Kapstok prediking is bijvoorbeeld dit

Wanneer een Bijbeltekst een kapstok wordt

Over genezing, geloof en het gevaar van losse bewijsverzen

Soms klinkt een boodschap op het eerste gehoor krachtig, Bijbels en vol geloof. Er worden bekende woorden gebruikt: “Het is volbracht,” “door Zijn striemen bent u genezen,” “Jezus heeft de prijs betaald.” Wie zou daar bezwaar tegen willen maken? Het zijn immers Bijbelse woorden. En toch kan daar een groot probleem zitten.>Niet elke boodschap waarin Bijbelteksten voorkomen, is daarmee  automatisch ook Bijbelse prediking. Een tekst kan heel eenvoudig gebruikt worden als kapstok: men hangt er een leerstelling aan op die niet  uit de tekst zelf voortkomt. De tekst wordt niet uitgelegd, maar gebruikt als springplank voor een vooraf gekozen boodschap. Inlegkunde wordt zo iets ook wel genoemd.
Een kort fragment over genezing  uit een preek van Johan Toet laat goed zien hoe dat dan gaat. De boodschap komt hierop neer:

“U bent genezen. Door Zijn striemen bent u genezen. Het is voltooid verleden tijd.

Dat klinkt nogal autoritair. Maar is het ook Bijbels verantwoord?

kapstokprediking
Wanneer een Bijbeltekst een kapstok wordt

Wat is kapstokprediking?

Kapstokprediking hebben we het over wanneer een Bijbeltekst niet zorgvuldig in zijn verband wordt gelezen, maar wordt gebruikt om een thema te dragen dat er gedeeltelijk of helemaal overheen wordt gelegd.
Er wordt dan bijvoorbeeld gewerkt met bekende woorden of zinnen:

“Door Zijn striemen bent u genezen.”
“Het is volbracht.”
“Jezus is de Bevrijder.”
“De duivel is de overweldiger.”

Op zichzelf zijn dat geen verkeerde woorden. Het probleem zit in de manier waarop ze verbonden worden. De vraag is niet alleen: komen deze woorden ergens in de Bijbel voor? De vraag is: worden ze gebruikt zoals de Bijbel ze gebruikt?
Dat is een cruciaal verschil.
De tekst wordt niet uitgelegd, maar ingezet.
In de gelinkte video wordt Jesaja 53 of 1 Petrus 2:24 gebruikt om te stellen dat de gelovige nu al lichamelijk genezen is. Het argument is: Christus heeft geleden, dus genezing is al voltooid. Niet iets wat Hij nog moet doen, maar iets wat al vaststaat.
Maar 1 Petrus 2:24 zegt:

“Die Zelf onze zonden in Zijn lichaam gedragen heeft op het hout; opdat wij, der zonden afgestorven zijnde, der gerechtigheid leven zouden; door Wiens striemen gij genezen zijt.”
1 Petrus 2:24 STV

De context gaat niet over een vermeende garantie op lichamelijke gezondheid in dit leven. Petrus spreekt over zonde, gerechtigheid, lijden, navolging en geestelijk herstel. De genezing waarover hij spreekt, staat in direct verband met het dragen van onze zonden en het leven voor de gerechtigheid.
Dat betekent niet dat God niet lichamelijk geneest. Natuurlijk kan Hij dat. De Schrift getuigt daar duidelijk van. Maar het is iets anders om te zeggen: God kan genezen, dan om te zeggen: iedere gelovige is nu al lichamelijk genezen, omdat het voltooid verleden tijd is.
Dat laatste legt de tekst meer op dan hij zegt.
“Het is volbracht” wordt breder getrokken dan de tekst toelaat
Ook de woorden van de Heere Jezus aan het kruis worden in dit soort prediking vaak gebruikt als totaalclaim voor alles wat de gelovige nu zou moeten bezitten: vergeving, overwinning, voorspoed, gezondheid, bevrijding, herstel.
Maar wanneer Christus zegt: “Het is volbracht,” spreekt Hij over het werk dat de Vader Hem gegeven had om te doen. Zijn offer is volkomen. De schuld is betaald. De verzoening is tot stand gebracht.
Dat is heerlijk en onaantastbaar.
Maar de Bijbel leert óók dat de volle uitwerking van Christus’ werk nog toekomstig is. Paulus schrijft:

“En niet alleen dit, maar ook wij zelven, die de eerstelingen des Geestes hebben, wij ook zelven, zeg ik, zuchten in onszelven, verwachtende de aanneming tot kinderen, namelijk de verlossing onzes lichaams.”
Romeinen 8:23 STV

Let op die woorden: wij verwachten nog de verlossing van ons lichaam. De gelovige is werkelijk verlost, maar leeft nog in een sterfelijk lichaam. Daarom worden gelovigen ziek. Daarom worden gelovigen zwak. Daarom sterven gelovigen nog.
Wie zegt dat lichamelijke genezing nu al op dezelfde wijze voltooid bezit is als vergeving van zonden, schuift de toekomstige heerlijkheid naar het heden.
Ziekte wordt te simpel demonisch genoemd
Een ander ernstig probleem is de uitspraak dat ziekte demonisch is. In het fragment wordt gezegd dat ziekte met de zondeval gekomen is, en vervolgens: “maar het is gewoon demonisch… ziekte is demonisch.”

