God Zelf beschrijft Zijn verhouding tot Israël als een huwelijk
Bij de Sinaï sluit de HEERE Zijn verbond met Israël. Dit verbond wordt in de profeten uitdrukkelijk als een huwelijksverbond beschreven. Israël is daarbij de vrouw en de HEERE haar Man.
Jeremia 2:2 noemt zelfs Israëls “ondertrouw”:
“Ik gedenk der weldadigheid uwer jeugd, der liefde uwer ondertrouw, toen gij Mij nawandeldet in de woestijn…” (Jeremia 2:2, STV)
En bij de Sinaï antwoordt Israël met het ja-woord:
“Al wat de HEERE gesproken heeft, zullen wij doen.” (Exodus 19:8, STV)
Ezechiël noemt Israël letterlijk Gods vrouw
Ezechiël 16 is misschien wel het duidelijkste hoofdstuk:
“…ja, Ik zwoer u, en kwam met u in een verbond, spreekt de Heere HEERE, en gij werdt de Mijne.” (Ezechiël 16:8, STV)
Hier zijn verbond en huwelijk rechtstreeks met elkaar verbonden. Jeremia bevestigt dat:
“…welk Mijn verbond zij vernietigd hebben, hoewel Ik hen getrouwd had, spreekt de HEERE.” (Jeremia 31:32, STV)
En:
“Bekeert u, gij afkerige kinderen, spreekt de HEERE, want Ik heb u getrouwd…” (Jeremia 3:14, STV)
Dat is moeilijk weg te verklaren: Israël wordt niet alleen vergeleken met een vrouw; God zegt dat Hij haar heeft getrouwd. Bruid_en_Bruidegom_Vlichthus
Daarom wordt Israëls afgoderij vervolgens consequent “hoererij”, “overspel” en “ontrouw” genoemd. Die woorden krijgen juist hun kracht omdat er een huwelijksverbond bestond.
Het Nieuwe Verbond wordt met Israël gesloten
Dit vind ik een van de sterkste argumenten.
Jeremia zegt niet:
“Ik zal met de Gemeente een nieuw verbond maken.”
Er staat:
“Ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik met het huis Israëls en met het huis van Juda een nieuw verbond zal maken.” (Jeremia 31:31, STV)
En enkele verzen later:
“Maar dit is het verbond, dat Ik na die dagen met het huis Israëls maken zal…” (Jeremia 31:33, STV)
Het oude verbond was een huwelijksverbond met Israël. Het nieuwe verbond wordt opnieuw beloofd aan Israël en Juda.
Jesaja zegt zonder omwegen tegen Israël: “Uw Maker is uw Man”
Jesaja 54 is nóg explicieter:
“Want uw Maker is uw Man, HEERE der heirscharen is Zijn Naam; en de Heilige Israëls is uw Verlosser…” (Jesaja 54:5, STV)
En Israël wordt daar genoemd:
“…als een verlaten vrouw en bedroefde van geest; nochtans zijt gij de huisvrouw der jeugd…” (Jesaja 54:6, STV)
Dat gaat over dezelfde vrouw die verlaten was en opnieuw door de HEERE geroepen zal worden.
Israël → vrouw van de HEERE → ontrouw → verlaten/weggezonden → toekomstige bekering → Nieuw Verbond → opnieuw in gemeenschap met haar Man.
Dat is een zeer consistente lijn.
Ook Hosea past precies in dat beeld
Hosea is eigenlijk één grote uitbeelding van deze waarheid.
Israël wordt door haar ontrouw “Lo-Ammi” — “niet Mijn volk”. Maar dat is niet het einde. God belooft herstel:
“En Ik zal ze Mij op de aarde zaaien, en zal Mij ontfermen over Lo-Ruchama; en Ik zal zeggen tot Lo-Ammi: Gij zijt Mijn volk; en dat zal zeggen: O mijn God!” (Hosea 2:22, STV)
En vlak daarvoor:
“En Ik zal u Mij ondertrouwen in eeuwigheid; ja, Ik zal u Mij ondertrouwen in gerechtigheid en in gericht, en in goedertierenheid en in barmhartigheden.” (Hosea 2:18, STV)
Dat woord “ondertrouwen” is hier enorm belangrijk.
God zegt niet tegen een nieuwe, onbekende partij dat Hij haar zal ondertrouwen. Het gaat om het Israël dat Hem ontrouw geworden was en dat Hij uiteindelijk tot Zich zal brengen.
In Openbaring heet de bruid “het nieuwe Jeruzalem”
Dan komen we bij het Nieuwe Testament.
Openbaring 21 zegt:
“En ik, Johannes, zag de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, nederdalende van God uit den hemel, toebereid als een bruid, die voor haar man versierd is.” (Openbaring 21:2, STV)
En nog duidelijker:
“Kom herwaarts, ik zal u tonen de Bruid, de Vrouw des Lams.”
