Wet en Genade sluiten elkaar uit

Waarom de Wet niemand kan zaligmaken

Wie Wet en Genade probeert te vermengen, denkt meestal dat hij het Evangelie verrijkt. Paulus zegt precies het tegenovergestelde: wie menselijke werken toevoegt aan Gods Genade, tast daarmee de kern van het Evangelie aan.

Veel christenen zeggen dat zij uit genade leven. Toch wordt die genade in de praktijk vaak omringd door voorwaarden. Je moet genoeg gehoorzamen, genoeg geloven, genoeg geven, genoeg vasten, genoeg toewijding tonen of een bepaald geestelijk niveau bereiken. Christus heeft weliswaar veel gedaan, maar kennelijk moet de mens het laatste deel zelf aanvullen.

Dat klinkt godsdienstig. Het is alleen niet het Evangelie der Genade Gods.

De Schrift leert niet dat Wet en Genade elkaar aanvullen. Als grond van rechtvaardiging en aanvaarding bij God sluiten zij elkaar uit.

Wet en Genade sluiten elkaar uit

Waarom de wet niemand kan zaligmaken

Wie wet en genade probeert te vermengen, denkt meestal dat hij het evangelie verrijkt. Paulus zegt precies het tegenovergestelde: wie menselijke werken toevoegt aan Gods genade, tast daarmee de kern van het evangelie aan.

Veel christenen zeggen dat zij uit genade leven. Toch wordt die genade in de praktijk vaak omringd door allerlei voorwaarden. Je moet genoeg gehoorzamen, genoeg geloven, genoeg geven, genoeg vasten, genoeg toewijding tonen of een bepaald geestelijk niveau bereiken. Christus heeft weliswaar veel gedaan, maar kennelijk moet de mens dan toch het laatste deel zelf aanvullen.

Dat klinkt godsdienstig. Het is echter niet het Evangelie der Genade Gods.

De Schrift leert niet dat wet en genade elkaar aanvullen. Sterker gezegd: Als beginsel van rechtvaardiging en aanvaarding bij God sluiten zij elkaar uit.

 

De Wet is heilig, rechtvaardig en goed

Een scherp onderscheid tussen wet en genade betekent niet dat de wet slecht zou zijn. Paulus spreekt juist met groot respect over Gods wet:

“Alzo is dan de wet heilig, en het gebod is heilig en rechtvaardig en goed.” (Romeinen 7:12, STV)

De wet is goed omdat zij van God afkomstig is. Zij openbaart Zijn heiligheid, rechtvaardigheid en volmaakte maatstaf. Het probleem zit daarom niet in de wet, maar in de zondige mens.

De wet vraagt niets verkeerds. Zij vraagt juist wat rechtvaardig, rein en goed is. Maar de gevallen mens is niet in staat om aan die heilige eis te voldoen.

Daarom schrijft Paulus:

“Want wij weten, dat de wet geestelijk is, maar ik ben vleselijk, verkocht onder de zonde.” (Romeinen 7:14, STV)

De wet is geestelijk. De mens is vleselijk. Daar ligt het probleem.

De Wet openbaart de zonde

De wet is geen redder, maar een aanklager. toont de mens wat zonde is en stelt hem schuldig voor God.

“Daarom zal uit de werken der wet geen vlees gerechtvaardigd worden voor Hem; want door de wet is de kennis der zonde.” (Romeinen 3:20, STV)

Door de wet leert de mens niet hoe goed hij is, maar hoe schuldig hij staat. Ontmaskert zijn woorden, daden, gedachten en begeerten.

De wet werkt als een spiegel. Een spiegel kan vuil zichtbaar maken, maar kan het vuil niet verwijderen. Zo kan de wet de zonde aanwijzen, maar de zondaar niet reinigen.

De wet stelt de diagnose, maar biedt geen genezing.

Openbaart de schuld, maar schenkt geen vergeving.

Wijst de overtreding aan, maar geeft geen nieuw leven.

De Wet kan niemand zaligmaken

De wet is goed, maar zij kan geen zondaar zaligmaken. Dat is geen tekortkoming van de wet. De wet is eenvoudigweg nooit gegeven als middel waardoor de mens zichzelf kon redden.

Paulus schrijft:

“Want indien er een wet gegeven ware, die machtig was levend te maken, zo zou waarlijk de rechtvaardigheid uit de wet zijn.” (Galaten 3:21, STV)

Als een wet werkelijk leven had kunnen geven, zou Christus niet hebben hoeven sterven. Dan had God slechts een betere uitleg, strengere naleving of een aangepaste wet hoeven geven.

Maar God gaf geen verbeterde wet.

God gaf Zijn Zoon.

Het kruis van de Here Jezus Christus bewijst dat de mens niet door wetsonderhouding kon worden gerechtvaardigd. Als rechtvaardigheid door de wet mogelijk was geweest, zou het sterven van Christus overbodig zijn geweest.

Paulus zegt dat zonder omwegen:

“Ik doe de genade Gods niet teniet; want indien de rechtvaardigheid door de wet is, zo is dan Christus tevergeefs gestorven.” (Galaten 2:21, STV)

Dat is vernietigend voor elke leer waarin menselijke prestaties alsnog een plaats krijgen als grond voor Gods aanvaarding.

