Alles geschonken: leven uit Gods beloften volgens 2 Petrus 1

Gods beloften in de Bijbel

2 Petrus 1:3 zegt niet dat God ons ooit alles zal geven wat wij nodig hebben, maar dat Hij het al “geschonken heeft”. Kennen wij eigenlijk de rijkdom en de beloften die God in Zijn Woord bekendgemaakt heeft? Misschien hebben we niet steeds iets nieuws nodig, maar moeten we leren leven uit wat God al geschonken heeft.

Wat meer heeft een christen eigenlijk nog nodig om een godvruchtig leven te kunnen leiden? Moeten we voortdurend bidden om meer kracht, een nieuwe zalving, een nieuwe aanraking of een bijzondere geestelijke toerusting? Of zegt de Bijbel iets heel anders en iets wat veel rijker is?

2 Petrus 1:3-4 geeft daarop een opvallend duidelijk antwoord. Petrus zegt niet dat God ons ooit alles zal geven wat wij nodig hebben. Hij zegt dat Gods Goddelijke kracht ons alles geschonken heeft wat tot het leven en de godzaligheid behoort. Direct daarna spreekt hij over de “grootste en dierbare beloften” die ons geschonken zijn.

Dat maakt kennis van Gods beloften in de Bijbel geen aardige aanvulling op het christelijke leven. Wie niet weet wat God heeft beloofd en geschonken, kan daar ook niet uit leven.

En misschien verklaart dat waarom christenen soms wanhopig zoeken naar iets wat God hun allang gegeven heeft.

Gods beloften in 2 Petrus 1
Leven uit Gods beloften 2 Petrus 1

Alles wat tot het leven en de godzaligheid behoort

Petrus schrijft:

“Gelijk ons Zijn Goddelijke kracht alles, wat tot het leven en de godzaligheid behoort, geschonken heeft, door de kennis Desgenen, Die ons geroepen heeft tot heerlijkheid en deugd;” (2 Petrus 1:3, STV)

Het woord alles verdient onze aandacht.

Petrus schrijft niet dat God ons een eerste geestelijke aanbetaling heeft gegeven en dat wij later nog op zoek moeten naar het ontbrekende deel. Evenmin maakt hij onderscheid tussen gewone christenen en een geestelijke elite die iets extra’s heeft ontvangen.

God heeft “alles, wat tot het leven en de godzaligheid behoort” geschonken.

Ook Paulus gebruikt soortgelijke taal:

“Gezegend zij de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in den hemel in Christus.” (Efeze 1:3, STV)

Niet:

God zal ons misschien zegenen.

Niet:

God kan ons zegenen wanneer wij aan bepaalde voorwaarden voldoen.

Maar:

Hij heeft ons gezegend.

Het christelijke leven begint daarom niet bij de vraag hoe wij God ertoe kunnen brengen ons eindelijk voldoende te geven. Het begint bij het geloof dat God in Christus heeft voorzien.

 

Gods beloften kennen is noodzakelijk

Meteen na 2 Petrus 1:3 schrijft Petrus:

“Door welke ons de grootste en dierbare beloften geschonken zijn, opdat gij door dezelve der Goddelijke natuur deelachtig zoudt worden, nadat gij ontvloden zijt het verderf, dat in de wereld is door de begeerlijkheid.” (2 Petrus 1:4, STV)

Opnieuw gebruikt Petrus het woord geschonken.

God heeft niet alleen voorzien in alles wat tot het leven en de godzaligheid behoort, Hij heeft ons ook Zijn “grootste en dierbare beloften” gegeven.

Daarmee komen we bij een pijnlijk probleem.

Hoe kun je leven uit Gods beloften wanneer je Gods beloften nauwelijks kent?

Veel christenen kennen uitspraken van bekende sprekers, filmpjes op sociale media, persoonlijke profetieën en populaire christelijke slogans beter dan de beloften die gewoon onverbloemd in Gods Woord staan.

Maar geloof kan niet leven van geestelijke slogans.

“Zo is dan het geloof uit het gehoor, en het gehoor door het Woord Gods.” (Romeinen 10:17, STV)

Geloof heeft inhoud. God hééft gesproken en geloof vertrouwt op wat Hij gezegd heeft.

Daarom is Bijbelkennis geen hobby voor mensen die toevallig graag studeren.

Kennis van Gods Woord is noodzakelijk om uit Gods beloften te kunnen leven.

 

Wat je niet kent, kun je ook niet geloven

Een gelovige kan geestelijk arm leven terwijl hij in Christus rijk is.

Niet omdat God onvoldoende gegeven heeft, maar omdat de gelovige onvoldoende weet wat hij ontvangen heeft.

Dat is een belangrijk verschil.

Wie niet weet wat de Bijbel zegt over zijn positie in Christus, kan daar moeilijk uit leven. Wie Gods beloften niet kent, zal gemakkelijker heen en weer geslingerd worden door omstandigheden. En wie niet weet wat God daadwerkelijk gezegd heeft, wordt bovendien kwetsbaar voor mensen die namens God allerlei dingen beweren.

Daarom behoren Bijbelkennis, geestelijke groei en leven uit Gods beloften bij elkaar.

Het gaat niet om kennis om de kennis als doel opzich. Het doel is dat het Woord ons denken vormt, zodat ons geloof rust op wat God gezegd heeft.

 

“God heeft mij beloofd…”

Hier is enige nuchterheid nodig.

Er wordt in christelijke kring ontzettend veel aan God toegeschreven.

