Why the Ten Commandments Are Not “Ten Core Values for Christian Life”

Why the Ten Commandments Are Not “Ten Core Values for Christian Life”

 
 
 

Recycling or rebranding the Ten Commandments as Ten Core Values For Christian life may sound like a harmless modernization. In reality, it is, to put it mildly, erroneous, in a worst case theologically misleading. It changes the language, but not the function. What is no longer called law continues in real life to operate as law.

Not Internalized, but Ended Relationship

Paul leaves no room for this reinterpretation. He does not say that the law has been softened, internalized, or transformed into values. He says that the believer is not under the law:

“For ye are not under the law, but under grace.”
(Romans 6:14, KJV)

More than that, he says the believer has died to the law:

“But now we are delivered from the law, that being dead wherein we were held.”
(Romans 7:6, KJV)

And he draws the decisive conclusion:

“For Christ is the end of the law for righteousness to every one that believeth.”
(Romans 10:4, KJV)

These statements leave no space for the law to continue under a moral disguise.

A Ministry That Has Passed Away

This is confirmed even more sharply in 2 Corinthians 3. Paul explicitly identifies the Ten Commandments as:

“the ministration of death, written and engraven in stones”
(2 Corinthians 3:7, KJV)

And he states plainly that this ministry has been done away with:

“For if that which is done away was glorious, much more that which remaineth is glorious.”
(2 Corinthians 3:11, KJV)

What has been done away with is not continued under a different name. Speaking of core values suggests continuity, where Paul insists on discontinuity.

In its place, he introduces not a new moral framework, but a different ministry altogether:

“For the letter killeth, but the Spirit giveth life.”
(2 Corinthians 3:6, KJV)

And he summarizes the outcome:

“Where the Spirit of the Lord is, there is liberty.”
(2 Corinthians 3:17, KJV)

“Core Values” Is Not a Biblical Concept

Moreover, core values is not a biblical concept at all. It originates in modern management and organizational language, where it refers to stable principles that guide, evaluate, and regulate behavior.

Introducing this concept into theology imports a foreign framework and then projects it back onto Scripture. That is not exegesis, but reinterpretation or eisegesis (inlay science)

Paul does not speak in terms of values or principles, but in relational categories:
under the law or under grace,
in Adam or in Christ,
after the flesh or after the Spirit.

The center of Christian life is not a moral system, but a Person:

“I am crucified with Christ: nevertheless I live; yet not I, but Christ liveth in me.”
(Galatians 2:20, KJV)

Doctrinal and Pastoral Consequences

The language of core values does not liberate; it burdens. Values continue to assess, measure, and address behavior. They may give direction, but they do not give life. In this way, the pressure of the law is functionally restored—precisely what Paul warns against:

“Stand fast therefore in the liberty wherewith Christ hath made us free, and be not entangled again with the yoke of bondage.”
(Galatians 5:1, KJV)

What Then Is the Place of the Ten Commandments?

The Ten Commandments retain their significance as a revelation of God’s holiness and as a mirror of human inability:

“Therefore by the deeds of the law there shall no flesh be justified in his sight: for by the law is the knowledge of sin.”
(Romans 3:20, KJV)

But they are not the core values of Christian life. That life is shaped not by values, but by communion with Christ, through the Spirit.

Concluded

 

>>What Paul declares to be ended cannot be continued by renaming it<<

 

De toekomstige en zekere bekering van Israël, – geen automatisme

De toekomstige en zekere bekering van Israël, – geen automatisme

De vraag naar de bekering van Israël roept al snel sterke emoties en stellige uitspraken op. Sommigen menen dat alle Joden uiteindelijk vanzelf behouden worden; anderen concluderen dat Israël definitief heeft afgedaan. De Bijbel zelf kiest echter geen van beide uitersten. Zij spreekt nauwkeurig, consequent en vooral Schrift-met-Schrift.

Wie Romeinen 9–11 leest, ontdekt dat Paulus geen politiek of nationalistisch betoog houdt, maar een onderwijzing van Gods handelen in de geschiedenis.

Geen automatische behoudenis

De Bijbel leert nergens dat behoudenis collectief of vanzelfsprekend is. Ook niet voor Israël. Integendeel: steeds weer wordt gesproken over een overblijfsel.

“Al ware het getal der kinderen Israëls gelijk het zand der zee, zo zal het overblijfsel behouden worden.”
(Romeinen 9:27)

Dit woord overblijfsel is geen randbegrip, maar een vaste Bijbelse lijn. God werkt niet via de massa, maar via geloof. Dat gold in de dagen van Noach, van Elia en van Jesaja — en dat geldt ook in het Nieuwe Testament.

Wie is Israël volgens de Schrift?

De kernvraag is niet of Israël belangrijk is, maar wat de Bijbel onder Israël verstaat. Paulus is daarin opvallend duidelijk:

“Want die zijn niet allen Israël, die uit Israël zijn.”
(Romeinen 9:6)

Israël is in de Schrift geen puur etnisch begrip. Afkomst alleen is nooit beslissend geweest. Al bij Abraham wordt dat duidelijk: niet Ismaël, maar Izak. Niet Ezau, maar Jakob.

“Niet de kinderen des vleses zijn kinderen Gods, maar de kinderen der beloftenis worden voor het zaad gerekend.”
(Romeinen 9:8)

Israël is daarom geen vanzelfsprekend recht, maar een titel die verbonden is aan belofte en geloof.

Israël als titel en roeping

Jakob kreeg de naam Israël niet bij zijn geboorte, maar na zijn ontmoeting met God.

“Uw naam zal voortaan niet meer Jakob genoemd worden, maar Israël.”
(Genesis 32:28)

Die naam duidt roeping en erfgenaamschap aan. Wanneer het volk ongelovig wordt, kan die titel verloren gaan.

“Gij zijt Mijn volk niet.”
(Hosea 1:9)

Toch blijft God trouw aan Zijn beloften. Zelfs lo-ammi wordt uiteindelijk weer ammi.

“Ik zal zeggen tot Lo-Ammi: Gij zijt Mijn volk.”
(Hosea 2:23)

Dat spanningsveld — oordeel én belofte — loopt door de hele Schrift heen.

De huidige tijd: Israël en de heidenen

Paulus leert dat Israël als volk in de tegenwoordige tijd grotendeels in ongeloof verkeert. Dat betekent echter niet dat God Zijn volk verworpen heeft.

“Heeft dan God Zijn volk verstoten? Dat zij verre!”
(Romeinen 11:1)

In deze periode verzamelt God Zich een volk uit de heidenen: de Gemeente. De zegeningen die aan Israël waren toevertrouwd, zijn in Christus terechtgekomen bij hen die geloven.

“Door hun val is de zaligheid den heidenen geworden, om hen tot jaloersheid te verwekken.”
(Romeinen 11:11)

Dat is geen toeval, maar onderdeel van Gods plan.

Het overblijfsel blijft bestaan

Ook nu blijft er een Joods overblijfsel dat gelooft.

“Alzo is er dan ook in dezen tegenwoordigen tijd een overblijfsel geworden, naar de verkiezing der genade.”
(Romeinen 11:5)

Dat overblijfsel vertegenwoordigt Israël zoals God het rekent. Niet groot in aantal, maar wezenlijk in betekenis.

De toekomst van Israël

De Bijbel spreekt ook over een toekomstige bekering van Israël. Die zal plaatsvinden in een tijd van grote benauwdheid, wanneer een Joods overblijfsel de Naam van de HEERE zal aanroepen.

“Zij zullen Mij aanschouwen, Dien zij doorstoken hebben.”
(Zacharia 12:10)

“Al wie den Naam des HEEREN zal aanroepen, zal behouden worden.”
(Joël 2:32)

Op deze wijze — door bekering en geloof — zal geheel Israël zalig worden.

“En alzo zal geheel Israël zalig worden.”
(Romeinen 11:26)

Niet automatisch, niet collectief, maar op Gods wijze.

De kern samengevat

  • Behoudenis is nooit vanzelfsprekend
  • Israël is een Bijbelse titel, geen biologisch automatisme
  • God werkt door een overblijfsel
  • In de huidige tijd verzamelt God een volk uit de heidenen
  • In de toekomst zal een Joods overblijfsel tot geloof komen
  • Gods beloften falen niet, maar worden vervuld langs de weg van geloof

Paulus besluit dit gedeelte niet met een schema, maar met aanbidding:

“O diepte des rijkdoms, beide der wijsheid en der kennis Gods!”
(Romeinen 11:33)

Waren gelovigen uit de volken ooit onder de Wet?