Wet en Genade sluiten elkaar uit

Romeinen 11:6 bevat een van de duidelijkste uitspraken over wet en genade:

“En indien het door genade is, zo is het niet meer uit de werken; anderszins is de genade geen genade meer. En indien het is uit de werken, zo is het geen genade meer; anderszins is het werk geen werk meer.” (STV)

Paulus laat geen ruimte voor een tussenweg.

Óf de rechtvaardiging is uit genade.

Óf zij is uit werken.

Óf Christus heeft alles volbracht.

Óf de mens moet zelf nog iets toevoegen.

Beide tegelijk is onmogelijk.

Genade is niet Gods hulp bij onze eigen poging om zalig te worden. Genade betekent dat God schenkt wat de mens niet kon verdienen, bereiken of tot stand brengen.

Zodra menselijke prestatie een voorwaarde wordt voor rechtvaardiging, houdt genade op genade te zijn.

 

De Wet eist, de Genade schenkt

Het verschil tussen wet en genade kan eenvoudig worden samengevat.

De wet eist.

De genade schenkt.

De wet zegt wat de mens moet doen.

De genade maakt bekend wat Christus heeft gedaan.

De wet zegt: gehoorzaam en leef.

De genade zegt: Christus heeft volbracht; geloof en leef.

De wet stelt de mens verantwoordelijk.

De genade openbaart Gods voorziening.

De wet brengt kennis van zonde.

De genade brengt vergeving, rechtvaardiging en leven.

Johannes beschrijft dit onderscheid als volgt:

“Want de wet is door Mozes gegeven, de genade en de waarheid is door Jezus Christus geworden.” (Johannes 1:17, STV)

Mozes bracht de wet. De Here Jezus Christus bracht niet slechts een mildere vorm van die wet, maar genade en waarheid.

 

Waarom Paulus zo scherp schrijft aan de Galaten

De Galatenbrief is een van de scherpste brieven van Paulus. Dat komt doordat het Evangelie der genade Gods op het spel stond.

De Galaten hadden Christus niet volledig verworpen. Zij hadden het evangelie niet vervangen door openlijk heidendom. Zij voegden slechts iets toe aan het geloof in Christus.

Juist daarin zat het gevaar.

Er kwamen mensen die leerden dat geloof in Christus niet genoeg was. Besnijdenis en wetsonderhouding moesten eraan worden toegevoegd. Dat leek misschien een kleine aanvulling, maar Paulus noemt het een ander evangelie.

“Ik verwonder mij, dat gij zo haast wijkende van Dengene, Die u in de genade van Christus geroepen heeft, overgebracht wordt tot een ander evangelie; daar er geen ander is; maar er zijn sommigen, die u ontroeren, en het Evangelie van Christus willen verkeren.” (Galaten 1:6-7, STV)

Het evangelie wordt niet alleen verdraaid wanneer Christus openlijk wordt ontkend. Het wordt ook verdraaid wanneer Zijn volbrachte werk onvoldoende wordt geacht.

Daarom zegt Paulus:

“Christus is u ijdel geworden, zovelen als gij door de wet gerechtvaardigd wilt worden; gij zijt van de genade vervallen.” (Galaten 5:4, STV)

Wie rechtvaardiging zoekt in de wet, verlaat het beginsel van de genade. Hij maakt Christus niet letterlijk tot niets, maar behandelt Zijn werk wel alsof het niet voldoende is.

Begonnen met de Geest, eindigen met het vlees

Paulus stelt de Galaten een indringende vraag:

“Zijt gij zo uitzinnig? Daar gij met den Geest begonnen zijt, voleindigt gij nu met het vlees?” (Galaten 3:3, STV)

Zij waren door geloof begonnen, maar wilden vervolgens door menselijke inspanning geestelijk worden voltooid.

Dat gevaar bestaat nog steeds.

Veel prediking leert dat een mens door genade wordt behouden, maar vervolgens onder een systeem van geestelijke prestaties komt te staan. Zijn zekerheid, vrede en positie lijken afhankelijk te worden van zijn gedrag, inzet, ervaringen en resultaten.

Dan ontstaat een evangelie waarin Christus de deur opent, maar de gelovige zichzelf verder naar binnen moet werken.

Paulus wijst dat radicaal af.

Wat uit genade is begonnen, wordt ook door genade voortgezet.

 

Een oude dwaling in een modern jasje

Wetticisme verschijnt niet altijd in ouderwetse kleding. Het kan zich ook modern, enthousiast en geestelijk presenteren.

Men zegt bijvoorbeeld:

Je ontvangt pas een doorbraak als je genoeg gelooft.

God kan pas handelen als jij de juiste woorden spreekt.

Je ontvangt meer zalving wanneer je meer offert.

Je moet eerst geestelijk hogerop komen.

Je moet eerst vergeven.

Je moet een bepaalde ervaring hebben om echt vervuld te zijn.

Je moet genoeg vasten, bidden, geven of jezelf uitstrekken.

Zulke uitspraken kunnen vroom klinken, maar ze verplaatsen het zwaartepunt van Christus naar de mens.

Niet langer staat centraal wat Christus heeft volbracht, maar wat de gelovige nog moet presteren.

De mens gaat dan opnieuw leven onder voorwaarden. Gods gunst lijkt zo afhankelijk te worden van zijn geestelijke inzet.

