Christenen voor Israël? Pas op met DIT…

Christenen voor Israël? Pas op met DIT…

Video van Jos, van evangeliseer.nl die hiermee niet de gelijknamige Stichting bedoelt. Hij snijdt een gevoelig en gewaagd onderwerp aan.

Kan steun aan Israël kan verkeerd uitpakken? Vergeten we waartoe wij geroepen zijn? Moet Israël zalig worden? En wat heeft vervangingstheologie hiermee te maken? Luister mee!

YouTube player

Waren gelovigen uit de volken ooit onder de wet? (2)

Waren gelovigen uit de volken ooit onder de wet? (2)

Waarom sabbatisme en judaïsering het evangelie ondergraven

Korte samenvatting van mijn vorige blog hierover

Veel Christenen denken dat alle mensen vóór hun bekering “onder de wet” waren en daar door Christus van zijn bevrijd. Dat klinkt logisch, maar het is onbijbels.
De wet van Mozes werd niet aan alle mensen gegeven, maar aan één volk: Israël. Wie dat onderscheid negeert, raakt onvermijdelijk verstrikt in sabbatisme, judaïsering of een ‘werk evangelie’

Dit blog laat zien waarom gelovigen uit de volken nooit onder de wet stonden, waarom zij er dus ook niet van bevrijd hoefden te worden, en waarom het opnieuw opleggen van de wet , op welke manier ook, met welke goed bedoelingen dat ook mag zijn, vandaag geen verdieping is, maar achteruitgang.

 

De wet van Mozes was nooit universeel

De Bijbel laat hier geen ruimte voor twijfel.

“Hij maakt Jakob Zijn woorden bekend,
Israël Zijn inzettingen en Zijn rechten.
Alzo heeft Hij geen volk gedaan;
en Zijn rechten, die kennen zij niet.”
(Psalm 147:19–20)

De wet hoorde bij het Sinaïtische verbond. Dat verbond werd gesloten met Israël, niet met “de mensheid”. De volken stonden daar buiten. Wie doet alsof de wet altijd voor iedereen gold, schrijft iets in de Schrift wat er eenvoudig niet staat.

Heidenen stonden niet onder de wet, zegt Paulus

Paulus is opvallend precies:

“Wanneer de heidenen, die de wet niet hebben…”
(Romeinen 2:14)

Niet: die de wet overtreden hebben.
Maar: die de wet niet hebben.

Heidenen droegen geen Sinaï-verantwoordelijkheid. Zij stonden niet onder de verbondsvloek, noch onder de verbondszegen van de wet. Hun probleem was zonde — niet wetsbreuk.

 Daarom, gelijk door één mens (Adam) de zonde in de wereld ingekomen is, en door de zonde de dood, en alzo de dood tot alle mensen doorgegaan is, in welken allen gezondigd hebben. (Romeinen 5:12)

“Wij waren onder de wet” — wie is “wij”?

In Galaten 3 lezen we:

“Maar eer het geloof kwam, waren wij onder de wet in bewaring gesteld.”
(Galaten 3:23)

Dit wij wordt vaak achteloos toegepast op alle mensen. Maar Paulus spreekt hier als Jood, namens Israël. Alleen Israël stond onder de wet.

Dat blijkt duidelijk uit Galaten 4:

“God heeft Zijn Zoon gezonden, geworden onder de wet,
opdat Hij degenen, die onder de wet waren, verlossen zou.”
(Galaten 4:4–5)

Christus kwam onder de wet, omdat Hij Israël kwam verlossen. Als de volken ook onder de wet hadden gestaan, is deze tekst inhoudsloos.

Heidenen werden niet “vrijgemaakt van de wet”

Dit is een belangrijk detail dat vaak wordt gemist.

Heidenen hadden geen wet van Mozes om van bevrijd te worden. Paulus beschrijft hun toestand vóór Christus zo:

“Dat gij te dien tijde waart zonder Christus,
vervreemd van het burgerschap Israëls,
en vreemdelingen van de verbonden der belofte.”
(Efeze 2:12)

Hun probleem was niet: onder de wet zijn.
Hun probleem was: in Adam veroordeeld, buiten Christus zijn.

Daarom spreekt Paulus bij heidenen niet over “losmaking van de wet”, maar over:

  • nabijgebracht worden,
  • mede-erfgenamen worden,
  • ingelijfd worden in Christus.

De wet blijft heilig, maar niet als leefregel voor de gemeente

Dat heidenen nooit onder de wet stonden, betekent niet dat Gods morele wil verdwenen is. Het betekent wel dat de wet van Mozes niet de leefregel van de gemeente is.

Christenen:

  • staan niet onder Mozes,
  • maar zijn ook niet wetteloos,
  • zij staan onder de wet van Christus.

“Niet zonder de wet Gods, maar onder de wet van Christus.”
(1 Korinthe 9:21)

Die wet werkt niet door oplegging, maar door inwoning:

“Opdat het recht der wet vervuld zou worden in ons,
die niet naar het vlees wandelen, maar naar den Geest.”
(Romeinen 8:4)

Sabbatisme: oude verbondseisen voor nieuwe-verbondsmensen

De sabbat was het uitdrukkelijke teken van het oude verbond:

“Het is een teken tussen Mij en de kinderen Israëls.
(Exodus 31:16–17)

Niet tussen God en de gemeente.
Niet tussen God en de volken.

Wie de sabbat verplicht stelt voor christenen:

  • verwart Israël en de gemeente,
  • negeert Kolossenzen 2:16,
  • en legt een juk op dat Christus niet oplegt.

Dat is geen “diepere gehoorzaamheid”, maar verbondsverwarring.

Judaïsering: klinkt geestelijk, uitwerking funest

De eerste grote crisis in de gemeente ging hierover:
moeten heiden-christenen onder de wet van Mozes gebracht worden?

Petrus noemt dat een verzoeking van God:

“Waarom verzoekt gij God, een juk op den hals der discipelen te leggen,
hetwelk noch onze vaderen noch wij hebben kunnen dragen?”
(Handelingen 15:10)

Dat juk was niet zonde, maar de wet als leefregel.

Paulus is nog scherper:

“Gij zijt van Christus vervreemd,
die door de wet gerechtvaardigd wilt worden;
gij zijt uit de genade gevallen.”
(Galaten 5:4)

Samengevat

Gelovigen uit de volken waren nooit onder de wet van Mozes.
Zij hoefden daar dus ook niet van bevrijd te worden.

De wet werd aan Israël gegeven.
Christus vervulde die wet.
En in Hem leven de gelovigen uit genade, niet uit wet.

Wie dit onderscheid negeert, belandt óf in wetticisme, óf in wetteloosheid.
Wie het vasthoudt, bewaart zowel de heligheid van de wet als de kracht van het evangelie.

Veelgestelde vragen

Maar gelden de Tien Geboden dan niet meer? De inhoud wordt in het Nieuwe Testament herhaald, maar niet als Sinaï-verbondseis. Christenen leven onder de wet van Christus ,onder het nieuwe Verbond, niet onder het oude.

Is de sabbat dan afgeschaft? De sabbat was een teken van het oude verbond met Israël. Het Nieuwe Testament legt de sabbat nergens op aan de gemeente.