“God heeft tegen mij gezegd…”

“God liet mij zien…”

“God heeft iets bijzonders beloofd…”

“Ik kreeg een woord voor jou…”

“God zegt dat er een doorbraak aankomt…”

Het klinkt indrukwekkend. Maar ondertussen ligt er thuis misschien een vrijwel gesloten verstofte Bijbel.

Dat is op zijn minst merkwaardig.

Waarom zouden we voortdurend verlangen naar een nieuw persoonlijk “woord” terwijl we nauwelijks kennis hebben van het Woord dat God ons reeds gegeven heeft?

Petrus zelf had een buitengewone ervaring meegemaakt. Hij was getuige geweest van de majesteit van Christus op de berg en had de stem uit de hemel gehoord. Toch schrijft hij verderop in hetzelfde hoofdstuk:

“En wij hebben het profetische Woord, dat zeer vast is, en gij doet wel, dat gij daarop acht hebt, als op een licht, schijnende in een duistere plaats, totdat de dag aanlichte, en de Morgenster opga in uw harten.” (2 Petrus 1:19, STV)

Dat zou ons te denken moeten geven.

Wie Gods stem wil kennen, moet beginnen met aandacht te geven aan Gods Woord.

 

Niet iedere belofte in de Bijbel is automatisch mijn belofte

Er hoort echter een belangrijke waarschuwing bij een studie over Gods beloften in de Bijbel.

Niet iedere belofte die in de Bijbel staat, is rechtstreeks aan de Gemeente gegeven.

God deed beloften aan Abraham. Hij deed concrete beloften aan Israël. Er zijn beloften die verband houden met het land, het Koninkrijk en Israëls toekomstige herstel.

Daarnaast vinden we wat God bekendmaakt over de positie en toekomst van de Gemeente, het Lichaam van Christus.

Daarom kunnen we niet willekeurig een mooie tekst aanwijzen en zeggen: “Die claim ik.”

De Schrift moet recht gesneden worden:

“Benaarstig u, om uzelven Gode beproefd voor te stellen, een arbeider, die niet beschaamd wordt, die het Woord der waarheid recht snijdt.” (2 Timotheüs 2:15, STV)

Bij iedere Bijbelse belofte moeten we daarom vragen:

Wat staat er precies?

Tegen wie wordt dit gezegd?

In welk verband staat deze belofte?

En mogen wij deze belofte rechtstreeks op onszelf toepassen?

Dat is geen gebrek aan geloof.

Dat is eerbied voor Gods Woord.

 

Hebben christenen echt “meer van God” nodig?

Hier begint 2 Petrus 1:3 behoorlijk te schuren met bepaalde populaire christelijke ideeën.

Er wordt gesproken over “meer van God”, een “nieuwe zalving”, een “impartatie”, een “nieuwe aanraking” of een bijzondere bediening waardoor iemand geestelijk naar een hoger niveau zou kunnen worden gebracht.

Maar Petrus zegt:

“Gelijk ons Zijn Goddelijke kracht alles, wat tot het leven en de godzaligheid behoort, geschonken heeft…” (2 Petrus 1:3, STV)

Dan mag een eenvoudige vraag worden gesteld:

Welk gedeelte van “alles” ontbreekt er nog?

Dat is geen woordspelletje. Het is een serieuze leerstellige vraag.

Als Gods Goddelijke kracht alles geschonken heeft wat tot leven en godzaligheid behoort, waarom zou een gelovige dan afhankelijk gemaakt moeten worden van een “gezalfde” leider die hem iets zou moeten overdragen wat hij kennelijk nog mist?

Waarom een impartatie zoeken als Petrus zegt dat God voorzien heeft?

Waarom voortdurend zoeken naar “meer” zonder eerst te onderzoeken wat God volgens Zijn Woord reeds gegeven heeft?

De vraag is niet of een christen nog moet groeien. Natuurlijk moet hij groeien.

Maar geestelijke groei is iets anders dan geestelijk incompleet zijn.

 

Gods voorziening is niet het probleem

Misschien zoeken we daarom soms op de verkeerde plaats naar de oorzaak van geestelijke armoede.

We denken dat we iets missen. Petrus zegt dat God alles geschonken heeft.

We zoeken iets nieuws. Petrus wijst naar wat gegeven is.

We zoeken een nieuwe ervaring. Petrus spreekt over kennis.

We zoeken een nieuw woord. Petrus wijst naar

“het profetische Woord, dat zeer vast is”.

Misschien ontbreekt het ons niet aan geestelijke middelen, maar aan kennis van Gods beloften en vertrouwen op Gods Woord.

Dat is een wezenlijk verschil.

 

Leven uit Gods beloften betekent niet passief worden

Petrus laat geen ruimte voor de gedachte: als God alles geschonken heeft, hoef ik dus niets meer te doen.

Direct na vers 3 en 4 schrijft hij:

“En gij, tot hetzelve ook alle naarstigheid toebrengende, voegt bij uw geloof deugd, en bij de deugd kennis,” (2 Petrus 1:5, STV)

Vervolgens noemt Petrus matigheid, lijdzaamheid, godzaligheid, broederlijke liefde en liefde jegens allen.

Hier vinden we een prachtig evenwicht.

Wat God schenkt, wordt de basis waarop de gelovige wandelt.

Wij werken niet om God ertoe te bewegen ons uiteindelijk voldoende geestelijke middelen te geven. Wij mogen leven vanuit wat Hij uit genade geschonken heeft.

Gods gave maakt onze verantwoordelijkheid niet overbodig. Zij maakt onze wandel mogelijk.

Dat is ook waarom kennis zo belangrijk is. Petrus spreekt in dit hoofdstuk herhaaldelijk over kennis. De christen groeit niet door steeds nieuwe geestelijke sensaties te verzamelen, maar door Christus te kennen en vanuit Gods waarheid te leven.

