Israël en de Gemeente: het Bijbelse onderscheid

Onderscheid in roeping, taak en bestemming

Wat is het Bijbelse onderscheid tussen Israël en de Gemeente? Deze vraag is bepalend voor het verstaan van Gods heilsplan, de Bijbelse profetieën en de roeping van gelovigen in deze tijd.

Israël en de Gemeente hebben beide een plaats in Gods voornemen, maar zij zijn niet hetzelfde volk onder verschillende namen. Israël is verbonden met Abraham, Izak en Jakob, het beloofde land, de troon van David en het toekomstige zichtbare Koninkrijk van Christus. De Gemeente is het Lichaam van Christus, gevormd uit gelovige Joden en heidenen en verbonden met de opgestane en verheerlijkte Christus in de hemel.

Wanneer het onderscheid tussen Israël en de Gemeente verdwijnt, worden beloften verplaatst, profetieën vergeestelijkt en opdrachten aan de verkeerde groep toegeschreven. De Gemeente gaat dan proberen een aards koninkrijk te bouwen, terwijl Israël uit de profetie wordt weggeschreven.

Dit onderwerp is daarom geen ondergeschikt leerstellig vraagstuk. Het raakt rechtstreeks aan de betrouwbaarheid van Gods beloften.

 

Bijbels onderscheid tussen Israël en de Gemeente
Bijbels onderscheid tussen Israël en de Gemeente

 

Het Bijbelse verschil tussen Israël en de Gemeente

De Schrift maakt zelf onderscheid tussen Israël, de heidenen en de Gemeente. Paulus schrijft:

“Weest zonder aanstoot te geven, en den Joden, en den Grieken, en der Gemeente Gods.” — 1 Korinthe 10:32 (STV)

Paulus noemt hier drie onderscheiden groepen. Dat betekent niet dat er verschillende wegen tot zaligheid bestaan. Zowel een Jood als een heiden kan uitsluitend behouden worden door het geloof in de Here Jezus Christus.

Eenheid in de weg van behoud betekent echter niet dat alle verschillen in roeping, taak en bestemming verdwijnen.

Een gelovige Jood en een gelovige heiden worden in Christus tot hetzelfde Lichaam gerekend. Daarmee zijn Gods nationale beloften aan Israël niet vernietigd. God hoeft Zijn beloften aan Israël niet te breken om mensen uit de heidenen te kunnen behouden.

Dat zou geen bewijs van genade zijn, maar van ontrouw. En God is niet ontrouw.

 

De oorsprong en roeping van Israël

De bijzondere geschiedenis van Israël begint met de roeping van Abram:

“De HEERE nu had tot Abram gezegd: Ga gij uit uw land, en uit uw maagschap, en uit uws vaders huis, naar het land, dat Ik u wijzen zal.” — Genesis 12:1 (STV)

God riep Abram uit de volkerenwereld. Hij beloofde hem een land, een nageslacht en zegen. Deze beloften werden later bevestigd aan Izak en Jakob. Uit Jakob, die van God de naam Israël ontving, ontstond het volk Israël.

Israël is daarom niet slechts een godsdienstige gemeenschap. Het is een werkelijk volk, voortgekomen uit bepaalde vaderen en verbonden met concrete beloften van God.

God beloofde Abraham niet alleen geestelijke zegeningen. Hij sprak ook over een land en een natuurlijk nageslacht. Later kwamen daar de beloften over het koningschap, de troon van David en de regering van de Messias bij.

Wie Israël als een geestelijk beeld van de Gemeente behandelt, trekt deze beloften los van de mensen aan wie God ze heeft gegeven.

 

Israël werd geroepen als getuige van God

Israël werd door God afgezonderd uit de overige volkeren:

“Want gij zijt een heilig volk den HEERE, uw God; u heeft de HEERE, uw God, verkoren, dat gij Hem tot een volk des eigendoms zoudt zijn uit alle volken, die op den aardbodem zijn.” — Deuteronomium 7:6 (STV)

Die verkiezing vond niet plaats omdat Israël groter, sterker of beter was dan andere volken. God koos Israël op grond van Zijn eigen voornemen en vanwege de beloften die Hij aan de vaderen had gedaan.

Israël moest te midden van een afgodische wereld getuigen van de ene, waarachtige God:

“Gijlieden zijt Mijn getuigen, spreekt de HEERE, en Mijn knecht, dien Ik uitverkoren heb; opdat gij het weet, en Mij gelooft, en verstaat, dat Ik Dezelve ben; voor Mij is geen God geformeerd, en na Mij zal er geen zijn.” — Jesaja 43:10 (STV)

De wet, de offers, de tabernakel, de tempel, de priesterdienst en de profetieën getuigden allemaal van Gods heiligheid, gerechtigheid, genade en verlossingsplan.

Israël moest aan de volkeren laten zien dat er slechts één God is en dat ware zegen alleen bij Hem gevonden wordt.

 

De taak van Israël onder de volkeren

Bij de Sinaï maakte God duidelijk welke bijzondere taak Israël ontving:

“En gij zult Mij een priesterlijk koninkrijk, en een heilig volk zijn.” — Exodus 19:6 (STV)

Een priester heeft een dienende en vertegenwoordigende functie. Israël werd geroepen om Gods waarheid te bewaren en Zijn Naam onder de volkeren bekend te maken.

Aan Israël werden bovendien de woorden van God toevertrouwd. Paulus vraagt wat het voordeel van de Jood is en antwoordt:

“Veel in alle manier; want dit is wel het eerste, dat hun de Woorden Gods zijn toebetrouwd.” — Romeinen 3:2 (STV)

God gebruikte Israël als drager en bewaarder van Zijn geschreven openbaring. De wet, de profeten en de overige oudtestamentische geschriften werden binnen Israël gegeven.

Ook de belofte van de Messias werd door dit volk heen bewaard. De lijn van de belofte liep via Abraham, Izak, Jakob, Juda en David naar de Here Jezus Christus.

Paulus schrijft over de Israëlieten:

“Welker zijn de vaders, en uit welke Christus is, zoveel het vlees aangaat, Dewelke is God boven allen te prijzen in der eeuwigheid. Amen.” — Romeinen 9:5 (STV)

De grootste eer van Israël is dat de Here Jezus Christus naar het vlees uit dit volk is voortgekomen.

 

Heeft God Israël vanwege zijn ongeloof verstoten?

Israël heeft zijn roeping niet volmaakt vervuld. Het volk verviel in afgoderij, verwierp herhaaldelijk de profeten en wees uiteindelijk zijn Messias af.