Betekent dit dat christenen vrij zijn om te zondigen? Integendeel. Wie door de Geest leeft, vervult juist het recht van de wet (Romeinen 8:4).

Waarom is dit onderscheid zo belangrijk? Omdat het evangelie anders wordt vermengd met wet, en dan krachteloos wordt gemaakt.

 

De mythe rond Israël: wat het dominante narratief weglaat

De mythe rond Israël: wat het dominante narratief weglaat

YouTube player

In het publieke debat over Israël overheerst vaak één vast verhaal: dat de Joden na de Holocaust een stuk land kregen dat eigenlijk van anderen was, en dat het huidige conflict daar zijn oorsprong vindt. Volgens Melanie Phillips is dit narratief echter historisch en juridisch onjuist. In een uitvoerig interview zet zij uiteen waarom dit beeld volgens haar niet klopt.

Israël als historisch nationaal thuisland

Phillips benadrukt dat het Joodse volk het enige volk is dat ooit een onafhankelijke nationale staat heeft gehad in het land Israël, eeuwen vóór de opkomst van de islam. De Joden vormden daar een volk met eigen wetten, bestuur en verdediging. Volgens haar maakt dit Israël uniek: andere beschavingen hebben het gebied wel bezet, maar geen duurzame nationale soevereiniteit gevestigd zoals de Joden dat deden.

Belangrijk daarbij is dat de Joden het land nooit volledig hebben verlaten. Door de eeuwen heen bleef er een Joodse aanwezigheid bestaan, zelfs onder Romeinse, islamitische en Ottomaanse overheersing. Vanaf het midden van de negentiende eeuw was er volgens Phillips zelfs weer een Joodse meerderheid in Jeruzalem.

Het Mandaat en internationaal recht

Na de Eerste Wereldoorlog werd het Midden-Oosten heringericht. De voorloper van de Verenigde Naties, de Volkenbond, kende Groot-Brittannië het Mandaat over Palestina toe. Dit Mandaat bevatte volgens Phillips een bindende internationale verplichting: het mogelijk maken van de terugkeer van het Joodse volk naar zijn nationale thuisland.

Een groot deel van dit Mandaatgebied werd al snel afgesplitst en toegewezen aan Arabisch bestuur (Transjordanië, het huidige Jordanië). Wat overbleef was het gebied van het huidige Israël, de Westelijke Jordaanoever en Gaza. Deze Mandaatverplichtingen zijn volgens Phillips nooit formeel ingetrokken en werden overgenomen door de Verenigde Naties.

Afwijzing en conflict

Volgens Phillips hebben Joodse leiders herhaaldelijk ingestemd met voorstellen voor territoriale deling en een tweestatenoplossing. Arabische leiders zouden deze voorstellen telkens hebben afgewezen, gevolgd door geweld en oorlog. De Israëlische Onafhankelijkheidsoorlog ziet zij in dat licht als een defensieve strijd om overleving.

Zij stelt bovendien dat het Arabische verzet niet primair nationaal, maar grotendeels religieus gemotiveerd was, en dat dit al vroeg gepaard ging met geweld tegen Joodse gemeenschappen.

De Palestijnse identiteit

Een controversieel punt in haar betoog is de stelling dat er vóór de jaren zestig geen afzonderlijke Palestijnse nationale identiteit bestond. De Arabische bevolking in het gebied zag zichzelf volgens haar vooral als onderdeel van Syrië of als lokale Arabische stammen. De term “Palestijn” werd in het Mandaat juist veelal gebruikt voor Joden.

Media, moraal en dubbele standaarden

Phillips verbindt het historische debat met haar persoonlijke ervaring als journaliste. Zij beschrijft hoe Israël structureel strenger en emotioneler wordt beoordeeld dan andere landen, zelfs wanneer die grootschaliger geweld gebruiken. Dit verschil in behandeling ziet zij als een morele dubbele standaard, die volgens haar uiteindelijk samenhangt met antisemitisme.

Emotie boven waarheid

Tot slot stelt Phillips dat in het huidige debat feiten steeds vaker worden vervangen door gevoelens. Begrippen als “genocide” worden volgens haar gebruikt los van hun oorspronkelijke betekenis. Waarheid wordt ondergeschikt gemaakt aan emotionele beleving, met grote gevolgen voor hoe Israël wereldwijd wordt waargenomen.

Samengevat

De kern van Phillips’ betoog is dat het Israëlisch-Palestijnse conflict niet begrepen kan worden zolang het dominante narratief onkritisch wordt overgenomen. Volgens haar draait het conflict uiteindelijk om de weigering om Joodse nationale legitimiteit te erkennen — historisch, juridisch en moreel.

“Koning Jezus” (vervolg)

“Koning Jezus” (vervolg)

Waarom de gemeente geen koninkrijk is en geen bruid

De uitdrukking “Koning Jezus” klinkt vroom en bijbels. Toch gaat het hier vaak mis. Niet omdat de titel Koning onjuist zou zijn, maar omdat men die op de verkeerde relatie toepast.

De Bijbel maakt namelijk een scherp onderscheid tussen:

  • Israël
  • de gemeente
  • en de verschillende relaties die Jezus Christus tot beiden heeft.

Wie dat onderscheid loslaat, raakt vroeg of laat verstrikt in verwarring.

 

koning Jezus

Jezus is Koning — maar waarvan?

De Schrift is helder: Jezus is Koning.
Maar nooit wordt Hij Koning genoemd van de gemeente.

Bijbelse werkelijkheid:

  • Hij is Koning van Israël
  • erfgenaam van de troon van David
  • Koning van het toekomstige aardse koninkrijk

Dat koningschap is:

  • door Israël verworpen
  • daardoor uitgesteld
  • en zal pas openbaar worden bij Zijn wederkomst

“Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld.” (Johannes 18:36)

Dat betekent niet dat het Koninkrijk geestelijk is,
maar dat het nu nog niet gevestigd is.

De gemeente staat niet onder een Koning

De gemeente wordt in het Nieuwe Testament nooit voorgesteld als een volk met een koning en onderdanen.

Integendeel.

De Bijbel zegt consequent:

  • Christus is het Hoofd
  • de gemeente is het lichaam

“Hij is het Hoofd van het lichaam, namelijk van de gemeente.” (Kolossenzen 1:18)

Een hoofd:

  • regeert geen onderdanen
  • maar stuurt een lichaam aan
  • in een levende, organische eenheid

Dat is geen koninklijke, maar een lichamelijke relatie.

De gemeente is óók geen bruid

Nog zo’n hardnekkig misverstand:
“De gemeente is de bruid van Christus.”

Dat klinkt vertrouwd, maar is bijbels onjuist.

Waarom?

De bruid/vrouw-taal in de Bijbel is verbondstaal — en die hoort exclusief bij Israël.

Israël:

  • ging een huwelijksverbond aan (Sinaï)
  • werd ontrouw (overspel)
  • werd verstoten
  • zal hersteld worden
  • en zal als bruid terugkeren

De gemeente:

  • heeft geen huwelijksverbond
  • geen overspelgeschiedenis
  • geen echtscheiding
  • geen profetisch herstel als vrouw

Daarom kan de gemeente niet de bruid zijn.