Waren gelovigen uit de volken ooit onder de Wet?

In gesprekken over wet en genade wordt vaak verondersteld dat alle mensen in dezelfde positie beginnen: eerst onder de wet, daarna door geloof bevrijd. Die gedachte klinkt logisch, maar zij is niet naar de Schrift. Paulus maakt namelijk een fundamenteel onderscheid tussen Israël en de volken. Dat onderscheid is bepalend voor de vraag of gelovigen uit de volken ooit onder de Wet zijn geweest.

Het korte antwoord is: nee.
En dat antwoord is niet gebaseerd op een systeem, maar op de Schrift zelf.

De Wet is aan Israël gegeven

De Wet is niet universeel gegeven aan de mensheid, maar specifiek aan Israël, binnen het kader van het Sinaïtisch verbond. Dat wordt in het Oude Testament expliciet gezegd:

“Hij maakt Jakob Zijn woorden bekend,
Israël Zijn inzettingen en Zijn rechten.
Alzo heeft Hij geen volk gedaan;
en Zijn rechten, die kennen zij niet.”

(Psalm 147:19–20)

De volken stonden buiten dit verbond. Zij kenden de Wet niet, droegen haar niet, en stonden er niet juridisch onder.

Paulus bevestigt dit onderscheid

Paulus neemt dit onderscheid over en werkt het verder uit. In Romeinen 2 maakt hij duidelijk dat heidenen niet onder de Wet stonden:

“Wanneer de heidenen, die de wet niet hebben…”
(Romeinen 2:14)

Paulus zegt niet dat zij de Wet hadden overtreden, maar dat zij haar niet hadden. Hun verantwoordelijkheid lag niet in een verbondswet, maar in het geweten. Dat is een wezenlijk verschil.

Ook in Romeinen 2:12 wordt dit onderscheid scherp getrokken:

“Zovelen als er zonder wet gezondigd hebben,
zullen ook zonder wet verloren gaan.”

De maatstaf verschilt, de schuld niet.

“Wij” onder de Wet — niet “zij”

In Galaten 3 spreekt Paulus over mensen die onder de Wet stonden:

“Maar eer het geloof kwam, waren wij onder de wet in bewaring gesteld.”
(Galaten 3:23)

Het woord wij is hier doorslaggevend. Paulus spreekt als Jood, namens Israël. Hij kan niet spreken over heidenen, want zij stonden nooit onder de Wet. Dat blijkt ook uit de context: de Wet als tuchtmeester behoort tot het Joodse bestel.

Christus verlost wie onder de Wet waren

Dat onderscheid wordt nog duidelijker in Galaten 4:

“God heeft Zijn Zoon uitgezonden, geworden onder de wet,
opdat Hij degenen, die onder de wet waren, verlossen zou.”

(Galaten 4:4–5)

Christus werd onder de Wet om hen te verlossen die onder de Wet stonden. Dat zijn Israëlieten. Als heidenen ook onder de Wet hadden gestaan, zou deze formulering geen enkele betekenis hebben.

Heidenen: onder zonde, niet onder de Wet

Dat heidenen niet onder de Wet stonden, betekent niet dat zij onschuldig waren. Paulus is daar helder over:

“Want allen hebben gezondigd.”
(Romeinen 3:23)

Maar schuld is iets anders dan wetsonderwerping. Heidenen stonden:

  • onder zonde,
  • onder afgoderij,
  • onder dood,

maar niet onder de Wet van Mozes.

Daarom ook geen “vrijmaking van de Wet” voor heidenen

Dit is een belangrijk gevolg. Paulus zegt tegen gelovigen uit Israël dat zij:

  • voor de Wet gestorven zijn,
  • van de Wet vrijgemaakt zijn.

Dat zegt hij niet over heidenen. Zij hoefden niet van de Wet bevrijd te worden, maar tot Christus gebracht te worden.

Dat verwoordt Paulus scherp in Efeze 2:

“Dat gij te dien tijde waart zonder Christus,
vervreemd van het burgerschap Israëls,
en vreemdelingen van de verbonden der belofte.”

(Efeze 2:12)

Niet onder de Wet — maar erbuiten.

De bron van veel verwarring

Veel verwarring ontstaat wanneer men het cruciale onderscheid tussen Israël en de volken loslaat. Dan lijkt het alsof iedereen eerst onder de Wet staat en daarna wordt bevrijd. Paulus leert dat niet.

Hij onderscheidt:

  • Israël → onder de Wet → verlost van de Wet
  • De volken → zonder Wet → ingevoegd in Christus

Wie dat onderscheid negeert, maakt van de Wet een universeel systeem en verliest zowel de helderheid van Paulus als de vrijheid van de gelovige.

Gelovigen uit de volken zijn nooit onder de Wet geweest.
De Wet was:

  • nationaal,
  • verbondsmatig,
  • tijdelijk,
  • en gericht tot Israël.

Heidenen hadden geen Wet om van verlost te worden,
maar een Redder nodig om in Christus geplaatst te worden.

Dit onderscheid bewaart:

  • de eenheid van de Schrift,
  • de kracht van het evangelie,
  • en de vrijheid van de gelovige.

.

De Wet, alleen de vloek weggenomen?

De Wet, alleen de vloek weggenomen?

Onlangs hoorde ik een spreker zeggen dat Christus alleen de vloek van de wet heeft weggenomen, terwijl de wet zelf zou blijven gelden als norm voor het christelijk leven. Die uitspraak bleef bij mij hangen, niet omdat die nieuw is, maar omdat deze wordt gebruikt zonder getoetst te worden aan wat Paulus hierover zegt.

Wanneer men de brieven van Paulus leest, blijkt deze opvatting niet houdbaar.

De vloek losmaken van de wet?

De redenering luidt meestal ongeveer zo:

“Christus droeg de straf van de wet, maar de wet zelf blijft een goede en geldige leefregel.”

Dat klinkt evenwichtig, maar het veronderstelt een scheiding die Paulus zelf niet maakt. Paulus schrijft:

Galaten 3:13
Christus heeft ons verlost van den vloek der wet.

Dat is waar — maar dit vers staat niet op zichzelf. Paulus gebruikt het als onderdeel van een betoog, niet als eindpunt.

De wet als tijdelijke orde

Enkele verzen later zegt hij:

Galaten 3:24
Zo dan, de wet is onze tuchtmeester (Grieks: pedagoog of opvoeder) geweest tot Christus.

En hij voegt daaraan toe:

Galaten 3:25
Maar als het geloof gekomen is, zo zijn wij niet meer onder den tuchtmeester.

De wet wordt niet beschreven als een blijvende norm zonder sanctie, maar als een tijdelijke opvoeder met een duidelijk eindpunt.

Als alleen de vloek was weggenomen, had Paulus moeten zeggen dat de tuchtmeester blijft, maar zijn roede heeft neergelegd. Dat zegt hij niet. Hij zegt dat wij niet meer onder hem zijn.

In de Romeinenbrief laat Paulus geen ruimte voor nuance. Nog duidelijker zegt hij daar:

Romeinen 7:6
Maar nu zijn wij van de wet vrijgemaakt, overmits wij dien gestorven zijn, onder welken wij gehouden waren.

Hier gaat het niet over straf, maar over binding. Men sterft niet aan een vloek, maar vanwege een rechtsverhouding. Paulus zegt niet dat de wet haar kracht verloren heeft, maar dat de gelovige voor haar gestorven is. Dat is juridisch taalgebruik. En het is definitief.

De vloek is geen los element

De gedachte dat de vloek kan worden weggenomen terwijl de wet blijft functioneren, veronderstelt dat de vloek iets bijkomstigs is. Paulus zegt het tegenovergestelde:

Galaten 3:10
Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen.

De vloek is geen extra sanctie, maar het onvermijdelijke gevolg van onder de wet staan. De wet eist volkomen gehoorzaamheid; en waar die ontbreekt, volgt de vloek.

Wie zegt dat de wet blijft maar de vloek verdwenen is, laat een systeem staan dat alleen kan eisen, maar niet meer kan oordelen. Dat is geen bijbels evenwicht, maar een innerlijke tegenspraak. Onhoudbaar

Christus is het einde (doel) der wet

Paulus vat zijn betoog samen in een enkele zin:

Romeinen 10:4
Want Christus is het einde der wet tot rechtvaardigheid voor een iegelijk, die gelooft.