Daaruit wordt vaak geconcludeerd dat God Israël definitief heeft verstoten en dat de Gemeente voortaan het nieuwe Israël zou zijn. De nationale beloften aan Israël zouden daardoor geestelijk op de kerk zijn overgegaan.

Paulus wijst die conclusie nadrukkelijk af:

“Ik zeg dan: Heeft God Zijn volk verstoten? Dat zij verre; want ik ben ook een Israëliet, uit het zaad Abrahams, van den stam Benjamin.” — Romeinen 11:1 (STV)

“Dat zij verre” is geen aarzelende nuancering. Het is een krachtige ontkenning.

Israël is vanwege ongeloof tijdelijk terzijde gesteld, maar het volk is niet voorgoed uit Gods heilsplan verdwenen. Er is een gedeeltelijke en tijdelijke verharding over Israël gekomen.

Israëls ontrouw maakt Gods beloften niet krachteloos. Wanneer Gods beloften alleen geldig zouden blijven zolang mensen trouw zijn, zou de vervulling uiteindelijk van de mens afhangen.

Maar de zekerheid van Gods beloften ligt niet in de trouw van Israël. Zij ligt in de trouw van God.

 

Gods beloften aan Israël zijn niet vervallen

Paulus schrijft over de huidige verharding van Israël:

“Want ik wil niet, broeders, dat u deze verborgenheid onbekend zij, opdat gij niet wijs zijt bij uzelven, dat de verharding voor een deel over Israël gekomen is, totdat de volheid der heidenen zal ingegaan zijn. En alzo zal geheel Israël zalig worden.” — Romeinen 11:25-26 (STV)

De woorden “voor een deel” en “totdat” zijn beslissend. Zij wijzen op een tijdelijke toestand, niet op een definitieve verwerping.

God vergadert in deze tijd uit Joden en heidenen de Gemeente. Wanneer dit werk voltooid is, zal Hij Zijn beloften aan Israël verder vervullen.

Israël zal als volk tot bekering komen. Het zal opnieuw worden verzameld en onder de heerschappij van de Messias worden gebracht. De beloften aan Abraham, Izak, Jakob en David zullen niet vergeestelijkt, maar vervuld worden.

 

De oorsprong van de Gemeente

De oorsprong van de Gemeente is anders dan die van Israël. Tijdens Zijn aardse omwandeling sprak de Here Jezus over de Gemeente als iets dat Hij nog zou bouwen:

“En Ik zeg u ook, dat gij zijt Petrus, en op deze petra zal Ik Mijn gemeente bouwen, en de poorten der hel zullen dezelve niet overweldigen.” — Mattheüs 16:18 (STV)

De Here zei niet: “Ik heb Mijn Gemeente gebouwd”, maar: “Ik zal Mijn Gemeente bouwen.”

De Gemeente is daarom niet Israël onder een nieuwe naam. Ook bestond zij niet als dezelfde instelling vanaf Adam of Abraham.

Paulus noemt de Gemeente een verborgenheid. De oudtestamentische profeten hadden voorzegd dat de heidenen door de Messias gezegend zouden worden. Wat echter niet eerder op dezelfde wijze was bekendgemaakt, was dat gelovige Joden en heidenen samen één Lichaam zouden vormen, verbonden met een opgestane en verheerlijkte Christus in de hemel.

De Gemeente behoort bij het tegenwoordige, verborgen werk van God.

 

De Gemeente is het Lichaam van Christus

Israël wordt in de Schrift aangeduid als een volk, een koninkrijk en een priesterlijke natie. De Gemeente wordt daarentegen het Lichaam van Christus genoemd.

God heeft Christus:

“Der Gemeente gegeven tot een Hoofd boven alle dingen; Welke Zijn lichaam is, en de vervulling Desgenen, Die alles in allen vervult.” — Efeze 1:22-23 (STV)

De Gemeente is niet in de eerste plaats een menselijke organisatie. Zij is geen kerkelijk instituut, bedrijf, politieke beweging of religieuze machtsstructuur.

De Gemeente is een levend organisme waarvan Christus het Hoofd is.

Iedere gelovige wordt door de Heilige Geest in dat ene Lichaam geplaatst:

“Want ook wij allen zijn door één Geest tot één lichaam gedoopt, hetzij Joden, hetzij Grieken, hetzij dienstknechten, hetzij vrijen; en wij zijn allen tot één Geest gedrenkt.” — 1 Korinthe 12:13 (STV)

Binnen het Lichaam van Christus heeft de gelovige Jood geen hogere positie dan de gelovige uit de heidenen. Beiden worden op dezelfde grondslag aangenomen: uit genade, door het geloof in Christus.

De Gemeente is echter geen uitgebreid of vernieuwd Israël. Zij is een nieuwe schepping in Christus, gevormd uit gelovigen uit beide groepen.

 

De hemelse roeping van de Gemeente

Het onderscheid tussen Israël en de Gemeente wordt bijzonder duidelijk wanneer wij hun roeping vergelijken.

Israëls nationale beloften zijn verbonden met de aarde: een land, een stad, een troon, een koningshuis en een zichtbaar Koninkrijk.

De Gemeente heeft daarentegen een hemelse roeping:

“Hierom, heilige broeders, die der hemelse roeping deelachtig zijt, aanmerkt den Apostel en Hogepriester onzer belijdenis, Christus Jezus.” — Hebreeën 3:1 (STV)

Ook schrijft Paulus:

“Maar onze wandel is in de hemelen, waaruit wij ook den Zaligmaker verwachten, namelijk den Heere Jezus Christus.” — Filippenzen 3:20 (STV)

De positie, verwachting en bestemming van de Gemeente zijn verbonden met Christus in de hemel.

De Gemeente hoeft daarom niet te proberen de troon van David over te nemen. Zij heeft niet de opdracht gekregen om Jeruzalem te vervangen of door politieke macht een christelijk wereldrijk te vestigen.

Haar Hoofd is in de hemel en haar verwachting komt uit de hemel.

 

Wat is de taak van de Gemeente?

De Gemeente heeft niet de opdracht om de wereld te onderwerpen of het beloofde Koninkrijk op aarde te vestigen. Haar voornaamste taak is het bekendmaken van het Evangelie der genade en het Woord der verzoening.

Paulus schrijft:

“Zo zijn wij dan gezanten van Christus wege, alsof God door ons bade; wij bidden van Christuswege: Laat u met God verzoenen.” — 2 Korinthe 5:20 (STV)

Een gezant vertegenwoordigt zijn regering in een vreemd gebied. Hij bevindt zich wel in dat land, maar zijn burgerschap, opdracht en gezag komen ergens anders vandaan.