 

Nieuw leven, geen opgeknapte oude mens

Hierbij is ook belangrijk te beseffen wat God eigenlijk geschonken heeft.

Het Evangelie is niet Gods programma om de oude mens wat godsdienstiger te maken. Het gaat om nieuw leven.

Christus kwam niet maar ‘betere idealen’ aanbieden aan de oude Adamitische mens. De gelovige ontvangt nieuw leven in Christus.

Dat maakt het verschil enorm.

Het christelijke leven is niet:

“Ik probeer met Gods hulp een betere/de beste versie van mezelf te worden.”

Het begint bij wat God gedaan heeft en bij het leven dat Hij gegeven heeft.

Daarom is het steeds opnieuw nodig dat de gelovige leert zien wie hij in Christus is, wat God hem geschonken heeft en hoe hij daaruit mag leven.

 

Vergeet niet wat God gedaan heeft

Petrus zegt iets opvallends over de gelovige bij wie de genoemde vrucht ontbreekt:

“Want bij welken deze dingen niet zijn, die is blind, van verre niet ziende, hebbende vergeten de reiniging zijner vorige zonden.” (2 Petrus 1:9, STV)

Let vooral op dat laatste woord: vergeten.

Niet: nooit ontvangen.

Niet: nooit gereinigd.

Maar vergeten wat God gedaan heeft.

Dat geeft een verrassend perspectief op geestelijke armoede. Misschien hebben we niet altijd iets nieuws nodig. Misschien moeten we opnieuw leren verstaan wat God al gedaan en gegeven heeft.

Steeds iets nieuws zoeken terwijl we het oude vergeten zijn, is geen geestelijke groei.

Het kan juist geestelijke onvolwassenheid zijn.

 

Bijbels bidden vanuit Gods beloften

Betekent dit dat we niet meer om geestelijke dingen mogen bidden? Natuurlijk niet.

Maar bidden vanuit Gods beloften ziet er anders uit dan bidden alsof God ons voortdurend iets essentieels onthoudt.

Paulus geeft daarvan een prachtig voorbeeld:

“Opdat de God van onzen Heere Jezus Christus, de Vader der heerlijkheid, u geve den Geest der wijsheid en der openbaring in Zijn kennis; Namelijk verlichte ogen uws verstands, opdat gij moogt weten, welke zij de hoop van Zijn roeping, en welke de rijkdom zij der heerlijkheid van Zijn erfenis in de heiligen;” (Efeze 1:17-18, STV)

Let op: “opdat gij moogt weten“.

Paulus bidt voor gelovigen dat zij gaan verstaan welke rijkdom hun deel is.

Dat is iets anders dan voortdurend bidden alsof God die rijkdom nog moet schenken.

Een prachtig gebed zou daarom kunnen zijn:

“Vader, leer mij kennen wat U in Christus geschonken hebt. Leer mij Uw Woord verstaan. Leer mij Uw beloften geloven en leer mij daaruit leven.”

 

Stop met zoeken naar en vragen om wat God al geschonken heeft

2 Petrus 1:3-4 zet ons uiteindelijk voor een eenvoudige maar confronterende vraag.

Zoeken wij voortdurend naar iets nieuws, of leren wij leven uit hetgeen God heeft geschonken?

Misschien moeten we minder vragen:

“Waar kan ik meer ontvangen?”

En vaker:

“Wat zegt Gods Woord dat God mij reeds geschonken heeft?”

Minder jagen op geestelijke ervaringen en meer kennis van Christus.

Minder afhankelijkheid van mensen die zeggen iets bijzonders te kunnen overdragen en meer vertrouwen op Gods beloften in de Bijbel.

Minder

“God zei tegen mij…”

en meer:

“Er staat geschreven.”

Want geestelijke volwassenheid bestaat niet uit een verzameling spectaculaire ervaringen. Zij groeit door kennis van Christus, kennis van Zijn Woord, geloof in Zijn beloften en een wandel die daarmee overeenkomt.

Petrus laat daar weinig onduidelijkheid over bestaan:

“Gelijk ons Zijn Goddelijke kracht alles, wat tot het leven en de godzaligheid behoort, geschonken heeft, door de kennis Desgenen, Die ons geroepen heeft tot heerlijkheid en deugd;” (2 Petrus 1:3, STV)

God heeft niet matig gegeven.

De vraag is of wij weten wat Hij geschonken heeft.

En wanneer wij onze rijkdom in Christus nauwelijks kennen, hebben we  niet in de eerste plaats een nieuwe zalving, nieuwe impartatie, nieuwe profetie of nieuwe geestelijke ervaring nodig.

Dan wordt het hoog tijd om onze Bijbel open te doen, Gods beloften te leren kennen, ze te geloven en daaruit te leven.

 

 

 

De Ethiopische kamerling: Jesaja, Afrika en het Evangelie

De Ethiopische kamerling en de kostbare boekrol: waarom in Handelingen 8 zoveel details

Een ontmoeting die opvallend gedetailleerd wordt beschreven

Sommige gebeurtenissen in Handelingen worden in enkele zinnen verteld. Maar wanneer Lucas ons in Handelingen 8 meeneemt naar de weg van Jeruzalem naar Gaza, vertraagt het verhaal ineens.

We krijgen opvallend veel details.

Het gaat om een Ethiopiër. Hij is een kamerling. Hij bekleedt een hoge positie aan het hof van Kandacé. Hij beheert haar schatkist. Hij is naar Jeruzalem gereisd om te aanbidden. Hij keert terug naar zijn land. Hij zit in zijn wagen. Hij bezit een boekrol van Jesaja. Hij leest daaruit hardop. Vervolgens wordt zelfs vermeld welk gedeelte hij leest.