Niet het einde van de straf. Niet het einde van het misbruik. Maar het einde van de wet als weg tot gerechtigheid.

Dat is geen nuance verschil, maar een principiële breuk.

Gevolgen voor het christelijk leven

De leer dat alleen de vloek is weggenomen, laat de christen feitelijk onder de wet staan, alleen zonder veroordeling. In de praktijk betekent dat:

  • voortdurende druk
  • onzekerheid over vrijheid
  • een verschuiving van Christus naar normering

Daarom waarschuwt Paulus:

Galaten 5:1
Staat dan in de vrijheid, met welke ons Christus vrijgemaakt heeft, en wordt niet wederom met het juk der dienstbaarheid bevangen.

Waartoe vrijgemaakt?

Romeinen 7:4
Zo dan, mijne broeders, gij zijt ook der wet gedood door het lichaam van Christus, opdat gij zoudt worden eens Anderen, namelijk Desgenen Die van de doden opgewekt is, opdat wij Gode vruchten dragen zouden.

Tot Slot

Paulus leert niet dat Christus de vloek heeft weggenomen zodat de wet veilig kan blijven staan. Hij leert dat de gelovige voor de wet gestorven is, omdat Christus haar doel heeft vervuld en haar functie heeft beëindigd.

Niet de wet regeert het leven van de christen. Niet eens een wet zonder vloek.

Christus, Hij alleen.

 

De Bergrede is geen wet voor de christen

Wie de Bergrede gebruikt als leefregel voor de christen, plaatst de gelovige terug onder de wet en miskent daarmee de volle betekenis van het kruis. De Bergrede werd uitgesproken vóór Golgotha, tot mensen die onder de wet stonden. De vrijheid van de gelovige — “niet onder de wet, maar onder de genade” — was toen nog niet geopenbaard.

“Maar eer het geloof kwam, waren wij onder de wet in bewaring gesteld, en besloten tot het geloof dat geopenbaard zou worden.”
(Galaten 3:23)

“Welke verborgenheid van alle eeuwen en van alle geslachten verborgen is geweest, maar nu geopenbaard is aan Zijn heiligen.”
(Kolossenzen 1:26)

Wie de Bergrede na het kruis als wet oplegt, negeert deze breuklijn.

Geen verzachting, maar verzwaring van de wet

Jezus verzacht in de Bergrede de wet niet, Hij verdiept haar tot in het hart. Niet alleen de daad wordt geoordeeld, maar ook de begeerte:

“Maar Ik zeg u, dat een iegelijk, die een vrouw aanziet om haar te begeren, die heeft alrede overspel met haar gedaan in zijn hart.”
(Mattheüs 5:28)

“Maar Ik zeg u, dat een iegelijk, die tegen zijn broeder zonder oorzaak toornig is, schuldig zal zijn door het gericht.
(Mattheüs 5:22)

Deze woorden maken de wet niet uitvoerbaar, maar onontkoombaar.

“Want wie de gehele wet zal houden, en in één zal struikelen, die is schuldig geworden aan alle.”
(Jakobus 2:10)

De Bergrede spreekt de mens niet vrij, maar sluit hem op onder schuld.

Wettisch gebruik ontkent het kruis

Christus heeft de gelovige van de wet verlost, niet haar verfijnd.

“Maar nu zijn wij van de wet vrijgemaakt, overmits wij dien gestorven zijn, onder welken wij gehouden waren.”
(Romeinen 7:6)

“Christus heeft ons verlost van den vloek der wet.”
(Galaten 3:13)

Wie de Bergrede tot wet maakt, herintroduceert wat Christus heeft beëindigd.

Niet eis, maar leven

Het christelijke leven wordt niet gevormd door geboden, maar door een nieuwe identiteit:

“Ik ben met Christus gekruist; en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij.”
(Galaten 2:20)

“Zo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn.”
(Romeinen 8:1)

De gerechtigheid die de wet eist, wordt niet door de wet vervuld, maar door de Geest:

“Opdat het recht der wet vervuld zou worden in ons, die niet naar het vlees wandelen, maar naar den Geest.”
(Romeinen 8:4)

Conclusie

De Bergrede is geen nieuw Sinaï decreet en geen christelijke leefregel. Zij openbaart wat volmaakte gerechtigheid is, opdat de mens tot Christus zou vluchten.

“Alzo is dan de wet onze tuchtmeester geweest tot Christus.”
(Galaten 3:24)

Wie de Bergrede wettisch toepast, keert terug tot slavernij.

“Staat dan in de vrijheid, met welke ons Christus vrijgemaakt heeft, en wordt niet wederom met het juk der dienstbaarheid bevangen.”
(Galaten 5:1)

Niet de Bergrede regeert het leven van de christen, maar Christus alleen.

The Deceiver in the Qur’an

 


The Deceiver in the Qur’an

Not very uplifting, but very clear. Who is the greatest deceiver?

Sūrah 3:54 – آل عمران

وَمَكَرُوا وَمَكَرَ اللَّهُ ۖ وَاللَّهُ خَيْرُ الْمَاكِرِينَ

Translation: And they devised plans, but Allah also devised plans, and Allah is the best of schemers.

Important words:
مَكَرَ (makara) = he deceived;
الْمَاكِرِينَ (al-mākirīn) = the schemers;
خَيْرُ (khayru) = the best of.

Sūrah 4:142 – النساء

إِنَّ الْمُنَافِقِينَ يُخَادِعُونَ اللَّهَ وَهُوَ خَادِعُهُمْ

Translation: Indeed, the hypocrites try to deceive Allah, but He is their deceiver.

Important words:
يُخَادِعُونَ (yukhādiʿūna) = they try to deceive;
خَادِعُhُمْ (khādiʿuhum) = their deceiver.

Sūrah 7:99 – الأعراف

أَفَأَمِنُوا مَكْرَ اللَّهِ ۚ فَلَا يَأْمَنُ مَكْرَ اللَّهِ إِلَّا الْقَوْمُ الْخَاسِرُونَ

Translation: Do they feel secure from the deception of Allah? No one feels secure from the deception of Allah except the losers.

Important words:
مَكْرَ (makr) = deception;
الْخَاسِرُونَ (al-khāsirūn) = the losers.

Sūrah 8:43 – الأنفال

إِذْ يُرِيكَهُمُ اللَّهُ فِي مَنَامِكَ قَلِيلًا

Translation: When Allah showed them to you in your dream as few.

Important words:
يُرِيكَ (yurīka) = He showed you;
قَلِيلًا (qalīlan) = few.

Sūrah 13:42 – الرعد

وَقَدْ مَكَرَ الَّذِينَ مِن قَبْلِهِمْ ۖ فَلِلَّهِ الْمَكْرُ جَمِيعًا

Translation: And those before them had devised plans, but to Allah belongs all planning.

Important words:
الْمَكْرُ (al-makru) = deception;
جَمِيعًا (jamīʿan) = altogether

Sūrah 10:21 – يونس

إِنَّ رُسُلَنَا يَكْتُبُونَ مَا تَمْكُرُونَ

Translation: Indeed, Our messengers record what you are plotting.

Important word:
تَمْكُرُونَ (tamkurūna) = you are deceiving (verb form of makr).

Sūrah 27:50 – النمل

وَمَكَرُوا مَكْرًا وَمَكَرْنَا مَكْرًا وَهُم لَا يَشْعُرُونَ

Translation: And they plotted a plan, and We planned a plan, while they perceived not.

Important words:
مَكَرْنَا (makarnā) = We deceived;
مَكْرًا (makran) = a plan/deception.

Word List and Grammar

مَكَرَ (makara): verb, perfect tense, 3rd person singular – “he deceived” or “he devised a plan (of deception).”
مَكْر (makr): noun – “deception,” “plot,” “scheme” (negative meaning).
مَاكِر (mākir): active participle – “schemer,” “deceiver.”
خَدَعَ (khadaʿa): verb – “to intentionally deceive,” stronger negative than makr.
خَادِع (khādiʿ): active participle – “deceiver.”
خَدِيعَة (khadīʿa): noun – “deception,” “trap.

Heel Israël – wat bedoelt Paulus werkelijk?

Heel Israël – wat bedoelt Paulus werkelijk?