Dat is een passend beeld van de Gemeente. Haar burgerschap is in de hemel, terwijl zij op aarde Christus vertegenwoordigt.

De Gemeente is geroepen om:

het Evangelie van Gods genade te verkondigen;

het Woord der verzoening bekend te maken;

gelovigen op te bouwen in de waarheid;

de wijsheid en genade van God zichtbaar te maken;

als licht te midden van een duistere wereld te wandelen;

uit te zien naar de verschijning van de Here Jezus Christus.

Zij moet niet over de wereld heersen, maar Christus dienen. Zij moet mensen niet politiek onderwerpen, maar hen oproepen zich met God te laten verzoenen.

Zodra de Gemeente de nationale en koninklijke roeping van Israël naar zich toetrekt, raakt zij haar eigen hemelse roeping kwijt.

 

De toekomstige bestemming van Israël

De toekomstige bestemming van Israël is verbonden met het herstel van het volk, het beloofde land en het zichtbare Koningschap van de Messias.

De engel Gabriël zei over de Here Jezus:

“Deze zal groot zijn, en de Zoon des Allerhoogsten genaamd worden; en God, de Heere, zal Hem den troon van Zijn vader David geven. En Hij zal over het huis Jakobs Koning zijn in der eeuwigheid, en Zijns Koninkrijks zal geen einde zijn.” — Lukas 1:32-33 (STV)

De troon van David is geen aanduiding van de Gemeente. Het huis van Jakob is geen symbolische benaming voor gelovigen uit de heidenen.

De Here Jezus is werkelijk de Zoon van David. Hij heeft het recht op Davids troon en zal over het huis van Jakob regeren.

Tijdens Zijn eerste komst werd Hij als Koning verworpen. Dat betekent niet dat Zijn koninklijke rechten verdwenen zijn. Bij Zijn wederkomst zal Zijn Koningschap openbaar worden.

Israëls toekomstige bestemming omvat daarom:

de nationale bekering van het volk;

de verzameling van het verstrooide Israël;

het herstel in het beloofde land;

de regering van Christus op de troon van David;

een centrale plaats in het zichtbare Koninkrijk;

zegen voor de overige volkeren.

God heeft dit niet aan Israël beloofd om het uiteindelijk aan een andere groep te geven.

 

De bestemming van de Gemeente is bij Christus

De Gemeente wacht niet op nationaal herstel in een aards vaderland. Zij verwacht haar vereniging met Christus.

Paulus schrijft:

“Daarna wij, die levend overgebleven zijn, zullen te zamen met hen opgenomen worden in de wolken, den Heere tegemoet, in de lucht; en alzo zullen wij altijd met den Heere wezen.” — 1 Thessalonicenzen 4:17 (STV)

Deze opname past bij de hemelse roeping van de Gemeente. Zij behoort bij Christus en zal daarom tot Hem worden vergaderd.

De Here Jezus zal bovendien het vernederde lichaam van de gelovigen veranderen:

“Die ons vernederd lichaam veranderen zal, opdat hetzelve gelijkvormig worde aan Zijn heerlijk lichaam, naar de werking, waardoor Hij ook alle dingen Zichzelven kan onderwerpen.” — Filippenzen 3:21 (STV)

De bestemming van de Gemeente is:

de ontmoeting met Christus;

de verandering van het lichaam;

de verheerlijking met Christus;

het altijd bij de Here zijn;

het mede-erfgenaam zijn van Christus;

het met Hem regeren.

Israël heeft een aardse, nationale toekomst onder de heerschappij van de Messias. De Gemeente heeft een hemelse positie en zal met Christus in heerlijkheid worden geopenbaard.

Deze twee lijnen bestrijden elkaar niet. Zij komen beide samen onder het Hoofdschap van Christus.

 

Zijn Jood en heiden niet één in Christus?

Galaten 3 wordt dikwijls gebruikt om elk onderscheid tussen Israël en de Gemeente op te heffen. Paulus leert inderdaad dat Jood en Griek in Christus één zijn.

Maar deze geestelijke eenheid betekent niet dat alle door God gemaakte onderscheidingen verdwijnen.

Man en vrouw zijn in hun behoudenis en positie in Christus gelijkwaardig. Toch houden zij niet op man en vrouw te zijn. Evenmin houden Jood en heiden op een verschillende natuurlijke en historische achtergrond te hebben.

Eenheid in Christus gaat over de positie van de gelovige voor God. Zij vernietigt niet met terugwerkende kracht de verbonden en beloften die God aan Israël als volk heeft gegeven.

 

Is de Gemeente dan het geestelijke Israël?

Ook de uitspraak dat niet allen Israël zijn die uit Israël zijn, wordt dikwijls verkeerd toegepast.

Paulus maakt daarmee onderscheid tussen natuurlijke afstamming en gelovig Israël. Niet iedere natuurlijke nakomeling van Abraham heeft persoonlijk deel aan de geestelijke zegeningen van het geloof.

Maar Paulus zegt niet dat de Gemeente daarom voortaan Israël heet.

Hij maakt onderscheid tussen ongelovige en gelovige Israëlieten. Hij verandert gelovige heidenen niet in natuurlijke Israëlieten en draagt de nationale beloften niet aan hen over.

De Gemeente deelt door Christus in geestelijke zegeningen. Dat betekent niet dat zij Israëls identiteit, land of nationale toekomst heeft overgenomen.

 

De olijfboom bewijst geen vervanging

Romeinen 11 wordt eveneens gebruikt als bewijs dat de Gemeente Israël zou hebben vervangen. Het hoofdstuk leert echter het tegenovergestelde.

Sommige natuurlijke takken werden vanwege ongeloof afgebroken. Takken van een wilde olijfboom werden tegen de natuur in geënt. Maar Paulus waarschuwt de gelovigen uit de heidenen:

“Roem niet tegen de takken; en indien gij daartegen roemt, gij draagt den wortel niet, maar de wortel u.” — Romeinen 11:18 (STV)

De gelovige uit de heidenen mag zich niet boven Israël verheffen. Hij is niet de eigenaar van de boom geworden en heeft de wortel niet vervangen.

Bovendien verklaart Paulus dat God machtig is om de natuurlijke takken opnieuw te enten. Israël heeft dus niet definitief afgedaan.

Romeinen 11 is geen fundament voor vervangingsdenken. Het is juist een waarschuwing tegen de hoogmoed waaruit dat denken voortkomt.

