De bron van de rivier
Ezechiël 47:1-2 — Alle zegen vloeit voort uit het altaar.
De grootte van de rivier
Ezechiël 47:3-5.
De kracht van de rivier
Ezechiël 47:6-12.
Ezechiël 47 beschrijft een wonderlijke rivier die uitgaat van de tempel en leven brengt waar zij komt. Dit gedeelte wordt vaak vergeestelijkt alsof het alleen zou gaan over de verbreiding van het Evangelie. Maar de tekst zelf spreekt concreet over Jeruzalem, de tempel, het land en de zeeën. Tegelijk ligt er een rijke toepassing in op het werk van de Heilige Geest: wandel, gebed, dienst en volheid.
De levengevende stroom
De kern van de les
Misschien is er geen gedeelte uit de profetische Schriften dat meer uit zijn juiste en ware betekenis is getrokken dan dit gedeelte. Door de meeste uitleggers is het opgevat als een symbool van de verbreiding van het Evangelie: een stroom die steeds breder en dieper wordt, totdat uiteindelijk de hele wereld bekeerd is.
Maar tegen deze uitleg zijn drie bezwaren in te brengen.
Ten eerste leert de Schrift niet dat de hele wereld door de prediking van het Evangelie bekeerd zal worden. Zij leert eerder dat deze tegenwoordige eeuw gekenmerkt wordt door het uitroepen van een volk voor Zijn Naam, dat de Gemeente vormt, die Zijn lichaam is.
Ten tweede maken andere Schriftgedeelten duidelijk dat deze rivier een letterlijke rivier zal zijn, die uitgaat van de tempel die in Jeruzalem gebouwd zal worden na het herstel van de Joden. Zie Zacharia 14:8 en Openbaring 22:1.
Ten derde zijn de zeeën waarheen deze rivier zal stromen de Dode Zee en de Middellandse Zee, hoewel vooral de Dode Zee op de voorgrond staat. Zulke geografische aanduidingen zijn te wezenlijk onderdeel van het verhaal om ze terzijde te schuiven vanwege de noodzaak van een fantasierijke uitleg.
Men zal zich herinneren dat in verband met het oordeel over de volken en de terugkeer van de Heere ingrijpende veranderingen worden voorzegd in het gebied rond Jeruzalem:
“En Zijn voeten zullen te dien dage staan op den Olijfberg, die voor Jeruzalem ligt, tegen het oosten; en de Olijfberg zal in tweeën gespleten worden naar het oosten en naar het westen, zodat er een zeer grote vallei zal zijn; en de ene helft des bergs zal wijken naar het noorden, en de helft deszelven naar het zuiden.” Zacharia 14:4 (STV)
En:
“Dit ganse land zal rondom als een vlak veld gemaakt worden, van Geba tot Rimmon toe, zuidwaarts van Jeruzalem; en zij zal verhoogd en bewoond worden in haar plaats.” Zacharia 14:10 (STV)
Vreemd eigenlijk dat dit ongeloofwaardig zou lijken voor een generatie die gezien heeft hoe Krakatau door een uitbarsting van binnenuit als het ware tot stof werd weggeblazen, en hoe een heel land verwoest werd door de uitbarsting van de Mont Pelée. Waarom zou een kleine heuvel als de Olijfberg niet in tweeën gespleten kunnen worden? Waarom zou de God Die water uit een rots in de woestijn deed voortkomen, geen rivier uit de berg Moria kunnen doen uitgaan?
Tot zover de uitleg. Maar uitleg en toepassing zijn twee verschillende dingen. De Bergrede moet worden uitgelegd met het oog op het toekomstige Koninkrijk, maar het blijft altijd waar dat de zachtmoedigen gelukkig zijn, en dat de reinen van hart God zullen zien.
Zo kan er ook heel goed een toepassing zijn van Ezechiëls rivier op het werk van de Heilige Geest in deze tijd. Water is immers een beeld van zowel de Geest als het Woord, en Christus gebruikt “stromen des levenden waters” om het werk van de Geest met en na Pinksteren te illustreren.