Vervolgens ziet Johannes “de grote stad, het heilige Jeruzalem”. (Openbaring 21:9-10, STV)
De Gemeente wordt daarentegen steeds het Lichaam genoemd
Dit is het andere belangrijke deel van het argument.
Paulus zegt niet dat wij “leden van Zijn bruid” zijn, maar:
“Want wij zijn leden Zijns lichaams, van Zijn vlees en van Zijn benen.” (Efeze 5:30, STV)
Juist in Efeze 5, het hoofdstuk dat meestal wordt gebruikt om te zeggen dat de Gemeente de bruid is, noemt Paulus Christus het Hoofd en de Gemeente Zijn lichaam.
De kern
Daarom vind ik deze formulering het duidelijkst:
Israël is de bruid omdat God Zelf Zijn verbondsrelatie met Israël als een huwelijk openbaart. De HEERE noemt Zich haar Man, noemt Israël Zijn vrouw, noemt haar afgoderij overspel, spreekt over scheiding, belooft haar opnieuw te ondertrouwen en belooft met Israël en Juda een Nieuw Verbond te sluiten.
De Gemeente heeft een andere, nog inniger positie:
Christus is het Hoofd en de Gemeente is Zijn Lichaam.
Dat bewaart ook het onderscheid Israël – Gemeente. Je hoeft de beloften aan Israël niet over te hevelen naar de Gemeente om ze te laten uitkomen.
En eigenlijk is Hosea 2:18 misschien wel de tekst die het allemaal in één zin samenvat:
“En Ik zal u Mij ondertrouwen in eeuwigheid…” (STV)
Hoe een moderne mythe tot Bijbelse waarheid werd verheven
De ‘Galilese bruiloft’ is in korte tijd een populair verhaal geworden in evangelische en profetisch georiënteerde kringen. Volgens deze leer zouden allerlei woorden van de Here Jezus over Zijn wederkomst rechtstreeks verwijzen naar een bijzonder Galilees huwelijksritueel. Johannes 14, “dag en uur”, de tien maagden, de beker, de bazuin en zelfs de opname van de Gemeente zouden pas echt duidelijk worden wanneer we deze Galilese bruiloft kennen.
Het klinkt indrukwekkend. Het past bijna verdacht mooi.
Er is alleen één probleem.
Waar is het historische bewijs dat deze specifieke ‘Galilese bruiloft’ in de eerste eeuw zo bestond?
Wanneer iets vanaf de kansel wordt gepresenteerd als historische achtergrond bij Gods Woord, mag je verwachten dat die geschiedenis ook historisch aantoonbaar is.
En daar begint het verhaal behoorlijk te kraken.
de ‘Joodse’ of ‘Galilese’ bruiloftsmythe
Wat is het verhaal van de Galilese bruiloft?
Het populaire verhaal gaat ongeveer als volgt.
Een Galilese bruidegom zou zijn toekomstige bruid een beker wijn hebben aangeboden. Wanneer zij daarvan dronk, aanvaardde zij zijn huwelijksaanzoek. Vervolgens vertrok de bruidegom naar het huis van zijn vader om daar een plaats voor haar gereed te maken.
Wanneer hij terug mocht komen, wist hij niet.
Alleen zijn vader bepaalde dag en uur.
De bruid moest daarom voortdurend gereed zijn. Op een onverwacht moment, vaak ’s nachts, gaf de vader zijn zoon toestemming. Onder bazuingeschal kwam de bruidegom zijn bruid halen. Zij werd als het ware “weggerukt” en naar het huis van de vader gebracht. Daar volgde een zeven dagen durend bruiloftsfeest.
Klinkt bekend?
Natuurlijk.
Johannes 14. Mattheüs 24. Mattheüs 25. De opname. Het huis van de Vader. “Dag en uur”. De bazuin. De bruidegom. En uiteindelijk zelfs de zeven jaren van Daniëls zeventigste week.
Alles lijkt ineens in elkaar te passen.
Misschien wel iets té mooi.
Is er historisch bewijs voor de Galilese bruiloft?
Laten we één misverstand meteen voorkomen. Niemand hoeft te ontkennen dat er in het Jodendom verlovingen, huwelijksovereenkomsten, bruidsschatten, bruidegoms, bruiden, huwelijksprocessies en bruiloftsfeesten waren.
Natuurlijk waren die er.
Ook konden regionale verschillen in gebruiken bestaan.
Maar dat is niet de kwestie.
De vraag is of dit complete en zeer specifieke scenario van de zogenaamde Galilese bruiloft historisch aantoonbaar is.