Openbaring 21 bevestigt dit:
de bruid wordt geïdentificeerd met het nieuwe Jeruzalem, verbonden aan Israël — niet met de gemeente als lichaam.

Wat is de gemeente dan wél?

De Schrift gebruikt voor de gemeente andere beelden:

  • Lichaam
  • Huisgezin
  • Tempel
  • Kinderen van God

“Zo zijt gij dan … huisgenoten van God.” (Efeze 2:19)

Dat is een familierelatie, geen koninklijke hiërarchie.

Wij zijn:

  • geen onderdanen
  • maar kinderen
  • geen volk onder een koning
  • maar leden onder een Hoofd

Waarom dit onderscheid essentieel is

Zodra men zegt:

  • “Jezus is Koning van de gemeente”
  • of “de gemeente is de bruid”

ontstaat onvermijdelijk:

  • vermenging van Israël en gemeente
  • koninkrijkstheologie
  • het idee dat wij (nu) een koninkrijk moeten bouwen
  • verlies van bijbels perspectief op profetie

Wat begint als taalgebruik, eindigt als afwijkende leer

Samenvattend

De Bijbel is helder, mits we haar laten spreken:

  • ✔️ Jezus is Koning
  • ✔️ Hij is Koning van Israël
  • ❌ Hij is geen Koning van de gemeente
  • ✔️ De gemeente is Zijn lichaam
  • ❌ De gemeente is geen bruid
  • ✔️ De bruid is Israël

Niet alles wat vroom klinkt, is Bijbels.
Maar alles wat Bijbels is, verdraagt helder onderscheid en bestudering.

De toekomstige en zekere bekering van Israël, – geen automatisme

De toekomstige en zekere bekering van Israël, – geen automatisme

De vraag naar de bekering van Israël roept al snel sterke emoties en stellige uitspraken op. Sommigen menen dat alle Joden uiteindelijk vanzelf behouden worden; anderen concluderen dat Israël definitief heeft afgedaan. De Bijbel zelf kiest echter geen van beide uitersten. Zij spreekt nauwkeurig, consequent en vooral Schrift-met-Schrift.

Wie Romeinen 9–11 leest, ontdekt dat Paulus geen politiek of nationalistisch betoog houdt, maar een onderwijzing van Gods handelen in de geschiedenis.

Geen automatische behoudenis

De Bijbel leert nergens dat behoudenis collectief of vanzelfsprekend is. Ook niet voor Israël. Integendeel: steeds weer wordt gesproken over een overblijfsel.

“Al ware het getal der kinderen Israëls gelijk het zand der zee, zo zal het overblijfsel behouden worden.”
(Romeinen 9:27)

Dit woord overblijfsel is geen randbegrip, maar een vaste Bijbelse lijn. God werkt niet via de massa, maar via geloof. Dat gold in de dagen van Noach, van Elia en van Jesaja — en dat geldt ook in het Nieuwe Testament.

Wie is Israël volgens de Schrift?

De kernvraag is niet of Israël belangrijk is, maar wat de Bijbel onder Israël verstaat. Paulus is daarin opvallend duidelijk:

“Want die zijn niet allen Israël, die uit Israël zijn.”
(Romeinen 9:6)

Israël is in de Schrift geen puur etnisch begrip. Afkomst alleen is nooit beslissend geweest. Al bij Abraham wordt dat duidelijk: niet Ismaël, maar Izak. Niet Ezau, maar Jakob.

“Niet de kinderen des vleses zijn kinderen Gods, maar de kinderen der beloftenis worden voor het zaad gerekend.”
(Romeinen 9:8)

Israël is daarom geen vanzelfsprekend recht, maar een titel die verbonden is aan belofte en geloof.

Israël als titel en roeping

Jakob kreeg de naam Israël niet bij zijn geboorte, maar na zijn ontmoeting met God.

“Uw naam zal voortaan niet meer Jakob genoemd worden, maar Israël.”
(Genesis 32:28)

Die naam duidt roeping en erfgenaamschap aan. Wanneer het volk ongelovig wordt, kan die titel verloren gaan.

“Gij zijt Mijn volk niet.”
(Hosea 1:9)

Toch blijft God trouw aan Zijn beloften. Zelfs lo-ammi wordt uiteindelijk weer ammi.

“Ik zal zeggen tot Lo-Ammi: Gij zijt Mijn volk.”
(Hosea 2:23)

Dat spanningsveld — oordeel én belofte — loopt door de hele Schrift heen.

De huidige tijd: Israël en de heidenen

Paulus leert dat Israël als volk in de tegenwoordige tijd grotendeels in ongeloof verkeert. Dat betekent echter niet dat God Zijn volk verworpen heeft.

“Heeft dan God Zijn volk verstoten? Dat zij verre!”
(Romeinen 11:1)

In deze periode verzamelt God Zich een volk uit de heidenen: de Gemeente. De zegeningen die aan Israël waren toevertrouwd, zijn in Christus terechtgekomen bij hen die geloven.

“Door hun val is de zaligheid den heidenen geworden, om hen tot jaloersheid te verwekken.”
(Romeinen 11:11)

Dat is geen toeval, maar onderdeel van Gods plan.

Het overblijfsel blijft bestaan

Ook nu blijft er een Joods overblijfsel dat gelooft.

“Alzo is er dan ook in dezen tegenwoordigen tijd een overblijfsel geworden, naar de verkiezing der genade.”
(Romeinen 11:5)

Dat overblijfsel vertegenwoordigt Israël zoals God het rekent. Niet groot in aantal, maar wezenlijk in betekenis.

De toekomst van Israël

De Bijbel spreekt ook over een toekomstige bekering van Israël. Die zal plaatsvinden in een tijd van grote benauwdheid, wanneer een Joods overblijfsel de Naam van de HEERE zal aanroepen.

“Zij zullen Mij aanschouwen, Dien zij doorstoken hebben.”
(Zacharia 12:10)

“Al wie den Naam des HEEREN zal aanroepen, zal behouden worden.”
(Joël 2:32)

Op deze wijze — door bekering en geloof — zal geheel Israël zalig worden.

“En alzo zal geheel Israël zalig worden.”
(Romeinen 11:26)

Niet automatisch, niet collectief, maar op Gods wijze.

De kern samengevat

  • Behoudenis is nooit vanzelfsprekend
  • Israël is een Bijbelse titel, geen biologisch automatisme
  • God werkt door een overblijfsel
  • In de huidige tijd verzamelt God een volk uit de heidenen
  • In de toekomst zal een Joods overblijfsel tot geloof komen
  • Gods beloften falen niet, maar worden vervuld langs de weg van geloof

Paulus besluit dit gedeelte niet met een schema, maar met aanbidding:

“O diepte des rijkdoms, beide der wijsheid en der kennis Gods!”
(Romeinen 11:33)

Heel Israël – wat bedoelt Paulus werkelijk?

Heel Israël – wat bedoelt Paulus werkelijk?

De uitspraak uit Romeinen 11:26 – “En alzo zal geheel Israël zalig worden” – wordt vaak geciteerd, maar zelden uitgelegd. Men gebruikt haar om alle kanten op te kunnen: om gerust te stellen, om discussie te vermijden of om theologische tegenstellingen toe te dekken. Opvallend genoeg blijft één vraag meestal onbeantwoord: wat betekent “heel Israël” eigenlijk?