Waarom zoveel details?

Juist daardoor wordt zichtbaar dat deze ontmoeting geen toevallige voetnoot in de geschiedenis van de vroege Gemeente is. We zien hier hoe God Zelf ervoor zorgt dat het Evangelie grenzen overgaat.

En midden in deze geschiedenis ligt een boekrol.

het heil naar de volken
de Ethiopische kamerling

 

Een boekrol kocht je niet even in een winkel

Wij kunnen ons nauwelijks voorstellen wat het betekende dat deze man uit Jesaja zat te lezen.

Wij hebben Bijbels in boekenkasten, op onze telefoon en op internet. Wie een Bijbel wil hebben, kan er binnen enkele minuten één bestellen.

Deze Ethiopiër leefde in een totaal andere wereld.

De boekdrukkunst bestond niet. Een Schriftrol moest met de hand worden overgeschreven. En Jesaja is bepaald geen klein Bijbelboek. Een volledige Jesajarol vergde een enorme hoeveelheid schrijfmateriaal en vele uren gespecialiseerd schrijfwerk.

Dat maakte zo’n rol zeer kostbaar.

We moeten daarom voorzichtig zijn met de conclusie dat hij de rol noodzakelijkerwijs tijdens zijn verblijf in Jeruzalem had gekocht; Handelingen vertelt ons niet waar of wanneer hij hem verkregen heeft. Maar één ding blijkt wel uit de tekst: deze hooggeplaatste Afrikaan beschikte over zijn eigen exemplaar van Jesaja.

Dat alleen al zegt iets.

Dit was geen tractaat dat iemand hem onderweg had toegestopt. Hij bezat toegang tot een kostbare handgeschreven tekst van de Hebreeuwse Schrift.

En hij lás hem ook.

 

Een machtige man die toegeeft dat hij het niet begrijpt

Handelingen vertelt ons:

“En hij keerde wederom, en zat op zijn wagen, en las den profeet Jesaja.” (Handelingen 8:28, STV)

Dan gebeurt er iets bijzonders.

God stuurt Filippus naar deze ene man.

Filippus hoort hem lezen en vraagt:

“Verstaat gij ook, hetgeen gij leest?” (Handelingen 8:30, STV)

Het antwoord van de kamerling is buitengewoon veelzeggend:

“En hij zeide: Hoe zou ik toch kunnen, zo mij niet iemand onderricht?” (Handelingen 8:31, STV)

Denk daar eens over na.

Dit is geen onontwikkelde man. Hij beheert de schatkist van een koningin. Hij behoort tot de bestuurlijke elite van zijn land. Hij is bemiddeld genoeg om een kostbare reis te ondernemen en beschikt over een Schriftrol.

Maar tegenover Gods Woord durft deze machtige man eenvoudig te zeggen:

Ik begrijp het niet. Ik heb uitleg nodig.

Dat is geestelijke honger gecombineerd met nederigheid.

En juist naar zo’n man stuurt God iemand die hem de Schrift kan openen.

 

Van alle gedeelten leest hij uitgerekend Jesaja 53

Dan wordt de geschiedenis nog opmerkelijker.

De man leest niet zomaar ergens in Jesaja. Lucas vertelt ons precies welk gedeelte voor hem ligt:

“De plaats nu der Schriftuur, die hij las, was deze: Hij is gelijk een schaap ter slachting geleid; en gelijk een lam stemmeloos is voor dien, die het scheert, alzo doet Hij Zijn mond niet open.” (Handelingen 8:32, STV)

De kamerling zit met de grote vraag die iedere lezer van Jesaja 53 uiteindelijk moet beantwoorden:

Over wie gaat dit?

“En de kamerling antwoordde Filippus en zeide: Ik bid u, van Wien zegt de profeet dit, van zichzelven, of van iemand anders?” (Handelingen 8:34, STV)

Daar hoeft Filippus niet lang over na te denken.

“En Filippus deed zijn mond open en beginnende van diezelfde Schrift, verkondigde hem Jezus.” (Handelingen 8:35, STV)

Dat ene zinnetje is schitterend.

Hij verkondigde hem Jezus.

 

De boekrol krijgt als het ware een stem

De Ethiopiër had de tekst.

Filippus wees hem op de Persoon.

Hij had Jesaja kunnen bezitten zonder te begrijpen naar Wie Jesaja wees. Maar nu wordt vanuit dezelfde Schrift Christus verkondigd.

Daarom is deze geschiedenis ook zo belangrijk voor ons verstaan van het Oude Testament. Filippus legt Christus niet kunstmatig over Jesaja heen. Hij begint bij de tekst die de man voor zich heeft en komt uit bij Jezus.

Jesaja had geschreven:

“Wij dwaalden allen als schapen, wij keerden ons een iegelijk naar zijn weg; doch de HEERE heeft onzer aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen.” (Jesaja 53:6, STV)

Eeuwen later zit een Afrikaanse hoogwaardigheidsbekleder met diezelfde profetie op zijn schoot.

En midden op een woestijnweg hoort hij Wie dat Lam is.

 

Waarom haalt God Filippus weg bij een menigte?

Er zit nog iets opvallends in het verhaal.

Filippus bevindt zich net daarvoor in Samaria, waar grote dingen gebeuren. Mensen luisteren naar zijn prediking en er is veel belangstelling voor het Evangelie.

En dan wordt hij daarvandaan geroepen.

Voor wat?

Voor één man.

