instemmen met een kerkelijk taalspel.

En wie daarbij vragen stelt, wordt verdacht gemaakt.

Maar Bijbels geloof staat of valt niet bij formules die de apostelen nooit hebben uitgesproken.

Bijbels geloof leeft van de openbaring van God in Christus.

“Want er is één God, er is ook één Middelaar Gods en der mensen, de Mens Christus Jezus.” 1 Timotheüs 2:5 (STV)

Dat is helder.
Dat is apostolisch.
Dat is genoeg om eerbiedig bij stil te staan.

Wat dan wél belijden?

Niet minder dan de Schrift.
Maar ook niet méér alsof onze latere woorden boven Gods Woord mogen gaan staan.

Er is één God.

De Here Jezus Christus is de Heer, het Beeld van de onzienlijke God, de Zoon, de Gezondene, de Middelaar, de Opgestane, de Verhoogde, de Erfgenaam, de Koning.

De Heilige Geest is Gods werkzame, inwonende, heiligende tegenwoordigheid, door Wie Christus in de Zijnen woont en werkt.

De Vader is de Bron, de Zender, Degene uit Wie alle dingen zijn.

De Zoon is Degene door Wie alle dingen zijn en in Wie God Zich volkomen heeft geopenbaard.

De Geest is Degene door Wie Gods leven, waarheid en kracht in de gelovigen werkt.

Maar wij hoeven dat niet gevangen te zetten in een kerkelijke formule die vervolgens als lakmoesproef voor behoud wordt gebruikt.

De scherpe conclusie

Het probleem met de kerkelijke drie-eenheidsleer is niet dat deze te hoog denkt van Christus. Het probleem is dat deze achteraf de Bijbelse openbaring in een schema perst.

-maakt van Vader, Zoon en Geest drie dogmatische vakjes.

-maakt van levende heilsgeschiedenis een abstracte constructie.

-maakt van Christus’ vernedering en verhoging een voetnoot.

-leest latere formuleringen terug in teksten die anders spreken.

En  kan een kerkelijke formule zwaarder laten wegen dan de apostolische prediking.

De apostelen riepen niet op tot geloof in een kerkelijk rekenschema.

Zij predikten Christus.

Gekruisigd.
Opgestaan.
Verhoogd.
Tot Heer en Christus gemaakt.
De komende Koning.

Dáár moet de kerk naar terug.

Niet naar minder eerbied voor Christus.
Maar naar minder dogmatische rook rond Christus.

Niet naar ontkenning van Zijn Godheid.
Maar naar een Bijbels belijden van Zijn heerlijkheid.

Want de vraag is niet of wij de juiste kerkelijke formule kunnen nazeggen.

De vraag is of we willen buigen voor Hem van Wie geschreven staat:

“En alle tong zou belijden, dat Jezus Christus de Heere zij, tot heerlijkheid Gods des Vaders.” Filippenzen 2:11 (STV)

lees ook:

Is de Here Jezus JHWH? – Bijbelse basis

tot Wie bidden en zingen? – Bijbelse basis

Waarom Handelingen geen blauwdruk is voor de gemeente vandaag – Bijbelse basis

Extern:

Tot Wie bidden en zingen?

Tot Wie bidden en zingen?

Adressering in gebeden en liederen

In kerken en samenkomsten is bidden en zingen een vast onderdeel. De woorden komen vaak moeiteloos over de lippen en de melodie draagt het gevoel. Toch wordt er zelden bij stilgestaan tot Wie wij ons precies richten. Juist daar ontstaat ongemerkt een probleem: de adressering van onze woorden klopt niet altijd met het Bijbelse patroon.

Wie het Nieuwe Testament aandachtig leest, ontdekt een opvallende eenheid. Gebeden, dankzeggingen en lofprijzingen zijn steeds gericht tot God de Vader, en soms rechtstreeks tot de Heere Jezus Christus. Wat echter ontbreekt, zijn voorbeelden van gebeden of lofprijzingen die tot de Heilige Geest gericht zijn. Dat is geen toevalligheid, maar een betekenisvol gegeven.

De blijvende inwoner

De Bijbel laat zien dat de Heilige Geest een andere plaats inneemt. Hij is niet in de eerste plaats Degene tot Wie wij spreken, maar Degene door Wie wij spreken. Hij is niet de Ontvanger van het gebed, maar de innerlijke Kracht die het gebed mogelijk maakt. Daarom spreekt de Schrift consequent over bidden door de Geest en bidden in de Geest, maar nooit over bidden tot de Geest.

Een kerngegeven van het christelijk geloof is dat de Heilige Geest in de gelovige woont. Hij is geen bezoeker die af en toe verschijnt, maar een blijvende Inwoner. Hij vormt het denken, richt het hart en wekt het verlangen tot gebed. Juist daarom is het theologisch problematisch om de Geest aan te spreken alsof Hij buiten ons staat.

Zekerheid uit de Bijbel

Wanneer wij bidden of zingen met woorden als “Kom, Heilige Geest”, zeggen we feitelijk, al is het vaak onbedoeld, dat Hij er nog niet is. Dat botst met de Bijbelse zekerheid dat de Geest gegeven is en blijft. De Schrift laat zelfs zien dat het werk van de Heilige Geest en het innerlijk van de gelovige soms nauwelijks van elkaar te onderscheiden zijn. De verzuchtingen die uit het hart opstijgen, zijn tegelijk het werk van de Geest. Hij bidt in ons, met ons en door ons.

Juist in liederen komt verkeerde adressering veel voor. Liederen hebben een poëtische vrijheid en een sterke emotionele lading. Wat muzikaal en gevoelsmatig werkt, wordt lang niet altijd inhoudelijk getoetst. Aanspreekvormen als “Heilige Geest, wij aanbidden U” klinken intens en persoonlijk, maar verleggen ongemerkt de Bijbelse volgorde.

Daarbij speelt mee dat wat vaak gezongen wordt, vanzelf normaal gaat voelen. Zo ontstaat een praktijk waarin de Heilige Geest wordt behandeld als een externe Persoon die moet komen, spreken of handelen, terwijl Hij juist Degene is die het spreken zelf mogelijk maakt.

Mogelijke gevolgen

Deze verkeerde adressering blijft niet zonder gevolgen. Wie steeds bidt om de komst van de Geest, kan innerlijk gaan twijfelen aan Zijn blijvende aanwezigheid. De aandacht verschuift van vertrouwen op wat God reeds gegeven heeft naar het zoeken naar nieuwe ervaringen of gevoelens. Ook vervaagt het onderscheid binnen de ‘Drie-eenheid’,  waardoor het verstaan van Wie God is, en Zijn handelen verarmt.

Een bijbels evenwicht vraagt niet om koel of afstandelijk bidden, maar om dieper vertrouwen. Het patroon dat de Schrift laat zien is helder en rijk: wij richten ons tot de Vader, in de Naam van de Zoon, gedragen en geleid door de Heilige Geest. Wie zo bidt, hoeft de Geest niet te roepen, want Hij is er al. Wie zo zingt, plaatst Hem niet op afstand, maar erkent Hem als de Bron van het zingen zelf.

Geworteld raken

De vraag tot Wie wij spreken is geen taalkwestie, maar een geestelijke. Woorden vormen ons denken, en denken vormt ons geloofsleven. Juist daarom verdient de adressering van onze gebeden en liederen zorgvuldige aandacht. Niet om armer te worden, maar rijker. Niet om te beperken, maar om dieper geworteld te raken in wat de Schrift werkelijk leert.

Geverifieerd door MonsterInsights