De enkels spreken van de wandel en doen denken aan “wandelen door de Geest”. De rechtvaardigheid van de wet wordt vervuld in ons, “die niet naar het vlees wandelen, maar naar den Geest.” Romeinen 8:4 (STV)
En opnieuw:
“En ik zeg: Wandelt door den Geest en volbrengt de begeerlijkheid des vleses niet.” Galaten 5:16 (STV)
De knieën doen denken aan gebed. Wij worden eraan herinnerd dat het bijzonder voorrecht van de christen is om “in den Geest” te bidden. Misschien is er geen grotere nood dan deze: dat wij ophouden te bidden vanuit de sfeer van onze eigen wil of verlangens, en leren onszelf over te geven aan de Geest, opdat Hij door ons bidt.
De lendenen spreken vervolgens van dienst. Geen waarheid voor deze bedeling staat helderder vast dan deze: alle vruchtbare en aanvaardbare dienst moet plaatsvinden in de kracht van de Geest. Zelfs de apostelen van onze Heere — mannen die drie jaar lang onder Zijn persoonlijke onderwijs hadden gestaan en aan wie Hij na Zijn opstanding veertig dagen lang onderwijs had gegeven over de dingen van het Koninkrijk — mochten hun grote zending niet beginnen voordat zij bekleed waren met kracht uit de hoogte. Hoe aanmatigend is het dan als wij denken te kunnen dienen buiten de kracht van de Geest om.
“Wateren om in te zwemmen” spreken van de Goddelijke volheid die voor ons beschikbaar is.
Maar misschien ligt de kern van deze les in die ene uitzondering op de genezende kracht van het water:
“Doch zijn modderige plaatsen en zijn moerassen zullen niet gezond worden; zij zijn tot zout overgegeven.” Ezechiël 47:11 (STV)
De uitleg daarvan is uiteraard letterlijk, maar de toepassing ligt voor de hand. Een modderige plaats en een moeras zijn plekken waar al veel water gekomen is — maar tevergeefs. De modderige plaats heeft het water veranderd in slijk, en het moeras in een onbebouwbare poel: een plaats van bedorven lucht en ziekte.
Dat is een treffend beeld van iemand op wie de overtuigende en dringende werking van de Geest tevergeefs is gekomen.
“Want de aarde, die den regen menigmaal op haar komende, indrinkt, en bekwaam kruid voortbrengt voor degenen, door welke zij ook bebouwd wordt, die ontvangt zegen van God; maar die doornen en distelen draagt, die is verwerpelijk en nabij de vervloeking, welker einde is tot verbranding.” Hebreeën 6:7-8 (STV)
Niemand ontkent dat de Schriften leren dat Christus op enig moment voor de tweede keer zal komen. Zelfs de kerk heeft, ook in haar slechtste toestand, nooit opgehouden om in haar belijdenissen ten minste van die waarheid getuigenis af te leggen.
Maar over twee vragen — de wijze waarop Hij terugkomt en het tijdstip van Zijn terugkeer — zijn de laatste tijd grote verschillen in leer ontstaan.
Op de vraag naar de wijze van de tweede komst van onze Heer wil ik hier niet ingaan. Ik wil alleen licht zoeken in de Schrift over de vraag naar het tijdstip van die komst. En zelfs daarin zal ik slechts dat aspect van Zijn komst behandelen dat door de apostel Paulus is geopenbaard.
Aandachtige studenten van het Woord weten dat aan de apostel van de heidenen een geheel van openbaring over de Gemeente is toevertrouwd. Het Oude Testament weet niets van de Gemeente, al is er wel ruimte voor gelaten. Onze Heer heeft niet méér gedaan dan aankondigen dat Hij haar zou bouwen. Afgezien van de geschriften die de Geest door Paulus gegeven heeft, zouden wij praktisch niets weten van de verborgenheid van de “Gemeente, welke Zijn lichaam is, en de vervulling Desgenen, Die alles in allen vervult”.
Maar door deze geschriften zijn wij gezegend met een volledige en heldere openbaring over de Gemeente: haar oorsprong, werkwijze, verhoudingen, roeping en bestemming. Het is duidelijk dat een geïnspireerde beschrijving van de Gemeente, waarin niet wordt verteld wat het einde van haar aardse pelgrimsreis zal zijn, in dat opzicht tekort zou schieten.