Dat is veel te kort door de bocht.
De Bijbel laat inderdaad zien dat sommige ziektegevallen verbonden kunnen zijn met demonische gebondenheid. Maar de Bijbel zegt nergens dat alle ziekte demonisch is.
Timotheüs had lichamelijke zwakheden. Paulus schrijft hem:

“Drink niet langer water alleen, maar gebruik een weinig wijn, om uw maag en uw menigvuldige zwakheden.”
1 Timotheüs 5:23 STV

Paulus zegt niet:

“Timotheüs, je moet de demon van maagklachten uitwerpen.”

Hij geeft praktisch, lichamelijk advies.
Ook lezen we:

“Trofimus heb ik te Milete krank gelaten.”
2 Timotheüs 4:20 STV

Dat moet opvallen. Paulus, door wie God bijzondere wonderen had gedaan, liet een medewerker ziek achter. Als genezing altijd al als zichtbaar bezit geclaimd moest worden, is dit moeilijk te verklaren.
De Schrift is nuchterder dan veel genezingsprediking.

De pastorale schade is groot

Dit soort prediking klinkt misschien moedig, maar kan voor zieke gelovigen buitengewoon belastend zijn.
Want als gezegd wordt: “U bent genezen”, wat moet iemand dan met zijn pijn, diagnose, beperking of chronische ziekte?
Als gezegd wordt: “Ziekte is demonisch”, wat doet dat met iemand die al lijdt?
Als gezegd wordt: “Genezing is volbracht”, wat blijft er dan over wanneer genezing uitblijft?
Dan komt de druk bijna vanzelf bij de zieke terecht. Heeft hij wel genoeg geloof? Spreekt hij wel goed? Begrijpt hij zijn positie in Christus wel? Staat hij misschien open voor demonische invloed?
Zo verandert een boodschap die bevrijdend wil zijn in een last. De zieke wordt niet vertroost met Christus, maar geconfronteerd met een ideaalbeeld waaraan hij blijkbaar niet voldoet.
Dat is niet hoe de Schrift spreekt.
Paulus zelf bad driemaal of de doorn in zijn vlees van hem weggenomen mocht worden. Gods antwoord was niet:

“Paulus, claim je genezing.”

Gods antwoord was:

“Mijn genade is u genoeg; want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht.”
2 Korinthe 12:9 STV

Dat is geen ongeloof. Dat is werkelijkheid.

Het verschil tussen gekocht en toegepast

Hier ligt een belangrijk onderscheid. Christus heeft door Zijn werk de totale verlossing verworven. Uiteindelijk zal er geen ziekte, geen dood, geen rouw en geen pijn meer zijn. Dat is zeker.
Maar wat Christus gekocht heeft, wordt niet allemaal op hetzelfde moment toegepast.

De vergeving van zonden ontvangt de gelovige nu.
De Heilige Geest woont nu in de gelovige.
De aanneming tot kinderen is nu werkelijkheid.
Maar de verlossing van het lichaam wordt nog verwacht.
De opstanding is toekomstig.
De volledige bevrijding van ziekte en dood hoort bij de komende heerlijkheid.
Daarom zegt de Bijbel niet dat wij nu al leven alsof de nieuwe hemel en nieuwe aarde volledig zijn aangebroken. Wij leven in de verwachting daarvan.

Kapstokprediking mist Bijbelse verhoudingen

Het probleem met deze boodschap is niet dat er helemaal geen waarheid in zit. Dat maakt het juist ingewikkeld.
Het is waar dat Christus heeft betaald.
Het is waar dat ziekte door de zondeval in de wereld gekomen is.
Het is waar dat de duivel een verderver is.
Het is waar dat Jezus macht heeft over ziekte, dood en demonen.
Het is waar dat God kan genezen.

Maar uit die waarheden wordt een conclusie getrokken die de Schrift niet trekt: dus is iedere gelovige nu al lichamelijk genezen en is ziekte demonisch.
Dat is kapstokprediking. Bijbelwoorden worden opgehangen aan een systeem, in plaats van dat het systeem wordt getoetst aan de Bijbel.

Hoe zou gezonde prediking hierover klinken?

Gezonde Bijbelse prediking zou ongeveer zo spreken:
Christus heeft volkomen betaald.
De zondeval heeft gebrokenheid, ziekte en dood gebracht.
God kan genezen, en wij mogen Hem daarom vrijmoedig bidden om genezing.
Soms geneest God onmiddellijk. Soms gebruikt Hij middelen. Soms geeft Hij genade om te dragen.

Een zieke gelovige is niet minder verlost.

Een chronisch zieke broeder of zuster is niet automatisch onder demonische invloed.
Onze hoop ligt niet in een claim op een pijnvrij leven nu, maar in Christus Zelf en in de toekomstige verlossing van ons lichaam.
Dat is minder spectaculair, maar Bijbels. En pastoraal.