Dat druist behoorlijk in tegen onze moderne manier van denken. Wij meten succes gemakkelijk aan bereik, bezoekersaantallen en zichtbaarheid.

God stuurt een evangelist van een menigte naar een eenzame weg om naast de wagen van één zoekend mens te lopen.

Daarmee vertelt Handelingen 8 ons ook iets over Gods hart.

Eén mens doet ertoe.

Eén zoekende Afrikaan is voor God geen voetnoot.

 

Van Jeruzalem richting Afrika

Maar er gebeurt tegelijkertijd iets veel groters.

Christus had vóór Zijn hemelvaart gezegd:

“Maar gij zult ontvangen de kracht des Heiligen Geestes, Die over u komen zal; en gij zult Mijn getuigen zijn, zo te Jeruzalem, als in geheel Judea en Samaria, en tot aan het uiterste der aarde.” (Handelingen 1:8, STV)

En kijk naar de richting in Handelingen.

Het Evangelie begint in Jeruzalem.

Vervolgens komt het in Samaria.

En nu zit daar ineens een man uit Afrika die na zijn ontmoeting met Filippus zijn reis naar het zuiden vervolgt.

We moeten niet méér zeggen dan de tekst zegt. Handelingen vertelt ons bijvoorbeeld niet wat deze kamerling later in zijn vaderland heeft gedaan en zegt evenmin dat door hem onmiddellijk een Afrikaanse gemeente werd gesticht.

Maar de richting is onmiskenbaar.

Het Evangelie is onderweg naar de volken.

Een Afrikaan hoort het Evangelie, gelooft en vervolgt daarna zijn weg.

 

Afrika staat bepaald niet ergens achteraan

Dat verdient onze aandacht.

Het christendom wordt tegenwoordig nogal eens voorgesteld alsof het oorspronkelijk een Europese godsdienst was die eeuwen later naar Afrika werd geëxporteerd.

Handelingen 8 maakt duidelijk hoe vertekend dat beeld is.

Europa speelt in dit gedeelte helemaal geen rol.

Hier staat een Joodse evangelist naast een Afrikaanse man en legt hem vanuit een Joodse profeet uit dat Jezus de Christus is.

Dat gebeurt in de eerste generatie van de Gemeente.

Afrika verschijnt dus al zeer vroeg nadrukkelijk in het verhaal van de verspreiding van het Evangelie.

 

Bij God bestaat geen racisme

En misschien is dat voor onze tijd wel een van de mooiste kanten van deze geschiedenis.

Filippus ziet geen huidskleur die hem tegenhoudt.

God ziet geen nationaliteit die iemand minder geschikt zou maken voor Zijn genade.

Er is geen Europees Evangelie, geen Afrikaans Evangelie en geen Joods Evangelie waarmee verschillende groepen op verschillende gronden behouden worden.

Er is één Heiland.

Er is één Evangelie.

Er is één grond van behoud.

En degenen die in Christus geloven, worden door één Geest tot één Lichaam gedoopt:

“Want ook wij allen zijn door één Geest tot één lichaam gedoopt; hetzij Joden, hetzij Grieken, hetzij dienstknechten, hetzij vrijen; en wij zijn allen tot één Geest gedrenkt.” (1 Korinthe 12:13, STV)

Dat betekent niet dat Gods bijzondere beloften en bedoelingen met Israël ineens verdwijnen. Het betekent wel dat binnen het Lichaam van Christus geen etnische rangorde bestaat.

Een Jood heeft Christus nodig.

Een Afrikaan heeft Christus nodig.

Een Arabier heeft Christus nodig.

Een Nederlander heeft Christus nodig.

En wie in Christus is, leeft uitsluitend uit dezelfde genade.

Racisme is daarom niet alleen maatschappelijk verwerpelijk. Het staat haaks op de werkelijkheid van het Lichaam van Christus.

 

De man die buiten stond, wordt door God gezocht

Er zit bovendien iets ontroerends in deze geschiedenis.

De Ethiopiër was naar Jeruzalem gegaan om te aanbidden. Hij behoorde echter niet tot Israël en was bovendien een kamerling. De wet van Mozes kende voor een ontmande beperkingen met betrekking tot de vergadering van Israël.

Maar juist in Jesaja staat een prachtige belofte voor ontmanden die God zoeken:

“Ik zal hun ook in Mijn huis en binnen Mijn muren een plaats en een naam geven, beter dan der zonen en dan der dochteren; een eeuwigen naam zal Ik een ieder van hen geven, die niet uitgeroeid zal worden.” (Jesaja 56:5, STV)

Wat moet dat betekenen wanneer we beseffen dat deze man uitgerekend Jesaja aan het lezen was?

Handelingen zegt niet dat hij op dat moment al bij Jesaja 56 was aangekomen of dat Filippus dit gedeelte met hem besproken heeft. Daar moeten we niets bij verzinnen.

Maar als lezer zien wij de prachtige verbinding wel.

Dezelfde Jesaja die het lijdende Lam beschrijft, spreekt enkele hoofdstukken later over Gods genadige ontvangst van de ontmande.

En nu zit daar in Handelingen echt zo’n man.

Met Jesaja op zijn schoot.

 

Een boekrol, een woestijnweg en Gods voorzienigheid

Hoe langer je naar Handelingen 8 kijkt, hoe indrukwekkender de details worden.

Een man verlangt naar God.

Hij reist honderden kilometers.

Hij bezit een kostbare Schriftrol.

Hij leest Jesaja.

Hij komt bij het gedeelte over het lijdende Lam.

Hij begrijpt het niet.

God stuurt Filippus.

Filippus hoort hem lezen.

De man stelt precies de juiste vraag.

