Hebreeën 10:25, welke samenkomst?

Hebreeën 10:25, welke samenkomst?

“En laat ons onze onderlinge bijeenkomst niet nalaten, gelijk sommigen de gewoonte hebben, maar elkander vermanen; en dat zoveel te meer, als gij ziet dat de dag nadert”..                                              (Hebreeën 10:25 STV)

Hebreeën 10:25 wordt vaak aangehaald als bewijs dat een christen verplicht zou zijn om naar de plaatselijke samenkomst of kerk te gaan.. Zeer recent nog hoorde ik deze tekst als zodanig aangehaald worden.
Voor veel mensen is dit zondermeer een uitgemaakte zaak. Toch blijkt bij nadere bestudering dat dit vers over iets anders gaat.

Het gevaar van een losse tekst

Het probleem begint wanneer Hebreeën 10:25 los wordt geciteerd, zonder rekening te houden met de directe context. Wie eerlijk doorleest, komt onmiddellijk bij de verzen 26 tot en met 29. Daar wordt gesproken over willens en wetens zondigen nadat men de kennis van de waarheid heeft ontvangen, over het ontbreken van een offer voor de zonde, over een schrikkelijke verwachting van oordeel en over het vertreden van de Zoon van God en het onrein achten van het bloed van het verbond.

De vraag dringt zich vanzelf op: kan dit werkelijk slaan op iemand die niet naar een kerkelijke bijeenkomst gaat? Het antwoord is overduidelijk. Dat zou leerstellig onhoudbaar en innerlijk tegenstrijdig zijn.

De hoofdgedachte van de Hebreeënbrief

De Hebreeënbrief heeft één grote lijn. De schrijver richt zich tot gelovigen met een Joodse achtergrond en waarschuwt hen ernstig om niet terug te keren naar het oude verbond. Christus wordt gepresenteerd als de volmaakte Hogepriester, Zijn offer als eenmalig en volkomen voldoende. Er bestaat geen ander offer meer en er is geen andere weg tot God dan door Hem.

Alles in deze brief draait om het blijven ingaan tot Christus, om het vasthouden aan Hem en aan het nieuwe Verbond dat in Zijn bloed is opgericht.

Wat betekent “onderlinge bijeenkomst”?

In Hebreeën 10:25 wordt het Griekse woord episynagōgē gebruikt. Dat woord komt in het Nieuwe Testament slechts twee keer voor. De andere keer is in 2 Thessalonicenzen 2:1, waar het wordt vertaald met “toevergadering tot Hem”.

In die tekst kan het onmogelijk over een plaatselijke samenkomst gaan. Het gaat daar over het bijeenvergaderd worden tot Christus Zelf. Hetzelfde woord, in dezelfde betekenis, wordt gebruikt in Hebreeën 10. De vertaling “onderlinge bijeenkomst” wekt daarom gemakkelijk een verkeerde indruk. Het gaat niet primair om een fysieke bijeenkomst, maar om het blijven toevergaderd zijn tot Christus.

De werkelijke oproep van Hebreeën 10:25

De oproep van de schrijver is ernstig en indringend. Hij waarschuwt zijn lezers om het niet los te laten om tot Christus te blijven gaan. Om niet af te haken, niet terug te keren naar een systeem dat geen leven meer biedt, maar vast te houden aan de belijdenis van de hoop. Dat verklaart ook waarom de waarschuwing in de verzen daarna zo scherp is. Het gaat niet om het missen van een samenkomst, maar om het loslaten van Christus Zelf.

Samenkomen als gelovigen?

Dat samenkomen als gelovigen nuttig, goed en waardevol is, staat buiten kijf. De Schrift geeft daarvan ook tal van voorbeelden. Maar nergens wordt dit afgedwongen met dreiging van oordeel. Het Nieuwe Testament kent geen kerkelijke aanwezigheidsplicht op straffe van geestelijk verderf.

Hebreeën 10:25 gebruiken om kerkbezoek verplicht te stellen, doet daarom geen recht aan de tekst, niet aan de context en niet aan de boodschap van het evangelie.

Resumerend

Hebreeën 10:25 gaat niet over verplicht kerkbezoek. Het gaat over het blijvend toevergaderd zijn tot Christus. Over volharden in het nieuwe verbond en niet terugvallen in wat geen leven kan geven.

Wie dit ziet, leest dit vers niet langer als een stok achter de deur, maar als een ernstige en tegelijk liefdevolle oproep om vast te houden aan Hem die de enige Hogepriester is, het enige Offer en het enige Leven.

Zijn de geestesgaven opgehouden?

Zijn de geestesgaven opgehouden?

Waarom strak cessationisme tekortschiet volgens Efeze 4

Inleiding: twee uitersten, één vals dilemma

In de studie over de geestesgaven lijkt men vaak maar twee smaken te kennen. Of men omarmt vrijwel elke geestelijke ervaring als werk van de Heilige Geest, of men stelt dat bepaalde of eigenlijk vrijwel alle gaven definitief zijn opgehouden met het einde van de apostolische tijd. Dat laatste standpunt, het strakke cessationisme, presenteert zich graag als nuchter en Schriftgetrouw. Maar wie Efeze 4 serieus leest, merkt al snel dat dit schema niet uit de tekst zelf voortkomt, maar er van buitenaf op wordt gelegd.