Daarom hebben wij in twee opmerkelijke gedeelten in de brieven die door Paulus geschreven zijn, een beknopte maar bevredigende profetie over dat einde.
“Want gelijk zij allen in Adam sterven, alzo zullen zij ook in Christus allen levend gemaakt worden. Maar een iegelijk in zijn orde: de eersteling Christus, daarna die van Christus zijn, in Zijn toekomst.” “Ziet, ik zeg u een verborgenheid: wij zullen wel niet allen ontslapen, maar wij zullen allen veranderd worden; in een punt des tijds, in een ogenblik, met de laatste bazuin; want de bazuin zal slaan, en de doden zullen onverderfelijk opgewekt worden, en wij zullen veranderd worden.” 1 Korinthe 15:22–23, 51–52 (STV)
“Doch, broeders, ik wil niet, dat gij onwetende zijt van degenen, die ontslapen zijn, opdat gij niet bedroefd zijt, gelijk als de anderen, die geen hoop hebben. Want indien wij geloven, dat Jezus gestorven is en opgestaan, alzo zal ook God degenen, die ontslapen zijn in Jezus, wederbrengen met Hem. Want dat zeggen wij u door het woord des Heeren, dat wij, die levend overblijven zullen tot de toekomst des Heeren, niet zullen voorkomen degenen, die ontslapen zijn. Want de Heere Zelf zal met een geroep, met de stem des archangels, en met de bazuin Gods nederdalen van den hemel; en die in Christus gestorven zijn, zullen eerst opstaan; daarna wij, die levend overgebleven zijn, zullen tezamen met hen opgenomen worden in de wolken, den Heere tegemoet, in de lucht; en alzo zullen wij altijd met den Heere wezen.” 1 Thessalonicenzen 4:13–17 (STV)
Over deze gebeurtenis, en alleen over deze gebeurtenis, gaat dit artikel.
Wij weten heel goed dat er een grote hoeveelheid profetie is die spreekt over de terugkeer van Christus naar de aarde, in verband met de oprichting van het Messiaanse Koninkrijk, het hervatten van Gods handelen met Israël en de zegen voor de hele wereld.
Maar de komst waarover de aangehaalde gedeelten spreken, is niet een komst naar de aarde, maar een komst in “de lucht”. Deze komst vestigt niets op aarde, maar neemt een volk weg van de aarde.
De wederkomst van de Heer in de lucht voor de Gemeente is daarom niet dat aspect van de tweede komst waarover de oudtestamentische profeten spreken, bijvoorbeeld Zacharia 14:1–9. Het is ook niet dat aspect van Zijn komst waarover onze Heer sprak in de rede op de Olijfberg en in Zijn eschatologische gelijkenissen.
Het is een onderdeel van wat Paulus “mijn Evangelie” noemt: een onderdeel van de waarheid over de Gemeente.
Nu stel ik de vraag: kan de komst van de Heere in de lucht voor de Gemeente op elk moment plaatsvinden?
Mijn antwoord is: ja. En wel om twee redenen.
Kan de Heere elk moment komen?
Geen voorzegde gebeurtenis hoeft nog vervuld te worden
Er is geen enkele voorzegde gebeurtenis die nog vervuld móét worden vóór deze komst.
Soms wordt gezegd dat onze Heere een tussenliggende voorwaarde heeft genoemd toen Hij zei:
“En dit Evangelie des Koninkrijks zal in de gehele wereld gepredikt worden tot een getuigenis allen volken; en dan zal het einde komen.” Mattheüs 24:14 (STV)
Men werpt dan tegen dat dit nog niet is gebeurd.
Daarop antwoord ik het volgende.
Met “het einde” bedoelt onze Heer niet Zijn nederdaling in de lucht voor Zijn Gemeente, maar “de voleinding der wereld”, of beter: de voleinding van de eeuw, waarover de discipelen Hem gevraagd hadden in Mattheüs 24:3.
Verder is de Gemeente niet gesteld om het “Evangelie des Koninkrijks” te prediken, maar “het Evangelie der genade Gods”.