Dat is wet in een nieuw jasje.

Het gebruikt dan niet de woorden van Mozes, maar het werkt wel volgens hetzelfde beginsel: doe iets, bereik iets, bewijs iets, en dan zal God u zegenen.

 

Genade is géén beloning voor geestelijke prestaties

Genade is per definitie onverdiend.

“Want uit genade zijt gij zalig geworden, door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave; niet uit de werken, opdat niemand roeme.” (Efeze 2:8-9, STV)

De mens wordt niet zalig omdat hij genoeg geloofskracht heeft ontwikkeld. Zelfs de zaligheid wordt voorgesteld als Gods gave.

Er blijft daarom geen ruimte over voor menselijke roem.

Niet in onze gehoorzaamheid.

Niet in onze toewijding.

Niet in onze inzet.

Niet in onze geestelijke ervaringen.

Niet in onze kennis.

Niet in onze bediening.

Niet in onze vermeende zalving.

Alle roem behoort aan God en aan de Here Jezus Christus.

 

Niet onder de Wet, maar onder de Genade

Paulus schrijft aan gelovigen:

“Want de zonde zal over u niet heersen; want gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade.” (Romeinen 6:14, STV)

Dit vers wordt soms afgezwakt alsof Paulus slechts bedoelt dat gelovigen niet meer door ceremoniële regels worden beheerst. Maar zijn uitspraak is veel fundamenteler.

De gelovige staat niet meer onder het beginsel van de wet als grond van zijn verhouding tot God. Hij staat onder genade.

Zijn positie wordt niet bepaald door zijn prestaties, maar door zijn positie in Christus.

Zijn aanvaarding rust niet op zijn trouw, maar op Christus’ volbrachte werk.

Zijn vrede met God rust niet op zijn wisselende geestelijke toestand, maar op rechtvaardiging uit geloof.

“Wij dan, gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God, door onzen Heere Jezus Christus.” (Romeinen 5:1, STV)

 

Genade maakt niet wetteloos

Zodra wordt geleerd dat de gelovige niet onder de wet maar onder de genade staat, klinkt vaak het verwijt dat dit tot losbandigheid zou leiden.

Paulus kende dat bezwaar ook:

“Wat dan? Zullen wij zondigen, omdat wij niet zijn onder de wet, maar onder de genade? Dat zij verre.” (Romeinen 6:15, STV)

Genade geeft geen vrijbrief om te zondigen. Genade leert de gelovige juist om godzalig te leven.

“Want de zaligmakende genade Gods is verschenen aan alle mensen. En onderwijst ons, dat wij, de goddeloosheid en de wereldse begeerlijkheden verzakende, matig en rechtvaardig en godzalig leven zouden in deze tegenwoordige wereld.” (Titus 2:11-12, STV)

Let op wat hier staat.

Niet de Wet onderwijst de gelovige in zijn nieuwe positie, maar de Genade.

Genade is niet slap, goedkoop of vrijblijvend. Zij redt de zondaar en vernieuwt en vormt vervolgens zijn leven.

Maar zniet door hem opnieuw onder veroordeling te plaatsen. Zij richt zijn oog op Christus en werkt vanuit dankbaarheid, nieuw leven en de werking van Gods Geest.

 

De Wet kan gedrag begrenzen, maar geen leven geven

De wet kan zeggen: gij zult niet begeren.

Maar zij kan de begeerte niet uit het hart verwijderen.

De wet kan moord veroordelen.

Maar zij kan geen liefde voortbrengen.

De wet kan leugen verbieden.

Maar zij kan geen nieuw hart scheppen dat waarheid liefheeft.

De wet kan afgoderij aanwijzen.

Maar zij kan de mens niet in een levende verhouding met God brengen.

Daarom is genade geen zachtere wet. Zij is Gods oplossing voor een probleem dat de wet wel kon openbaren, maar niet kon oplossen.

Wat de wet niet kon doen, heeft God gedaan door Zijn Zoon te zenden.

“Want hetgeen der wet onmogelijk was, dewijl zij door het vlees krachteloos was, heeft God, Zijn Zoon zendende in gelijkheid des zondigen vleses, en dat voor de zonde, de zonde veroordeeld in het vlees.” (Romeinen 8:3, STV)

De wet was niet krachteloos in zichzelf. Zij was krachteloos door het vlees. De zondige mens kon haar niet volbrengen.

 

Waarom de vermenging van Wet en Genade zo gevaarlijk is

De vermenging van wet en genade is geen onschuldige leerstellige vergissing want:

  • tast de genoegzaamheid van Christus aan.
  • berooft gelovigen van zekerheid.
  • kweekt hoogmoed bij wie denkt goed te presteren.
  • veroorzaakt wanhoop bij wie voortdurend tekortschiet.
  • maakt geestelijke leiders tot controleurs van Gods gunst.
  • brengt gelovigen opnieuw onder angst en veroordeling.
  • maakt het kruis tot het begin van de redding, terwijl de mens geacht wordt het werk af te maken.

 

Maar Christus riep aan het kruis niet: Ik heb een goede basis gelegd, nu is het aan u.

Hij heeft het werk volbracht.

 

Alleen Christus kan zaligmaken

De wet kan niemand zaligmaken.

Mozes kan niemand zaligmaken.

Religieuze regels kunnen niemand zaligmaken.