De oorsprong van de geestesgaven: Christus, niet de gemeente

Paulus begint niet met een tijdsbepaling, maar met een uitgangspunt dat ongemakkelijk is voor elk systeem dat Christus wil vastzetten.

“Maar aan een iegelijk van ons is de genade gegeven, naar de maat der gave van Christus” (Efeze 4:7, STV).

De gaven zijn van Christus. Niet van de gemeente, niet van de traditie en niet van de theologie. Wie beweert dat Christus deze gaven definitief niet meer geeft, zal dat expliciet uit de Schrift moeten aantonen. Dat bewijs ontbreekt.

Geestesgaven en Christus’ heerschappij

Paulus verbindt de gaven bovendien niet aan een tijdelijke noodsituatie, maar aan Christus’ heerschappij.

“Daarom zegt Hij: Als Hij opgevaren is in de hoogte, heeft Hij de gevangenis gevangen genomen, en heeft den mensen gaven gegeven” (Efeze 4:8, STV).

Dit is geen beschrijving van een startfase die inmiddels is afgerond, maar van een Hoofd, Die uitdeelt wat nodig is voor Zijn lichaam, de gemeente, zolang zij op aarde is.

Apostelen en profeten: geen herhaling van het fundament

Apostelen in de strikte Nieuwtestamentische zin bestaan vandaag niet meer. Zij waren ooggetuigen van de opgestane Christus, rechtstreeks door Hem geroepen en dragers van uniek leergezag. Paulus schrijft dat de gemeente is

“gebouwd op het fundament der apostelen en profeten” (Efeze 2:20, STV).

Een fundament leg je één keer. Om bij het Bijbelse beeld te blijven van een bouwwerk, zoals de gemeente ook wel wordt afgebeeld.; wie vandaag apostelen (fundamentleggers) claimt met vergelijkbaar gezag, tast dat fundament aan en schuift op richting ”nieuwe openbaring”.

Hetzelfde geldt voor profeten in absolute zin. Profeten die met onfeilbaar gezag spraken en openbaring toevoegden aan Gods Woord behoren tot het fundament en deze bediening ais votooid met de voltooiing van de Schrift.

Maar wie daaruit concludeert dat elke vorm van profetisch spreken verdwenen is, zegt meer dan de Schrift zegt.

Profetie vandaag: toetsbaar en ondergeschikt aan de Schrift

Paulus zegt niet dat profetie genegeerd moet worden, maar:

“Veracht de profetieën niet; maar beproeft alle dingen” (1 Thessalonicenzen 5:20–21, STV).

Dat is veelzeggend. Toetsing veronderstelt shriftgezag, en geen toevoeging aan de Schrift. Profetisch spreken kan alleen bestaan in volledige ondergeschiktheid aan het Woord, lokaal, corrigeerbaar en gericht op opbouw. Zodra iemand spreekt met absoluut gezag of zich beroept op directe woorden van God die niet getoetst mogen worden, is de grens overschreden.

Het doel van de geestesgaven: opbouw van de gemeente

Paulus laat geen twijfel bestaan over het doel van de gaven.

“Tot volmaking der heiligen, tot het werk der bediening, tot opbouwing van het lichaam van Christus” (Efeze 4:12, STV).

Dat doel is vandaag niet minder actueel dan in de eerste eeuw. De gemeente is niet af, en bovendien niet vrij van dwaling. Toch beweert strak cessationisme dat Christus Zijn middelen heeft ingetrokken terwijl Zijn doel nog openligt.

Het beslissende woord: “totdat”

Het kernvers volgt direct daarna.

“Totdat wij allen zullen komen tot de enigheid des geloofs en der kennis van den Zoon Gods, tot een volkomen man, tot de mate der grootte der volheid van Christus” (Efeze 4:13, STV).

Dat woord “totdat” is doorslaggevend. Paulus koppelt de gaven niet aan de canon, niet aan het sterven van de apostelen, maar aan een toekomstig eindpunt. Wie beweert dat dit “totdat” al achter ons ligt, zal moeten uitleggen waarom de gemeente nog steeds, ook zichtbaar, onvolwassen is.

Bescherming tegen dwaling: actueler dan ooit

Paulus noemt ook het gevaar waarvoor deze gaven nodig zijn.

“Opdat wij niet meer kinderen zouden zijn, heen en weder bewogen en omgevoerd met allen wind der leer” (Efeze 4:14, STV).

Dat is niet zomaar een  historische voetnoot, maar eerder een scherpe diagnose van de gemeente vandaag. Juist in een tijd van leerstellige modes en geestelijke verwarring zou Christus geen middelen meer geven om Zijn gemeente te beschermen? Dat is niet vol te houden.