Ook zal er tijdens de verdrukking een wereldwijde prediking van het Koninkrijk plaatsvinden door het Joodse overblijfsel. Zie Openbaring 6:9–11, Openbaring 7:13–14 en Zacharia 8:23.
Verder wordt gezegd dat de Heer niet terugkomt voordat het duizendjarige rijk voorbij is.
Tegen deze tegenwerping is het voldoende te zeggen dat de gelijkenis van het tarwe en het onkruid, de gelijkenis van de edelman die naar een ver land reisde, en de beschrijvingen van het verloop van deze eeuw allemaal de mogelijkheid uitsluiten van een millennium vóór de terugkeer van de Heere in heerlijkheid naar de aarde. Zie Mattheüs 13:24–30, 36–43; Lukas 19:11–14; Mattheüs 24:6–14 en 2 Thessalonicenzen 1:3–10.
En omdat de nederdaling van de Heere in de lucht vooraf moet gaan aan Zijn terugkeer in heerlijkheid naar de aarde, is het duidelijk dat er vóór die laatste gebeurtenis onmogelijk een millennium kan plaatsvinden.
Anderen stellen dat de grote verdrukking eerst moet verlopen voordat de Gemeente kan worden opgenomen.
Daarop antwoord ik het volgende.
Er is een uitdrukkelijke belofte dat de ware Gemeente bewaard zal worden
“uit de ure der verzoeking, die over de gehele wereld komen zal, om te verzoeken, die op de aarde wonen”. Openbaring 3:10 (STV)
Verder wordt de Gemeente, priesterlijk en koninklijk, gezien in de personen van de ouderlingen in de hemel vóórdat de gebeurtenissen die de grote verdrukking vormen op aarde beginnen plaats te vinden. Deze ouderlingen worden gezien in Openbaring 4, dus vóórdat de eerste reeks oordelen — de zegeloordelen — begint. En zelfs die bereiden de verdrukking slechts voor.
Ook bevestigen alle typen deze zienswijze. Sodom kon niet worden verwoest voordat Lot eruit was weggenomen, enzovoort.
De houding van de gelovige is: verwachten
In de brieven van Paulus, die als enige ons rechtstreeks spreekt over de opname van de Gemeente, is de kenmerkende houding van de gelovige: verwachten.
Niet het verwachten van het Koninkrijk.
Niet het verwachten van de grote verdrukking.
Maar het verwachten van
“Zijn Zoon uit de hemelen, Denwelken Hij uit de doden verwekt heeft, namelijk Jezus”. 1 Thessalonicenzen 1:10 (STV)
En ook:
“Verwachtende de zalige hoop en verschijning der heerlijkheid van den groten God en onzen Zaligmaker Jezus Christus.” Titus 2:13 (STV)
Daarom beantwoorden wij de vraag: “Kan de Heere op elk moment komen?” bevestigend.
Ja, Hij kan en zal komen.
En wanneer wij om ons heen kijken, worden wij er zeker toe gedrongen om het laatste gebed van de Schrift mee te bidden:
Geen second blessing : alles IS gegeven in Christus
Er is een vorm van christelijk jargon dat vroom klinkt, maar de gelovige én Christus schromelijk tekortdoet.
Je hebt Christus wel ontvangen, maar nog niet volledig
Je bent wel bekeerd, maar nog niet bekrachtigd.
Je bent wel gered, maar mist nog de doorbraak.
Je hebt wel de Geest, maar bent nog niet vervuld
Je hebt wel geloof, maar nog niet die zo noodzakelijke “second blessing”.
Onder dat soort taal zit een dubbele bodem. Christus wordt niet ronduit ontkend, maar Hij wordt wel aangevuld. Alsof de gelovige in Hem nog niet helemaal compleet is.
Alsof het leven met Christus pas echt begint na een tweede ervaring, een aparte geestesdoop, een speciale aanraking, een extra zalving of een geestelijke boost.