Het artikel De Galilese bruiloft: een moderne mythe doorgepriktheeft dat onderzocht en wijst erop dat de cruciale onderdelen van het moderne verhaal niet als één specifiek Galilees huwelijksritueel uit de oude bronnen naar voren komen. Het verhaal lijkt vooral in recente decennia grote bekendheid te hebben gekregen en werd onder andere via predikers, boeken en de film Before the Wrath populair.
Dat betekent niet automatisch dat ieder afzonderlijk detail onmogelijk is.
Het betekent iets anders, en dat is belangrijk:
De complete reconstructie mag niet als bewezen historische werkelijkheid worden gepresenteerd wanneer het bewijs daarvoor ontbreekt.
De Galilese bruiloft en Johannes 14
Hier wordt het echt interessant.
De Here Jezus zegt:
“In het huis Mijns Vaders zijn vele woningen; anderszins zo zou Ik het u gezegd hebben; Ik ga heen om u plaats te bereiden. En zo wanneer Ik heen zal gegaan zijn, en u plaats zal bereid hebben, zo kom Ik weder en zal u tot Mij nemen, opdat gij ook zijn moogt, waar Ik ben.” (Johannes 14:2-3, STV)
Vervolgens redeneert men ongeveer zo:
Zie je wel? Een Galilese bruidegom ging na zijn verloving naar het huis van zijn vader om daar een plaats voor zijn bruid gereed te maken. Daarom gebruikt Jezus hier de taal van een Galilese bruiloft.
Maar ho even.
Hoe weten we eigenlijk dat die Galilese bruidegom dat precies zo deed?
Als het antwoord uiteindelijk mede uit Johannes 14 wordt afgeleid, hebben we een probleem.
Want dan gebeurt dit:
Johannes 14 wordt gebruikt om de historische gewoonte te reconstrueren.
Vervolgens wordt die gereconstrueerde gewoonte gebruikt om Johannes 14 te verklaren.
En daarna wordt vanaf de kansel gezegd:
“Om Johannes 14 goed te begrijpen, moet u weten hoe een Galilese bruiloft verliep…”
NEE dus.
Dat is een cirkelredenering.
De Bijbeltekst heeft dan eerst de zogenaamde historische achtergrond geleverd, waarna diezelfde “historische achtergrond” wordt gebruikt om te bewijzen wat de Bijbeltekst zou betekenen.
Dat klinkt geleerd.
Maar geleerd klinken en iets bewijzen zijn twee verschillende dingen.
“Dag en uur weet niemand”: was dat echt een huwelijksgebruik?
Hetzelfde gebeurt met deze bekende uitspraak:
“Doch van dien dag en die ure weet niemand, ook niet de engelen der hemelen, dan Mijn Vader alleen.” (Mattheüs 24:36, STV)
Volgens het verhaal over de ‘Galilese bruiloft’ was dit typische huwelijkstaal.
De bruidegom zou wel voorbereidingen treffen, maar uiteindelijk bepaalde alleen zijn vader wanneer alles gereed was en wanneer hij zijn bruid mocht ophalen.
Dat levert natuurlijk een schitterende preek op.
Maar opnieuw dezelfde vervelende vraag:
Waar staat in een onafhankelijke historische bron uit of rond die periode dat dit inderdaad een specifiek Galilees huwelijksgebruik was?
Mattheüs 24:36 kan daarvoor niet zelf als bewijs dienen.
Want dan zeggen we eigenlijk:
“Wij weten dat Jezus naar een Galilees huwelijksgebruik verwijst omdat Galilese bruidegoms dit deden. En wij weten dat Galilese bruidegoms dit deden omdat Jezus dit zegt.”
Zie je het probleem?
De slang bijt zichzelf in de staart.
De beker wijn en het vermeende huwelijksaanzoek
Ook de beker krijgt in het verhaal een prachtige betekenis.
De bruidegom zou een beker wijn aan het meisje hebben aangeboden. Wanneer zij ervan dronk, accepteerde zij hem als bruidegom.
Daarna wordt een verbinding gelegd met het laatste avondmaal.
Maar waarom zouden we een gereconstrueerd huwelijksritueel nodig hebben wanneer de Here Jezus Zelf vertelt wat de beker betekent?
“Want dat is Mijn bloed, het bloed des Nieuwen Testaments, hetwelk voor velen vergoten wordt, tot vergeving der zonden.” (Mattheüs 26:28, STV)
Dat is nogal duidelijk.
Christus zegt niet:
Dit is de beker waarmee een Galilese bruid haar bruidegom aanvaardt.
Hij spreekt over Zijn bloed in het Nieuwe Testament.
Waarom zouden wij vervolgens een vermeende huwelijksbetekenis over de tekst heen leggen terwijl de Here Jezus Zelf de betekenis geeft?
Dat maakt de tekst niet rijker.
Het leidt de aandacht juist weg van wat Christus Zelf zegt.
De tien maagden en de Galilese bruiloft
Dan Mattheüs 25.