 

Het Nieuwe Verbond heft Israël niet op

Jeremia profeteerde:

“Ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik met het huis van Israël en met het huis van Juda een nieuw verbond zal maken.” — Jeremia 31:31 (STV)

Het Nieuwe Verbond is gegrond op het offer en het bloed van Christus. Gelovigen ontvangen nu reeds de geestelijke zegeningen die door Zijn volbrachte werk mogelijk zijn geworden.

Dat betekent echter niet dat het huis van Israël en het huis van Juda uit de belofte verdwenen zijn.

God zal Israël in de toekomst onder dit verbond brengen. Hij zal het volk reinigen, vernieuwen en onder de heerschappij van de Messias plaatsen.

De Gemeente deelt in de zegeningen van het Nieuwe Verbond, maar zij wist de oorspronkelijke adressanten van de belofte niet uit.

Genade voor de heidenen betekent niet dat God Zijn beloften aan Israël heeft ingetrokken.

 

Eén Zaligmaker, onderscheiden roepingen

Het Bijbelse onderscheid tussen Israël en de Gemeente betekent niet dat er twee verschillende wegen tot behoudenis bestaan.

Er is maar één Zaligmaker.

Er is maar één grondslag voor rechtvaardiging.

Er is maar één volkomen offer voor de zonde.

Een Israëliet wordt niet behouden vanwege zijn natuurlijke afstamming. Ook hij moet geloven in de Here Jezus Christus. Een heiden wordt evenmin behouden door godsdienst, kerkelijke aansluiting of goede werken.

Ieder mens wordt uitsluitend behouden uit genade, door het geloof in Christus.

Het onderscheid ligt daarom niet in de weg tot behoudenis, maar in de roeping, taak en bestemming van Israël als volk en van de Gemeente als het Lichaam van Christus.

 

Israël en de Gemeente mogen niet worden vermengd

Israël heeft een aardse en nationale roeping, verbonden met de vaderen, het land, de troon van David en het zichtbare Koninkrijk van Christus.

De Gemeente heeft een hemelse roeping, verbonden met de opgestane en verheerlijkte Christus als haar Hoofd.

Israël werd geroepen om als volk Gods getuige en priesterlijke natie te zijn.

De Gemeente wordt geroepen om het Evangelie der genade te verkondigen, het Woord der verzoening bekend te maken en het Lichaam van Christus op te bouwen.

Israël wacht bekering, herstel en een plaats in het zichtbare Koninkrijk van de Messias.

De Gemeente verwacht haar opname, verheerlijking en vereniging met Christus.

Wie Israël en de Gemeente vermengt, maakt van de Gemeente een aardse machtsbeweging en ontneemt Israël zijn profetische toekomst. Wie het Bijbelse onderscheid bewaart, ziet juist hoe betrouwbaar en samenhangend Gods heilsplan is.

God hoeft Israël niet af te schrijven om de Gemeente te zegenen.

Hij hoeft de Gemeente niet tot Israël te maken om Zijn hemelse voornemen te volbrengen.

Hij zal Zijn beloften aan Israël vervullen. Hij zal ook Zijn voornemen met de Gemeente voltooien. Niet omdat mensen altijd trouw zijn, maar omdat Hij trouw is.

Alles vindt zijn middelpunt en vervulling in de Here Jezus Christus:

“Om in de bedeling van de volheid der tijden, wederom alles tot één te vergaderen in Christus, beide dat in den hemel is, en dat op de aarde is.” — Efeze 1:10 (STV)

In een volgend blog onderzoeken we hoe het vervagen van het Bijbelse onderscheid tussen Israël en de Gemeente heeft geleid tot de koninkrijkstheologie en de vervangingsleer. Beide visies verschillen op onderdelen, maar delen hetzelfde fundamentele probleem: zij geven de Gemeente een aardse positie en opdracht die God in Zijn Woord niet aan haar heeft gegeven.

Zie ook:

Koninkrijkstheologie en vervangingsleer ontmaskerd – Bijbelse basis

Israël vandaag Gods volk? – Bijbelse basis

Niet via Israël, niet via de Wet, maar via Genade alléén – Bijbelse basis

Wat zegt de Bijbel over de gemeente van Jezus Christus? – Bijbelse basis

Kingdom Nów ??

Tijden en gelegenheden zijn in Gods hand

Kingdom Now stelt dat de Gemeente geroepen is om het Koninkrijk van God vóór de wederkomst van Christus zichtbaar op aarde te vestigen. Christenen zouden maatschappelijke terreinen moeten innemen, politieke en culturele invloed moeten verkrijgen en demonische machten uit steden en gebieden moeten verdrijven.

In extremere vormen wordt zelfs beweerd dat Christus pas kan terugkeren nadat de Gemeente de wereld aan Hem heeft onderworpen.

Dat  klinkt allemaal krachtig en strijdvaardig. Toch berust  het op een fundamentele verwarring. Er is onvoldoende onderscheid tussen de huidige verhoging van Christus, het verborgen karakter van Zijn Koninkrijk en Zijn toekomstige openbare Koningschap over Israël en de volkeren.

De Schrift leert nergens dat de Gemeente het Koninkrijk moet vestigen.

 

KIngdom Now, een onbijbelse misvatting
Waarom KIngdom Now niet Bijbels is

Christus bouwt Zijn Gemeente en Hij zal Zijn Koninkrijk openbaar maken.

 Christus is verhoogd, maar regeert nog niet vanaf de troon van David

De Here Jezus Christus is opgewekt uit de doden en verhoogd aan Gods rechterhand. Hij bezit alle macht en is met heerlijkheid en eer gekroond.

“Doch nu zien wij nog niet, dat Hem alle dingen onderworpen zijn; maar wij zien Jezus met heerlijkheid en eer gekroond.” — Hebreeën 2:8-9 (STV)

Dit gedeelte bevat een belangrijk gegeven

Christus is reeds gekroond. Hij bezit koninklijke waardigheid en gezag. Tegelijkertijd zien wij nog niet dat alle dingen Hem daadwerkelijk onderworpen zijn.

Hij is de rechtmatige Erfgenaam en de verhoogde Heer, maar Hij oefent het openbare Davidische Koningschap over Israël en de wereld nog niet uit.

Psalm 110 zegt:

“De HEERE heeft tot Mijn Heere gesproken: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden gezet zal hebben tot een voetbank Uwer voeten.” — Psalm 110:1 (STV)

Christus zit nu aan Gods rechterhand. Hij zit nog niet op de troon van David in Jeruzalem. Hij wacht op het door God bepaalde tijdstip waarop Zijn vijanden daadwerkelijk onder Zijn voeten worden gesteld.