Maar Petrus schrijft:
“Gelijk ons Zijn Goddelijke kracht alles, wat tot het leven en de godzaligheid behoort, geschonken heeft, door de kennis Desgenen, Die ons geroepen heeft tot heerlijkheid en deugd;”
2 Petrus 1:3 (STV)
Dat ene woord zet een dikke streep door de hele gedachte van een noodzakelijke tweede zegen:
geschonken heeft
Niet: zal misschien later schenken als je je er maar naar uitstrekt.
Niet: schenkt aan gevorderde gelovigen.
Niet: geeft pas na een aparte ervaring.
Niet: bewaart dit voor wie door een bijzondere geestelijke poort gaat.
Maar:
geschonken heeft.
Wat heeft God geschonken?
Niet een beetje. Niet een startpakket. Niet een demo. Niet een halve uitrusting. Niet een geestelijke basisversie die later via een charismatische update moet worden uitgebreid.
Petrus zegt:
alles, wat tot het leven en de godzaligheid behoort.
Dat zegt alles.
Dat is een bom onder elk systeem dat de gelovige na Christus nog principieel onvolledig verklaart.
Geen tweede zegen
De gelovige krijgt geen uitgekleed startpakket
‘Second-blessing-denken’ werkt alsof de bekering slechts de voordeur is. Je bent binnen, maar je hebt nog geen stroom. Je bent gered, maar nog niet krachtig. Je hebt vergeving, maar nog niet de echte Geesteskracht. Je hebt Christus, maar het volle christelijke leven ligt nog achter een tweede ervaring.
Dan wordt het geloofsleven een jacht.
Een jacht op meer. Meer kracht. Meer zalving. Meer ervaring. Meer vuur. Meer doorbraak. Meer manifestatie.
En ergens onderweg raakt de blik op Christus verduisterd. Niet altijd met grote woorden. Soms heel subtiel. Christus blijft in de belijdenis staan, maar in de praktijk verschuift de aandacht naar de ervaring ná Christus.
Dan wordt de vraag niet meer: leef ik uit wat God in Christus gegeven heeft?
Maar: heb ik die extra ervaring al gehad?
Dat is ongezond. Dat is geestelijke onzekerheid in een vroom jasje.
Petrus zet de gelovige niet op zo’n loopband. Hij begint niet met een tekort, maar met een gave. Hij zegt niet: zoek eerst nog iets wat ontbreekt. Hij zegt: Gods Goddelijke kracht heeft ons alles geschonken wat tot leven en godzaligheid behoort.
Dat is de Bijbelse orde.
Eerst gave.
Dan groei.
Eerst Christus.
Dan vrucht.
Eerst geschonken rijkdom.
Dan geestelijke oefening.
Groei is geen bewijs dat er eerst iets ontbrak
Natuurlijk moet een gelovige groeien. Petrus ontkent dat niet. Integendeel, hij werkt het direct uit:
“En gij, tot hetzelve ook alle naarstigheid toebrengende, voegt bij uw geloof deugd, en bij de deugd kennis,”
2 Petrus 1:5 (STV)
Daarna noemt hij matigheid, lijdzaamheid, godzaligheid, broederlijke liefde en liefde. Er is dus groei. Er is oefening. Er is geestelijke vorming. Er is strijd tegen zonde. Er is verdieping in kennis. Er is toenemende vrucht.
Maar die groei komt niet voort uit een ontbrekend fundament. Die groei komt voort uit een geschonken volheid.
Dat verschil is enorm.
De second-blessing-gedachte zegt in feite: je mist nog iets wezenlijks, dus zoek een tweede ervaring.
Petrus zegt: je hebt in Gods kracht alles ontvangen wat tot leven en godzaligheid behoort, breng daarom alle naarstigheid toe.
Dat is geen passiviteit. Dat is ook geen dode orthodoxie. Dat is juist gezond geestelijk leven. Niet jagen op een ontbrekende zegen, maar wandelen uit een ontvangen zegen.
Niet zoeken naar een tweede fundament, maar bouwen op het ene fundament: Christus.