De uitspraak uit Romeinen 11:26 – “En alzo zal geheel Israël zalig worden” – wordt vaak geciteerd, maar zelden uitgelegd. Men gebruikt haar om alle kanten op te kunnen: om gerust te stellen, om discussie te vermijden of om theologische tegenstellingen toe te dekken. Opvallend genoeg blijft één vraag meestal onbeantwoord: wat betekent “heel Israël” eigenlijk?

Hetzelfde geldt voor het woord zalig. Het klinkt vertrouwd, maar wie vraagt wat het Bijbels gezien betekent, krijgt zelden een helder antwoord. En juist daar begint het probleem.

Bijbelse termen worden vaag

Veel Bijbelse begrippen zijn losgeraakt van hun Schriftuurlijke betekenis. Geloof wordt twijfel met een religieus randje. Zalig wordt iets als gelukkig of gezegend voelen. Daardoor kan men vrijwel elke uitleg passend maken, zonder nog te toetsen aan de Schrift zelf.

Maar Bijbelse woorden zijn geen sfeerwoorden. Ze hebben een duidelijke inhoud en context. Wie die loslaat, raakt onvermijdelijk de draad kwijt.

Altijd een overblijfsel

De Bijbel leert consequent dat God niet werkt met het geheel van een volk, maar met een overblijfsel. Dat is geen randgedachte, maar een vaste lijn.

Paulus herinnert daar expliciet aan in Romeinen 9:
“Al ware het getal der kinderen Israëls als het zand der zee, zo zal het overblijfsel behouden worden.”

Die lijn loopt door de hele Schrift:

  • in de dagen van Elia bleven slechts 7000 over;
  • Jesaja spreekt over enkele vruchten in de top van de boom;
  • niet allen die uit Israël zijn, zijn Israël.

Dat maakt één ding duidelijk: talrijkheid zegt niets over behoudenis.

Israël is meer dan afkomst

“Israël” is in de Schrift niet slechts een etnische aanduiding, maar een titel. Jakob ontving die naam na zijn ontmoeting met God. Ze is verbonden aan roeping, aanstelling en eerstgeboorterecht.

Wanneer het volk die roeping verzaakt, verliest het ook het recht op die titel. De Schrift spreekt dan zonder omhaal over lo-ammi – niet Mijn volk. Dat is geen emotionele uitspraak, maar een juridische.

Daarom zegt Paulus:
“Die zijn niet allen Israël, die uit Israël zijn.”

Juda, Efraïm en het verdwijnen van Israël

Historisch gezien verdween het grootste deel van Israël al vroeg: de tien stammen werden weggevoerd. Juda nam tijdelijk de titel “Israël” over, bij gebrek aan de oorspronkelijke erfgenaam. Maar ook Juda verloor uiteindelijk zijn positie door ongeloof.

Toch bleven Gods beloften staan. Niet omdat afkomst zou redden, maar omdat God trouw is aan Zijn woord – op Zijn voorwaarden.

De gemeente en Israëls zegeningen

In de huidige bedeling verzamelt God een volk uit de heidenen: de gemeente. Opmerkelijk is dat juist aan deze gemeente de zegeningen worden toegeschreven die eerder aan Israël waren beloofd.

Dat is geen theologische vergissing en ook geen vervangingsdenken uit gemakzucht. Paulus onderbouwt dit uitvoerig in Romeinen 9–11, met tientallen citaten uit het Oude Testament. Juridisch en Schriftuurlijk is het verdedigbaar – en zelfs noodzakelijk.

Geen automatische behoudenis

Het idee dat alle Joden automatisch behouden zouden worden, kent geen Bijbelse grond. Het leidt tot valse zekerheid en maakt de prediking leeg. De Schrift kent geen collectieve zaligheid op basis van afkomst – niet voor Israël en niet voor de heidenen.

Wat betekent “heel Israël” dan wel?

“Geheel Israël” is niet de optelsom van alle afstammelingen van Abraham. Het is de aanduiding van het volk van God: zij die werkelijk deel hebben aan de belofte. Dat is altijd een overblijfsel geweest.

Wie dat patroon niet ziet, leest Romeinen 11 los van Romeinen 9 en 10 – en dat kan niet zonder schade.

Slot

Wie de uitspraak “heel Israël zal zalig worden” serieus neemt, zal haar niet gebruiken om discussie te beëindigen, maar om terug te keren naar de tekst zelf. De Schrift legt haar eigen begrippen uit. Niet vaag, niet vrijblijvend, maar consequent.

Schaduwbeelden uit de Bijbel zijn niet de norm

In de Bijbel spelen schaduwbeelden een belangrijke rol. Ze zijn door God gegeven, niet als einddoel, maar als vooruitwijzing. Offers, priesterschap, tempel, land, feesten en koningschap — het zijn allemaal middelen waardoor God Zijn heilsplan aankondigt voordat het zichtbaar wordt vervuld.

Maar juist daar ontstaat een gevaar dat vandaag opnieuw zichtbaar wordt: het verheffen van schaduwbeelden tot norm, alsof zij het eindpunt zijn en niet de wegwijzers.

Wat is een schaduwbeeld?

De Schrift zelf gebruikt deze taal. Een schaduw is geen leugen, maar ook geen werkelijkheid op zichzelf. Zij ontleent haar betekenis volledig aan datgene waar zij naar verwijst. Zonder de vervulling blijft een schaduw leeg.

Een offer wijst vooruit naar verzoening.
Een priester naar bemiddeling.
Een tempel naar Gods blijvende aanwezigheid

Wie de schaduw vasthoudt maar de vervulling niet benoemt, keert de richting van de heilsgeschiedenis om.

Wanneer de schaduw maatgevend wordt

Het probleem ontstaat wanneer men zich comfortabel nestelt in het voorlopige. Wanneer bijbelse taal wel klinkt, maar de Naam die die taal vervult, structureel wordt vermeden. Dan wordt het spreken over “Messias”, “verwachting” en “belofte” veilig — maar ook leeg.

De schaduw wordt dan normatief, en de vervulling moet zich daaraan aanpassen of wordt stilzwijgend naar de achtergrond geduwd.

Dat is geen onschuldige voorzichtigheid meer. Het is een theologische verschuiving.

De omkering die ongemerkt plaatsvindt

Bijbels is de beweging altijd:

belofte → vervulling → belijdenis

Maar wanneer men blijft steken bij belofte en verwachting, ontstaat dit patroon:

vervulling → impliciet
belijdenis → vermeden
Naam → verzwegen

De schaduw blijft, maar het licht dat haar betekenis geeft, wordt gedimd.

Waarom dit geestelijk niet neutraal is

Schaduwbeelden redden niet. Ze verzoenen niet. Ze vernieuwen niet. Ze verwijzen slechts.

Wanneer een gemeente of geloofsgemeenschap vrede heeft met het blijvend spreken in schaduwtaal, raakt zij gewend aan een geloof zonder expliciete belijdenis. Dat lijkt verbindend, maar het kost uiteindelijk vrijmoedigheid, helderheid en waarheid.

Het Evangelie is geen suggestie. Het is verkondiging. En verkondiging vraagt om benoeming.

De Naam van Jezus is géén detail

In het Nieuwe Testament is de Naam geen bijkomstigheid, maar openbaring. Niet als cultureel etiket, maar als aanduiding van wie God daadwerkelijk heeft gezonden en geopenbaard.

Waar de Naam verdwijnt, verdwijnt ook de scherpte van het geloof. Wat overblijft is vrome taal zonder confrontatie, Schrift zonder culminatie, verwachting zonder vervulling.

Een gewetensvraag

Wie merkt dat dit schuurt, is niet lastig of onverdraagzaam. Dat ongemak is vaak een gezond geestelijk signaal. Het wijst erop dat het geweten herkent: hier klopt de richting niet meer.

Niet omdat de Tenach tekortschiet — integendeel — maar omdat zij nooit bedoeld was als eindstation.

Schaduwbeelden zijn kostbaar. Maar alleen zolang zij ons leiden naar datgene waar zij voor gegeven zijn.

Wie de schaduw tot norm verheft, ontneemt de vervulling haar stem.
En wie de vervulling haar stem ontneemt, zal uiteindelijk ook de waarheid verliezen.

De digitale Euro: een oplossing zonder probleem

Wat is de digitale euro – en waarom wil niemand haar écht?

De Europese Centrale Bank (ECB) werkt aan een groot experiment: de digitale euro, oftewel de CBDC (Central Bank Digital Currency). Volgens Brussel wordt dit “veilig, modern en gebruiksvriendelijk geld” dat iedereen straks zal gebruiken.