Er is een bruidegom.
Er zijn lampen.
Er wordt gewacht.
De bruidegom blijft langer weg dan verwacht.
En uiteindelijk klinkt midden in de nacht de roep:
“En als de bruidegom vertoefde, werden zij allen sluimerig, en vielen in slaap. En te middernacht geschiedde een geroep: Ziet, de bruidegom komt, gaat uit hem tegemoet!” (Mattheüs 25:5-6, STV)
En daar komt de Galilese bruiloft weer tevoorschijn.
“Zie je wel! De bruidegom kwam onverwachts midden in de nacht. Precies zoals bij een Galilese bruiloft!”
Maar we weten dat de bruidegom in deze gelijkenis onverwacht komt omdat…
de Here Jezus dat Zelf vertelt.
We hebben geen romantische allegorie nodig om dat te ontdekken.
We hebben geen gereconstrueerd Galilees huwelijksritueel nodig.
Christus geeft zelfs Zelf de toepassing:
“Zo waakt dan; want gij weet den dag niet, noch de ure, in dewelke de Zoon des mensen komen zal.” (Mattheüs 25:13, STV)
Daar staat de boodschap.
Gewoon in de tekst.
De Galilese bruiloft en de opname van de Gemeente
Het verhaal wordt dan nog spectaculairder wanneer de bruid wordt opgehaald.
In sommige versies van de reconstructie wordt zij zelfs gedragen of opgetild. En dan ligt de verbinding met de opname natuurlijk voor het grijpen.
Maar ook daarvoor hebben we die ‘Galilese bruiloft’ helemaal niet nodig.
Paulus schrijft:
“Daarna wij, die levend overgebleven zijn, zullen te zamen met hen opgenomen worden in de wolken, den Heere tegemoet, in de lucht; en alzo zullen wij altijd met den Heere wezen.” (1 Thessalonicenzen 4:17, STV)
Daar staat het.
De opname van de Gemeente hoeft niet bewezen te worden met een dubieus huwelijksverhaal.
Sterker nog: wie een Bijbelse leer afhankelijk maakt van historisch onbewezen folklore, maakt die leer alleen maar onnodig kwetsbaar.
Wanneer iemand vervolgens aantoont dat de vermeende achtergrond niet bewezen kan worden, lijkt het alsof daarmee ook de opname onderuitgaat.
Helemaal niet.
De opname staat in de Schrift.
Dat is genoeg.
Zeven dagen bruiloft = zeven jaar verdrukking?
En dan wordt er nog een stap gezet.
Het bruiloftsfeest zou zeven dagen duren.
De zeventigste week van Daniël omvat zeven jaren.
Dus terwijl Gods oordelen over de aarde gaan, bevindt de Gemeente zich als bruid gedurende zeven jaren bij haar Bruidegom.
Opnieuw: het klinkt prachtig.
Maar een overeenkomst tussen twee getallen is nog geen door God gegeven typologie.
Waar legt de Schrift deze verbinding?
Je kunt niet twee zevens naast elkaar leggen en vervolgens zeggen dat God daarmee een profetisch patroon heeft geopenbaard.
Dat is precies hoe speculatieve Bijbeluitleg ontstaat.
Eerst ziet iemand een overeenkomst.
Dan wordt de overeenkomst een mogelijkheid.
De mogelijkheid wordt een uitleg.
De uitleg wordt een leer.
En een generatie later wordt vanaf de kansel verteld:
“De Joden in de tijd van Jezus wisten dit allemaal…”
Ho eens even.
Waar is het bewijs?
Het gevaarlijke zinnetje: “In de tijd van Jezus…”
Daar moeten we ontzettend voorzichtig mee zijn.
“In de tijd van Jezus…”
“Bij de Joden was het gebruikelijk…”
“Een Galilese bruidegom deed…”
“De rabbijnen leerden…”
“De discipelen zouden onmiddellijk hebben begrepen…”
Het klinkt allemaal indrukwekkend.
Maar bron graag?
Welke Joden?
Welke rabbijn?
Welke periode?
Welke tekst?
Welke archeologische vondst?
Welke primaire bron?
En vooral:
komt die bron werkelijk uit of rond de tijd van het Nieuwe Testament, of wordt een veel latere traditie teruggeprojecteerd naar de eerste eeuw?
Dat zijn geen twistvragen. Geen moeilijkdoenerij om het moeilijk doen.
Dat is gewoon verantwoord omgaan met geschiedenis.
En zeker wanneer die geschiedenis vervolgens gebruikt wordt om Gods Woord uit te leggen, mogen we daarin bijzonder zorgvuldig zijn.
Waarom ‘de Galilese bruiloft’ zo overtuigend klinkt
Misschien is dit wel het meest verraderlijke aspect van het hele verhaal.