Geen bonuspakket voor gevorderden
Een van de grote problemen in veel charismatische en pinksterachtige schema’s is dat de Heilige Geest praktisch wordt losgemaakt van de bekering tot Christus. Men zegt dan wel dat iedere gelovige de Geest heeft, maar tegelijk wordt geleerd dat er nog een aparte doop met de Geest nodig is om werkelijk krachtig, vrijmoedig of volledig toegerust te zijn.
Daarmee ontstaat een tweedeling onder gelovigen.
Gewone christenen.
En Geestgedoopte christenen.
Christenen met basisgeloof.
En christenen met kracht.
Mensen die Christus hebben.
En mensen die de volle ervaring hebben.
Maar Paulus schrijft:
“Want ook wij allen zijn door één Geest tot één lichaam gedoopt, hetzij Joden, hetzij Grieken, hetzij dienstknechten, hetzij vrijen; en wij zijn allen tot één Geest gedrenkt.”
1 Korinthe 12:13 (STV)
Let op:
wij allen
Niet een geestelijke elite. Niet een aparte categorie overwinningschristenen. Niet alleen mensen met een indrukwekkend getuigenis over een latere ervaring. Allen die tot het lichaam van Christus behoren, zijn door één Geest tot dat ene lichaam gedoopt.
De Geest is geen bonuspakket voor gevorderden. Hij is niet de losse powerbank die je na je bekering nog moet aansluiten. Hij is de Geest van Christus, door Wie de gelovige tot Christus behoort.
Paulus schrijft ook:
“In Welken ook gij zijt, nadat gij het woord der waarheid, namelijk het Evangelie uwer zaligheid gehoord hebt; in Welken gij ook, nadat gij geloofd hebt, zijt verzegeld geworden met den Heiligen Geest der belofte;”
Efeze 1:13 (STV)
De verzegeling met de Heilige Geest wordt hier verbonden met het geloof in het Evangelie. Niet met een later geestelijk examen. Niet met een tweede crisiservaring. Niet met een aparte bijeenkomst waarin iemand eindelijk “meer” ontvangt.
De Geest verzegelt de gelovige in Christus.
Dat is geen armoedige waarheid. Dat is rijkdom.
Kolossenzen laat geen ruimte voor geestelijke tekorten in Christus
Paulus is in Kolossenzen scherp omdat hij precies dit gevaar ziet: Christus plus iets.
Christus plus filosofie. Christus plus menselijke inzettingen. Christus plus geestelijke tussenmachten. Christus plus ascese. Christus plus religieuze regels. Christus plus ervaringen.
En dan schrijft hij:
“En gij zijt in Hem volmaakt, Die het Hoofd is van alle overheid en macht;”
Kolossenzen 2:10 (STV)
“In Hem volmaakt.”
Niet in Hem begonnen, maar elders compleet gemaakt.
Niet in Hem gered, maar door een tweede zegen geestelijk afgemaakt.
Niet in Hem aangenomen, maar pas door een aparte zalving bruikbaar.
Nee:
in Hem volmaakt.
Dat betekent niet dat de gelovige in zichzelf al volmaakt leeft. Dat is duidelijk niet zo. De gelovige moet groeien, leren, strijden, belijden, zich bekeren, volharden. Maar zijn positie, zijn geestelijke grond en zijn volledige toerusting liggen in Christus.
Wie daar iets noodzakelijks naast zet, maakt Christus praktisch kleiner.
Dat is de ernst.
Niet elke taal over “meer van God” is verkeerd. Een gelovige mag verlangen naar meer kennis, grotere gehoorzaamheid, meer liefde, meer vrijmoedigheid, meer vrucht. Maar zodra “meer van God” betekent dat Christus nog niet genoeg is, zijn we van de Bijbelse weg af.
Dan wordt verlangen vermomd als tekortleer.
De Bijbel roept op tot vervulling met de Geest
Soms wordt tegengeworpen: maar Paulus zegt toch dat wij vervuld moeten worden met de Geest?
Zeker.
“En wordt niet dronken in wijn, waarin overdaad is, maar wordt vervuld met den Geest;”
Efeze 5:18 (STV)
Maar dat is iets radicaal anders dan een eenmalige tweede geestesdoop als noodzakelijke aanvulling op de bekering. Vervulling met de Geest heeft te maken met wandelen onder Zijn leiding, leven in gehoorzaamheid, spreken tot elkaar met psalmen, lofzangen en geestelijke liederen, dankzegging en onderwerping in de vreze Gods.