Maar wat als we één vraag durven stellen:
Welk probleem lost dit eigenlijk op?

Want we betalen al digitaal. iDEAL, pin, Apple Pay – het werkt allemaal. Niemand vraagt om nóg een digitale munt. Toch wordt de invoering van de digitale euro haast religieus doorgedrukt, ondersteund door campagnes over “innovatie” en “vooruitgang”.


Geen vraag, toch een antwoord

De digitale euro wordt gepresenteerd als noodzakelijk om Europa concurrerend te houden. Maar als je kijkt naar de feiten, zie je: er is geen enkele burgerlijke vraag naar dit product.

Wat er wél gebeurt: de relatie tussen burger en centrale bank verandert fundamenteel.
De digitale euro geeft de ECB directe toegang tot jouw geld. Geen commerciële banken meer als tussenlaag. Dat betekent: meer macht, minder privacy.


De beloofde voordelen – of marketingpraat?

De officiële argumenten klinken mooi:

  • “Altijd beschikbaar, ook offline.”
  • “Gratis en veilig.”
  • “Betrouwbaar alternatief voor contant geld.”

Maar deze voordelen bestaan al. Betalingen zijn snel, veilig en goedkoop. De digitale euro voegt niets toe – behalve dat ze controle centraliseert.

En dat is geen detail: CBDC’s zijn programmeurbaar geld. De uitgevende instantie – in dit geval de centrale bank – kan bepalen waaraan jij je geld mag uitgeven, of wanneer het vervalt.

Een paar scenario’s die door centrale banken zélf zijn beschreven:

  • Tijdelijke “stimuleringscheques” die na 3 maanden vervallen.
  • CO₂-gerelateerd verbruik dat automatisch wordt beperkt.
  • “Gerichte steun” die alleen te besteden is aan goedgekeurde producten.

Dat is geen financieel systeem meer, maar gedragssturing.


De digitale ID: de andere helft van de puzzel

Parallel aan de digitale euro ontwikkelt de EU een digitale identiteit (EUDI). Officieel bedoeld om veilig in te loggen bij overheden, zorg en banken.

Maar in de praktijk wordt het de sleutel tot toegang tot jouw geld.
Zonder digitale ID geen digitale euro. En zonder digitale euro geen toegang meer tot het economische verkeer.

Zo ontstaat een allesomvattend controlesysteem waarin identiteit, gezondheid en financiën samenkomen. En dat roept de ongemakkelijke vraag op:
Wie heeft dan werkelijk de controle over jouw leven?


De echte reden: angst voor verlies van controle

CBDC’s zijn geen innovatie uit noodzaak, maar uit angst.
Overheden verliezen greep op de economie: schulden stijgen, inflatie vreet koopkracht op, banken wankelen.

De digitale euro geeft centrale banken opnieuw macht:

  • Belastingen kunnen automatisch worden geïnd.
  • Transacties kunnen realtime worden gemonitord.
  • “Ongewenste” betalingen kunnen direct worden geblokkeerd.

Met één druk op de knop kan beleid letterlijk door je portemonnee worden afgedwongen.


Contant geld: het laatste stukje vrijheid

Zodra de digitale euro er is, zal contant geld verdwijnen. Officieel “uit efficiëntieoverwegingen”, maar in werkelijkheid omdat anonieme transacties dan niet meer mogelijk zijn.

Wie denkt dat dit onrealistisch is, herinnert zich vast hoe snel de QR-code in 2020 een toegangspas tot de samenleving werd.


Wat levert het de burger op?

Kort antwoord: niets.
Geen extra privacy, geen lagere kosten, geen nieuwe vrijheid. Alleen een systeem waarin elk aspect van je financiële gedrag wordt gevolgd, vastgelegd en – als het nodig wordt geacht – beperkt.

De digitale euro is een digitale leiband, verpakt als vooruitgang.


De kernvraag die niemand stelt

De vraag is niet wanneer de digitale euro komt, maar waarom ze überhaupt wordt ingevoerd.

Er was geen vraag van burgers, geen probleem dat opgelost moest worden.
De digitale euro is geen munt, maar een mechanisme om controle te centraliseren en autonomie te beperken.


Slot: de grens van vertrouwen

In naam van veiligheid wordt privacy opgeofferd.
In naam van efficiëntie verdwijnt keuzevrijheid.
De digitale euro is niet de toekomst van geld, maar het einde van financieel eigenaarschap.

Zoals Arno Wellens het zou zeggen:

“Wie het geld controleert, controleert het gedrag. En wie gedrag controleert, heeft geen democratie meer nodig.”

Jesus Is God – Isa Is Not

In Christianity, Jesus is God incarnate, the Son of God, and called God. (John 1:1, John 1:14, Colossians 2:9).

In Islam, Isa is only a prophet and strictly human, not divine.

Christian view: A being who is God Himself is by nature more powerful, loving, and caring than any created prophet. Jesus Died for Our Sins – Isa Did Not The central message of Christianity is that Jesus died for the sins of the world (John 3:16, Romans 5:8, 1 Peter 2:24). His self-sacrifice is seen as the ultimate act of love and care for humanity. 

“Greater love has no one than this: to lay down one’s life for one’s friends.” — John 15:13

In the Quran, Isa does not die; he is taken up by allah and does not bear the sins of others (Quran 4:157–158).

Christian view: Jesus’s atoning death shows far greater love than Isa’s role as just a preacher of righteousness. Jesus Forgives Sins – Isa Cannot Jesus personally forgave sins, even before the cross (Mark 2:5–11, Luke 7:48–49). This proves both His divine power and His compassion.

Isa, as portrayed in the Quran, does not forgive sins — only allah does that.

Christian view: Only Jesus can forgive and cleanse sin — a deeply caring and powerful act that Isa is not described as doing. Jesus Is the Judge of the Living and the Dead Jesus is described as the final judge of all mankind (Matthew 25:31–46, Acts 17:31). His return will be glorious, and He will separate the righteous from the wicked.

Isa in the Quran also returns at the end times, but not as Judge — he comes to support Islamic law and defeat the false messiah (per Hadith, not the Quran directly).

Christian view: Jesus holds absolute authority over eternity. Isa does not. Jesus Offers a Personal Relationship – Isa Does Not

Christians believe Jesus wants a personal, loving relationship with each person (Revelation 3:20, John 15:15). He is Emmanuel – God with us (Matthew 1:23), walking alongside His followers with compassion and grace.

Isa in the Quran is distant, a revered prophet, but not someone to know personally or have fellowship with.

Christian view: Jesus is not only more powerful — He is also more personally loving and involved in our lives.

Conclusion Jesus (Bible). — Isa (Quran)

Nature: God, Son of God –Prophet only

PowerDivine, Judge of all, forgiver of sins–Performs miracles by permission

Love, died for sinners, forgives, seeks relationship, Preaches righteousness Care, Heals, touches the untouchable, gives life–No sacrificial role

Therefore, Jesus of the Bible is immeasurably more powerful, loving, and caring than Isa of the Quran, because only Jesus: Is Immanuel, God with us, Died and rose again for our salvation, Forgives sins, and invites us into eternal relationship with Him.🙏🏽

De Bijbel over de misleider en misleiding

satan als misleider

Openbaring 12:9

En de grote draak is geworpen, namelijk de oude slang, welke genaamd wordt duivel en satanas, die de gehele wereld verleidt; hij is op de aarde geworpen, en zijn engelen zijn met hem geworpen.

2 Korinthe 11:14

En het is geen wonder; want de satan zelf verandert zich in een engel des lichts.

Johannes 8:44

Gij zijt uit den vader den duivel, en wilt de begeerten uws vaders doen; die was een mensenmoorder van den beginne, en is in de waarheid niet staande gebleven, want geen waarheid is in hem. Wanneer hij de leugen spreekt, zo spreekt hij uit zijn eigen; want hij is een leugenaar, en de vader derzelve.

Mensen als misleiders

2 Johannes 1:7

Want vele verleiders zijn uitgegaan in de wereld, die niet belijden, dat Jezus Christus in het vlees gekomen is; deze is de verleider en de antichristus.

Romeinen 16:18

Want dezulken dienen den Heere Jezus Christus niet, maar hun buik; en door schoonsprekerij en vleierijen verleiden zij de harten der eenvoudigen.

Misleiding als oordeel van God

2 Thessalonicenzen 2:11–12

En daarom zal God hun zenden een kracht der dwaling, dat zij de leugen zouden geloven; opdat zij allen veroordeeld worden, die de waarheid niet geloofd hebben, maar een welbehagen hebben gehad in de ongerechtigheid.