Geestelijke ervaringen kunnen niemand zaligmaken.

Kerkelijke tradities kunnen niemand zaligmaken.

Menselijke toewijding kan niemand zaligmaken.

Alleen de Here Jezus Christus kan zaligmaken.

“En de zaligheid is in geen Anderen; want er is ook onder den hemel geen andere Naam, Die onder de mensen gegeven is, door Welken wij moeten zalig worden.” (Handelingen 4:12, STV)

Dat is de heerlijkheid van het Evangelie der genade Gods.

De zondaar wordt niet opgeroepen zichzelf te verbeteren totdat hij aanvaardbaar is. Hij wordt geroepen te geloven in Hem Die goddelozen rechtvaardigt.

“Doch dengene, die niet werkt, maar gelooft in Hem, Die den goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot rechtvaardigheid.” (Romeinen 4:5, STV)

 

De beslissende vraag

De beslissende vraag is daarom niet hoeveel de mens heeft gedaan.

De vraag is of Christus’ werk voldoende is.

Is Zijn offer volledig?

Is Zijn bloed genoegzaam?

Is Zijn opstanding de grond van onze rechtvaardiging?

Is Zijn genade werkelijk Genade?

Wanneer het antwoord ja is, kan er niets aan worden toegevoegd.

Wie iets toevoegt aan het volbrachte werk van Christus, maakt dat werk niet sterker. Hij verklaart het daarmee juist onvoldoende.

Samengevat

De wet is heilig, rechtvaardig en goed. Zij openbaart Gods maatstaf en stelt de zondaar schuldig.

Maar de wet kan geen leven geven.

De wet kan niet rechtvaardigen.

De wet kan niet reinigen.

De wet kan niemand zaligmaken.

Daarom gaf God Zijn Zoon.

Wet en Genade sluiten elkaar uit als grond voor rechtvaardiging. De mens wordt niet gedeeltelijk door Christus en gedeeltelijk door eigen werken gered. Hij wordt volledig uit Genade gerechtvaardigd, door het geloof, op grond van het volbrachte werk van de Here Jezus Christus.

Het grootste gevaar voor het Evangelie is daarom niet alleen openlijk ongeloof. Het is ook de vrome poging om aan Christus iets toe te voegen.

Paulus laat geen middenweg toe.

Óf de rechtvaardiging is uit werken.

Óf zij is uit genade.

Óf de mens roemt in zichzelf.

Óf hij roemt uitsluitend in het kruis.

“Maar het zij verre van mij, dat ik zou roemen, anders dan in het kruis van onzen Heere Jezus Christus, door Welken de wereld mij gekruisigd is, en ik der wereld.” (Galaten 6:14, STV)

De wet is goed.

Maar alleen de genade van God in de Here Jezus Christus kan een verloren zondaar zaligmaken.

“Want het einde (einddoel) der wet is Christus, tot rechtvaardigheid een iegelijk die gelooft” (Romeinen 10:4, STV)

 

Dus niet:

Dit alles samengevat in een video

YouTube player

zie ook:

wet en genade – Bijbelse basis

(extern)

wet en genade » Bijbels Panorama

De tien geboden – Wet, genade en toepassing

Vergeving volgens de Bijbel: hoe een populaire leer het Evangelie van Gods Genade ondermijnt

Waarom Mattheüs, Johannes en Paulus niet zonder onderscheid op één hoop gegooid mogen worden

 

Wanneer Bijbelteksten elkaar lijken tegen te spreken…

Er zijn preken die zoveel Bijbelteksten bevatten dat kritiek bijna onmogelijk lijkt. Van Mattheüs naar Markus, van Johannes naar Efeze, van Kolossenzen naar Jakobus: de ene tekst volgt de andere op.

Voor veel christenen is dat hét bewijs dat een boodschap Bijbels is.

Maar daar schuilt een groot gevaar.

Veel Bijbelteksten gebruiken is nog geen garantie voor een Bijbelse boodschap

De duivel citeerde immers ook de Schrift (Mattheüs 4). Het probleem zit zelden in de tekst, maar vrijwel altijd in de manier waarop teksten met elkaar worden verbonden.

Een preek wordt niet Bijbels doordat er veel verzen worden gelezen.

Een preek is Bijbels wanneer de Schrift in haar eigen context mag spreken.

En precies daar gaat het in veel prediking over vergeving volgens de Bijbel mis.

Vergeving in de Bijbel
Vergeving volgens de Bijbel

De eerste denkfout: de vrucht wordt de wortel

De besproken prediking wil gelovigen aansporen om anderen te vergeven.

Dat is volkomen Bijbels.

Maar vervolgens wordt langzaam een andere gedachte opgebouwd.

Namelijk:

God vergeeft jou in dezelfde mate als jij anderen vergeeft.

Dat klinkt ernstig.

Maar Paulus leert iets anders.

Hij schrijft:

“In Welken wij hebben de verlossing door Zijn bloed, namelijk de vergeving der zonden.” (Efeze 1:7)

En:

“Hij heeft u al de misdaden vergeven.” (Kolossenzen 2:13)

Niet:

“Hij zal misschien vergeven.”

Niet:

“Hij vergeeft wanneer jij eerst…”

Maar:

Hij heeft vergeven

Dat is de grondslag van het Evangelie.