Conclusie: laat de tekst spreken

De grote les is deze: een Bijbeltekst mag nooit een kapstok worden voor een boodschap die wij er graag aan willen hangen. De tekst moet zelf spreken. In zijn verband. In de lijn van heel de Schrift.
Wanneer “door Zijn striemen bent u genezen” wordt losgemaakt van zonde en gerechtigheid, ontstaat scheefgroei. Wanneer “Het is volbracht” wordt gebruikt als garantie voor directe lichamelijke genezing, wordt de toekomstige heerlijkheid naar het heden getrokken. Wanneer ziekte zonder onderscheid demonisch wordt genoemd, worden kwetsbare gelovigen geestelijk belast.
De Schrift geeft een rijkere, nuchtere en troostvollere boodschap.
Christus heeft werkelijk overwonnen.
God kan werkelijk genezen.
Maar de gelovige zucht nog steeds in een sterfelijk lichaam.
En juist daar klinkt het Evangelie helder: niet dat wij nu al geen zwakheid meer kennen, maar dat Christus’ genade genoeg is, zelfs midden in zwakheid.

Zie ook

Kapstok prediking – Bijbelse basis

Mensgerichte prediking ontmaskerd: wanneer de Bijbel als kapstok wordt misbruikt – Bijbelse basis

 

Waarom 1 Korinthe 15:28 wringt met het klassieke drie-eenheidsdogma

De Zoon Zelf zal onderworpen worden

Wat betekent het dat “de Zoon Zelf onderworpen” zal worden? In 1 Korinthe 15:28 schrijft Paulus woorden die vaak spanning oproepen binnen het klassieke drie-eenheidsdogma. Dit blog laat zien dat deze tekst de Godheid van Christus geenszins  ontkent. Jezus is JHWH. Maar tegelijk dwingt deze tekst ons om de Bijbelse orde, of  zo je wilt hiërarchie, tussen God, de Vader, en de Zoon serieus te nemen.

Er zijn Bijbelteksten die je niet mag wegverklaren omdat ze niet inpasbaar zouden zijn, maar gewoon moet laten staan. Niet omdat ze gemakkelijk zijn, maar omdat ze juist door hun scherpte ons dwingen om onze woorden onder het gezag van de Schrift te brengen.

1 Korinthe 15:28 is zo’n tekst.

“En wanneer Hem alle dingen zullen onderworpen zijn, dan zal ook de Zoon Zelf onderworpen worden Dien, Die Hem alle dingen onderworpen heeft, opdat God zij alles in allen.” (1 Korinthe 15:28, STV)

Dit vers is geen aanval op de heerlijkheid van Christus. Het is geen ontkenning van Zijn Godheid. Het is geen munitie voor wie van Jezus slechts een schepsel, profeet of verheven mens wil maken.

Integendeel.

Juist omdat Jezus Christus zo hoog verheven is, juist omdat alle dingen Hem onderworpen worden, juist omdat Hij de laatste vijand, de dood, tenietdoet, is dit vers zo indrukwekkend.

Maar het vers ontmaskert wél iets anders: de vanzelfsprekendheid waarmee het kerkelijke drie-eenheidsdogma vaak zondermeer over de Schrift heen gelegd wordt.

Niet de Christus der Schriften wordt ontmaskerd, maar een latere kerkelijke formulering die moeite heeft met de duidelijke orde die Paulus hier beschrijft.

1 Korinthe15:28

De tekst zegt wat hij zegt

Paulus schrijft niet dat “de menselijke natuur” van Christus onderworpen zal worden. Hij schrijft ook niet dat “Christus naar Zijn Middelaarsambt” onderworpen zal worden, alsof dat de scherpe rand van de tekst wegneemt.

Hij schrijft:

“dan zal ook de Zoon Zelf onderworpen worden” (1 Korinthe 15:28, STV)

Dat is directe taal. De Zoon Zelf.

Wie de Schrift serieus neemt, moet die woorden niet onmiddellijk ombouwen tot dogmatische categorieën. Natuurlijk is het waar dat Christus de Middelaar is. Natuurlijk is het waar dat Hij als Mens en als Messias regeert. Maar Paulus gebruikt hier niet de taal van concilies. Hij gebruikt de taal van openbaring.

God heeft alle dingen aan Christus onderworpen. Christus regeert totdat alle vijanden onder Zijn voeten gelegd zijn. Daarna wordt ook de Zoon Zelf onderworpen aan Hem Die Hem alle dingen onderworpen heeft.

Dat is de orde van de Schrift.

Dit is geen ontkenning van Jezus als JHWH

Laat dit helder zijn: wie 1 Korinthe 15:28 gebruikt om de Godheid van Christus te ontkennen, zakt hier keihard door het ijs. Dezelfde Schrift die spreekt over de onderwerping van de Zoon, spreekt ook over de Goddelijke heerlijkheid van de Zoon.

“Ik en de Vader zijn één.” (Johannes 10:30, STV)

“En Thomas antwoordde en zeide tot Hem: Mijn Heere en mijn God!” (Johannes 20:28, STV)

“Want in Hem woont al de volheid der Godheid lichamelijk.” (Kolossenzen 2:9, STV)

“Welke, in de gestaltenis Gods zijnde, geen roof geacht heeft Gode evengelijk te zijn.” (Filippenzen 2:6, STV)

De Schrift laat geen ruimte voor een lagere Christus. Jezus is niet slechts een gezant of een profeet naast God. Hij is niet een engel. Hij is niet een geschapen tussenwezen. Hij draagt de Naam, de heerlijkheid, de werken en de aanbidding die aan JHWH toekomen.

Maar dezelfde Schrift laat óók geen ruimte om de Zoon los te maken van Zijn verhouding tot de Vader.