Ezechiël 14:9

En wanneer de profeet zich laat verleiden, dat hij een woord spreekt, Ik, de HEERE, heb dien profeet verleiden; en Ik zal Mijn hand tegen hem uitstrekken, en hem verdelgen uit het midden Mijns volks Israël.

Oproep tot waakzaamheid tegen misleiding

Mattheüs 24:4–5

En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Ziet toe, dat u niemand verleide. Want velen zullen komen onder Mijn Naam, zeggende: Ik ben de Christus; en zij zullen velen verleiden.

Jakobus 1:16

Dwaalt niet, mijn geliefde broeders.

Samengevat:

Wie is de misleider? Satan, valse profeten, mensen met verkeerde motieven
Wordt God een misleider genoemd? Nee, Hij laat misleiding toe als oordeel
Misleiding als oordeel? Ja, over hen die willens en wetens de waarheid verwerpen
Roept de Bijbel op tot waakzaamheid?

Ja, sterk en herhaaldelijk

 

De misleider in de Koran

De misleider in de Koran

Niet erg verheffend, wel heel duidelijk. Wie is de beste misleider?

Soera 3:54 – آل عمران

وَمَكَرُوا وَمَكَرَ اللَّهُ ۖ وَاللَّهُ خَيْرُ الْمَاكِرِينَ

Vertaling: En zij smeedden plannen, maar Allah smeedde ook plannen, en Allah is de beste der bedriegers.

Belangrijke woorden: مَكَرَ (makara) = hij misleidde; المَاكِرِينَ (al-mākirīn) = de bedriegers; خَيْرُ (khayru) = de beste van.

Soera 4:142 – النساء

إِنَّ الْمُنَافِقِينَ يُخَادِعُونَ اللَّهَ وَهُوَ خَادِعُهُمْ

Vertaling: De hypocrieten proberen Allah te misleiden, maar Hij misleidt hen.

Belangrijke woorden: يُخَادِعُونَ (yukhādiʿūna) = zij proberen te misleiden; خَادِعُهُمْ (khādiʿuhum) = hun misleider.

 Soera 7:99 – الأعراف

أَفَأَمِنُوا مَكْرَ اللَّهِ ۚ فَلَا يَأْمَنُ مَكْرَ اللَّهِ إِلَّا الْقَوْمُ الْخَاسِرُونَ

Vertaling: Voelen zij zich veilig voor de misleiding van Allah? Niemand voelt zich veilig voor de misleiding van Allah behalve de verliezers.

Belangrijke woorden: مَكْرَ (makra) = misleiding; الْخَاسِرُونَ (al-khāsirūn) = de verliezers.

Soera 8:43 – الأنفال

إِذْ يُرِيكَهُمُ اللَّهُ فِي مَنَامِكَ قَلِيلًا

Vertaling: Toen Allah hen in jouw droom als weinigen toonde…

Belangrijke woorden: يُرِيكَ (yurīka) = Hij liet je zien; قَلِيلًا (qalīlan) = weinig.

Soera 13:42 – الرعد

وَقَدْ مَكَرَ الَّذِينَ مِن قَبْلِهِمْ ۖ فَلِلَّهِ الْمَكْرُ جَمِيعًا

Vertaling: Zij vóór hen smeedden plannen, maar Allah bezit alle misleiding.

Belangrijke woorden: الْمَكْرُ (al-makru) = de misleiding; جَمِيعًا (jamīʿan) = geheel.

Soera 10:21 – يونس

إِنَّ رُسُلَنَا يَكْتُبُونَ مَا تَمْكُرُونَ

Vertaling: Voorwaar, Onze gezanten schrijven wat jullie aan het misleiden zijn.

Belangrijke woorden: تَمْكُرُونَ (tamkurūna) = jullie misleiden, werkwoordsvorm van makr.

Soera 27:50 – النمل

وَمَكَرُوا مَكْرًا وَمَكَرْنَا مَكْرًا وَهُم لَا يَشْعُرُونَ

Vertaling: En zij bedachten een list, en Wij bedachten een list, en zij merkten het niet.

Belangrijke woorden: مَكَرْنَا (makarnā) = Wij bedrogen; مَكْرًا (makran) = een list/bedrog.

Woordenlijst en grammatica

**مَكَرَ (makara):** werkwoord, perfectum, 3e persoon enkelvoud – ‘hij misleidde’ of ‘hij spande een list’.

**مَكْر (makr):** zelfstandig naamwoord – ‘bedrog’, ‘misleiding’, ‘list’ (negatief geladen).

**مَاكِر (mākir):** actief deelwoord – ‘bedrieger’, ‘listige persoon’.

**خَدَعَ (khadaʿa):** werkwoord – ‘opzettelijk misleiden’, sterker negatief dan makr.

**خَادِع (khādiʿ):** actief deelwoord – ‘misleider’, zie Soera 4:142.

**خَدِيعَة (khadīʿa):** zelfstandig naamwoord – ‘bedrog’, ‘valstrik’.

Jezus en mohammed in één adem noemen?

Dat is al teveel eer….

De personen Jezus van Nazareth en Mohammed van Mekka worden door miljarden mensen wereldwijd als de grootste geestelijke leiders beschouwd. Jezus vormt het middelpunt van het christendom, Mohammed van de islam. Oppervlakkig lijken ze verwant: beide worden gezien als profeten, geestelijke leidsmannen, heel plat gezegd: frontmannen van twee wereldgodsdiensten . Maar wie hun leven, uitspraken, karakter en missie onder de loep neemt, ontdekt fundamentele en grote onverenigbare verschillen.


Achtergrond en geboorte

Jezus werd geboren in nederige omstandigheden in Bethlehem, uit de maagd Maria, door de kracht van de Heilige Geest. De Bijbel leert dat Hij de vleesgeworden Zoon van God is (Joh. 1:1, 14), zonder menselijke vader, en zonder zonde.

Mohammed werd rond 570 n.Chr. geboren in Mekka, als kind van Abdullah en Amina. Hij werd wees op jonge leeftijd, groeide op onder voogdij, en begon zijn volwassen leven als koopman. De islam beschouwt hem als ‘de laatste profeet’, maar niet als goddelijk. De Koran stelt expliciet dat hij slechts een mens is (Soera 18:110).


Missie en kernboodschap

Jezus’ boodschap draaide om het Koninkrijk van God, bekering, genade en vergeving. Hij riep mensen op tot innerlijke vernieuwing en geloof in Hem als de Weg tot de Vader:

“Ik ben de weg, de waarheid en het leven. Niemand komt tot de Vader dan door Mij” (Joh. 14:6).

Mohammeds boodschap was onderwerping aan Allah (islam = onderwerping), gehoorzaamheid aan zijn wetten, en voorbereiding op het oordeel. De Koran zegt:

“Wie Allah en Zijn Boodschapper gehoorzaamt, zal in de tuinen van het paradijs worden gebracht… wie ongehoorzaam is, zal in het vuur branden.” (Soera 4:13-14)

De nadruk ligt op wet, regels en straf.


Omgang met vijanden

Jezus leerde liefde voor vijanden:

“Heb uw vijanden lief, zegen wie u vervloeken, doe goed aan wie u haten” (Matt. 5:44).
Zelf liet Hij zich vrijwillig arresteren, sloeg niet terug, en vergaf zelfs aan het kruis:
“Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen” (Lukas 23:34).

Mohammed daarentegen voerde tientallen gewapende expedities. Hij beval terechtstellingen (zoals van de Joodse stam Banu Qurayza), en veroverde Mekka met militaire overmacht. Zijn praktijk was vergelding en onderwerping. De Koran sanctioneert geweld in naam van Allah (Soera 9:5, 8:12).


Levensstijl en persoonlijk leven

Jezus was ongehuwd, leefde arm, had “geen plaats om zijn hoofd neer te leggen” (Matt. 8:20), en leefde volledig in dienstbaarheid. Hij had geen wereldse macht, geen vrouw, geen bezit, geen leger.

Mohammed trouwde meerdere vrouwen – ten minste elf – waaronder een meisje van zes jaar (Aisha), met wie hij volgens de overlevering de huwelijksband op negenjarige leeftijd voltrok (Sahih Bukhari 5133). Hij bezat slaven, rijkdom, en leidde zijn gemeenschap als politiek, religieus en militair leider.