Hetzelfde geldt voor het woord zalig. Het klinkt vertrouwd, maar wie vraagt wat het Bijbels gezien betekent, krijgt zelden een helder antwoord. En juist daar begint het probleem.

Bijbelse termen worden vaag

Veel Bijbelse begrippen zijn losgeraakt van hun Schriftuurlijke betekenis. Geloof wordt twijfel met een religieus randje. Zalig wordt iets als gelukkig of gezegend voelen. Daardoor kan men vrijwel elke uitleg passend maken, zonder nog te toetsen aan de Schrift zelf.

Maar Bijbelse woorden zijn geen sfeerwoorden. Ze hebben een duidelijke inhoud en context. Wie die loslaat, raakt onvermijdelijk de draad kwijt.

Altijd een overblijfsel

De Bijbel leert consequent dat God niet werkt met het geheel van een volk, maar met een overblijfsel. Dat is geen randgedachte, maar een vaste lijn.

Paulus herinnert daar expliciet aan in Romeinen 9:
“Al ware het getal der kinderen Israëls als het zand der zee, zo zal het overblijfsel behouden worden.”

Die lijn loopt door de hele Schrift:

  • in de dagen van Elia bleven slechts 7000 over;
  • Jesaja spreekt over enkele vruchten in de top van de boom;
  • niet allen die uit Israël zijn, zijn Israël.

Dat maakt één ding duidelijk: talrijkheid zegt niets over behoudenis.

Israël is meer dan afkomst

“Israël” is in de Schrift niet slechts een etnische aanduiding, maar een titel. Jakob ontving die naam na zijn ontmoeting met God. Ze is verbonden aan roeping, aanstelling en eerstgeboorterecht.

Wanneer het volk die roeping verzaakt, verliest het ook het recht op die titel. De Schrift spreekt dan zonder omhaal over lo-ammi – niet Mijn volk. Dat is geen emotionele uitspraak, maar een juridische.

Daarom zegt Paulus:
“Die zijn niet allen Israël, die uit Israël zijn.”

Juda, Efraïm en het verdwijnen van Israël

Historisch gezien verdween het grootste deel van Israël al vroeg: de tien stammen werden weggevoerd. Juda nam tijdelijk de titel “Israël” over, bij gebrek aan de oorspronkelijke erfgenaam. Maar ook Juda verloor uiteindelijk zijn positie door ongeloof.

Toch bleven Gods beloften staan. Niet omdat afkomst zou redden, maar omdat God trouw is aan Zijn woord – op Zijn voorwaarden.

De gemeente en Israëls zegeningen

In de huidige bedeling verzamelt God een volk uit de heidenen: de gemeente. Opmerkelijk is dat juist aan deze gemeente de zegeningen worden toegeschreven die eerder aan Israël waren beloofd.

Dat is geen theologische vergissing en ook geen vervangingsdenken uit gemakzucht. Paulus onderbouwt dit uitvoerig in Romeinen 9–11, met tientallen citaten uit het Oude Testament. Juridisch en Schriftuurlijk is het verdedigbaar – en zelfs noodzakelijk.

Geen automatische behoudenis

Het idee dat alle Joden automatisch behouden zouden worden, kent geen Bijbelse grond. Het leidt tot valse zekerheid en maakt de prediking leeg. De Schrift kent geen collectieve zaligheid op basis van afkomst – niet voor Israël en niet voor de heidenen.

Wat betekent “heel Israël” dan wel?

“Geheel Israël” is niet de optelsom van alle afstammelingen van Abraham. Het is de aanduiding van het volk van God: zij die werkelijk deel hebben aan de belofte. Dat is altijd een overblijfsel geweest.

Wie dat patroon niet ziet, leest Romeinen 11 los van Romeinen 9 en 10 – en dat kan niet zonder schade.

Slot

Wie de uitspraak “heel Israël zal zalig worden” serieus neemt, zal haar niet gebruiken om discussie te beëindigen, maar om terug te keren naar de tekst zelf. De Schrift legt haar eigen begrippen uit. Niet vaag, niet vrijblijvend, maar consequent.

De bruid van Christus

Is de Gemeente de Bruid van Christus?

Is de Gemeente de Bruid van Christus? Deze vraag wordt binnen het christendom vaak als vanzelfsprekend beantwoord met een volmondig ja. Toch blijkt bij zorgvuldige lezing van de Bijbel dat deze overtuiging nauwelijks expliciet schriftuurlijk wordt onderbouwd. Integendeel: wanneer we de Bijbel systematisch laten spreken, ontstaat een ander – en voor velen verrassend – beeld.

In dit artikel onderzoeken we aan de hand van de Schrift de relatie tussen Israël, het oude en nieuwe verbond, de Bruidegom en de Bruid. Daarbij laten we traditie en gevoel bewust los en volgen we de bijbelse lijn van verbond en heilsgeschiedenis.

Israël en het oude verbond: een huwelijk

Toen Israël door de uittocht uit Egypte een natie werd, sloot de HEERE met het volk het zogeheten Mozaïsche verbond. Dit verbond was niet slechts een wettelijk of religieus systeem, maar functioneerde in de Schrift als een huwelijksverbond.

Kenmerken van dit huwelijk

  • De Bruidegom: de HEERE (JHWH), Die Zich openbaart als “Ik ben”.
  • De Bruid: Israël, het uit Egypte verloste volk.
  • De ondertrouw: de woestijnreis.
  • De huwelijksluiting: bij de Sinaï, met Israëls herhaalde instemming.
  • De echtelijke woning: het land Kanaän – eigendom van de HEERE, bewoond door Israël.

De wet fungeerde als huwelijksvoorwaarden. Trouw was essentieel. Afgoderij werd daarom niet gezien als een abstracte religieuze fout, maar als overspel.

Ontrouw, scheiding en het einde van het oude huwelijk

De profeten beschrijven Israëls geschiedenis consequent in huwelijkstaal. Andere goden dienen heet “hoererij”, en politieke of religieuze verbonden met heidenvolken worden als overspel getypeerd.

Hoe lang duurt een huwelijk volgens de Schrift?

De Bijbel geeft vier samenhangende antwoorden:

  1. Het ideaal: een huwelijk is bedoeld voor altijd.
  2. In de praktijk: ontrouw verbreekt de gemeenschap.
  3. Juridisch: echtscheiding via een scheidbrief.
  4. Wettelijk: de dood maakt een einde aan het huwelijk.

Alle vier zijn toepasbaar op de verhouding tussen de HEERE en Israël. De tien stammen werden weggezonden met een scheidbrief; Juda bleef formeel, maar het huwelijk eindigde definitief door de dood van de Bruidegom aan het kruis.

De wet verbindt immers slechts levenden. Door de dood van Christus werd het oude verbond wettig beëindigd.

Het nieuwe verbond: geen herstel, maar een nieuw huwelijk

De profeten kondigen een nieuw verbond aan. Dit verbond is:

  • niet overeenkomstig het oude,
  • gesloten met heel Israël,
  • eeuwig van aard.