De moderne reconstructie van de Galilese bruiloft lijkt bijna te perfect op een bepaald profetisch schema.
De beker past.
Het huis van de vader past.
De voorbereide plaats past.
Alleen de vader kent het moment.
Het onverwachte vertrek past.
De nacht past.
De lampen passen.
De bazuin past.
Het ophalen van de bruid past.
Het “wegrukken” past.
De zeven dagen passen.
De opname past.
De zevenjarige verdrukking past.
Werkelijk alles past.
Maar wanneer vervolgens wordt gevraagd naar onafhankelijke oude bronnen voor precies die keten van gebruiken, wordt het ineens een stuk lastiger.
En dan dringt zich een heel andere mogelijkheid op.
Misschien heeft men niet vanuit een oude Galilese bruiloft het Nieuwe Testament leren begrijpen.
Misschien heeft men uit verschillende nieuwtestamentische teksten een Galilese bruiloft gereconstrueerd.
En vervolgens wordt die reconstructie weer gebruikt om precies diezelfde teksten te verklaren.
Dat is het werkelijke probleem.
Ook Jay McCarl lost dat probleem niet zomaar op
Jay McCarl heeft belangrijk bijgedragen aan de verspreiding van deze voorstelling en heeft zijn bronnen en onderzoeksmethode uitvoerig verdedigd.
Het zou daarom te gemakkelijk zijn om simpelweg te roepen:
“Er zijn helemaal geen bronnen!”
Daar gaat de kritiek niet over.
De cruciale vraag is veel specifieker:
Welke onafhankelijke historische bronnen bewijzen dat juist deze complete verzameling gebruiken kenmerkend was voor een Galilese bruiloft in de tijd van de Here Jezus?
Want zodra Johannes 14, Mattheüs 24 en Mattheüs 25 mede worden gebruikt om het huwelijksgebruik te reconstrueren, kunnen diezelfde gereconstrueerde gebruiken niet vervolgens als onafhankelijk bewijs dienen om Johannes 14, Mattheüs 24 en Mattheüs 25 te verklaren.
Dan blijft het een cirkelredenering.
Hoeveel voetnoten je er vervolgens ook onder zet.
Geen aanval op de opname
Voor alle duidelijkheid: kritiek op het verhaal van de ‘Galilese bruiloft’ is géén aanval op de opname van de Gemeente.
Integendeel.
We hebben dat verhaal daarvoor helemaal niet nodig.
Paulus schrijft:
“Want de Heere Zelf zal met een geroep, met de stem des archangels, en met de bazuin Gods nederdalen van den hemel; en die in Christus gestorven zijn, zullen eerst opstaan; Daarna wij, die levend overgebleven zijn, zullen te zamen met hen opgenomen worden in de wolken, den Heere tegemoet, in de lucht; en alzo zullen wij altijd met den Heere wezen.” (1 Thessalonicenzen 4:16-17, STV)
Dát is de bron.
Niet een YouTube-filmpje.
Niet een spectaculaire documentaire.
Niet Before the Wrath.
Niet een moderne reconstructie van een Galilees huwelijk.
En ook niet een bijdehandte spreker die beweert precies te weten wat iedere Galileeër tweeduizend jaar geleden onmiddellijk zou hebben begrepen.
Gods Woord.
Toets de Galilese bruiloft aan Schrift én geschiedenis
Wanneer iemand ‘de Galilese bruiloft’ presenteert als dé historische sleutel tot Johannes 14, Mattheüs 24, Mattheüs 25 of de opname van de Gemeente, stel dan één eenvoudige vraag:
“Uit welke onafhankelijke historische bron uit of rond de tijd van Jezus blijkt dat deze specifieke Galilese huwelijksgebruiken zo bestonden?”
Als het antwoord uiteindelijk weer Johannes 14, Mattheüs 24, Mattheüs 25 of een moderne reconstructie daarvan blijkt te zijn, zijn we terug waar we begonnen.
Dan verklaart de “historische achtergrond” de Bijbel niet.
Dan heeft de Bijbel eerst de historische achtergrond geproduceerd.
En daarmee stort het kaartenhuis in elkaar.
De ‘Galilese bruiloft’ is daarom een uaansprekende waarschuwing voor iedere Bijbellezer. Niet alles wat als “Joodse achtergrond” wordt gepresenteerd, is daarmee historische werkelijkheid.
Vraag naar de bron.
Vraag naar de datering.
Vraag of de bron werkelijk bewijst wat ermee beweerd wordt.
En wanneer dat bewijs ontbreekt, wees dan niet bang om eenvoudig te zeggen:
Dit weten we niet.
Gods Woord heeft onze verzonnen zekerheden niet nodig.
“Beproeft alle dingen; behoudt het goede.” (1 Thessalonicenzen 5:21, STV)
Dat geldt óók voor een verhaal dat duizenden keren is gepreekt, schitterend in een profetisch schema past en inmiddels zo vaak is herhaald dat bijna niemand meer vraagt waar het eigenlijk vandaan komt.