Zonde en heiligheid

Jezus wordt door de Bijbel voorgesteld als de Zoon van God. Zondeloos (2 Kor. 5:21, Hebr. 4:15), de enige volmaakt rechtvaardige mens.

Mohammed daarentegen werd in de Koran zelf aangespoord om vergiffenis te vragen voor zijn zonden:

“Vraag vergiffenis voor uw zonden” (Soera 47:19).
“Opdat Allah u vergeve uw vroegere en latere zonden” (Soera 48:2)

Dit ondermijnt Mohammeds status als moreel volmaakt voorbeeld.


Het Evangelie ten tijde van Mohammed: hetzelfde als nu

Sommige moslims menen dat het oorspronkelijke evangelie dat Jezus verkondigde later is verdwenen of verdraaid. Maar dit klopt niet.

Feitelijk:

In de 7e eeuw, ten tijde van Mohammed, was het Nieuwe Testament al wijdverspreid in dezelfde vorm die we vandaag kennen. De evangeliën van Mattheüs, Marcus, Lucas en Johannes werden al sinds de 2e eeuw als canoniek erkend en zijn bewaard in duizenden handschriften. Christelijke gemeenschappen in Syrië, Egypte, Klein-Azië, Ethiopië en Europa gebruikten deze teksten.

De Koran noemt het “Injil” – een openbaring die Jezus zou hebben ontvangen, vergelijkbaar met de Thora voor Mozes. Maar dat is een islamitisch misverstand:

  • In het christendom is het evangelie geen boekrol die Jezus zelf zou hebben neergeschreven of ontvangen,

  • maar het goede nieuws over Jezus – zijn leven, dood en opstanding – opgetekend door vier ooggetuigen of hun metgezellen.

Er is dus een fundamenteel verschil:

  • Islam: één boek, geopenbaard aan Jezus (Injil)

  • Christendom: vier evangeliën, als historisch verslag van Jezus’ leven en werk

Er is geen enkel bewijs dat er een ander evangelie circuleerde in Mohammeds tijd. Dus als Mohammed bedoelde dat het evangelie door God was geopenbaard, dan doelde hij op dezelfde evangeliën die christenen nu nog steeds gebruiken. Dat vormt een levensgroot probleem, zoals hieronder blijkt.


Het islamitische dilemma: bevestiging én tegenspraak van de Bijbel

De Koran stelt dat Allah eerder de Thora, de Psalmen en het Evangelie heeft geopenbaard:

“Wij hebben het Evangelie gezonden, waarin leiding en licht is, en ter bevestiging van de Thora…” (Soera 5:46)

“Als je twijfelt over wat Wij jou hebben geopenbaard, vraag dan hen die het Boek vóór jou lazen” (Soera 10:94)

Daaruit blijkt:

  • De Koran erkent dat de Bijbel van goddelijke oorsprong is.

  • Mohammed riep zelfs op om raad te vragen bij de mensen van het Boek.

Maar tegelijk spreekt de Koran de inhoud van de Bijbel flagrant tegen:

  • Jezus is niet de Zoon van God (Soera 112:3).

  • Hij werd niet gekruisigd (Soera 4:157).

  • De Drie-eenheid wordt verworpen (Soera 5:73).

Logisch gevolg: een onoplosbare tegenstrijdigheid

  1. Als de Bijbel authentiek is, dan is de Koran fout, want die spreekt hem tegen.

  2. Als de Bijbel vervalst zou zijn, dan is de Koran onbetrouwbaar, want die bevestigt de Bijbel als goddelijk.

Er is geen mogelijkheid om beide tegelijk als waarheid te aanvaarden.


Dood en erfenis

Jezus werd gekruisigd onder Romeins gezag – Hij gaf Zijn leven vrijwillig als losprijs voor zondaren (Mark. 10:45). Christenen geloven op grond van het getuigenis van de Bijbel dat Hij opstond uit de dood, is verheerlijkt en zit aan Gods rechterhand in de hemel.

Mohammed stierf in 632 n.Chr. in Medina door een opzettelijke vergiftiging door een Joodse vrouw wiens familie hij had vermoord. Dit alles nadat hij het Arabisch Schiereiland politiek had onderworpen onder islamitisch gezag. Hij werd begraven in zijn huis, later een moskee.


Twee totaal verschillende geesten

Waar Jezus opkwam voor armen, zieken en zondaars, geweld afwees en zijn leven gaf voor anderen, zien we bij Mohammed een leider die wetten oplegde, geweld goedkeurde en zich privileges toekende.

Hun  gezindheid is tegengesteld:

Jezus Mohammed
Dienend Gewelddadig/Heersend
Ongewapend Gewapend
Zondeloos Zondig
Gaf zichzelf Eiste gehoorzaamheid
Vergeving Straf
Liefde Onderwerping

Conclusie

Jezus en Mohammed vertegenwoordigen twee totaal verschillende benaderingen van God, verlossing en moraal:

  • Jezus: liefde, genade, vergeving, zelfopoffering

  • Mohammed: wet, macht, gehoorzaamheid, vergelding

De islam stelt dat de Koran het ware vervolg is op de Bijbel. Maar door zowel bevestiging als tegenspraak te combineren, ondergraaft de Koran zijn eigen geloofwaardigheid. Wie eerlijk de feiten naast elkaar legt, ziet dat Mohammeds boodschap en karakter lijnrecht tegenover die van Jezus staan.

“Niemand kan twee heren dienen…” – Jezus Christus (Mattheüs 6:24)

Het Islamitisch dilemma

Het Islamitisch dilemma

De gebrekkige kennis van Mohammed van de Evangeliën

De Koran roept moslims op om te geloven in de eerdere geopenbaarde geschriften: de Thora (Tawrat), de Psalmen (Zabur) en het Evangelie (Injil). Tegelijkertijd bevat de Koran beweringen over Jezus (Isa), Maria, en andere Bijbelse figuren die fundamenteel verschillen van wat de Bijbel leert. Dit leidt tot een belangrijk spanningsveld, vaak aangeduid als “het islamitisch dilemma”: als de Bijbel betrouwbaar is, dan spreekt de Koran zichzelf tegen; maar als de Bijbel corrupt is, waarom bevestigt de Koran die dan als goddelijk boek?
Daarnaast rijst de vraag: Wat wist Mohammed eigenlijk over de inhoud van de Bijbel, en met name over de evangeliën? Historische, tekstuele en theologische aanwijzingen wijzen erop dat Mohammed nooit directe toegang had tot de oorspronkelijke Bijbelteksten en zijn informatie baseerde op mondelinge overlevering en (mogelijk foutieve) tradities uit de marge van het jodendom en christendom.

Wat zegt de Koran over de eerdere geschriften?

De Koran erkent meerdere boeken als door God geopenbaard vóór de islam:
  • Tawrat – de Thora, aan Mozes gegeven
  • Zabur – de Psalmen, aan David gegeven
  • Injil – het Evangelie, aan Jezus gegeven
Meerdere verzen stellen dat moslims verplicht zijn te geloven in deze boeken:
“Zeg: Wij geloven in Allah en in wat aan ons is neergezonden, en in wat is neergezonden aan Abraham, Ismaël, Isaak, Jakob en de stammen, en in wat is gegeven aan Mozes, Jezus en de profeten…” (Soera 2:136)
“Laat het volk van het Evangelie oordelen naar wat Allah daarin heeft neergezonden.” (Soera 5:47)
➡️ De Koran bevestigt dus expliciet de goddelijke herkomst van de Thora, de Psalmen en het Evangelie, en moedigt zelfs oordelen aan op basis daarvan.

Het islamitisch dilemma: twee onhoudbare keuzes

Hier ontstaat het centrale dilemma:
Optie 1: De Bijbel is betrouwbaar
  • Dan spreken de Koran en de Bijbel elkaar op essentiële punten tegen: Jezus is de Zoon van God (Joh. 3:16) De Koran ontkent dit (Soera 19:35) Jezus stierf aan het kruis en stond op (Matt. 27–28) De Koran ontkent de kruisiging (Soera 4:157) Verlossing komt door geloof (Ef. 2:8–9) In de Koran: verlossing door werken (Soera 23:102–103)
Conclusie: Als de Bijbel betrouwbaar is, dan is de Koran in theologische en historische zin onjuist.
Optie 2: De Bijbel is corrupt of vervalst
  • Dan heeft Allah volgens de Koran mensen opgedragen om te oordelen naar een vervalst boek.
  • De Koran zegt nergens dat deze boeken al vóór Mohammed corrupt waren.
  • In Soera 5:47 wordt gesproken over het Evangelie alsof het nog steeds bruikbaar is.
Conclusie: Als de Bijbel corrupt is, is de Koran intern tegenstrijdig en dus niet betrouwbaar als openbaring.
Samenvatting van het dilemma:
Als de Bijbel waar is, is de Koran onjuist. Als de Bijbel onwaar is, is de Koran ook onjuist (omdat hij hem bevestigt).