Belangrijk is dit onderscheid: het oude huwelijk wordt niet hersteld – dat verbiedt de wet – maar vervangen door een nieuw huwelijk.

Waarom dit bijbels noodzakelijk is

  • De eerste Bruidegom stierf.
  • De toekomstige Bruidegom is de Opgestane.
  • Israël moet niet gerepareerd worden, maar wedergeboren.
  • Zowel Bruidegom als Bruid zijn nieuw geworden.

Het nieuwe verbond wordt daarom in het hart geschreven, berust op vergeving en leidt tot echte gemeenschap: kennen in bijbelse zin.

Wie is de Bruid volgens het Nieuwe Testament?

Opvallend is dat de Bruid in het Nieuwe Testament nauwelijks genoemd wordt. Niet door Paulus, niet in de brieven, en zelfs niet door Jezus Zelf.

Slechts in het boek Openbaring wordt de Bruid expliciet geïdentificeerd:

“De Bruid, de vrouw van het Lam … het nieuwe Jeruzalem.”

Het nieuwe Jeruzalem:

  • vertegenwoordigt Israël,
  • daalt neer op een nieuwe aarde,
  • verschijnt na het duizendjarig rijk.

Dat duizendjarig rijk is de periode van de bruiloft: de regering van Christus op grond van het nieuwe verbond.

En de Gemeente dan?

De Gemeente wordt in de Schrift nooit “de Bruid” genoemd. Wat wél steeds gezegd wordt, is dat de Gemeente het Lichaam van Christus is.

Dit verschil is essentieel:

  • een lichaam is reeds verenigd,
  • een bruid ziet uit naar vereniging.

De opvatting dat de Gemeente de Bruid is, berust niet op expliciete schriftplaatsen, maar op theologische afleiding. Zij leidt bovendien tot vervanging van Israël in de profetieën en miskent de huidige gemeenschap van gelovigen met Christus.

 

Samengevat

Wanneer we de Schrift zorgvuldig volgen, ontstaat een consistent beeld:

  • Israël is de bruid onder oud én nieuw verbond.
  • Het nieuwe verbond is een nieuw, eeuwig huwelijk.
  • De Gemeente heeft een hoge, maar onderscheiden plaats als Lichaam van Christus.

Deze Bijbelse lijn vraagt om herbezinning, maar doet recht aan Gods trouw, rechtvaardigheid en heilshistorische orde.

“Opdat Hij in alles verheerlijkt worde.”

Op het verkeerde been gezet door Amir Tsarfati

Op het verkeerde been gezet door Amir Tsarfati

Dat de Joodse natie Israël continu onder onze aandacht wordt gebracht in de media is natuurlijk geen nieuws. Recent zagen we nog de vreselijke gebeurtenissen daar. De climax van de wereldgeschiedenis en de voltooiing van Gods plan heeft alles met dat stukje land in het Midden-Oosten te maken.

Status

Daarnaast zijn er ook wat ik noem “Israël apologeten” aan het werk die ons dan toch bewust of onbewust (ik ga graag uit van het laatste) op het verkeerde been willen zetten over de rol en de status van de huidige Joodse natie, in contrast met het Bijbelse volk Israël. Als je een beetje thuis bent in de Bijbel kun je weten dat het Bijbelse volk bestond uit 12 stammen die in de verstrooiing terecht zijn gekomen door ongeloof. Eerder dan de 2 stammen waren de 10 stammen al ‘uit beeld”.

Israël vandaag

Wat zich vandaag de dag, ruwweg sinds de oprichting in 1948 daar in het land bevindt is een Joodse natie, ruim genomen een verzameling van 2  van de 10 stammen van dat volk. En dat bovendien op eigen initiatief, in ongeloof.

Wat velen ons dan willen doen geloven, onder meer de Israëli Amir Tsarfati is daar een belangrijke pleitbezorger van, is dat deze huidige Joodse natie een voortzetting zou zijn van dat oude volk, en dat Gods verbond met dat oude verbondsvolk onverkort van kracht is.

Verbond verbroken

Ik las dit in zijn Telegram groep, waar overigens de mogelijkheid tot reageren is uitgeschakeld:

Screenshot

Wat Amir hier beweert, is dat Gods verbond én de landsbelofte onverbrekelijk zou zijn, en dat dat dus nog steeds, onverkort, van kracht zou zijn.

In de Bijbel beklaagt God Zich er echter bij meerdere gelegenheden over, dat het volk dat verbond eenzijdig verbroken heeft door ongehoorzaamheid en ongeloof.

Zoals in Jeremia:

Jer 11:10 Zij zijn wedergekeerd tot de ongerechtigheden hunner voorvaderen, die Mijn woorden geweigerd hebben te horen; en zij hebben andere goden nagewandeld, om die te dienen; het huis Israëls en het huis van Juda hebben Mijn verbond gebroken, dat Ik met hun vaderen gemaakt heb.

Nieuw verbond opgericht

Dat God het hier niet bij zou laten zitten was ook al heel vroeg aangekondigd. Er zou een nieuw verbond worden opgericht:

Jer 31:31 Ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik met het huis van Israël en met het huis van Juda een nieuw verbond zal maken;
Jer 31:32 Niet naar het verbond, dat Ik met hun vaderen gemaakt heb, ten dage als Ik hun hand aangreep, om hen uit Egypteland uit te voeren, welk Mijn verbond zij vernietigd hebben, hoewel Ik hen getrouwd had, spreekt de HEERE;

Niet alleen bij monde van Jeremia, ook andere profeten kondigen dit aan, waaronder Ezechiël:

Eze 16:60 Evenwel zal Ik gedachtig wezen aan Mijn verbond met u, in de dagen uwer jonkheid, en Ik zal met u een eeuwig verbond oprichten.

 

Dit is de bijsluiter bij zijn boek op Amazon

Onderscheid

Het onderscheid tussen het oude Verbond en het nieuwe, en wat de Bijbel daar op zovele plaatsen zo duidelijk over meldt, komt hiermee helemaal niet uit de verf. Sterker: de onderliggende gedachte is dat Christenen van vandaag de Joodse natie als Gods volk zouden moeten beschouwen, en waar we dat niet doen, dat we dan tekort schieten. Verder zegt de Bijbel uitdrukkelijk dat er voorwaarden verbonden zijn aan het mogen wonen in Gods land, namelijk geloof, gehoorzaamheid aan God.

Dat is iets waar de huidige Joodse staat niet aan voldoet. Weliswaar wonen er nu ook gelovigen , maar de natie op zich is op zijn minst seculier en atheïstisch  van aard.

Op het verkeerde been gezet

De Bijbel zegt er heel veel over, en ik begrijp niet waar die blinde vlek bij Amir, en bij veel Israël vrienden van vandaag, vandaan komt. Ik durf de voorzichtige conclusie wel aan, dat dat te maken heeft met gebrek aan inzicht. Er is toch het nodige over geschreven, ook door medegelovigen door de tijd heen. Om een goed inzicht te hebben heb je dus kennis nodig. Het is een gemiste kans dat iemand die de wereld over reist, veel boeken schrijft  en video’s maakt, deze dingen zo eenzijdig voor het voetlicht brengt. Daarmee wordt zijn publiek op het verkeerde been gezet.