Een vaak herhaalde bewering wordt daarmee nog geen historische waarheid.
Voor de verdediging van de theorie en de gebruikte onderzoeksmethode is Jay McCarl – Galilean Wedding FAQs relevant. Door beide kanten naast elkaar te lezen wordt duidelijk welke vraag uiteindelijk beantwoord moet worden: niet of de reconstructie bij de Bijbelteksten past, maar of deze als specifiek eerste-eeuws Galilees gebruik onafhankelijk historisch aantoonbaar is.
Psalm 103 is een van die Psalmen die mij steeds weer bijzonder raakt als ik hem lees. In deze blog over Psalm 103 zien we hoe David zichzelf oproept de HEERE te loven en géén van Zijn weldaden te vergeten. De hele Psalm is een indrukwekkende lofzang op Gods vergeving, barmhartigheid, goedertierenheid en trouw.
“Loof den HEERE, mijn ziel…” (Psalm 103:1, STV)
en aan het einde opnieuw:
“Loof den HEERE, mijn ziel.” (Psalm 103:22, STV)
David begint niet bij anderen. Hij spreekt allereerst zichzelf aan.
“Mijn ziel, loof den HEERE.”
Niet alleen wanneer de omstandigheden goed zijn. Niet alleen wanneer hij zich ernaar voelt:
“Loof den HEERE, mijn ziel, en al wat binnen in mij is, Zijn heiligen Naam.” (Psalm 103:1, STV)
Al wat binnen in mij is.
Dat is volledige overgave. Geen reserves. Heel zijn innerlijke mens roept hij op om God te loven.
Psalm 103 Vergeet geen van Zijn weldaden
Vergeet Zijn weldaden niet
Dan volgt in vers 2 voor mij persoonlijk een heel belangrijke aansporing:
“Loof den HEERE, mijn ziel, en vergeet geen van Zijn weldaden;” (Psalm 103:2, STV)
Vergeet niet.
Wat zijn wij daar van nature gemakkelijk toe geneigd.
We weten meestal precies wat ons ontbreekt. We herinneren ons onze teleurstellingen, onze pijn, onze onbeantwoorde vragen en onze zorgen.
Maar wat God heeft gedaan? Zijn bewaring? Zijn Genade? Zijn trouw? Zijn vergeving?
David zegt het tegen zichzelf: ziel, vergeet dat niet!
Dat spreekt mij persoonlijk erg aan. Het is goed om bewust terug te denken aan, en stil te staan bij wat God al heeft gedaan. Niet alleen in algemene zin, maar ook heel persoonlijk. Waar heeft Hij gedragen? Waar heeft Hij bewaard? Waar heeft Hij voorzien? En boven alles: wat heeft Hij in Christus geschonken?
Lofprijzing wordt hier dus gevoed door herinnering.
Die al uw ongerechtigheid vergeeft
Dan begint David Gods weldaden op te sommen:
“Die al uw ongerechtigheid vergeeft, Die al uw krankheden geneest;” (Psalm 103:3, STV)
Opvallend is dat hij begint met vergeving.
Dat is niet toevallig.
De grootste nood van de mens is uiteindelijk niet zijn lichamelijke zwakheid, zijn moeilijke omstandigheden of zelfs zijn sterfelijkheid. Zijn diepste probleem is zijn zonde tegenover God.
En dáár begint Gods grote Genade.
“Die al uw ongerechtigheid vergeeft.”
Dat is gigantisch.
Niet een stukje. Niet alleen de fouten die wij zelf nog betrekkelijk klein vinden. David noemt hier
al uw ongerechtigheid.
Daarna noemt hij het genezen van krankheden. Zonde en ziekte zijn niet sec hetzelfde en deze woorden moeten daarom niet zonder meer als synoniemen worden behandeld. Wel behoren ziekte, zwakheid en sterfelijkheid tot die gebroken werkelijkheid die door de zondeval in de wereld gekomen is.
God is niet alleen Degene Die vergeeft. Hij is ook Degene van Wie herstel en genezing uiteindelijk afkomstig zijn.
En eens zal voor Gods verlosten iedere consequentie van de gevallen schepping voorgoed weggedaan zijn.
Verlost van het verderf
Die gedachte gaat verder in vers 4:
“Die uw leven verlost van het verderf, Die u kroont met goedertierenheid en barmhartigheden;” (Psalm 103:4, STV)
Hier wordt het nog groter.
Hij vergeeft.
Hij geneest.
Hij verlost.
En Hij kroont.
Wát een beschrijving van Gods Genade.
De mens heeft van zichzelf geen kroon verdiend. Integendeel. Maar God omringt hem met “goedertierenheid en barmhartigheden”.