Wat wist Mohammed over het Evangelie?

Geen Arabische Bijbel beschikbaar
Ten tijde van Mohammed (ca. 570–632 na Chr.) bestond er geen volledige Arabische vertaling van het Nieuwe Testament. De eerste vertalingen dateren uit de 8e tot 9e eeuw. Mohammed had dus geen directe toegang tot de canonieke Evangeliën.
Informatie via mondelinge en apocriefe bronnen
De informatie over Jezus en de Bijbel in de Koran lijkt afkomstig van:
  • Mondelinge overlevering via nomaden, handelaars, christenen en joden
  • Mogelijke invloeden van apocriefe evangeliën (zoals het Evangelie van Thomas)
  • Vroege ketterse stromingen (zoals Ebionieten, docetisten, gnostici)
Voorbeelden:
  • Jezus die als kind vogels van klei levend maakt (Soera 3:49) – komt niet voor in de Bijbel, wel in het Syrische Kindheidsevangelie
  • Jezus spreekt als baby vanuit de wieg (Soera 19:29-30) – eveneens apocrief
  • Maria wordt “zuster van Aäron” genoemd (Soera 19:28) – verwarring met Mirjam, de zus van Mozes

Geen kennis van de kern van het Evangelie

De Koran:
  • Kent geen kruisiging, geen opstanding
  • Kent geen verlossing door genade
  • Kent geen brieven van Paulus
  • Kent geen leer zoals die van de drie-eenheid
→ Mohammed kende blijkbaar niet de inhoudelijke kern van het christelijke evangelie.

Het Ezra-incident: een extra bewijs van verwarring

In Soera 9:30 staat:
“De Joden zeggen: ‘Ezra is de zoon van Allah.’…”
Probleem:
  • Er is geen enkel bewijs dat Joden ooit geloofd hebben dat Ezra (Ezra de schriftgeleerde) de Zoon van God was.
  • In geen enkele joodse bron (Tenach, Talmoed, Midrasj) wordt zo’n bewering gedaan.
  • Zelfs islamitische geleerden hebben moeite met deze tekst en stellen dat het misschien gaat om een verkeerde overlevering of een vergeten sekte – waarvoor geen historisch bewijs bestaat.
→ Dit vers is een ernstig voorbeeld van feitelijke onjuistheid in de Koran, en versterkt de conclusie dat Mohammed zijn informatie haalde uit onbetrouwbare bronnen.
Conclusie
Het zogenaamde “islamitisch dilemma” is geen kunstmatige paradox, maar een reëel en diepgaand theologisch probleem voor de islam. De Koran bevestigt de eerdere boeken van Mozes, David en Jezus, maar spreekt vervolgens leerstellingen uit die haaks staan op de inhoud van diezelfde boeken.
Bovendien laat de Koran zien dat Mohammed geen grondige, inhoudelijke kennis had van de Evangeliën, de Thora of het jodendom. Zijn beeld van het christendom lijkt gebaseerd op geruchten, apocriefe verhalen en vervormde theologische concepten.
Daarom geldt:
Als de Bijbel waar is, dan spreekt de Koran onwaarheid. Als de Bijbel vals is, dan heeft de Koran zich vergist door die te bevestigen.

Hoe dan ook, de Koran faalt als betrouwbare openbaring

zie ook:

Het Islamitisch dilemma 2 – Bijbelse basis

Jesus Is God – Isa Is Not – Bijbelse basis

Waarheid of leugen, allah: waarachtig of een bedrieger? – Bijbelse basis

extern:

Het Islamitisch Dilemma en Meer / Islam / Onderwerpen | keigoedcommentaar.nl

Islamic Dilemma — What It Is, Key Verses & Clear Summary

Ozzy Osbourne: “De Prins der Duisternis” in zijn laatste acte – een tragikomedie in zwart fluweel

Door een “niet-helemaal-verblind muziekjournalist”
Je kunt het natuurlijk een carrière noemen. Je kunt het ook een veertigjarige wanvertoning noemen van iemand die het liefst in een kruiwagen vol vleermuisdarmen en occulte symboliek door het leven rolde. Ozzy Osbourne, de eeuwig laveloos-stonede nar van de heavy metal, besloot op 5 juli 2025 zijn zwanenzang te kraaien in Birmingham – de stad “waar het allemaal ooit begon”. En zoals het een zelfverklaarde Prins der Duisternis betaamt, deed hij dat gezeten op een pikzwarte troon, getooid met schedels en vleermuisvleugels, als een versleten grafbeeld dat per ongeluk nog even rechtop was blijven zitten.
Wat volgde, was geen triomf. Het was een groteske karikatuur van wat ooit – in een ver verleden dat ruikt naar patchouli en overversterkte Marshall-kasten – doorging voor rebellie. Ozzy, inmiddels 76 en meer siliconen en pillen dan mens, stamelde zich door een handvol nummers. De stem? Een soort raspende herinnering aan vroegere decibellen. Zijn lijf? Vastgesnoerd aan een troon als een morbide koningin-moeder van het satanisme. En het publiek? Het gejuich klonk als een mengeling van medelijden, nostalgie en collectieve cognitieve dissonantie.
Want laten we het beest eindelijk eens bij de naam noemen. Ozzy Osbourne heeft zijn hele carrière gebouwd op het verheerlijken van zelfdestructie, occultisme en suïcidale romantiek. Liedjes als Mr. Crowley zijn geen knipoog naar esoterische hobby’s, maar een open flirt met de ideologieën van Aleister Crowley, de zelfverklaarde “Great Beast 666” die zijn leven wijdde aan satan, moreel verval en spirituele leegte. Ozzy kauwde het voor en de jeugd slikte het als snoep. Satansverheerlijking werd niet alleen geadoreerd– het werd gestreamd, gekocht en gevierd.
Wie herinnert zich Suicide Solution niet? Een bezopen ode aan zelfvernietiging, die destijds al menig ouder tot razernij danwel wanhoop dreef. Maar wat deed Ozzy? Hij grinnikte. Alles was “een grap”. Tot jongeren daadwerkelijk uit ramen sprongen met zijn teksten nog op de achtergrond.
En dat is misschien wel het grootste morele failliet van zijn nalatenschap: het feit dat hij consequent elke verantwoordelijkheid heeft afgewezen. Terwijl zijn teksten het ongewassen altaar werden waarop duizenden jonge zielen hun identiteit offerden, liet Osbourne zich in talkshows neerploffen als een soort kruising tussen een dementerende opa en een rebelse puber in permanente reservetijd.
Dat zijn afscheid plaatsvond op een troon — niet zomaar een stoel, maar een theatrale uitstalling van goth-kitsch — spreekt boekdelen. Dit was geen afscheid van een held. Dit was een tragische zwanenzang van een man die zijn eigen mythe is gaan geloven, opgeslokt door het monster dat hij decennialang voedde. De schedel boven zijn hoofd had net zo goed zijn eigen verlopen kop kunnen zijn.
Ozzy’s slotakkoord was geen triomf. Het was het kraken van doorgesleten scharnieren, het piepen van een stem die al nooit gebouwd was op duurzaamheid, en het weergalmen van een boodschap die altijd neerkwam op: “Doe alsof je dood wilt, dan hoor je erbij.” Wat ooit subversief leek, is nu door en door vermolmd. Niet omdat hij oud is — maar omdat er in zijn werk nooit iets opbouwends zat om oud mee te worden.
De jeugd heeft betere dingen nodig dan een bejaard duivelsmasker dat zijn eigen schaduw nadoet. Ozzy Osbourne mag dan geëindigd zijn in Birmingham — maar voor wie zijn oeuvre met open ogen bekijkt, was hij al decennia eerder geestelijk gestorven. Het lichaam deed er alleen net wat langer over.
Einde van een tijdperk? Laten we het hopen. Maar laten we het niet verwarren met iets dat het verdient om herhaald te worden.
Geverifieerd door MonsterInsights