Daarom schrijft Paulus vervolgens:

“Vergevende elkander, gelijk ook God in Christus ulieden vergeven heeft.” (Efeze 4:32)

Let op de volgorde.

Niet:

God → misschien.

Maar:

God → reeds.

Daarna pas volgt de oproep tot vergeving.

De vrucht wordt in de besproken preek echter tot wortel gemaakt.

En zodra dat gebeurt, verschuift de aandacht van Christus naar de mens.

 

De tweede denkfout: Mattheüs wordt de bril waardoor Paulus gelezen moet worden

Hier ligt misschien wel het grootste exegetische probleem.

Steeds opnieuw vormt Mattheüs 6 het uitgangspunt.

Daarna worden Paulus en Kolossenzen erbij gezocht.

Maar Paulus doet precies het omgekeerde.

Hij begint nooit bij de vraag:

“Hoe krijg ik vergeving?”

Hij begint bij:

“Wat heeft Christus reeds volbracht?”

Waarom?

Omdat Paulus schrijft Golgotha.

Pinksteren.

de openbaring van het Lichaam van Christus.

De gelovige leeft niet vóór het kruis.

Maar vanuit het kruis.

Dat verschil bepaalt de hele uitleg van het Nieuwe Testament.

De derde denkfout: Johannes 20 wordt uit zijn context gehaald

Nog opvallender is de toepassing van Johannes 20.

“Welken gij de zonden vergeeft…”

Deze woorden worden gepresenteerd alsof iedere gelovige vandaag bepaalt of de zonden van een ander vergeven blijven.

Maar dat is niet wat de tekst zegt.

De Here Jezus spreekt daar tot Zijn apostelen.

Binnen de context van hun bijzondere bediening.

Daaruit kan niet zonder meer worden afgeleid dat iedere christen dezelfde bevoegdheid bezit.

Wanneer dat onderscheid verdwijnt, krijgt de gemeente een verantwoordelijkheid opgelegd die de Schrift nergens op die manier oplegt.

 

De vierde denkfout: de onvergeeflijke zonde wordt erbij gehaald

Hier verandert een scheve uitleg in een geestelijk gevaarlijke uitleg.

Plotseling verschijnt Markus 3.

De zonde tegen de Heilige Geest.

Dat is misschien wel de grootste rode vlag van de hele preek.

Waarom?

Omdat deze geschiedenis helemaal niet over de Gemeente gaat.

De Here Jezus spreekt tegen Farizeeën.

Religieuze leiders.

Mensen die, ondanks de onmiskenbare wonderen van Christus, willens en wetens het werk van de Heilige Geest aan Beëlzebul toeschreven.

Dat is een unieke historische situatie.

Toch wordt deze geschiedenis vervolgens gebruikt als waarschuwing richting wedergeboren gelovigen.

Maar Paulus doet dat nergens.

Sterker nog.

Wanneer Paulus over de Heilige Geest spreekt, klinkt juist de zekerheid:

“Bedroeft den Heiligen Geest Gods niet, door Welken gij verzegeld zijt tot den dag der verlossing.” (Efeze 4:30)

Zie je het verschil?

De preek zegt:

Pas op dat je niet…

Paulus zegt:

U bent verzegeld… daarom…

Dat is geen nuance.

Dat is een totaal andere benadering.

De vijfde denkfout: de zekerheid van het Evangelie verdwijnt

Hier worden de gevolgen zichtbaar.

Na afloop blijft de luisteraar achter met vragen als:

Heb ik iedereen wel vergeven?

Zou mijn bitterheid Gods vergeving blokkeren?

Ben ik misschien geestelijk in gevaar?

Zou ik onbewust de Heilige Geest hebben gelasterd?

Geen enkele van die vragen vindt haar oorsprong in Paulus.

Integendeel.

Paulus richt de blik steeds omhoog.

Naar Christus.

Naar Zijn bloed.

Naar Zijn volbrachte werk.

Naar de positie van de gelovige.

De gelinkte prediking richt de blik uiteindelijk naar binnen.

En precies daar begint alle geestelijke onzekerheid.

 

De zesde denkfout: verschillende bedelingen worden vermengd

Hier raken we de kern.

De preek behandelt zonder onderscheid:

  • de Bergrede;
  • Johannes 20;
  • Markus 3;
  • Paulus.

Alles wordt samengevoegd tot één doorgaande boodschap.

Maar daarmee verdwijnen de verschillen tussen:

  • de bediening van de Messias aan Israël;
  • het apostolisch gezag;
  • de verwerping van de Messias door Israël;
  • en de openbaring van het Lichaam van Christus.

Dat noemen we geen harmonisatie.

Dat noemen we vermenging.

En vermenging levert vrijwel altijd verwarring op.

 

Waarom is dit zo ernstig?

Omdat het niet alleen gaat over vergeving.

Het gaat over de vraag waarop onze zekerheid rust.

Rust zij op:

Christus?

Of uiteindelijk toch op:

mijn geestelijke prestaties?

Wanneer de gelovige moet onderzoeken of hij wel genoeg heeft vergeven om zelf vergeving te ontvangen, is het fundament ongemerkt verschoven.

Dan is het oog niet langer gericht op Christus.

Maar op de eigen geestelijke staat.

Dat is precies wat Paulus nergens doet.