Filippus opent vanuit Jesaja het Evangelie.

En vervolgens gaat het Evangelie met deze Afrikaanse man verder richting zijn vaderland.

Dat lijkt nauwelijks een toevallige verzameling details.

Het laat Gods voorzienigheid zien.

 

Hij reisde verder met blijdschap

Aan het einde gebeurt iets dat makkelijk wordt gemist.

Filippus verdwijnt.

Maar de Ethiopiër raakt niet in paniek.

“En toen zij uit het water waren opgekomen, nam de Geest des Heeren Filippus weg, en de kamerling zag hem niet meer; want hij reisde zijn weg met blijdschap.” (Handelingen 8:39, STV)

Waarom kon hij verder zonder Filippus?

Omdat Filippus hem niet aan zichzelf had verbonden.

Hij had hem Jezus verkondigd.

Dat is misschien wel de mooiste les voor iedere evangelist, prediker en Bijbelleraar.

Het doel is niet dat mensen uiteindelijk van ons afhankelijk worden.

Het doel is dat zij Christus leren kennen.

Filippus kon verdwijnen.

Christus bleef.

 

Wat een kostbare boekrol uiteindelijk niet kon geven

De Ethiopiër bezat iets wat in zijn tijd buitengewoon kostbaar moet zijn geweest: toegang tot de woorden van Jesaja.

Maar zelfs zo’n kostbare boekrol kon hem op zichzelf niet redden.

Hij moest begrijpen over Wie hij las.

Daarom is het mogelijk om een Bijbel te bezitten en Christus toch niet te kennen. Het is mogelijk veel over de Schrift te weten en het middelpunt ervan te missen.

Filippus liet de man daarom niet achter met alleen een betere uitleg van Jesaja.

Hij “verkondigde hem Jezus”.

Daar komt uiteindelijk alles samen.

De kostbare boekrol.

Jesaja 53.

Het Lam.

Het kruis.

De opstanding.

De Afrikaanse kamerling.

En een Evangelie dat zich niet laat opsluiten binnen één volk, één land of één huidskleur.

God ziet geen tweederangs mensen.

De armen van het Evangelie staan open voor Jood en Griek, Afrikaan en Europeaan, rijk en arm, hooggeplaatst en eenvoudig.

En ergens op een eenzame weg naar Gaza liet God dat al heel vroeg in de geschiedenis van de Gemeente op een onvergetelijke manier zien:

één Afrikaanse man, één geopende boekrol en één boodschap: Jezus Christus.

Jezus alleen: Christus bouwt Zijn Gemeente

Waarom de Gemeente van Christus niet hoeft te wanhopen

Gaat het echt slecht met de kerk?

Je kunt het regelmatig horen:

 “Het gaat niet goed met de kerk.”

Of erger:

“De kerk slaapt”

of zou zelfs ziek zijn volgens een enkele verdwaalde geest…..

En menselijk bekeken valt daar nog best iets voor te zeggen ook. Kerkgebouwen worden gesloten, gemeenten vergrijzen, kerkelijke instituten verliezen leden en de Bijbelse boodschap verdwijnt steeds verder naar de achterdeur.

Maar voordat we daarin meegaan, moeten we toch een cruciaal onderscheid maken.

 

 Over welke kerk hebben we het dan eigenlijk?

Met een kerkelijk instituut kan het inderdaad slecht gaan. Een denominatie kan verdwijnen. Een plaatselijke gemeente kan zelfs ophouden te bestaan. Maar de Gemeente van Christus, Zijn Lichaam, is van een heel andere orde.

De Here Jezus heeft immers Zelf gezegd:

“En Ik zeg u ook, dat gij zijt Petrus, en op deze petra zal Ik Mijn gemeente bouwen, en de poorten der hel zullen dezelve niet overweldigen.” (Mattheüs 16:18, STV)

Let vooral op Wie hier bouwt:

“Ik zal Mijn gemeente bouwen.”

Dat is een geweldige bemoediging. De toekomst van de Gemeente rust niet op onze schouders, onze verenigingsdrift of onze formules

 Christus Zelf bouwt haar.

Jezus alleen

De Gemeente bestaat uit wedergeboren mensen

Daarmee komen we onmiddellijk bij een essentieel onderscheid dat tegenwoordig gemakkelijk vertroebelt. Lid zijn van een kerk is niet hetzelfde als behoren tot het Lichaam van Christus.

Een mens kan gedoopt zijn, belijdenis hebben gedaan, jarenlang trouw kerkdiensten bezoeken en veel christelijke gewoonten hebben overgenomen, zonder ooit werkelijk opnieuw geboren te zijn.

Nicodemus laat zien dat religieuze kennis op zichzelf niet voldoende is. Hij was een godsdienstig en geleerd man. Toch zei de Here Jezus:

“Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Tenzij dat iemand wederom geboren worde, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien.” (Johannes 3:3, STV)

Dat is fundamenteel.

Christelijk leven begint niet met het verbeteren van de oude mens. Het begint met nieuw leven uit God.

De Gemeente is daarom in wezen helemaal geen religieuze organisatie waarvan je door inschrijving lid wordt. Maar is een levend organisme, Bijbels gesproken een lichaam, waarvan Christus het Hoofd is.

 

Handelingen laat zien hoe het Evangelie de wereld ingaat

Het boek Handelingen laat prachtig zien hoe het getuigenis van Christus zich uitbreidt.