Dát is Genade in een notendop.
Niet ontvangen wat wij vanwege onze zonde verdiend hebben, en vervolgens uit Gods hand ontvangen wat wij nooit hadden kunnen verdienen.
Verzadigt met het goede
Vers 5 vervolgt:
“Die uw mond verzadigt met het goede, uw jeugd vernieuwt als eens arends.” (Psalm 103:5, STV)
God geeft niet met mate.
Hij verzadigt.
Er zit in deze eerste verzen een prachtige opeenvolging:
Hij vergeeft.
Hij geneest.
Hij verlost.
Hij kroont.
Hij verzadigt.
De aandacht ligt voortdurend bij wat Hij doet.
Daar ligt ook de grond van deze lofprijzing. Niet in wat wij voor God tot stand brengen, maar allereerst in Wie Hij is en wat Hij doet.
De HEERE doet gerechtigheid
Vanaf vers 6 verruimt David zijn blik.
“De HEERE doet gerechtigheid en gerichten al dengenen die onderdrukt worden.” (Psalm 103:6, STV)
God is niet alleen goed; Hij is óók rechtvaardig.
Dat hoort bij elkaar.
Wij zetten goedheid en oordeel soms tegenover elkaar, maar de Bijbel doet dat niet. Juist omdat God goed is, haat Hij het kwaad. Juist omdat Hij rechtvaardig is, ziet Hij de onderdrukte niet over het hoofd.
Vers 7 herinnert vervolgens aan Gods handelen met Israël:
“Hij heeft Mozes Zijn wegen bekendgemaakt, den kinderen Israëls Zijn daden.” (Psalm 103:7, STV)
David baseert zijn lofprijzing dus niet alleen op persoonlijke ervaring.
Hij kijkt naar Gods geopenbaarde handelen in de geschiedenis.
Dat is belangrijk.
Ons geloof rust uiteindelijk niet op ons gevoel van vandaag. God heeft Zich bekendgemaakt. Hij heeft gesproken. Hij heeft gehandeld.
Barmhartig en genadig
Dan komen we bij misschien wel een van de mooiste en krachtigste samenvattingen van Gods karakter in deze Psalm:
“Barmhartig en genadig is de HEERE, lankmoedig en groot van goedertierenheid.” (Psalm 103:8, STV)
Barmhartig.
Genadig.
Lankmoedig.
Groot van goedertierenheid.
Dat betekent niet dat God zonde onbelangrijk vindt. Integendeel. Tegen de achtergrond van Zijn heiligheid wordt Zijn Genade zo groot.
Vers 9 zegt:
“Hij zal niet altoos twisten, noch eeuwiglijk den toorn behouden.” (Psalm 103:9, STV)
Gods toorn is geen grillige menselijke drift. Zijn oordeel is rechtvaardig.
Maar David weet ook: Gods handelen met degenen die Hem vrezen wordt gekenmerkt door barmhartigheid.
En dan komt vers 10:
“Hij doet ons niet naar onze zonden, en vergeldt ons niet naar onze ongerechtigheden.” (Psalm 103:10, STV)
Als God met ons zou handelen naar wat onze zonden verdienen, wie zou dan kunnen bestaan?
Dat is misschien wel een van de meest verootmoedigende gedachten van deze Psalm.
Wij leven niet van onze verdiensten.
Wij leven van Genade.
Zo hoog de hemel is
David zoekt vervolgens naar beelden om die goedertierenheid onder woorden te brengen.
En eigenlijk schieten woorden tekort.
“Want zo hoog de hemel is boven de aarde, is Zijn goedertierenheid geweldig over degenen die Hem vrezen.” (Psalm 103:11, STV)
Hoe groot is Gods goedertierenheid?
Kijk omhoog.
Kun je de afstand meten?
Zo spreekt David over Gods goedertierenheid.
Maar dan komt misschien een nog indrukwekkender beeld:
“Zo ver het oosten is van het westen, zo ver doet Hij onze overtredingen van ons.” (Psalm 103:12, STV)
Niet een paar meter.
Niet tijdelijk uit het zicht.
Zo ver het oosten is van het westen.
God vergeeft niet zoals mensen soms vergeven: “Ik vergeef het je, maar ik kan het niet vergeten.”
Hij doet de overtredingen weg.
Wat een rust ligt daarin.
Zoals een vader zich ontfermt
Daarna verandert het beeld opnieuw.
Van de hemel en de horizon gaat David naar een vader en zijn kinderen.
“Gelijk zich een vader ontfermt over de kinderen, ontfermt Zich de HEERE over degenen die Hem vrezen.” (Psalm 103:13, STV)
God kent onze zwakheid.
Hij weet precies wat wij zijn.
“Want Hij weet wat maaksel wij zijn, gedachtig zijnde dat wij stof zijn.” (Psalm 103:14, STV)
Dat vind ik bijzonder troostvol.