 

Wat leert het evangelie wel?

Het evangelie van Gods genade is verrassend eenvoudig.

Christus droeg de schuld.

Christus betaalde de prijs.

Christus vergoot Zijn bloed.

Daarom schrijft Paulus:

  • Wij hebben de verlossing.
  • Wij hebben de vergeving.
  • Wij zijn verzegeld.
  • Wij zijn met God verzoend.

Vanuit die zekerheid roept hij vervolgens op:

  • vergeef elkaar;
  • wees vriendelijk;
  • wees barmhartig;
  • wandel waardig de roeping waarmee u geroepen bent.

Niet om behouden te worden.

Maar omdat u behouden bent.

Dát is het verschil tussen wet en genade.

De oproep om anderen te vergeven is volkomen Bijbels.

Maar zodra die oproep wordt losgemaakt van de positie van de gelovige in Christus, verandert het evangelie ongemerkt in een systeem van voorwaarden.

Wanneer vervolgens de Bergrede, Johannes 20 en zelfs de zonde tegen de Heilige Geest worden gebruikt om die voorwaarden kracht bij te zetten, ontstaat een boodschap die wel veel Bijbelteksten bevat, maar waarin de leer van Paulus niet langer de toon zet.

De ironie is pijnlijk.

Een preek die bedoeld is om vrijheid te brengen, kan zo juist onzekerheid zaaien.

Een boodschap over vergeving kan de zekerheid van de vergeving ondermijnen.

Daarom blijft de oproep van Paulus beslissend:

“Vergevende elkander, gelijk ook God in Christus ulieden vergeven heeft.” (Efeze 4:32)

Dat is geen voorwaarde om door God aangenomen te worden.

Dat is de vrucht van een volbrachte verlossing.

En dát is de blijde boodschap van het Evangelie.

 

Veelgestelde vragen (FAQ)

Is Gods vergeving afhankelijk van onze bereidheid om anderen te vergeven?

Volgens de brieven van Paulus ontvangen gelovigen vergeving op grond van het volbrachte werk van Christus (Efeze 1:7; Kolossenzen 1:14; Kolossenzen 2:13). Vanuit die ontvangen genade worden zij opgeroepen anderen te vergeven (Efeze 4:32).

Wat betekent de zonde tegen de Heilige Geest?

In Mattheüs 12 en Markus 3 spreekt de Here Jezus tot Farizeeën die het werk van de Heilige Geest bewust aan Satan toeschreven. Over de toepassing op christenen bestaan binnen de christelijke uitleg verschillende visies. Dit artikel bespreekt waarom die waarschuwing volgens een dispensationalistische lezing niet zonder meer op de Gemeente kan worden toegepast.

Waarom is Efeze 4:32 zo belangrijk?

Omdat Paulus daar de volgorde vastlegt: God heeft eerst vergeven in Christus; daarom vergeven gelovigen elkaar. Die volgorde bewaart het onderscheid tussen genade en verdienste.

Waarom is context zo belangrijk bij Bijbeluitleg?

Bijbelteksten moeten gelezen worden in hun historische, literaire én heilshistorische context. Wie woorden uit verschillende situaties zonder onderscheid samenvoegt, loopt het risico conclusies te trekken die veel verder gaan dan de tekst zelf ondersteunt.

Ik heb dit in een video verwerkt:

YouTube player

lees ook:

Israël en de Gemeente: het Bijbelse onderscheid – Bijbelse basis

De Gemeente is geen Israël – Bijbelse basis

Wat zegt de Bijbel over de gemeente van Jezus Christus? – Bijbelse basis

Het Evangelie van het Koninkrijk en de Bergrede en de Gemeente – Bijbelse basis

Het verschil tussen de tijd van het Koninkrijk en de tijd van de Gemeente – Bijbelse basis

Gods Koninkrijk zichtbaar maken? – Bijbelse basis

Het Evangelie in lekentaal – geen mening, maar goed nieuws – Bijbelse basis

extern:

vergeving » Bijbels Panorama

Waarom God onvolprezen is volgens de Bijbel

God is onvolprezen, waarom alle lof tekortschiet

Er zijn woorden die wij vaak gebruiken, maar nauwelijks kunnen bevatten. Eén daarvan is: onvolprezen.

Het betekent niet simpelweg dat God veel lof waard is. Het betekent dat Hij méér lof waard is dan mensentaal ooit kan dragen. Zelfs de zuiverste aanbidding blijft kleiner dan Zijn heerlijkheid.

Dat is geen vrome overdrijving. Het is de nuchtere conclusie van de Schrift. God is niet groot omdat mensen Hem groot maken. Hij is groot in Zichzelf.

Hij is niet heerlijk omdat wij Hem prijzen. Wij prijzen Hem omdat Hij heerlijk is.

“Groot is de HEERE, en zeer te prijzen; en Zijn grootheid is ondoorgrondelijk.” Psalm 145:3 (STV)

God is onvolprezen

De mens prijst God niet te veel, maar altijd te weinig

Een van de grootste vergissingen van de moderne mens is dat hij denkt dat lofprijzing iets toevoegt aan God. Alsof God onze erkenning nodig heeft om God te zijn. Maar de Bijbel leert precies het omgekeerde. God is volmaakt, onafhankelijk en heerlijk in Zichzelf. Onze lof maakt Hem niet groter; onze lof erkent dat Hij groter is dan wij kunnen uitspreken.