“Want Ik ben uit den hemel nedergedaald, niet opdat Ik Mijn wil zou doen, maar den wil Desgenen, Die Mij gezonden heeft.” (Johannes 6:38, STV)

“De Vader is meerder dan Ik.” (Johannes 14:28, STV)

“Doch van dien dag en die ure weet niemand, noch de engelen, die in den hemel zijn, noch de Zoon, dan de Vader.” (Markus 13:32, STV)

Deze teksten zijn geen ongelukken of toevalligheden in de Bijbel. Ze zijn geen voetnoten die met wat dogmatische tactiek onschadelijk gemaakt moeten worden.

Ze horen bij de openbaring van de Zoon.

Jezus is JHWH. En Jezus is de Zoon.
Jezus is waarachtig God. En Jezus is de Gezondene.
Jezus is één met de Vader. En Hij doet de wil van de Vader.
Jezus ontvangt alle dingen. En Hij onderwerpt uiteindelijk alles aan God.

Dat gegeven moeten we niet negeren.

Waar het dogma begint te wringen

Het klassieke drie-eenheidsdogma wil de Godheid van Christus beschermen. Die intentie is begrijpelijk. In de kerkgeschiedenis moest er terecht weerstand geboden worden tegen leringen die Christus verlaagden tot schepsel. Ook vandaag de dag nog wordt er heel wat gerommeld om Christus lager neer te zetten.

Maar de vraag is niet alleen of een dogma iets goeds wil beschermen. De vraag is ook of het de volledige boodschap en openbaring van de Schrift recht doet.

En dat is een lastige  vraag,

Wanneer de drie-eenheid zo wordt voorgesteld dat Vader, Zoon en Geest in de praktijk vooral drie gelijkwaardige “Personen” naast elkaar worden, dan ontstaat er spanning met teksten waarin de Zoon gezonden wordt, ontvangt, gehoorzaamt, onderworpen is, verhoogd wordt, het Koninkrijk overdraagt en uiteindelijk Zelf onderworpen wordt.

Paulus zegt:

“Daarna zal het einde zijn, wanneer Hij het Koninkrijk aan God en den Vader zal overgegeven hebben; wanneer Hij zal te niet gedaan hebben alle heerschappij, en alle macht en kracht.” (1 Korinthe 15:24, STV)

En daarna:

“Want Hij moet als Koning heersen, totdat Hij al de vijanden onder Zijn voeten zal gelegd hebben.” (1 Korinthe 15:25, STV)

Christus regeert dus met een doel. Zijn heerschappij is niet los verkrijgbaar. Zij staat in dienst van Gods voleindiging. Hij brengt alles onder Zijn voeten, om daarna het Koninkrijk over te geven aan God en de Vader.

Dat is geen zwakte van Christus. Dat is Zijn heerlijkheid.

De heerlijkheid van de Zoon is niet dat Hij naast de Vader een zelfstandige macht vormt. Zijn heerlijkheid is dat Hij volmaakt de wil van God volbrengt en alles terugbrengt tot God.

De Zoon als laatste Adam

De context van 1 Korinthe 15 is doorslaggevend. Paulus spreekt over Adam en Christus.

“Want dewijl de dood door een mens is, zo is ook de opstanding der doden door een Mens.” (1 Korinthe 15:21, STV)

“Want gelijk zij allen in Adam sterven, alzo zullen zij ook in Christus allen levend gemaakt worden.” (1 Korinthe 15:22, STV)

Christus wordt hier voorgesteld als de laatste Adam. Waar de eerste Adam faalde, gehoorzaamt Christus. Waar Adam de dood binnenbracht, brengt Christus leven. Waar Adam de schepping onder de macht van zonde en dood bracht, brengt Christus alles terug onder God.

Daarom is 1 Korinthe 15:28 geen losstande tekst over de verhouding tussen Vader en Zoon. Het is de climax van de hele heilsgeschiedenis.

De eerste mens faalde in onderwerping.
De laatste Adam volbrengt de onderwerping volmaakt.
De eerste mens bracht dood.
De tweede Mens brengt opstanding.
De eerste Adam verloor de orde.
Christus herstelt de orde, totdat God alles in allen is.

Niet alles hoeft en kan in één formule samengevat worden

Een groot probleem ontstaat wanneer wij denken dat de Bijbelse openbaring pas veilig is wanneer wij haar in een kerkelijke formule kunnen vangen.

Maar de Schrift spreekt rijker, dynamischer en concreter dan de meeste dogmatiek.

De Bijbel zegt niet alleen: Christus is God.
De Bijbel zegt ook: Christus is de Zoon van God.

De Bijbel zegt niet alleen: Christus is één met de Vader.
De Bijbel zegt ook: Christus is door de Vader gezonden.

De Bijbel zegt niet alleen: Christus heeft alle macht.
De Bijbel zegt ook: Christus heeft die macht ontvangen.

“En Jezus, bij hen komende, sprak tot hen, zeggende: Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde.” (Mattheüs 28:18, STV)

De Bijbel zegt niet alleen: Christus regeert.
De Bijbel zegt ook: Christus draagt het Koninkrijk over aan God en de Vader.

“Daarna zal het einde zijn, wanneer Hij het Koninkrijk aan God en den Vader zal overgegeven hebben…” (1 Korinthe 15:24, STV)

Dat moet blijven staan.