Geen charismatische willekeur, geen theologische kramp

Dit betoog is allesbehalve een pleidooi voor ongeremde charismatische praktijken. De Schrift roept op tot orde, onderscheiding en toetsing. Maar toetsing veronderstelt aanwezigheid. Je beproeft geen gaven die per definitie niet meer zouden bestaan. De Bijbel zegt niet: verwerp profetie omdat zij is opgehouden, maar: beproef, toets, aan het Woord.

Wat nu? Christus begrenzen of Christus gehoorzamen?

Paulus sluit af met het echte doel

“Maar de waarheid betrachtende in liefde, in alles zouden opwassen in Hem, Die het Hoofd is, namelijk Christus” (Efeze 4:15, STV).Geen spektakel, gevoelsuitingen, of “bovennatuurlijke” zaken, maar groei.  Geen gezagsclaims, maar opbouw.

Strak cessationisme wil veiligheid bieden, maar doet dat door meer te zeggen dan de Schrift zegt. Het sluit de deur die de Bijbel openlaat en beperkt Christus om de gemeente te verzorgen.

Efeze 4 laat geen ruimte voor nieuwe apostelen met absoluut gezag. Maar het laat ook geen ruimte voor een allesblokkerend veto.Het laat wél ruimte voor nuchterheid, onderscheiding en gehoorzaamheid aan het Woord.

En dat is iets anders dan het op voorhand dichtmetselen van wat de Schrift zelf openlaat.

Wat moet een mens doen om gered te worden?

Wat moet een mens doen om gered te worden?

Het is een vraag die door de eeuwen heen steeds opnieuw gesteld wordt: wat kan en moet een mens doen om gered te worden? De Bijbel geeft op deze vraag een antwoord dat tegelijk eenvoudig, helder en diepgaand is. Niet ingewikkeld, niet omgeven door voorwaarden, maar rechtstreeks en zonder omwegen.

De Schrift maakt duidelijk dat redding niet begint bij wat de mens doet, maar bij wat God heeft gedaan. In de dood en opstanding van Jezus Christus heeft God alles volbracht wat nodig was voor de verzoening van de mens met Zichzelf. De mens wordt niet geroepen om dat werk aan te vullen, maar om het te geloven.

De apostel Paulus verwoordt dit kernachtig wanneer hij schrijft:

“Geloof in den Heere Jezus Christus, en gij zult zalig worden.” (Handelingen 16:31)

Dit antwoord sluit nauw aan bij de prediking van Petrus op de pinksterdag. Wanneer de toehoorders, geraakt in hun hart, vragen wat zij moeten doen, luidt het antwoord:

“Bekeert u.” (Handelingen 2:38)

Bekering betekent hier niet het verrichten van religieuze werken of morele zelfverbetering, maar een omkeer in denken. Het is het loslaten van eigen overleggingen en het vertrouwen op wat God gesproken heeft. Bekering is het einde van vertrouwen op zichzelf en het begin van vertrouwen op God.

Redding wordt ontvangen door geloof. Dat geloof is geen vaag hopen of innerlijk gevoel, maar het aannemen van het Woord van God. De Schrift gebruikt deze woorden bewust door elkaar. Over Christus staat geschreven:

“Maar zovelen Hem aangenomen hebben, dien heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden, namelijk die in Zijn Naam geloven.” (Johannes 1:12)

Aannemen en geloven zijn hier geen twee verschillende zaken, maar twee kanten van dezelfde werkelijkheid. Geloven is aannemen wat God zegt; aannemen is geloven dat Zijn Woord waar is.

Daarom klinkt in de Bijbel ook niet de oproep om God te vragen of Hij ons wil redden, maar juist de oproep van God aan de mens:

“Laat u met God verzoenen.” (2 Korinthe 5:20)

God heeft in Christus de wereld met Zichzelf verzoend. Wat God kon doen, heeft Hij gedaan. De vraag is niet of God bereid is te redden, maar of de mens bereid is die redding te aanvaarden.

Wie tot geloof komt, ontvangt nieuw leven. De Bijbel noemt dat wedergeboorte. Dat nieuwe leven is het leven van Christus Zelf, geschonken door God. Paulus zegt:

“Zo dan, indien iemand in Christus is, die is een nieuw schepsel; het oude is voorbijgegaan, ziet, het is alles nieuw geworden.” (2 Korinthe 5:17)

Goede werken, verandering van leven en geestelijke groei volgen daaruit vanzelf voort. Zij zijn niet de voorwaarde voor redding, maar het gevolg ervan. Redding is uit genade, door geloof, en niet uit werken, opdat niemand zou roemen.

Het antwoord op de vraag wat een mens moet doen om gered te worden, is daarom eenvoudig en radicaal tegelijk.

Een mens wordt gered door te geloven, door het Evangelie aan te nemen en door zich toe te vertrouwen aan Jezus Christus. Niet door menselijke inspanning, niet door religie, maar door geloof alleen. Dat is de blijvende en bevrijdende boodschap van de Schrift.

 

Geverifieerd door MonsterInsights