“Want uit Hem, en door Hem, en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen.” Romeinen 11:36 (STV)

Dat ene vers ontmantelt alle menselijke grootspraak. Alles is uit Hem. Alles bestaat door Hem. Alles heeft zijn uiteindelijke doel in Hem. De mens staat dus niet in het centrum van de werkelijkheid. God wel.

Daarom is aanbidding geen religieuze bijzaak. Het is de enige passende reactie op de realiteit.

 

God is onvolprezen omdat Hij de Schepper is

De Schrift verklaart:

“In den beginne schiep God den hemel en de aarde.” Genesis 1:1 (STV)

Dat is de grondtoon van de Bijbel. God is vóór alles. Hij is de Oorsprong, de Maker, de Bezitter en de Onderhouder van alle dingen. De schepping is geen zelfstandig wonder dat los van God bewonderd kan worden. Zij is een getuigenis van Hem.

“De hemelen vertellen Gods eer, en het uitspansel verkondigt Zijner handen werk.” Psalm 19:2 (STV)

Elke ster, elke ademtocht, elke seconde van ons bestaan wijst terug naar Hem. De mens kan de schepping onderzoeken, benoemen, meten en benutten, maar hij kan haar niet verklaren zonder de Schepper. Wie de schepping losmaakt van God, houdt uiteindelijk alleen materie over zonder betekenis.

God is onvolprezen omdat Hij niet een onderdeel is van de werkelijkheid. Hij is Degene door Wie de werkelijkheid bestaat.

 

God is onvolprezen omdat Hij heilig is

Gods heerlijkheid ligt niet alleen in Zijn macht, maar ook in Zijn heiligheid. Hij is niet slechts sterker dan de mens, maar wezenlijk anders. Hij is rein, rechtvaardig, waarachtig en zonder enige schaduw van kwaad.

“En de een riep tot den ander, en zeide: Heilig, heilig, heilig is de HEERE der heirscharen; de ganse aarde is van Zijn heerlijkheid vol.” Jesaja 6:3 (STV)

Dit is belangrijk. De Bijbel stelt God niet voor als een vergrote versie van de mens. Hij is geen hemelse projectie van onze verlangens. Hij is de Heilige. Dat betekent dat Hij niet naar beneden getrokken mag worden tot het niveau van menselijke smaak, emotie of religieuze beleving.

Juist daarom schuurt echte Godskennis met veel moderne religie. Waar God vooral wordt voorgesteld als bevestiger van menselijke dromen, verdwijnt Zijn heiligheid naar de achtergrond. Maar een god zonder heiligheid is niet de God van de Bijbel.

God is onvolprezen omdat Hij niet door de mens wordt gedefinieerd. Hij openbaart Zichzelf.

 

God is onvolprezen omdat Zijn wijsheid ondoorgrondelijk is

De mens wil verklaren, beheersen en controleren. God vraagt geloof, ontzag en onderwerping aan Zijn Woord. Niet omdat geloof tegen denken ingaat, maar omdat Gods wijsheid hoger is dan menselijke redenering.

“O diepte des rijkdoms, beide der wijsheid en der kennis Gods! Hoe ondoorzoekelijk zijn Zijn oordelen, en onnaspeurlijk Zijn wegen!” Romeinen 11:33 (STV)

De apostel Paulus eindigt hier niet in speculatie, maar in aanbidding. Dat is veelzeggend. Ware Bijbelkennis maakt een mens niet hoogmoedig, maar ootmoedig. Hoe meer men van Gods raad verstaat, hoe meer men beseft dat God niet in ons systeem past.

“Want Mijn gedachten zijn niet ulieder gedachten, en uw wegen zijn niet Mijn wegen, spreekt de HEERE.” Jesaja 55:8 (STV)

Daarom is het gevaarlijk wanneer mensen God willen beoordelen met de maatstaf van hun eigen gevoel. God staat niet terecht voor de rechtbank van menselijke voorkeur. De mens staat voor God.

 

God is onvolprezen omdat Hij genadig is

De grootste reden tot lof is niet dat de mens goed is, maar dat God goed is voor schuldige mensen. De Bijbel vleit de mens niet. Zij zegt dat de mens zondaar is, schuldig voor God, onbekwaam om zichzelf te redden. Juist tegen die donkere achtergrond schittert de genade.

“Maar God bevestigt Zijn liefde jegens ons, dat Christus voor ons gestorven is, als wij nog zondaars waren.” Romeinen 5:8 (STV)

Let op de volgorde. Christus stierf niet voor mensen die zichzelf eerst hadden opgewerkt tot aanvaardbaarheid. Hij stierf voor zondaars. Dat is genade. Niet God Die de zonde door de vingers ziet, maar God Die in Christus Zelf de grond legt voor verlossing.

“Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave.” Efeze 2:8 (STV)

Genade maakt God niet minder heilig. Genade laat juist zien hoe heilig Hij is. Zonde moest geoordeeld worden. Schuld moest gedragen worden. Verzoening moest werkelijk tot stand komen. En dat heeft God gedaan in Zijn Zoon.

Daarom is God onvolprezen: Hij redt niet ten koste van Zijn rechtvaardigheid, maar in volkomen overeenstemming daarmee.