Wie zegt: “Jezus is JHWH”, zegt iets voluit Bijbels. Maar wie vervolgens doet alsof de onderwerping van de Zoon niet werkelijk gezegd wordt, verliest ook iets Bijbels.

Het probleem is dus niet het belijden van Christus’ Godheid. Het probleem is een dogmatische reflex die teksten als 1 Korinthe 15:28 onmiddellijk neutraliseert.

Het verschil tussen belijden en systeemdwang

Er is een verschil tussen belijden wat de Schrift zegt en eisen dat alles past binnen een later geconstrueerd systeem.

Wij kunnen voluit belijden dat Jezus Christus God is, zonder verplicht te zijn om elke kerkelijke formulering over de drie-eenheid kritiekloos over te nemen.

Wij kunnen voluit belijden dat Christus de Naam en heerlijkheid van JHWH draagt, zonder te ontkennen dat de Vader Hem zendt, verhoogt, macht geeft en alle dingen aan Hem onderwerpt.

Wij kunnen voluit belijden dat de Zoon eeuwige heerlijkheid heeft, zonder 1 Korinthe 15:28 te verzwakken.

De Schrift hoeft niet gered te worden door het dogma.

Andersom:

Het dogma moet getoetst worden aan de Schrift.

“Beproeft alle dingen; behoudt het goede.” (1 Thessalonicenzen 5:21, STV)

Wat 1 Korinthe 15:28 laat zien

Deze tekst laat zien dat veel drie-eenheidstaal en formulering te statisch is. Zij spreekt over God alsof het vooral gaat om een eeuwige interne structuur van drie Personen in één wezen.

Maar Paulus spreekt hier niet filosofisch. Hij spreekt heilshistorisch.

Er is een begin: Christus is opgewekt als Eersteling.

“Maar nu, Christus is opgewekt uit de doden, en is de Eersteling geworden dergenen, die ontslapen zijn.” (1 Korinthe 15:20, STV)

Er is een vervolg: die van Christus zijn worden levend gemaakt bij Zijn toekomst.

“Maar een iegelijk in zijn orde: de eersteling Christus, daarna die van Christus zijn, in Zijn toekomst.” (1 Korinthe 15:23, STV)

Er is heerschappij: Christus regeert totdat alle vijanden onderworpen zijn.

“Want Hij moet als Koning heersen, totdat Hij al de vijanden onder Zijn voeten zal gelegd hebben.” (1 Korinthe 15:25, STV)

Er is een laatste vijand: de dood.

“De laatste vijand, die te niet gedaan wordt, is de dood.” (1 Korinthe 15:26, STV)

Er is voltooiing: de Zoon Zelf wordt onderworpen aan God, opdat God alles in allen zij.

“opdat God zij alles in allen.” (1 Korinthe 15:28, STV)

Dat is geen platgeslagen dogmatiek. Dat is de grote dynamiek van Gods heilsplan.

Een scherpere, Bijbelse formulering

Misschien kunnen  we het eenvoudig, Bijbels  en eerbiedig zeggen:

Jezus Christus is de Zoon van God, het Beeld van de onzienlijke God, in Wie de volheid der Godheid lichamelijk woont. Hij is JHWH geopenbaard, de Heere der heerlijkheid, de Schepper en Erfgenaam van alle dingen.  DE Naam die gegeven is waardoor wij behouden moeten worden. Als de opgestane Mens, de laatste Adam en de Messiaanse Koning ontvangt Hij alle macht, onderwerpt Hij alle vijanden, vernietigt Hij de dood en draagt Hij het Koninkrijk over aan God en de Vader.

Daarna wordt ook de Zoon Zelf onderworpen, opdat God zij alles in allen.

Dat is geen armoedige Christus-leer.
Dat is Bijbels.

Zij buigt voor alle teksten, niet slechts voor de teksten die gemakkelijk binnen het dogma passen.

1 Korinthe 15:28 is géén aanval op Jezus Christus. Het is een aanval op onze neiging om de Schrift ondergeschikt te maken aan of samen te vatten in kerkelijk jargon.

Wie gelooft dat Jezus JHWH is, hoeft 1 Korinthe 15:28 niet te vrezen. Integendeel. Juist dit vers laat zien hoe groot Christus is. Hij is Degene aan Wie alle dingen onderworpen worden. Hij is Degene Die regeert totdat de dood zelf tenietgedaan wordt. Hij is Degene Die als laatste Adam de orde herstelt die in Adam verloren ging.

Maar Zijn heerlijkheid bestaat niet in onafhankelijkheid van God. Zijn heerlijkheid bestaat in volmaakte gehoorzaamheid, volmaakte heerschappij en volmaakte onderwerping aan het doel van God.

Daarom ontmaskert 1 Korinthe 15:28 niet de Godheid van Christus, maar wel een dogma dat soms te snel, te glad en te abstract spreekt.

De Schrift is concreter:

De Zoon regeert.
De Zoon overwint.
De Zoon onderwerpt alle dingen.
De Zoon draagt het Koninkrijk over.
De Zoon Zelf wordt onderworpen.
En God zal zijn alles in allen.

Dat is geen verlies van Christus’ heerlijkheid.
Maar de voleinding ervan.

Wat valt er af te dingen op het kerkelijke dogma van de drie-eenheid?