Vlak voor Zijn hemelvaart zegt de Here Jezus:

“Maar gij zult ontvangen de kracht des Heiligen Geestes, Die over u komen zal; en gij zult Mijn getuigen zijn, zo te Jeruzalem, als in geheel Judea en Samaria, en tot aan het uiterste der aarde.” (Handelingen 1:8, STV)

Daarin ligt als het ware de richting van het heil besloten:

Jeruzalem, Judea, Samaria en uiteindelijk de volken.

Toch zien we dat de gelovigen aanvankelijk sterk in Jeruzalem geconcentreerd blijven. Pas wanneer vervolging uitbreekt, worden zij verspreid.

Menselijk gezien lijkt dat een ramp.

Maar dan lezen we:

“Zij dan nu, die verstrooid waren, gingen het land door, en verkondigden het Woord.” (Handelingen 8:4, STV)

Wat bedoeld was om de Gemeente te bestrijden, gebruikt God juist om het Evangelie verder te brengen.

Dat is ook vandaag een geweldige bemoediging. God is niet afhankelijk van gunstige omstandigheden. Hij kan zelfs tegenstand gebruiken om deuren te openen die anders gesloten zouden blijven.

 

Filippus predikte Christus

Onder de verstrooide gelovigen bevindt zich Filippus. Over zijn bediening in Samaria staat iets opvallend eenvoudigs:

“En Filippus kwam af in de stad van Samaria, en predikte hun Christus.” (Handelingen 8:5, STV)

Dat verdient onze aandacht.

Er staat niet dat Filippus zichzelf presenteerde.

Hij predikte geen beweging.

Hij predikte geen geestelijke methode.

Hij predikte geen kerkgenootschap.

Hij predikte Christus.

En wanneer hij later de Ethiopische kamerheer ontmoet, gebeurt precies hetzelfde:

“En Filippus deed zijn mond open en beginnende van diezelfde Schrift, verkondigde hem Jezus.” (Handelingen 8:35, STV)

Daar ligt misschien wel een van de belangrijkste lessen voor de Gemeente van Jezus Christus van vandaag.

 

Van Jezus plus terug naar Jezus alléén

We kunnen ongemerkt zoveel aan Christus toevoegen dat Hij uiteindelijk achter onze toevoegingen verdwijnt.

Jezus plus onze denominatie. Jezus plus onze traditie. Jezus plus onze favoriete voorganger. Jezus plus onze krachtige geestelijke ervaringen. Jezus plus onze methode. Jezus plus onze bijzondere beweging.

Maar Filippus verkondigde hem Jezus.

Daarmee komen we bij de kern: Jezus alleen.

 

Niet omdat Bijbelse leer onbelangrijk zou zijn. Integendeel. Gezonde leer brengt ons immers steeds dichterbij Wie Christus is en wat Hij volbracht heeft.

Maar zodra onze bijzondere groep, ervaring of traditie méér aandacht krijgt dan Christus, is er iets helemaal mis gegaan.

Paulus schrijft:

“Want ik heb niet voorgenomen iets te weten onder u, dan Jezus Christus, en Dien gekruisigd.” (1 Korinthe 2:2, STV)

De Gemeente heeft niet méér spektakel nodig.

Zij heeft Christus nodig.

God ziet ook die ene mens

In Handelingen 8 zien we dan iets merkwaardigs. Filippus bevindt zich midden in een vruchtbaar werk in Samaria, maar wordt naar een eenzame weg gestuurd.

Daar wacht geen menigte.

Daar zit één man.

Dat botst nogal met onze menselijke neiging om geestelijk succes in aantallen uit te drukken. Hoeveel bezoekers? Hoeveel volgers? Hoeveel groei? Hoeveel bereik?

God haalt Filippus als het ware weg bij een menigte om hem naast de wagen van één zoekende Afrikaan te zetten.

Blijkbaar is één mens voor God de reis waard.

Misschien ligt daar ook wel een bemoediging voor gelovigen die denken dat hun leven weinig betekenis heeft omdat zij geen groot bereik hebben.

Je hoeft geen duizenden mensen te bereiken om bruikbaar te zijn.

Misschien heeft God één mens op jouw weg gebracht.

 

Een Ethiopiër zoekt naar de waarheid

De Ethiopische kamerheer heeft een lange reis naar Jeruzalem gemaakt. Hij verlangt duidelijk naar de ware God en bezit een zeer kostbare boekrol van Jesaja.

Op de terugweg leest hij daaruit.

Dan brengt God Filippus precies naast zijn wagen.

Dat is een prachtig samenspel tussen Gods leiding en menselijke gehoorzaamheid. De zoekende man heeft een vraag. Filippus wordt gestuurd. De Schrift ligt open.

En welk gedeelte leest hij?

Jesaja 53.

De kamerheer wil weten over wie de profeet spreekt. Vanuit dat Schriftgedeelte verkondigt Filippus hem Jezus.

 

Jesaja 53 brengt ons direct bij het hart van het Evangelie

Jesaja had eeuwen vóór het kruis al geprofeteerd:

“Wij dwaalden allen als schapen, wij keerden ons een iegelijk naar zijn weg; doch de HEERE heeft onzer aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen.” (Jesaja 53:6, STV)

Hier ligt het hart van het Evangelie van Jezus Christus.

Wij dwaalden.

Onze ongerechtigheid stond tussen God en ons.

Maar God legde die ongerechtigheid op een Ander.

Het Evangelie vertelt daarom niet wat wij voor God moeten doen. Het verkondigt wat God in Christus voor verloren mensen gedaan heeft.

Filippus hoefde Jesaja niet los te laten om over Jezus te beginnen. Hij begon vanuit diezelfde Schrift.

Christus is niet een later toegevoegd onderwerp.

De Schriften wijzen naar Hem.