 

Onze prioriteit zou moeten om zijn te weten wat de Bijbel erover zegt. En daar in thuis te zijn. Zeker in deze tijd vol desinformatie en verwarring.

“De Bruid” als vervangingsleer deel 2

Deel 2 waarin we kijken wat het nieuwe Testament zegt over de bruid, de bruidegom en de bruiloft.  Deel 1 staat hier.

Nieuwe Testament

Bruid, bruidegom en bruiloft

Deze woorden vinden we alleen in de Evangeliën en Openbaring.

Mattheüs 9:15  En Jezus zeide tot hen: Kunnen ook de bruiloftskinderen treuren, zolang de Bruidegom bij hen is? Maar de dagen zullen komen wanneer de Bruidegom van hen zal weggenomen zijn, en dan zullen zij vasten. (Markus 2:18-22 en Lukas 5:33-35)

Mattheüs 22:1-14 Gelijkenis van de koninklijke bruiloft
Mattheüs 25:1-13 Gelijkenis van de wijze en de dwaze meisjes

Lukas 12:36 En zijt gij den mensen gelijk die op hun heer wachten, wanneer hij wederkomen zal van de bruiloft, opdat als hij komt en klopt, zij hem terstond mogen opendoen.

Johannes 2:1-12 Jezus verandert water in wijn op een bruiloft
Johannes 3:29 Johannes de Doper is de vriend van de bruidegom

Openbaring 19:7 en 8 (bruiloft)
Openbaring 21:2 en 9-14, (bruid, vrouw van het Lam)
Openbaring 22:17 (de Geest en de bruid)

Teksten uit de brieven die worden gebruikt om de gemeente als bruid te zien

2 Corinthiërs 11:2
Want ik ben ijverig over u met een ijver Gods; want ik heb ulieden toebereid om u als een reine maagd aan één Man voor te stellen, namelijk aan Christus.

Efeze 5:22-32 Hier gaat het niet om een bruid maar om een vrouw. De gemeente is het lichaam van van Christus. Dat is het geheimenis van het huwelijk: de eenheid tussen man en vrouw.

Wat is er mis mee om de gemeente als bruid te zien?

  • De Bijbel gebruikt dit beeld niet om de gemeente aan te duiden. In de brieven vinden we wel andere beelden zoals:
    De gemeente is het lichaam van Christus (Hij het hoofd),
    Wij zijn de ranken (Hij de wijnstok),
    Wij zijn levende stenen die gebouwd worden tot een tempel. De beelden die voor de gemeente gebruikt worden, laten zien dat er gemeenschap is tussen de gelovigen en Christus. Een bruid heeft nog GEEN gemeenschap met de man, maar ziet daar alleen verlangend naar uit.
  • Een bruid maakt zichzelf mooi voor haar toekomstige bruidegom. Deze druk om onszelf te reinigen en op te poetsen wordt vaak ook op de gemeente gelegd. Maar in werkelijkheid is het Christus Die ons reinigt en heiligt zoals Efeze 5:26 aangeeft.
  • Het bevordert de gedachte van de vervangingstheologie. Een beeld wat voor Israël is bedoeld, wordt toegepast op de gemeente.
  • Het koppelt de avondmaalsbeker aan een romantisch idee over een bruidegom die een beker wijn aan de bruid geeft. MAAR de Bijbel geeft zelf aan wat de betekenis van de avondmaalsbeker is.
    (Matth. 26:17-30, Mark. 14:23, Luk. 22:14-20, 1 Kor. 10:16-17 en 11:23-26)
    Als we al typologie toepassen dan moeten we deze beker verbinden met de viering van het Pascha, de uittocht uit Egypte, het bloed aan de deurposten.

Vandaag de dag doen verhalen de ronde over “De Galilese bruiloft.” Als zou dat een blauwdruk zijn voor wat de Bijbel erover meldt in het nieuwe Testament.

Schrijver van “Before the wrath” over hoe hij de Galilese bruiloft ‘ontdekt’ heeft:

Maar hoe waren hun huwelijkstradities vóór de val van de Tempel? Dit is geen gemakkelijke vraag om te beantwoorden, omdat maar weinig historici er iets over hebben vastgelegd. En waarom zouden ze? Waarom zouden ze waardevolle ruimte verspillen aan een dure boekrol waarin de kleine tradities van boeren en vissers in het noorden van Judea zijn vastgelegd? Daarom is er gewoon niet veel historische informatie beschikbaar.
Het probleem was dat bijna alle beschikbare informatie over Galilese bruiloften in het Nieuwe Testament van de Bijbel stond.
Dus moest ik teruggaan – ver terug – voordat de Romeinen de Tempel van Herodes in brand staken. Ik moest naar de stukjes en beetjes van moderne en middeleeuwse Joodse bruiloften kijken en alles opzij zetten wat ze in de loop van de eeuwen van hun verspreiding hadden toegevoegd. Wat overbleef is waar ik begon.

Buiten de Bijbel zijn bronnen over dit onderwerp schaars, maar er waren er genoeg om een ​​nieuw stel lenzen uit te slijpen om te zien wat Jezus zei – vooral toen Hij over een bruiloft sprak. Dus zette ik deze nieuwe bril op en begon rond te kijken. Geleidelijk aan begon ik verwijzingen op te merken naar de Bruiloft, de Bruid, de Bruidegom en de Vrouw die ik in al mijn jaren van Bijbellezen eenvoudigweg had gelezen. Op het eerste gezicht leken de beelden mysterieus en afstandelijk – bloemrijke symbolen met betekenissen gehuld in een donkere spirituele mist die alle aardse penetratie te boven gaat.
Terwijl ik dit boek schreef, heb ik een paar hypothetische situaties gecreëerd (de huwelijksprocessie, de aankomst van de karavaan, enzovoort) om de lezer onder te dompelen in het dagelijkse leven en de denkprocessen van de mensen uit de tijd van Jezus. Deze scenario’s zijn tot op zekere hoogte geïdealiseerd en gaan uit van een zekere mate van romantiek, humor, mooi weer, beschikbare middelen en samenwerking binnen het gezin.

Als we het Woord laten spreken, en konsekwent Schrift met Schrift vergelijken, moet duidelijk zijn op wie de ‘bruidsmetafoor’ van toepassing is.

Zie ook (extern):

bruid » Bijbels Panorama

Bijbelstudie lezing: Wil de échte bruid opstaan?

“De Bruid” als vervangingsleer deel 1

“De Bruid” als vervangingsleer deel 1

Hoe een Telegram post een studie ontketent 🙂 Ik liep tegen deze afbeelding aan en de raderen gingen draaien.

Het kwam binnen als een New-age achtig aandoend spiritueel tafereel.

Ik realiseer me dat ik met deze studie mensen tegen de haren in ga strijken. Het romantische beeld van een bruid die door haar bruidegom opgewacht wordt is herkenbaar. Dat plaatje heeft geen verdere uitleg nodig. Het is geen rare gedachte dat kinderen van God innig van de Here Jezus houden, omdat Hij Zich uit volmaakte liefde helemaal vrijwillig heeft gegeven om hen te verlossen van de macht van de zonde en de dood.