De Bijbel boven het dogma

De Bijbel leert dat God één is en dat Christus waarachtig God en waarachtig Mens is. Maar betekent dat automatisch dat het kerkelijke dogma van de drie-eenheid de juiste Bijbelse formulering is?

Het kerkelijke dogma van de drie-eenheid geldt in veel kerken als onaantastbaar. Wie er vragen bij stelt, wordt al snel verdacht gemaakt. Alsof elke kritische vraag automatisch betekent dat men de Godheid van Christus ontkent.

Maar dat is een valse tegenstelling.

De vraag is niet of Jezus Christus waarachtig God is. De Schrift getuigt daar helder van. De vraag is ook niet of de Vader, de Zoon en de Heilige Geest in de Bijbel voorkomen. Dat doen zij. De vraag is veel scherper: mag een later kerkelijk dogma bepalen hoe wij de Bijbel moeten lezen?

Daar begint het onderscheid.

Niet de kerkelijke formule moet leidend zijn, maar de Schrift. Niet de traditie boven de Bijbel, maar de Bijbel boven de traditie.

“Hoor, Israël! de HEERE, onze God, is een enig HEERE!” Deuteronomium 6:4 (STV)

Daar begint alle Bijbelse Godskennis: God is één. Geen veelgodendom. Geen verzameling goddelijke wezens. Geen hemelse drieheid van afzonderlijke goden. Eén God.

Paulus schrijft:

“Nochtans hebben wij maar één God, den Vader, uit Welken alle dingen zijn, en wij tot Hem; en maar één Heere, Jezus Christus, door Welken alle dingen zijn, en wij door Hem.” 1 Korinthe 8:6 (STV)

Dat is geen dorre formule. Dat is openbaring. De Schrift spreekt over God, over de Vader, over de Here Jezus Christus, over schepping, verlossing, Middelaarschap en heerlijkheid. Maar zij doet dat niet in de latere technische taal van kerkelijke dogmatiek.

Het kerkelijke dogma van de drie-eenheid getoetst aan de Bijbel
Niet het dogma, maar de Schrift moet leidend zijn.

Christus is geen schepsel

Laat dit eerst volstrekt helder zijn: kritiek op het kerkelijke dogma van de drie-eenheid mag en kan nooit uitlopen op ontkenning van Christus’ Godheid.

Johannes begint zijn Evangelie niet voorzichtig, maar majesteitelijk:

“In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God.” Johannes 1:1 (STV)

En even later:

“En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond, en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als des Eniggeborenen van den Vader, vol van genade en waarheid.” Johannes 1:14 (STV)

Paulus zegt het eveneens krachtig:

“Want in Hem woont al de volheid der Godheid lichamelijk;” Kolossenzen 2:9 (STV)

Dat is geen taal voor een geschapen engel. Geen taal voor een verheven profeet. Geen taal voor een religieus voorbeeldfiguur. In Christus woont al de volheid der Godheid lichamelijk.

Wie dus het dogma van de drie-eenheid kritisch bevraagt, moet niet doorschieten naar arianisme, Jehova’s-getuigen-leer of moderne vrijzinnigheid. De Here Jezus Christus is niet minder dan God. Hij is de openbaring van God Zelf.

Maar juist daarom moeten wij ook voorzichtig zijn met menselijke schema’s die méér willen vastleggen dan de Schrift zelf zegt.

Het probleem zit in de kerkelijke gietmal

Het dogma van de drie-eenheid probeert de Bijbelse gegevens samen te vatten: één God, Vader, Zoon en Heilige Geest. Het is begrijpelijk dat men woorden zocht om dwaalleer af te weren.

Maar daar begint ook het probleem.

De Bijbel spreekt niet in de uitgewerkte formule: drie Personen in één Wezen, alle drie eeuwig gelijk, geen eerder of later, geen meer of minder. De Bijbel geeft geen filosofische ontleding van Gods innerlijke Wezen. De Bijbel openbaart God in Zijn handelen.

God schept. God spreekt. God zendt. De Zoon komt. De Zoon gehoorzaamt. De Zoon lijdt. De Zoon sterft. God wekt Hem op. God verhoogt Hem uitermate.en Hij ontvangt de Naam boven alle naam.. De Geest wordt gezonden. De Geest verheerlijkt Christus. De verhoogde Christus is Hoofd van de Gemeente.

Dat is Bijbelse taal. Levende taal. Openbaringstaal.

Het dogma maakt daar gemakkelijk een stilstaand schema van. Alles strak op één lijn. Alles keurig ingepast. Alles afgerond. Maar de Bijbel is vaak beweeglijker, rijker en concreter dan het kerkelijke systeem verdraagt.

Dan wordt het dogma geen hulp meer, maar een mal. En een mal drukt altijd iets plat.

De vernedering van Christus mag niet worden afgevlakt

Een van de grootste bezwaren tegen een te strak drie-eenheidsdogma is dat de werkelijke vernedering van Christus gemakkelijk wordt afgevlakt.

Paulus schrijft:

“Die in de gestaltenis Gods zijnde, geen roof geacht heeft Gode even gelijk te zijn; Maar heeft Zichzelven vernietigd, de gestaltenis eens dienstknechts aangenomen hebbende, en is den mensen gelijk geworden;” Filippenzen 2:6-7 (STV)

En daarna:

“En in gedaante gevonden als een mens, heeft Hij Zichzelven vernederd, gehoorzaam geworden zijnde tot den dood, ja, den dood des kruises.” Filippenzen 2:8 (STV)

Let op die woorden: vernederd, gehoorzaam geworden, tot de dood.