 

In Christus is géén plaats voor racisme

Dat de man een Ethiopiër is, is zeker niet zonder betekenis.

Een Joodse evangelist wordt door God naar een Afrikaanse man gestuurd. Zijn huidskleur, afkomst en status vormen geen belemmering voor het Evangelie.

Dat raakt ook onze houding tegenover Israël en de volken. Wie het Bijbelse onderscheid tussen Israël en de Gemeente serieus neemt, heeft daarmee geen enkele grond om individuele Joden boven Arabieren, Afrikanen, Europeanen of wie dan ook te stellen.

Binnen het Lichaam van Christus geldt:

“Want door één Geest zijn wij allen tot één lichaam gedoopt, hetzij Joden, hetzij Grieken, hetzij dienstknechten, hetzij vrijen; en wij zijn allen tot één Geest gedrenkt.” (1 Korinthe 12:13, STV)

Dat wist het onderscheid tussen Israël en de Gemeente niet uit. Maar het maakt wel duidelijk dat binnen het Lichaam van Christus afkomst géén grond voor enige superioriteit is.

Aan het kruis staat niemand op een verhoging.

Wij leven allemaal van en uit Genade.

 

Geloof komt vóór de waterdoop

Wanneer de Ethiopiër water ziet, wil hij gedoopt worden. Ook daaruit komt een belangrijke Bijbelse waarheid naar voren.

De waterdoop is niet de oorzaak van zijn behoudenis. De doop volgt op geloof.

Paulus beschrijft in Efeze de verhouding tussen het horen van het Evangelie, geloven en het ontvangen van de Heilige Geest:

“In Welken ook gij zijt, nadat gij het woord der waarheid, namelijk het Evangelie uwer zaligheid, gehoord hebt; in Welken gij ook, nadat gij geloofd hebt, zijt verzegeld geworden met den Heiligen Geest der belofte;” (Efeze 1:13, STV)

Dat is een bijzonder belangrijke volgorde.

De gelovige wordt niet behouden omdat water hem reinigt. Christus redt.

De waterdoop is vervolgens een zichtbaar getuigenis van de verbondenheid van de gelovige met Christus: Zijn dood, begrafenis en opstanding.

Niet het water staat centraal.

Christus staat centraal.

 

Het geloof begint bij een levende Heer

En daarmee komen we bij de opstanding.

Het Evangelie eindigt niet bij Golgotha. Het graf is leeg.

Paulus schrijft zelfs:

“En indien Christus niet opgewekt is, zo is dan onze prediking ijdel, en ijdel is ook uw geloof.” (1 Korinthe 15:14, STV)

Wij volgen daarom niet slechts de leer van een godsdienstleraar die tweeduizend jaar geleden gestorven is.

Wij behoren toe aan een levende Heer.

Christus is gestorven.

Christus is begraven.

Christus is opgestaan.

Christus leeft.

Christus komt terug.

Daarom leeft ook Zijn Gemeente.

Dat is uiteindelijk het antwoord op alle sombere verhalen over de toekomst van de kerk. Ons vertrouwen rust niet op de vraag of kerkelijke instituten in Nederland over twintig jaar nog dezelfde omvang hebben.

Ons vertrouwen rust op Jezus Christus, het levende Hoofd van Zijn Gemeente.

 

Kijk wie God op je weg brengt

Na de ontmoeting met de Ethiopiër gaat Filippus verder.

En ook de kamerheer vervolgt zijn weg met blijdschap.

Dat maakt Handelingen 8 verrassend praktisch.

Morgen gaan wij ook weer ergens heen. Naar ons werk, naar een winkel, naar familie, naar een afspraak of gewoon naar de buren.

Daar zijn mensen.

We weten meestal niet welke vragen zij diep vanbinnen hebben. Filippus kon van een afstand evenmin zien dat daar iemand zat die de Schrift las en zich afvroeg over Wie Jesaja eigenlijk sprak.

Daarom hoeven we niet krampachtig op zoek te gaan naar spectaculaire mogelijkheden om voor God bruikbaar te zijn.

We mogen eenvoudig onze ogen en oren openhouden.

Wie brengt God op mijn weg?

Misschien geen zaal vol mensen.

Misschien één mens.

Maar voor die ene mens kan een gesprek over de Here Jezus van eeuwigheidswaarde zijn.

 

Christus bouwt Zijn Gemeente

Daarom hoeven we niet mee te gaan in moedeloosheid.

Ja, met kerkelijke instituten kan het slecht gaan.

Ja, er is veel verwarring.

Ja, de Bijbelse boodschap wordt in onze samenleving steeds vaker terzijde geschoven.

Maar Christus heeft niet gezegd dat wij Zijn Gemeente overeind moeten houden.

Hij heeft gezegd:

“Ik zal Mijn gemeente bouwen.”

En daarom blijft onze opdracht verrassend eenvoudig.

Niet onszelf verkondigen.

Niet onze beweging grootmaken.

Niet mensen aan onze persoonlijkheid binden.

Niet vertrouwen op religieuze vormen.

Maar doen wat Filippus deed.

De Schrift openen.

Onze mond openen.

En Jezus verkondigen.

Want uiteindelijk heeft de wereld niet allereerst behoefte aan een aantrekkelijker christendom.

De wereld heeft Christus nodig.

En ook de Gemeente zelf moet telkens weer terug naar dat ene middelpunt:

Jezus alleen.

lees ook:

Wat zegt de Bijbel over de gemeente van Jezus Christus?

De gemeente van Jezus Christus is geen bedrijf maar een levend lichaam

Het werk van de Heilige Geest: geen spektakel, maar Christus centraal

 

Geverifieerd door MonsterInsights