Wat zegt de Bijbel? Wie is toch die Man, wie is de Bruidegom, en wie is de bruid? Klopt het beeld dat dikwijls geschetst wordt, dat de gemeente van Jezus Christus Zijn bruid is?

Geeft de Bijbel ruimte om een huwelijksverwachting voor de gemeente in de Schrift in te lezen?

Wat ik eerst en vooral wil doen is de ‘huwelijksteksten’ uit het oude Testament laten spreken.

Zij gaan specifiek over de huwelijkse staat, ontrouw, scheiding en tenslotte herstel van het volk in relatie met God

Citaten uit de Statenvertaling.

Ezechiel 16:

2 Mensenkind, maak Jeruzalem haar gruwelen bekend, 3 En zeg: Alzo zegt de Heere HEERE tot Jeruzalem: Uw handelingen en uw geboorten zijn uit het land der Kanaänieten; uw vader was een Amoriet, en uw moeder een Hethitische.4 En aangaande uw geboorten: ten dage als gij geboren waart, werd uw navel niet afgesneden; en gij waart niet met water gewassen toen Ik u aanschouwde; gij waart ook geenszins met zout gewreven, noch in windelen gewonden.5 Geen oog had medelijden over u, om u een van deze dingen te doen, om zich over u te erbarmen; maar gij zijt geworpen geweest op het vlakke des velds, om de walgelijkheid van uw ziel, ten dage toen gij geboren waart.6 Als Ik bij u voorbijging, zo zag Ik u, vertreden zijnde in uw bloed, en Ik zeide tot u in uw bloed: Leef; ja, Ik zeide tot u in uw bloed: Leef.7 Ik heb u tot tienduizend, als het gewas des velds, gemaakt; en gij zijt gegroeid en groot geworden en zijt gekomen tot grote sierlijkheid; uw borsten zijn vast geworden en uw haar is gewassen, doch gij waart naakt en bloot.8 Als Ik nu bij u voorbijging, zag Ik u, en zie, uw tijd was de tijd der minne; zo breidde Ik Mijn vleugel over u uit en dekte uw naaktheid; ja, Ik zwoer u en kwam met u in een verbond, spreekt de Heere HEERE, en gij werdt Mijne.9 Daarna wies Ik u met water, en Ik spoelde uw bloed van u af, en zalfde u met olie.10 Ik bekleedde u ook met gestikt werk, en Ik schoeide u met dassenvellen, en omgordde u met fijn linnen en bedekte u met zijde.11 Ook versierde Ik u met sieraad, en deed armringen aan uw handen en een keten aan uw hals.12 Desgelijks deed Ik een voorhoofdsiersel aan uw aangezicht, en oorringen aan uw oren, en een kroon der heerlijkheid op uw hoofd.13 Zo waart gij versierd met goud en zilver, en uw kleding was fijn linnen en zijde en gestikt werk; gij at meelbloem en honing en olie; en gij waart gans zeer schoon en waart voorspoedig, dat gij een koninkrijk werdt.14 Daartoe ging van u een naam uit onder de heidenen om uw schoonheid; want die was volmaakt door Mijn heerlijkheid, die Ik op u gelegd had, spreekt de Heere HEERE. 15 Maar gij hebt vertrouwd op uw schoonheid en hebt gehoereerd vanwege uw naam, ja, hebt uw hoererijen uitgestort aan eenieder die voorbijging; voor hem was zij.

Jeremia 2

1 EN des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:2 Ga en roep voor de oren van Jeruzalem, zeggende: Zo zegt de HEERE: Ik gedenk der weldadigheid uwer jeugd, der liefde uwer ondertrouw, toen gij Mij nawandeldet in de woestijn, in onbezaaid land.

Jeremia 3

1 MEN zegt: Zo een man zijn huisvrouw verlaat, en zij gaat van hem en wordt eens anderen mans, zal hij ook tot haar nog wederkeren? Zou datzelve land niet grotelijks ontheiligd worden? Gij nu hebt met vele boeleerders gehoereerd, keer nochtans weder tot Mij, spreekt de HEERE.
2 Hef uw ogen op naar de hoge plaatsen, en zie toe, waar zijt gij niet beslapen? Gij hebt voor hen gezeten aan de wegen, als een Arabier in de woestijn; alzo hebt gij het land ontheiligd met uw hoererijen en met uw boosheid.
3 Daarom zijn de regendroppelen ingehouden en er is geen spade regen geweest. Maar gij hebt een hoerenvoorhoofd, gij weigert schaamrood te worden.
4 Zult gij niet van nu af tot Mij roepen: Mijn Vader, Gij zijt de Leidsman mijner jeugd?
5 Zal Hij in eeuwigheid den toorn behouden? Zal Hij dien gestadiglijk bewaren? Zie, gij spreekt en doet die boosheden, en neemt de overhand.
6 Voorts zeide de HEERE tot mij in de dagen van den koning Josía: Hebt gij gezien wat de afgekeerde Israël gedaan heeft? Zij ging heen op allen hogen berg en tot onder allen groenen boom, en hoereerde aldaar.
7 En Ik zeide, nadat zij zulks alles gedaan had: Bekeer u tot Mij, maar zij bekeerde zich niet. Dit zag de trouweloze, haar zuster Juda.
8 En Ik zag, als Ik ter oorzake van alles waarin de afgekeerde Israël overspel bedreven had, haar verlaten en haar haar scheidbrief gegeven had, dat de trouweloze, haar zuster Juda, niet vreesde, maar ging heen en hoereerde zelve ook.
9 Ja, het geschiedde vanwege het gerucht harer hoererij, dat zij het land ontheiligde; want zij bedreef overspel met steen en met hout.
10 En zelfs in dit alles heeft zich haar trouweloze zuster Juda tot Mij niet bekeerd met haar ganse hart, maar valselijk, spreekt de HEERE.
11 Dies de HEERE tot mij zeide: De afgekeerde Israël heeft haar ziel gerechtvaardigd, meer dan de trouweloze Juda.
12 Ga heen en roep deze woorden uit tegen het noorden, en zeg: Bekeer u, gij afgekeerde Israël, spreekt de HEERE, zo zal Ik Mijn toorn op ulieden niet doen vallen; want Ik ben goedertieren, spreekt de HEERE. Ik zal den toorn niet in eeuwigheid behouden.
13 Alleen ken uw ongerechtigheid, dat gij tegen den HEERE uw God hebt overtreden, en uw wegen verstrooid hebt tot de vreemden, onder allen groenen boom, maar zijt Mijner stem niet gehoorzaam geweest, spreekt de HEERE.
14 Bekeert u, gij afkerige kinderen, spreekt de HEERE, want Ik heb u getrouwd; en Ik zal u aannemen, één uit een stad en twee uit een geslacht, en zal u brengen te Sion.
15 En Ik zal ulieden herders geven naar Mijn hart; die zullen u weiden met wetenschap en verstand.
16 En het zal geschieden wanneer gij vermenigvuldigd en vruchtbaar zult geworden zijn in het land, in die dagen, spreekt de HEERE, zullen zij niet meer zeggen: De ark des verbonds des HEEREN; ook zal zij in het hart niet opkomen; en zij zullen aan haar niet gedenken en haar niet bezoeken, en zij zal niet weder gemaakt worden.
17 Te dien tijde zullen zij Jeruzalem noemen des HEEREN troon; en al de heidenen zullen tot haar vergaderd worden, om des HEEREN Naams wil, te Jeruzalem; en zij zullen niet meer wandelen naar het goeddunken van hun boos hart.
18 In die dagen zal het huis van Juda gaan tot het huis van Israël; en zij zullen tezamen komen uit het land van het noorden in het land dat Ik uw vaderen ten erve gegeven heb.
19 Ik zeide wel: Hoe zal Ik u onder de kinderen zetten, en u geven het gewenste land, de sierlijke erfenis van de heirscharen der heidenen? Maar Ik zeide: Gij zult tot Mij roepen: Mijn Vader; en gij zult van achter Mij niet afkeren.
20 Waarlijk, gelijk een vrouw trouwelooslijk scheidt van haar vriend, alzo hebt gijlieden trouwelooslijk tegen Mij gehandeld, gij huis Israëls, spreekt de HEERE.
21 Er is een stem gehoord op de hoge plaatsen, een geween en smekingen der kinderen Israëls, omdat zij hun weg verkeerd en den HEERE hun God vergeten hebben.
22 Keert weder, gij afkerige kinderen; Ik zal uw afkeringen genezen. Zie, hier zijn wij, wij komen tot U, want Gij zijt de HEERE onze God.
23 Waarlijk, tevergeefs verwacht men het van de heuvelen en de menigte der bergen; waarlijk, in den HEERE onzen God is Israëls heil.
24 Want de schaamte heeft den arbeid onzer vaderen opgegeten, van onze jeugd aan; hun schapen en hun runderen, hun zonen en hun dochters.
25 Wij liggen in onze schaamte, en onze schande overdekt ons, want wij hebben tegen den HEERE onzen God gezondigd, wij en onze vaderen, van onze jeugd aan tot op dezen dag; en wij zijn der stem des HEEREN onzes Gods niet gehoorzaam geweest.