Dat is geen toneel. Geen schijnmensheid. Geen Goddelijk rollenspel waarin de vernedering eigenlijk niet echt is. De Zoon is werkelijk Mens geworden. Hij heeft werkelijk geleden. Hij heeft werkelijk gehoorzaamd. Hij is werkelijk gestorven.

Daarna schrijft Paulus:

“Daarom heeft Hem ook God uitermate verhoogd, en heeft Hem een Naam gegeven, welke boven allen naam is;” Filippenzen 2:9 (STV)

Dat woord daarom moet blijven staan. De verhoging volgt op Zijn vernedering. De Naam wordt Hem gegeven. Dat is Bijbelse taal.

Wie dit direct gladstrijkt met “eeuwig gelijk, geen meer of minder”, loopt het risico de beweging van de tekst onschadelijk te maken. Dan wordt de vernedering van Christus leerstellig wel beleden, maar praktisch afgezwakt.

Handelingen 2:36 moet blijven spreken

Petrus zegt op de Pinksterdag:

“Zo wete dan zekerlijk het ganse huis Israëls, dat God Hem tot een Heere en Christus gemaakt heeft, namelijk dezen Jezus, Dien gij gekruist hebt.” Handelingen 2:36 (STV)

Dat is een tekst waar men niet te snel overheen moet lezen.

Petrus zegt niet dat Jezus slechts een gewoon mens was. Hij zegt ook niet dat Jezus pas bij Zijn opstanding begon te bestaan. Maar hij zegt wel dat God deze gekruisigde Jezus tot een Heere en Christus gemaakt heeft.

Dat is verhogingstaal. Aanstellingstaal. Messiaanse taal. De door mensen verworpen Jezus is door God opgewekt en verhoogd. De gekruisigde is door God aangewezen als Heere en Christus.

Een dogma dat zulke teksten nauwelijks nog laat spreken, is te strak geworden. Dan beschermt het de Schrift niet meer. Dan dempt het de Schrift.

Vader en Zoon worden niet vlak naast elkaar gezet

De Bijbel spreekt niet alleen over eenheid, maar ook over verhouding.

Jezus zegt:

“Mijn Vader is meerder dan Ik.” Johannes 14:28 (STV)

Die tekst mag niet misbruikt worden om Christus’ Godheid te ontkennen. Maar hij mag ook niet worden weggepoetst alsof hij er eigenlijk niet staat.

De Here Jezus spreekt hier in Zijn vernederde positie. Als de Gezondene. Als de Knecht. Als de Mens Christus Jezus.

Paulus schrijft:

“Want er is één God, er is ook één Middelaar Gods en der mensen, de Mens Christus Jezus;” 1 Timotheüs 2:5 (STV)

Dat is leerstellig zeer belangrijk. Christus is de Middelaar. En als Middelaar staat Hij niet in een abstract schema, maar in een concrete verhouding: tussen God en mensen.

Daarom moeten wij voorzichtig zijn met taal die elke Bijbelse verhouding meteen neutraliseert. De Schrift spreekt over de Vader Die zendt, de Zoon Die gezonden wordt, de Zoon Die gehoorzaamt, de Vader Die Hem verhoogt, de Zoon Die aan de rechterhand Gods is.

Dat ontkent Zijn Godheid niet. Het bewaart juist de rijkdom van Zijn Middelaarschap.

De Geest verheerlijkt Christus

Ook de Heilige Geest is geen onpersoonlijke kracht. De Geest spreekt, leidt, leert, getuigt, overtuigt en woont in de gelovigen.

Maar opnieuw: de Bijbel spreekt anders dan de latere dogmatische formule. De Schrift geeft geen abstracte omschrijving van de Geest in technische ker taal. De Schrift laat zien wat de Geest doet.

De Geest wordt gegeven. De Geest wordt gezonden. De Geest woont in de gelovigen. De Geest verheerlijkt Christus.

Jezus zegt:

“Die zal Mij verheerlijken; want Hij zal het uit het Mijne nemen, en zal het u verkondigen.” Johannes 16:14 (STV)

Daar ligt de Bijbelse nadruk. De Geest trekt geen aandacht los van Christus. De Geest verheerlijkt Christus. Hij maakt het werk, de woorden en de heerlijkheid van Christus bekend.

Dat is iets anders dan een dogmatisch evenwichtsschema waarin alles vooral netjes gelijkgetrokken moet worden.

De bewijsplaatsen zijn niet allemaal even sterk

In discussies over de drie-eenheid worden vaak dezelfde teksten aangehaald. Soms terecht. Soms te gemakkelijk.

Een bekend voorbeeld is 1 Johannes 5:7:

“Want Drie zijn er, Die getuigen in den hemel, de Vader, het Woord en de Heilige Geest; en deze Drie zijn Een.” 1 Johannes 5:7 (STV)

Deze tekst staat in de Statenvertaling, maar is tekstkritisch omstreden. Komt niet voor in de oudste manuscripten. Bovendien staat er ook niet letterlijk “Vader, Zoon en Heilige Geest”, maar “de Vader, het Woord en de Heilige Geest”. Dat is op zichzelf al een aanwijzing dat men voorzichtig moet zijn met een te snelle dogmatische bewijsvoering.