Ook Hebreeën spreekt over dit wachten:

“Maar Deze, één slachtoffer voor de zonden geofferd hebbende, is in eeuwigheid gezeten aan de rechterhand Gods; voorts verwachtende, totdat Zijn vijanden gesteld worden tot een voetbank Zijner voeten.” — Hebreeën 10:12-13 (STV)

Het woord verwachtende is veelzeggend. De openbare uitoefening van Christus’ Koningschap over de aarde is nog toekomstig.

 

Het Koninkrijk is al realiteit, maar is nog verborgen

Het probleem van de Kingdom Now leer is niet dat Christus Koning wordt genoemd. Christus is de rechtmatige Koning der koningen en bezit alle macht.

De dwaling ontstaat wanneer Zijn huidige hemelse verhoging wordt gelijkgesteld aan de openbare vestiging van het Messiaanse Koninkrijk op aarde.

De juiste tegenstelling is daarom niet:

nu geen Koninkrijk, later wel een Koninkrijk

maar:

nu verborgen, later openbaar

Christus bezit het recht op het Koninkrijk. Hij is verhoogd en gekroond. Maar de zichtbare heerschappij die door de profeten is aangekondigd, is nog niet aangebroken.

De Gemeente leeft niet in de tijd waarin Christus zichtbaar vanaf de troon van David over Israël en de volkeren regeert, maar leeft in de tijd waarin de Koning door de wereld is verworpen en in de hemel verborgen is.

 

Het Koninkrijk zou niet onmiddellijk openbaar worden

De discipelen verwachtten dat het Koninkrijk Gods spoedig zichtbaar zou verschijnen. Juist daarom vertelde de Here Jezus een gelijkenis:

“En als zij dit hoorden, voegde Hij daarbij, en zeide een gelijkenis, omdat Hij nabij Jeruzalem was, en omdat zij meenden, dat het Koninkrijk Gods terstond zou openbaar worden. Hij zeide dan: Een zeker welgeboren man reisde in een vergelegen land, om voor zichzelven een koninkrijk te ontvangen, en dan weder te keren.” — Lukas 19:11-12 (STV)

De volgorde is duidelijk.

De welgeboren man vertrekt naar een vergelegen land. Daar ontvangt hij het recht op het Koninkrijk. Daarna keert hij terug om daadwerkelijk als Koning te regeren.

De gelijkenis zegt niet dat zijn dienstknechten tijdens zijn afwezigheid het land moesten onderwerpen en zijn Koninkrijk voor hem moesten vestigen. Zij moesten trouw handelen met wat hun is toevertrouwd, totdat hij terugkomt.

Hun opdracht is niet: Neem mijn plaats in en onderwerp mijn vijanden.

Hun opdracht is: Wees getrouw totdat ik kom.

Bij zijn terugkeer handelt de koning zelf met zijn vijanden:

“Doch deze mijn vijanden, die niet hebben gewild, dat ik over hen koning zou zijn, brengt hen hier, en slaat ze hier voor mij dood.” — Lukas 19:27 (STV)

De verwerping van Christus eindigt dus niet doordat de Gemeente de wereld geleidelijk bekeert of onderwerpt. Zij eindigt wanneer Christus Zelf terugkeert en Zijn gezag openbaar vestigt.

 

De troon van David in de toekomst

De engel Gabriël zei over de Here Jezus:

“Deze zal groot zijn, en de Zoon des Allerhoogsten genaamd worden; en God, de Heere, zal Hem den troon van Zijn vader David geven. En Hij zal over het huis Jakobs Koning zijn in der eeuwigheid.” — Lukas 1:32-33 (STV)

De troon van David is niet hetzelfde als de troon aan de rechterhand Gods in de hemel.

David heeft nooit in de hemel geregeerd. Zijn troon stond in Jeruzalem en was verbonden met het Koningschap over Israël.

Christus zit nu aan Gods rechterhand. Bij Zijn wederkomst zal Hij de troon van David aanvaarden en zichtbaar over het huis van Jakob en de volkeren regeren.

Openbaring spreekt daarover als een toekomstige gebeurtenis:

“En de zevende engel heeft gebazuind, en er geschiedden grote stemmen in den hemel, zeggende: De koninkrijken der wereld zijn geworden onzes Heeren en van Zijn Christus, en Hij zal als Koning heersen in alle eeuwigheid.” — Openbaring 11:15 (STV)

De koninkrijken van deze wereld zijn vandaag zichtbaar nog niet aan Christus onderworpen. Dat zal gebeuren wanneer Hij Zijn Koningschap openbaar aanvaardt.

 

Eerst de Gemeente, daarna het herstel van Davids Koninkrijk

Handelingen 15 geeft een van de duidelijkste weerleggingen van de Kingdom Now leer.

Jakobus beschrijft Gods programma:

“Simeon heeft verhaald, hoe God eerst de heidenen heeft bezocht, om uit hen een volk aan te nemen door Zijn Naam.” — Handelingen 15:14 (STV)

Daarna zegt hij:

“Na dezen zal Ik wederkeren, en weder opbouwen den tabernakel van David, die vervallen is, en hetgeen daarvan verbroken is, weder opbouwen, en Ik zal denzelven weder oprichten.” — Handelingen 15:16 (STV)

De woorden eerst en na dezen bepalen de volgorde.

God verzamelt nu uit de heidenen een volk voor Zijn Naam. Daarna zal Christus wederkeren. Vervolgens wordt de vervallen hut van David hersteld.

De Kingdom Now leer keert deze volgorde om. Volgens deze leer moet de Gemeente eerst het Koninkrijk zichtbaar maken, waarna Christus kan terugkeren.

De Schrift zegt precies het tegenovergestelde:

Christus keert terug en Hij vestigt het Koninkrijk.

 

De Gemeente is geen aardse veroveringsmacht

De Gemeente wordt nergens voorgesteld als een organisatie die politieke, economische en culturele machtsposities moet veroveren om het Koninkrijk van God te vestigen.

De Gemeente is het Lichaam van Christus, met een hemelse roeping en bestemming.

“Maar onze wandel is in de hemelen, waaruit wij ook den Zaligmaker verwachten, namelijk den Heere Jezus Christus.” — Filippenzen 3:20 (STV)

De Gemeente verwacht haar Zaligmaker uit de hemel. Zij bereidt niet eerst een voltooide christelijke wereld voor om die vervolgens aan Hem aan te bieden.