Het is geen tweede fundament. Het is de dagelijkse werking van de Geest in het leven van wie Christus toebehoort.
Daar zit het verschil.
De Bijbel leert wel: wandel door de Geest.
De Bijbel leert wel: bedroef de Geest niet.
De Bijbel leert wel: wordt vervuld met de Geest.
De Bijbel leert wel: leef niet naar het vlees.
De Bijbel leert wel: breng vrucht voort.
Maar de Bijbel leert niet dat de gelovige na zijn bekering nog een aparte, noodzakelijke tweede geestesdoop moet ontvangen om ‘eindelijk compleet’ te zijn.
Dat is een systeem dat teksten op elkaar stapelt, vooral uit Handelingen, en vervolgens de brieven van de apostelen onder druk zet. Maar de leerstellige uitleg voor de gemeente vinden we juist helder in de brieven.
En daar klinkt de lijn steeds opnieuw:
In Christus ontvangen.
Door de Geest verzegeld.
Tot één lichaam gedoopt. In Hem volmaakt. Alles geschonken wat tot leven en godzaligheid behoort.
‘Second-blessing-denken’ maakt gelovigen onzeker en afhankelijk van ervaring
Het klinkt misschien vurig, maar het maakt vaak onzeker.
Want wanneer heb je genoeg ontvangen?
Wanneer was je ervaring echt?
Was die emotie van God of van jezelf?
Waarom voel je nu minder dan toen?
Waarom spreek jij niet in tongen?
Waarom ervaar jij geen vuur?
Waarom lijkt een ander verder?
Waarom blijft jouw strijd bestaan?
Zo ontstaat geestelijke klassevorming. De ene gelovige staat op het podium als bewijs van kracht. De ander zit in de zaal en vraagt zich af wat hij mist.
Maar het probleem is niet dat hij Christus mist. Het probleem is dat hij verkeerd is onderwezen over wat hij in Christus ontvangen heeft.
Petrus begint niet met geestelijke jaloezie. Hij begint met zekerheid.
Gods Goddelijke kracht heeft geschonken.
Alles wat tot leven en godzaligheid behoort.
Door de kennis van Hem.
Dat haalt de gelovige niet uit de strijd, maar het zet hem wel op vaste grond. Hij hoeft niet te bedelen om een tweede fundament. Hij mag leren leven uit het ene Fundament dat God Zelf gelegd heeft.
De duivel wint terrein als Christus niet genoeg lijkt
De gevaarlijkste dwaling is niet altijd de dwaling die Christus openlijk ontkent. Soms is het de dwaling die Christus prijst, maar Hem ondertussen aanvult.
Christus én een tweede zegen.
Christus én een aparte geestesdoop.
Christus én een speciale zalving.
Christus én een ‘profetische activatie.’
Christus én een impartatie.
Christus én een geestelijke doorbraakformule.
Dat klinkt vol. In werkelijkheid wordt het leeg.
Want zodra Christus niet genoeg lijkt, wordt de gelovige vatbaar voor geestelijke marktkooplui. Voor mensen die beloven wat God al gegeven heeft. Voor systemen die tekorten creëren en daarna hun eigen methode aanbieden als oplossing.
Dat is tricky.
Wie gelovigen eerst wijsmaakt dat zij iets wezenlijks missen, gaat daarna bepalen waar zij het moeten halen. Bij een spreker. Bij een conferentie. Bij handoplegging. Bij een cursus. Bij een “gezalfde” bediening. Bij een ervaring die steeds opnieuw moet worden nagejaagd.
Maar Petrus roeit dat gedachtengoed uit bij de wortel.
Alles is geschonken door Gods Goddelijke kracht, door de kennis van Hem.
Niet door de kennis van een methode.
Niet door de aanraking van een bijzondere prediker.
Niet door een sfeer.
Niet door muziek.
Niet door groepsdruk.
Niet door manifestaties.
Door de kennis van Hem.