Jeremia 31

31 Zie, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik met het huis van Israël en met het huis van Juda een nieuw verbond zal maken;
32 Niet naar het verbond dat Ik met hun vaderen gemaakt heb, ten dage als Ik hun hand aangreep om hen uit Egypteland uit te voeren; welk Mijn verbond zij vernietigd hebben, hoewel Ik hen getrouwd had, spreekt de HEERE.

Hosea 1

2 Het begin van het woord des HEEREN door Hoséa. De HEERE dan zeide tot Hoséa: Ga heen, neem u een vrouw der hoererijen en kinderen der hoererijen; want het land hoereert ganselijk van achter den HEERE.

Hosea 2

1 TWIST tegen ulieder moeder, twist, omdat zij Mijn vrouw niet is en Ik haar Man niet ben; en laat ze haar hoererijen van haar aangezicht, en haar overspelerijen van tussen haar borsten wegdoen;
2 Opdat Ik haar niet naakt uitstrope en zette haar als ten dage toen zij geboren werd, ja, make haar als een woestijn en zette haar als een dor land, en dode haar door dorst;
3 En Mij harer kinderen niet ontferme, omdat zij kinderen der hoererijen zijn.
4 Want hunlieder moeder hoereert; die henlieden ontvangen heeft, handelt schandelijk; want zij zegt: Ik zal mijn boelen nagaan, die mij mijn brood en mijn water, mijn wol en mijn vlas, mijn olie en mijn drank geven.
5 Daarom, zie, Ik zal uw weg met doornen betuinen, en Ik zal een heiningmuur maken, dat zij haar paden niet zal vinden.
6 En zij zal haar boelen nalopen, maar dezelve niet aantreffen; en zij zal hen zoeken, maar niet vinden; dan zal zij zeggen: Ik zal heengaan en keren weder tot mijn vorigen Man, want toen was mij beter dan nu.

….

18 En Ik zal u Mij ondertrouwen in eeuwigheid, ja, Ik zal u Mij ondertrouwen in gerechtigheid en in gericht, en in goedertierenheid en in barmhartigheden.
19 En Ik zal u Mij ondertrouwen in geloof; en gij zult den HEERE kennen.

Hosea 3

1 EN de HEERE zeide tot mij: Ga wederom heen, bemin een vrouw die bemind zijnde van haar vriend, nochtans overspel doet; gelijk de HEERE de kinderen Israëls bemint, maar zij zien om naar andere goden en beminnen de flessen der druiven.
2 En ik kocht haar mij voor vijftien zilverlingen, en een homer gerst, en een halven homer gerst.
3 En ik zeide tot haar: Gij zult vele dagen naar mij blijven zitten (gij zult niet hoereren, noch aan een anderen man geworden), en ik ook naar u.
4 Want de kinderen Israëls zullen vele dagen blijven zitten, zonder koning en zonder vorst, en zonder offer, en zonder opgericht beeld, en zonder efod en terafim. 5 Daarna zullen zich de kinderen Israëls bekeren en zoeken den HEERE, hun God, en David, hun Koning; en zij zullen vrezende komen tot den HEERE en tot Zijn goedheid, in het laatste der dagen.

Jesaja 54

4 Vrees niet, want gij zult niet beschaamd worden, en word niet schaamrood, want gij zult niet te schande worden; maar gij zult de schaamte uwer jonkheid vergeten en den smaad uws weduwschaps zult gij niet meer gedenken.
5 Want uw Maker is uw Man, HEERE der heirscharen is Zijn Naam; en de Heilige Israëls is uw Verlosser; Hij zal de God des gansen aardbodems genoemd worden.
6 Want de HEERE heeft u geroepen als een verlaten vrouw en bedroefde van geest; nochtans zijt gij de huisvrouw der jeugd, hoewel gij versmaad zijt geweest, zegt uw God.
7 Voor een klein ogenblik heb Ik u verlaten, maar met grote ontfermingen zal Ik u vergaderen.
8 In een kleinen toorn heb Ik Mijn aangezicht van u een ogenblik verborgen, maar met eeuwige goedertierenheid zal Ik Mij uwer ontfermen, zegt de HEERE, uw Verlosser

Jesaja 62

5 Want gelijk een jongeling een jonkvrouw trouwt, alzo zullen uw kinderen u trouwen; en gelijk de bruidegom vrolijk is over de bruid, alzo zal uw God over u vrolijk zijn.

 

Het beeld is wel heel gedetailleerd aan het worden. De bruid kán alleen maar Israel zijn. Geen vervanging mogelijk.

God is er duidelijk over hoe het gegaan is, en hoe het gaan zal.

Bruid, bruidegom, beloften en bruiloft, en dus? 

Het nieuwe Testament noemt ook het huwelijk een bruid, en een ‘hemelse’ bruiloft  Daarover een volgende keer.

De bedoeling was om alles in één artikel te gieten, maar ik merk dat ik meer tijd nodig heb. Daarom even een punt, wordt vervolgd.

Punt.

Deel 2 vindt u hier

Zie ook (extern):

bruid » Bijbels Panorama

Bijbelstudie lezing: Wil de échte bruid opstaan?

Geverifieerd door MonsterInsights