 

Gelovigen worden gezanten (gezondenen) genoemd:

“Zo zijn wij dan gezanten van Christuswege, alsof God door ons bade; wij bidden van Christuswege: Laat u met God verzoenen.” — 2 Korinthe 5:20 (STV)

Een gezant vertegenwoordigt een afwezige Koning in een vreemd land. Hij neemt dat land niet over. Hij verkondigt de boodschap van zijn Koning.

De roeping van de Gemeente is daarom Christus te verkondigen, mensen op te roepen zich met God te laten verzoenen, gelovigen op te bouwen, het Woord te bewaren en de Here Jezus Christus te verwachten.

Nu geroepen dus tot getuigenis, niet tot wereldheerschappij.

 

Kingdom Now verwart Israël met de Gemeente

De zichtbare aardse heerschappij van de Messias is in de profetieën verbonden met Israël, Jeruzalem, het huis van Jakob en de troon van David.

Na de opstanding vroegen de discipelen:

“Heere, zult Gij in dezen tijd aan Israël het Koninkrijk wederoprichten?” — Handelingen 1:6 (STV)

De Here Jezus antwoordde niet dat er geen herstel van Israël zou komen. Hij zei:

“Het komt u niet toe, te weten de tijden of gelegenheden, die de Vader in Zijn eigen macht gesteld heeft.” — Handelingen 1:7 (STV)

Het herstel werd niet ontkend. Alleen het tijdstip werd niet bekendgemaakt.

De Kingdom Now leer neemt de aardse beloften aan Israël en past die rechtstreeks toe op de Gemeente. De Gemeente wordt daardoor de vermeende erfgenaam van Israëls aardse koninkrijksroeping.

Maar de Gemeente is niet Israël. De hemelse positie van het Lichaam van Christus is niet hetzelfde als de aardse regering vanaf de troon van David.

Wie dit onderscheid uitpoetst of niet ziet, maakt van de Gemeente iets wat zij volgens de Schrift niet is.

 

De wereld wordt niet geleidelijk het Koninkrijk

De Kingdom Now leer verwacht dat het Koninkrijk steeds zichtbaarder wordt doordat de Gemeente terrein wint. De Schrift beschrijft de tijd vóór Christus’ verschijning echter niet als een periode waarin de wereld steeds christelijker wordt.

Paulus schrijft:

“En weet dit, dat in de laatste dagen ontstaan zullen zware tijden.” — 2 Timotheüs 3:1 (STV)

De Here Jezus vroeg:

“Doch de Zoon des mensen, als Hij komt, zal Hij ook geloof vinden op de aarde?” — Lukas 18:8 (STV)

De Schrift verwacht allesbehalve een geleidelijke overwinning van de Gemeente over alle politieke, maatschappelijke en geestelijke machten.

In de gelijkenis van het onkruid blijft het onkruid tussen de tarwe staan tot de oogst. De oogst is de voleinding van de eeuw, wanneer Christus Zelf ingrijpt.

De Gemeente zal vrucht dragen. Het Evangelie zal mensen uit alle volken bereiken. Maar nergens wordt beloofd dat de Gemeente vóór de wederkomst de samenleving zal onderwerpen of de wereld tot het Koninkrijk zal maken.

 

Satan is nog niet gebonden

Binnen de Kingdom Now leer wordt veel gesproken over het ‘binden van territoriale machten, het innemen van steden en het verdrijven van satanische heerschappij”uit complete gebieden.

De Schrift leert onomwonden dat satan in deze tijd nog actief is:

“Zijt nuchteren, en waakt; want uw tegenpartij, de duivel, gaat om als een briesende leeuw, zoekende, wien hij zou mogen verslinden.” — 1 Petrus 5:8 (STV)

Satan is dus nog niet gebonden zoal voorzegd in Openbaring 20.

Zijn daadwerkelijke binding vindt plaats wanneer een engel uit de hemel neerdaalt en hem op Gods bevel bindt:

“En hij greep den draak, de oude slang, welke is de duivel en satanas, en bond hem duizend jaren.” — Openbaring 20:2 (STV)

Niet ‘de Gemeente bindt satan door decreten, territoriale gebeden of moderne apostolische autoriteit’.

God Zélf laat hem op het vastgestelde moment binden.

De gelovige moet de duivel weerstaan. Dat is iets anders dan beweren dat de Gemeente zijn macht over de wereld nu reeds kan of zou moeten  beëindigen.

 

Christus Zelf zal Zijn Koninkrijk vestigen

Het toekomstige Koninkrijk ontstaat niet door kerkelijke strategie, politieke meerderheden, culturele beïnvloeding of moderne apostolische netwerken.

Daniël zegt:

“Doch in de dagen van die koningen zal de God des hemels een Koninkrijk verwekken, dat in der eeuwigheid niet zal verstoord worden.” — Daniël 2:44 (STV)

God richt het Koninkrijk op.

Christus verschijnt in heerlijkheid. Hij oordeelt de volkeren, herstelt Israël, aanvaardt de troon van David en maakt Zijn heerschappij openbaar.

Dat is geen geleidelijk menselijk proces. Het is een beslissend Goddelijk ingrijpen.

Bij Zijn eerste komst werd de Koning verworpen. Bij Zijn tweede komst zal Hij Zijn Koningschap openbaar aanvaarden.

 

Het gevaar van de Kingdom Now leer

Wanneer de Gemeente zichzelf gaat zien cq. verheffen als de zichtbare regering van God op aarde, verschuift onvermijdelijk het zwaartepunt.

Het Evangelie van verzoening wordt vervangen door een boodschap van maatschappelijke transformatie. Dienaren worden machthebbers. Moderne apostelen en profeten krijgen bestuurlijke autoriteit. Politieke invloed wordt aangezien voor geestelijke overwinning.

Voorspoed, succes en maatschappelijke macht worden bewijsstukken van koninkrijkskracht. Kritiek op leiders kan vervolgens worden voorgesteld als verzet tegen Gods gezag.

Daarmee ontstaat precies het tegenovergestelde van het voorbeeld van Christus.

De Here Jezus kwam tijdens Zijn eerste komst niet om politieke macht te grijpen, maar om te dienen en Zijn leven te geven.

De Gemeente volgt haar verworpen Heer. Zij draagt in deze wereld niet de kroon van zichtbare wereldheerschappij, maar het getuigenis van een gekruisigde en opgestane Christus.

 

Geen passiviteit, maar trouw

De afwijzing van de Kingdom Now leer betekent niet dat christenen zich dan maar uit de samenleving moeten terugtrekken.