Echte geestelijke kracht richt op Christus
De Heilige Geest maakt Christus groot. Hij trekt de aandacht niet los van Christus naar losse krachtservaringen. De Geest bindt aan het Woord, verheerlijkt Christus, werkt geloof, overtuigt van zonde, leidt in waarheid, vormt vrucht en doet de gelovige leven tot eer van God.
Daarom is het verdacht wanneer “Geesteswerk” vooral draait om het bijzondere, het zichtbare, het voelbare en het spectaculaire.
Niet omdat God niet machtig is.
Niet omdat God niet kan ingrijpen.
Niet omdat het christelijk leven koud en verstandelijk moet zijn.
Maar omdat de Bijbel ons niet leert leven op ‘wat voor ogen is’, maar uit geloof in Gods geopenbaarde waarheid.
Een gelovige leeft niet van kippenvel.
Niet van druk op het voorhoofd.
Niet van omvallen.
Niet van een zaal vol kabaal.
Niet van een profetisch woord dat hem even optilt.
Niet van de volgende geestelijke injectie.
Hij leeft uit Christus.
En daarom heeft hij Bijbelkennis nodig. Niet als droge theorie, maar als bescherming. Wie niet weet wat God werkelijk geschonken heeft, is kwetsbaar voor iedereen die beweert dat er nog iets ontbreekt.
Niet armer, maar rijker
Sommigen zullen zeggen: sloop je hiermee niet de verwachting uit het geloofsleven?
Nee. Je haalt de kramp eruit.
Het is niet arm om te zeggen dat de gelovige alles al in Christus ontvangen heeft. Het is enorm rijk.
Het is niet minder geestelijk om een noodzakelijke second blessing af te wijzen. Het is daarentrgen geestelijk volwassen omdat je weigert de volheid in Christus te verkleinen.
Het is niet koud om te zeggen dat de Geest iedere gelovige verzegelt en inlijft in het lichaam van Christus. Het is troostrijk. Het is vast. Het is Bijbels.
De gelovige hoeft niet te leven als iemand die nog wacht op zijn kickstart. Hij mag leven als iemand die in Christus gezegend is en daarom geroepen wordt om te wandelen waardiglijk.
Dat geeft rust én ernst.
Rust, omdat het fundament niet in mijn ervaring ligt.
Ernst, omdat ik geroepen ben te leven uit wat God gegeven heeft.
De goede vraag
De vraag is dus niet: heb jij ‘de second blessing’ al ontvangen?
De goede vraag is:
Leef jij uit Christus, in Wie God alles geschonken heeft wat tot leven en godzaligheid behoort?
Dat is scherp.En Bijbels,.
Want het gevaar van second-blessing-denken is dat het de gelovige naar binnen jaagt: heb ik genoeg ervaren, genoeg gevoeld, genoeg ontvangen?
De Schrift richt hem naar boven: zie op Christus.
Daar ligt de volheid.
Daar ligt de kracht.
Daar ligt het leven.
Daar ligt de godzaligheid.
Daar ligt de zekerheid.
Niet in een tweede zegen naast Hem, maar in Hem Zelf.
2 Petrus 1:3 is een Bijbelse muur tegen elke vorm van ‘geestelijke tekortleer’ die de gelovige na Christus nog afhankelijk maakt van een tweede, noodzakelijke ervaring.
Gods Goddelijke kracht heeft geschonken.
Alles.
Wat tot het leven en de godzaligheid behoort.
Door de kennis van Hem.
Wie dat serieus neemt, hoeft de Heilige Geest niet kleiner te maken. Integendeel. Hij eert juist het werk van de Geest door te erkennen dat de Geest de gelovige niet naar een losse ervaring leidt, maar naar Christus en Zijn volheid.
Geen second blessing als ontbrekende schakel.
Geen geestelijke upgrade bovenop Christus.
Geen verheven categorie van gelovigen die ‘echt de Geest’ zouden hebben.
Maar
De Geest, geschonken aan wie gelooft.
Gods kracht, werkzaam in wie Hem toebehoren
En een gelovige die niet jaagt op een ontbrekend fundament, maar leert wandelen uit wat hem in Christus geschonken is.