God overschat onze kracht niet.
Wij doen dat zelf vaak wel.
Wij denken misschien dat wij altijd sterk moeten zijn, alles moeten begrijpen, alles moeten aankunnen en altijd overeind moeten blijven.
God weet beter.
Hij weet dat wij stof zijn.
Dat is geen excuus voor ongeloof of ongehoorzaamheid. Maar het is wel een geweldige troost voor de zwakke mens die op Hem vertrouwt.
Onze zwakheid verrast Hem niet.
Gras en bloemen
Dan plaatst David de mens tegenover Gods eeuwigheid.
“De dagen des mensen zijn als het gras; gelijk een bloem des velds, alzo bloeit hij.” (Psalm 103:15, STV)
Een bloem kan prachtig zijn.
Maar heel kort.
“Als de wind daarover gegaan is, zo is zij niet meer, en haar plaats kent haar niet meer.” (Psalm 103:16, STV)
Dat houdt ons een spiegel voor.
Wij kunnen ons leven ontzettend belangrijk vinden. Onze plannen. Onze bezittingen. Onze positie. Onze zorgen.
Maar hoe lang duurt een mensenleven eigenlijk?
Een korte bloeitijd.
Een windvlaag.
En het is voorbij.
Maar dan staat daar dat prachtige woord aan het begin van vers 17:
Maar.
“Maar de goedertierenheid des HEEREN is van eeuwigheid en tot eeuwigheid over degenen die Hem vrezen…” (Psalm 103:17, STV)
Wij zijn tijdelijk.
Hij is eeuwig.
Ons leven is vluchtig.
Zijn goedertierenheid niet.
Onze kracht neemt af.
Zijn trouw niet.
Alles aan ons leven verandert, maar Zijn goedertierenheid is
“van eeuwigheid en tot eeuwigheid”.
Wat een tegenstelling.
Zijn troon staat vast
En dan tilt de Psalm onze blik helemaal omhoog.
“De HEERE heeft Zijn troon in de hemelen bevestigd, en Zijn Koninkrijk heerst over alles.” (Psalm 103:19, STV)
Dat is uiteindelijk de grond onder alles wat eraan voorafging.
God is ‘in control’.
Zijn troon wankelt niet.
Zijn Koninkrijk wordt niet bedreigd.
Hij is niet afhankelijk van menselijke macht, omstandigheden of ontwikkelingen op aarde.
“Zijn Koninkrijk heerst over alles.”
Ook wanneer wij niet begrijpen wat er gebeurt.
Ook wanneer het leven anders loopt dan wij hadden gedacht.
Ook wanneer wij onze eigen zwakheid nadrukkelijk ervaren.
Zijn troon staat vast.
En dan moet alles Hem loven
De Psalm begon heel persoonlijk:
“Loof den HEERE, mijn ziel.”
Maar nu wordt de kring steeds wijder.
Eerst:
“Looft den HEERE, Zijn engelen…” (Psalm 103:20, STV)
Dan:
“Looft den HEERE, al Zijn heirscharen…” (Psalm 103:21, STV)
En tenslotte:
“Looft den HEERE, al Zijn werken, aan alle plaatsen Zijner heerschappij.” (Psalm 103:22, STV)
De lofprijzing die begon in het binnenste van één mens vult uiteindelijk als het ware de hele schepping.
Engelen.
Heirscharen.
Dienaars.
Al Zijn werken.
Overal waar Zijn heerschappij is.
En waar is die heerschappij?
Over alles.
Maar opmerkelijk genoeg eindigt David precies waar hij begon.
Na die enorme oproep aan heel de schepping zegt hij opnieuw tegen zichzelf:
“Loof den HEERE, mijn ziel.” (Psalm 103:22, STV)
Alsof hij zegt:
Laat de engelen Hem loven.
Laat Zijn heirscharen Hem loven.
Laat heel Zijn schepping Hem loven.
Maar mijn ziel, vergeet jij het vooral niet.
Vergeet geen van Zijn weldaden
Misschien is dat voor mij wel de kern van deze hele Psalm.
Vergeet niet.
Wanneer het leven moeilijk is: vergeet niet.
Wanneer je zwak bent: vergeet niet.
Wanneer je gebeden nog niet verhoord lijken: vergeet niet.
Wanneer je terugkijkt op je leven: vergeet niet.
Hij vergeeft.
Hij verlost.
Hij ontfermt Zich.
Hij weet dat wij stof zijn.
Zijn goedertierenheid is van eeuwigheid tot eeuwigheid.
Zijn troon staat vast.
Zijn Koninkrijk heerst over alles.
Daarom:
“Loof den HEERE, mijn ziel, en vergeet geen van Zijn weldaden.” (Psalm 103:2, STV)