Gelovigen behoren goed te doen, rechtvaardig te handelen, voor hun naasten te zorgen, de waarheid te spreken en hun licht te laten schijnen.

Maar er is een wezenlijk verschil tussen trouw en rechtvaardig leven in de wereld en beweren dat de Gemeente de wereld zou moeten veroveren en het Koninkrijk moet vestigen.

Het eerste is Bijbels.

Het tweede neemt een werk op zich dat Christus voor Zichzelf heeft voorbehouden.

 

Christus bouwt Zijn Gemeente

De Here Jezus heeft niet gezegd dat de Gemeente Zijn Koninkrijk moet bouwen. Hij heeft gezegd:

“En Ik zeg u ook, dat gij zijt Petrus, en op deze petra zal Ik Mijn gemeente bouwen, en de poorten der hel zullen dezelve niet overweldigen.” — Mattheüs 16:18 (STV)

Christus bouwt Zijn Gemeente.

De Gemeente bouwt niet Zijn Koninkrijk. Zij verkondigt het Evangelie, bewaart het Woord en verwacht de Heer.

Dat is geen zwakke of passieve roeping. Het is trouw blijven aan het werk dat Christus haar daadwerkelijk heeft opgedragen.

 

De Bijbelse volgorde

Christus is gestorven, opgewekt en verhoogd. Hij zit nu aan Gods rechterhand en wacht totdat Zijn vijanden tot een voetbank van Zijn voeten worden gesteld.

In deze tijd verzamelt Hij Zijn Gemeente uit Joden en heidenen. De Gemeente verkondigt het Woord, dient, lijdt, getuigt en verwacht haar Heer.

Daarna zal Christus wederkomen. Hij zal het Davidische Koningschap aanvaarden, Israël herstellen, de volkeren oordelen en Zijn reeds bestaande maar verborgen Koninkrijk zichtbaar op aarde vestigen.

Christus is dus nu al de rechtmatige Koning en de verhoogde Heer. Maar Hij regeert nog niet openbaar vanaf de troon van David over Israël en de volkeren.

 

De Gemeente bouwt het Koninkrijk niet. Christus bouwt Zijn Gemeente en Christus zal Zijn Koninkrijk openbaren.

Kingdom Now zegt eigenlijk:

Wij moeten het Koninkrijk vestigen voordat de Koning komt.

De Schrift zegt:

“Na dezen zal Ik wederkeren.” Handelingen 15:16 (STV)

zie ook:

Bijbelstudie lezingen: Kingdom Now ….

Het zuchten van de schepping en de hoop van Gods kinderen

Het lijden van nu en de heerlijkheid die komt

Troost uit Romeinen 8:18-22

Wat het inslapen van een huisdier zoal losmaakt….onze kater van ruim 17 jaar was helemaal op.

Dan word je weer even geconfronteerd en aan het denken gezet over de betrekkelijkheid van alles en van het leven op zich…..

Romeinen 8:18-22 geeft diepe troost aan gelovigen die lijden, zuchten en wachten. Paulus ontkent de gebrokenheid van deze tegenwoordige tijd niet. Hij spreekt eerlijk over het lijden, over de schepping die zucht en over de dienstbaarheid van het verderf. Maar hij wijst ook op iets dat veel groter is: de heerlijkheid die aan Gods kinderen geopenbaard zal worden.

Wie Romeinen 8 leest, krijgt geen goedkope troost. Paulus zegt niet dat het lijden wel meevalt. Hij zegt ook niet dat een gelovige boven pijn, ziekte, verdriet, verlies of strijd verheven is. Integendeel, hij noemt het bij de naam: “het lijden dezes tegenwoordigen tijds”.

Maar dan legt hij dat lijden op de weegschaal tegenover de heerlijkheid die komt. En zijn conclusie is helder:

“Want ik houde het daarvoor, dat het lijden dezes tegenwoordigen tijds niet is te waarderen tegen de heerlijkheid, die aan ons zal geopenbaard worden.”
Romeinen 8:18

Open Bijbel bij Romeinen 8 met licht door donkere wolken als beeld van hoop te midden van lijden
Romeinen 8 vers 18

Het lijden van deze tijd is realiteit

Er is veel lijden in deze tegenwoordige tijd. Er is lichamelijke pijn. Er is ziekte. Er is rouw. Er is verlies. Er is eenzaamheid. Er is teleurstelling. Er is geestelijke strijd. Er is vermoeidheid die dieper gaat dan gewone moeheid. Er zijn tranen die op het oog niemand ziet en zuchten die niemand hoort.

De Bijbel doet niet alsof dit er niet is. Gods Woord is eerlijker dan veel menselijke troostwoorden. Soms zeggen mensen: “Je moet positief blijven.” Of: “Het komt wel goed.” Maar Romeinen 8 spreekt dieper. De Schrift erkent dat de wereld gebroken is en dat ook Gods kinderen daaraan lijden.

Dat is op zichzelf al troostvol. Een gelovige hoeft zijn pijn niet te verbergen achter vrome taal. Je hoeft niet te doen alsof je niet zucht. De schepping zucht. Gods kinderen zuchten. En even verder in Romeinen 8 lezen we zelfs dat de Geest voor ons bidt met onuitsprekelijke zuchtingen.

God schrikt niet van ons zuchten. Hij weet ervan. Is er bij.

Romeinen 8 weegt het lijden tegenover de heerlijkheid

Paulus zegt niet dat het lijden klein is. Hij zegt dat de komende heerlijkheid groter is. Dat is een belangrijk verschil.

Soms is het lijden helemaal niet klein. Soms is het zwaar, rauw en langdurig. Soms voelt het alsof de last te groot is. Paulus weet dat. Hij kende verdrukking, vervolging, zwakte, gevaar en verdriet. Toch zegt hij dat het lijden van deze tijd niet te waarderen is tegen de heerlijkheid die komt.

Dat betekent: het lijden is realiteit maar niet beslissend. Het lijden is aanwezig, maar niet eeuwig. Het lijden is zwaar, maar het heeft niet het laatste woord.

De heerlijkheid die komt, is geen menselijk ideaal en geen religieuze droom. Paulus zegt dat deze heerlijkheid “aan ons zal geopenbaard worden”. Deze komt van God. Deze wordt door God onthuld. Wat nu nog verborgen is, zal straks zichtbaar worden.

Nu zijn Gods kinderen vaak zwak, aangevochten en onaanzienlijk. Nu leven zij nog in een lichaam dat moe wordt, pijn kent en sterft. Nu worden zij soms miskend, verdrukt of niet begrepen. Maar straks zal openbaar worden wie zij in Christus zijn.