En daarmee valt de Godheid van Christus niet weg. Integendeel. Even verderop staat:

“Doch wij weten, dat de Zoon van God gekomen is, en heeft ons het verstand gegeven, dat wij den Waarachtige kennen; en wij zijn in den Waarachtige, namelijk in Zijn Zoon Jezus Christus. Deze is de waarachtige God, en het eeuwige Leven.” 1 Johannes 5:20 (STV)

Dat is veel sterker dan een losse bewijsplaats. De Zoon van God wordt rechtstreeks verbonden met de Waarachtige en het eeuwige Leven.

De Bijbel heeft geen zwakke bewijsvoering nodig. Zij getuigt zelf krachtig genoeg van Christus.

Het gevaar van kerkelijke bewakingsdrang

Het kerkelijke dogma van de drie-eenheid is vaak een grenspaal geworden. Wie de formule exact nazegt, hoort erbij. Wie vragen stelt, wordt verdacht.

Maar de Bijbel vraagt niet eerst of iemand de juiste kerkelijke terminologie beheerst. De Bijbel vraagt of iemand gelooft in de Zoon van God.

“Die in den Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven; maar die den Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem.” Johannes 3:36 (STV)

Dat is het punt. Niet: beheerst iemand de latere dogmatische taal? Maar: gelooft iemand in de Zoon? Eert iemand de Zoon? Buigt iemand voor Hem als de door God verhoogde Heere?

Jezus zegt:

“Opdat zij allen den Zoon eren, gelijk zij den Vader eren. Die den Zoon niet eert, eert den Vader niet, Die Hem gezonden heeft.” Johannes 5:23 (STV)

Dat is enorm sterk. De Zoon moet geëerd worden zoals de Vader geëerd wordt. Wie de Zoon niet eert, eert de Vader niet.

Daar staat de Godheid en heerlijkheid van Christus stevig overeind. Maar let op: ook hier spreekt de Schrift in termen van Vader, Zoon, zending en eer. Niet in termen van een latere formule.

De Bijbel is veel rijker dan het dogma

Het probleem met de kerkelijke drie-eenheidsleer is niet dat zij Christus te hoog acht. Het probleem is dat zij de Bijbelse gegevens soms in een te strak schema perst.

De Schrift laat ons Christus zien als:

  • het Woord Dat God was;
  • de Zoon van God;
  • de Zoon des mensen;
  • de Knecht;
  • de Middelaar;
  • de Erfgenaam;
  • de Eerstgeborene uit de doden;
  • de Hogepriester;
  • de laatste Adam;
  • de verhoogde Heere;
  • het Hoofd van de Gemeente.

Al die lijnen zijn Bijbels. Al die lijnen moeten blijven staan. Geen enkele lijn mag worden weggepoetst omdat zij lastig is voor het systeem.

Wanneer het dogma zegt: “Dit past alleen als u het precies zo formuleert,” dan wordt de Bijbel onder een kerkelijke mal gelegd. Maar de Schrift moet niet door een mal. De mal moet door de Schrift worden getoetst.

Een Bijbels evenwicht

Wij hoeven dus niet te kiezen tussen kerkelijk dogmatisme en ontkenning van Christus’ Godheid. Er is een betere weg: Schriftgetrouw spreken.

Wij belijden één God.

Wij belijden dat Jezus Christus waarachtig God en waarachtig Mens is.

Wij belijden dat in Hem al de volheid der Godheid lichamelijk woont.

Wij belijden dat Hij werkelijk vernederd is, werkelijk gehoorzaam geworden is, werkelijk gestorven is, werkelijk opgewekt is en werkelijk door God verhoogd is.

Wij belijden dat de Heilige Geest door God gegeven is, Christus verheerlijkt en in de gelovigen woont.

Maar wij weigeren om menselijke systeemtaal boven de Schrift te plaatsen.

Conclusie

Er is dus zeker wat af te dingen op het kerkelijke dogma van de drie-eenheid. Niet omdat Christus minder zou zijn dan het dogma zegt, maar omdat de Schrift anders spreekt dan het dogma doet.

De Bijbel vraagt niet om een filosofisch afgerond godsmodel. De Bijbel openbaart de levende God in Christus.

Daarom moeten wij niet beginnen bij de kerkelijke formule, maar bij de Schrift.

Niet: hoe past deze tekst in het dogma?

Maar: wat zegt God hier?

Zodra het dogma de Schrift gaat corrigeren, dempen of begrenzen, is het geen bescherming meer. Dan wordt het een religieuze gietmal.

De gelovige heeft geen gietmal nodig. Hij heeft het Woord nodig.

En dat Woord getuigt helder genoeg:

“Doch wij weten, dat de Zoon van God gekomen is, en heeft ons het verstand gegeven, dat wij den Waarachtige kennen; en wij zijn in den Waarachtige, namelijk in Zijn Zoon Jezus Christus. Deze is de waarachtige God, en het eeuwige Leven.” 1 Johannes 5:20 (STV)

Ik het eerder al geblogd over dit onderwerp:

Waarom de kerkelijke drie-eenheidsleer schuurt met de Schrift – Bijbelse basis

Geverifieerd door MonsterInsights