 

God is onvolprezen omdat Christus Zijn heerlijkheid openbaart

Wie wil weten hoe God Zich ten diepste heeft geopenbaard, moet niet beginnen bij menselijke filosofie, maar bij Christus. In Hem wordt Gods heerlijkheid zichtbaar.

“Dewelke, alzo Hij is het Afschijnsel Zijner heerlijkheid, en het uitgedrukte Beeld Zijner zelfstandigheid.” Hebreeën 1:3 (STV)

Christus is niet slechts een leraar over God. Hij is niet slechts een profeet namens God. Hij is het Afschijnsel van Gods heerlijkheid. In Hem woont de volheid.

“Want in Hem woont al de volheid der Godheid lichamelijk.” Kolossenzen 2:9 (STV)

Daarom is elke poging om God te eren terwijl Christus wordt verkleind, innerlijk tegenstrijdig. Men kan de Vader niet werkelijk eren terwijl men de Zoon reduceert. De Schrift legt de heerlijkheid van God open in de Persoon, de vernedering, de dood, de opstanding en de verhoging van de Heere Jezus Christus.

“Opdat zij allen den Zoon eren, gelijk zij den Vader eren.” Johannes 5:23 (STV)

Dat is een krachtig apologetisch punt. Bijbels geloof is niet algemeen religieus. Het is Christusgericht. De lof op God krijgt haar volle inhoud in de erkenning van de Zoon.

 

God is onvolprezen omdat het kruis Zijn recht en liefde samenbrengt

Het kruis is geen tragisch einde van een idealist. Het is het middelpunt van Gods verlossingswerk. Daar wordt zichtbaar wat geen mens had kunnen bedenken: Gods oordeel over de zonde en Gods liefde tot zondaren komen samen in Christus.

“Want Dien, Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem.” 2 Korinthe 5:21 (STV)

Hier valt alle religieuze zelfhandhaving weg. De mens wordt niet gered door eigen verbetering, kerkelijke vormen, rituelen, wetsonderhouding of geestelijke prestaties. Hij wordt gered door het volbrachte werk van Christus.

“Het is volbracht.” Johannes 19:30 (STV)

Die woorden zijn geen poëtische verzuchting. Zij zijn de triomfkreet van de Verlosser. Wat nodig was tot verzoening, is gedaan. Wat de mens niet kon dragen, heeft Christus gedragen. Wat de mens niet kon volbrengen, heeft Hij volbracht.

Daarom is God onvolprezen: Hij heeft Zelf voorzien in de weg tot behoud.

 

God is onvolprezen omdat Zijn trouw niet wankelt

Mensen zijn veranderlijk. Overtuigingen verschuiven. Kerken kunnen dwalen. Leiders kunnen vallen. Culturen komen en gaan. Maar God blijft Dezelfde.

“Want Ik, de HEERE, word niet veranderd.” Maleachi 3:6 (STV)

Dat is geen koude leerstelling, maar een diepe troost. Gods trouw rust niet op de kracht van de mens. Zijn beloften zijn geworteld in Zijn eigen Wezen. Wat Hij spreekt, staat vast. Wat Hij belooft, zal Hij doen.

“Indien wij ontrouw zijn, Hij blijft getrouw; Hij kan Zichzelven niet verloochenen.” 2 Timotheüs 2:13 (STV)

Juist daarom verdient God niet tijdelijke, oppervlakkige of emotionele lof, maar blijvende aanbidding. Hij is trouw wanneer mensen falen. Hij is waarachtig wanneer mensen liegen. Hij is onveranderlijk wanneer alles beweegt.

 

De apologetische spits

Waarom is God onvolprezen? Omdat geen enkel alternatief Hem kan vervangen.

Een mensgerichte levensbeschouwing kan misschien spreken over moraal, maar niet verklaren waarom goed en kwaad werkelijk gezag hebben. Een puur materialistisch wereldbeeld kan materie beschrijven, maar geen uiteindelijke zin geven. Religie zonder Christus kan vroom klinken, maar lost het probleem van schuld niet werkelijk op.

De Bijbel openbaart God als Schepper, Rechter, Verlosser en Koning. Hij is heilig genoeg om zonde te oordelen, wijs genoeg om Zijn raad te volvoeren, liefdevol genoeg om zondaars te redden, en machtig genoeg om alles tot Zijn doel te brengen.

Daarom is God onvolprezen. Niet omdat gelovigen dat graag zeggen, maar omdat de werkelijkheid ervan getuigt, de Schrift het openbaart en Christus het bevestigt.

 

Samenvattend

De vraag is uiteindelijk niet of God onze lof waard is. De vraag is of onze lof ooit groot genoeg kan zijn. En het antwoord van de Schrift is helder: nee. Zijn grootheid is ondoorgrondelijk. Zijn genade is onmetelijk. Zijn wijsheid is onnaspeurlijk. Zijn heerlijkheid is eeuwig.

Daarom zal de gelovige Hem prijzen, niet omdat hij alles begrijpt, maar omdat hij Hem heeft leren kennen in Christus.

“Den Koning nu der eeuwen, den onverderfelijken, den onzienlijken, den alleen wijzen God, zij eer en heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen.” 1 Timotheüs 1:17 (STV)

 

 

Geverifieerd door MonsterInsights