De schepping zucht onder de dienstbaarheid van het verderf

Paulus trekt de lijn breder dan ons persoonlijke lijden. Niet alleen de gelovige zucht. De hele schepping zucht.

“Want wij weten, dat het ganse schepsel te zamen zucht, en te zamen als in barensnood is tot nu toe.”
Romeinen 8:22

De schepping is niet meer zoals zij oorspronkelijk bedoeld was. De wereld is mooi, maar gebroken. We zien schoonheid, maar ook vergankelijkheid. Bloemen bloeien en verwelken. Lichamen groeien en takelen af. Dieren lijden. Mensen sterven. De aarde draagt de sporen van de zondeval.

Paulus zegt dat het schepsel “der ijdelheid onderworpen” is. Dat wijst op leegheid, vergankelijkheid en vruchteloosheid. Alles onder de zon draagt het stempel van voorbijgaan. Niets blijft hier onaangetast. Alles zucht onder de dienstbaarheid van het verderf.

Maar ook hier stopt Paulus niet bij wanhoop. De schepping is onderworpen aan ijdelheid, maar niet zonder hoop.

De schepping zucht, maar niet zonder hoop

Romeinen 8 zegt dat het schepsel “met opgestoken hoofde” wacht op de openbaring der kinderen Gods. Dat is een krachtig beeld. De schepping buigt niet alleen onder de last; zij ziet ook uit. Alsof zij de hals uitstrekt. Alsof zij reikhalzend wacht.

Waarom wacht de schepping op de openbaring van de kinderen Gods?

Omdat de bevrijding van Gods kinderen samenhangt met de bevrijding van de schepping. Wanneer Christus Zijn werk zichtbaar voltooit, zal niet alleen de gelovige verheerlijkt worden. Ook de schepping zelf zal vrijgemaakt worden van de dienstbaarheid der verderfenis.

“Op hoop, dat ook het schepsel zelf zal vrijgemaakt worden van de dienstbaarheid der verderfenis, tot de vrijheid der heerlijkheid der kinderen Gods.”
Romeinen 8:21

Dat is een rijke Bijbelse hoop. God laat Zijn werk niet los. Hij behandelt Zijn schepping niet als waardeloos afval. Hij zal rechtzetten wat door de zonde is aangetast. Hij zal herstellen wat gebroken is. Hij zal bevrijden wat nu nog zucht.

De kinderen Gods worden openbaar in heerlijkheid

Nu is het kindschap van Gods kinderen nog niet in volle heerlijkheid zichtbaar. De gelovige is in Christus werkelijk een kind van God, maar leeft nog in een gebroken lichaam en een gebroken wereld. Daarom is er spanning tussen wat wij in Christus zijn en wat wij nu nog ervaren.

Romeinen 8 laat zien dat die spanning tijdelijk is. Er komt een openbaring. De kinderen Gods zullen openbaar worden in heerlijkheid.

Dat betekent niet dat de gelovige zichzelf verheerlijkt. Het betekent dat God openbaar maakt wat Hij in Christus heeft gegeven. De hoop van de gelovige rust niet op eigen kracht, eigen gevoel of eigen overwinning, maar op Gods trouw.

Wie in Christus is, leeft niet naar de ondergang toe, maar naar heerlijkheid. Niet omdat het leven nu gemakkelijk is, maar omdat Gods toekomst zeker is.

Barensnood wijst op hoop, niet op wanhoop

Paulus gebruikt het beeld van barensnood. Dat is opmerkelijk. Barensnood is echte pijn. Het is geen ingebeelde pijn. Het is hevig, diep en lichamelijk. Maar barensnood is pijn met verwachting. Het is pijn die uitloopt op geboorte.

Zo spreekt Paulus over de schepping. Het zuchten van deze wereld is geen zinloos geluid in een leeg heelal. Het is niet het laatste woord van een stervende wereld zonder hoop. Het is het zuchten van een schepping die uitziet naar bevrijding.

Dat geeft diepe troost. Niet omdat alles nu al gemakkelijk wordt. Niet omdat pijn ineens geen pijn meer is. Maar omdat God door het lijden heen werkt naar Zijn doel.

De gebrokenheid is niet de bestemming. Het verderf is niet het eindstation. De dood is niet de hoogste macht.

Christus heeft het laatste woord.

Troost bij lijden: Christus heeft het laatste woord

Romeinen 8 is geen oproep om het lijden te ontkennen. Het is een oproep om het lijden te zien in het licht van Christus en Zijn komende heerlijkheid.

De Here Jezus Christus is geen toekijker op grote afstand bij onze gebrokenheid. Hij is gekomen in deze lijdende wereld. Hij heeft honger gekend, tranen gekend, verwerping gekend, pijn gekend en de dood gekend. Hij is door het lijden heen gegaan en Hij is opgestaan in heerlijkheid.

Daarom is onze hoop geen vaag gevoel, maar een Persoon.

Wie op Christus ziet, mag weten: mijn lijden is niet ongezien. Mijn zuchten is niet onverstaanbaar. Mijn zwakheid is niet vergeten. Mijn tranen verdwijnen niet in het niets.

God kent de Zijnen. En Hij heeft de heerlijkheid beloofd die aan ons geopenbaard zal worden.

Zuchten met hoop

Misschien draag je vandaag iets waar niemand iets van weet, of wat niemand helemaal begrijpt. Misschien ben je moe van het vechten. Misschien zucht je onder lichamelijke pijn, geestelijke druk, verdriet, onzekerheid of verlies.

Dan zegt Romeinen 8 niet: “Kijk er niet naar.” Het zegt: “Kijk verder.”

Kijk naar de heerlijkheid die komt.

Het lijden van nu is werkelijk, maar niet beslissend. De schepping zucht, maar zij zucht op hoop. Gods kinderen wachten, maar zij wachten op een zekere toekomst. De gebrokenheid is diep, maar Gods herstel is dieper. De dood is machtig, maar Christus is machtiger.

Daarom mag een gelovige huilen met hoop. Zuchten met verwachting. Lijden met uitzicht. Wachten met opgeheven hoofd.

Want de schepping zucht niet omdat God haar vergeten is, maar omdat zij wacht op de dag waarop Christus alles vrijmaakt van verderf en de kinderen Gods in heerlijkheid openbaar worden.

“Want ik houde het daarvoor, dat het lijden dezes tegenwoordigen tijds niet is te waarderen tegen de heerlijkheid, die aan ons zal geopenbaard worden.”
Romeinen 8:18

Geverifieerd door MonsterInsights