De Bergrede

De Bergrede

De principes van het Koninkrijk

Matthéüs 5, 6 en 7

Matthéüs 5

De Bergrede is geen Evangelie van redding

Over weinig gedeelten van de Bijbel bestaat zoveel verwarring als over de Bergrede. Die verwarring ontstaat vooral doordat men geen onderscheid maakt tussen wat de Schrift zegt over het Evangelie van de Genade en wat zij zegt over het toekomstige Koninkrijk. Daardoor wordt de Bergrede vaak behandeld alsof zij de weg tot behoudenis aanwijst.

In veel moderne prediking wordt het kruis naar de achtergrond geschoven en wordt de Bergrede naar voren gehaald als levensweg voor verloren mensen. Dan klinkt het alsof een mens behouden kan worden door arm van geest te worden, te treuren, zachtmoedig te leven of naar gerechtigheid te verlangen. Maar dat is niet het Evangelie. Een gevallen mens kan zichzelf niet veranderen tot iemand die God behaagt. Een zondaar kan zichzelf niet rein van hart maken, evenmin als hij zichzelf levend kan maken.

Wie de Bergrede als weg tot behoud predikt, maakt van de woorden van de Heere Jezus een nieuwe wet voor verloren mensen. Daarmee verzwakt men de noodzaak van het kruis. Maar er is geen tegenstelling tussen Jezus en Paulus. De Heere Jezus sprak zelf over wedergeboorte en over de noodzaak van Zijn dood. En Paulus verkondigde niet een ander Evangelie, maar werkte juist uit wat de opgestane Christus hem had toevertrouwd over de Gemeente en de Genade.

 

Niet de leefregel voor de Gemeente

De Bergrede is dus niet bedoeld als weg tot behoud voor de zondaar. Zij is ook niet in de eerste plaats gegeven als leefregel voor de Gemeente. Toen de Heere Jezus deze rede uitsprak, was de Gemeente als lichaam van Christus nog niet geopenbaard. De leer voor de Gemeente wordt later vooral ontvouwd in de apostolische brieven.

De Bergrede moet daarom verstaan worden als onderwijs over het Koninkrijk der hemelen: het Koninkrijk dat aan Israël werd aangeboden, door het volk werd verworpen en in de toekomst alsnog openbaar zal worden wanneer de Messias terugkeert. Dan zal Jeruzalem het centrum van Zijn regering zijn en zal Zijn wet uitgaan van Sion.

Dat betekent niet dat de Bergrede voor gelovigen vandaag geen waarde heeft. Integendeel. Heel de Schrift is nuttig tot onderwijs. Maar niet alles wat in de Schrift staat, is rechtstreeks aan de Gemeente gericht. De Bergrede bevat wel blijvende, geestelijke beginselen die ook nu gezag hebben, maar zij mag niet losgemaakt worden van haar plaats in Gods heilsplan.

De zaligsprekingen

De Heer spreekt in de zaligsprekingen niet over mensen die zichzelf omhoogwerken tot een geestelijk ideaal. Hij tekent de erfgenamen van het Koninkrijk zoals Gods Genade hen maakt.

Zalig zijn de armen van geest. Dat zijn mensen die hun geestelijke armoede voor God hebben leren kennen. Juist wie niets in zichzelf heeft, ontvangt alles uit Genade.

Zalig zijn zij die treuren. Zij delen in het lijden van Christus, zien de nood van de wereld en worden innerlijk bewogen. Hun troost ligt in de toekomstige vervulling van Gods werk.

Zalig zijn de zachtmoedigen. Zachtmoedigheid is geen menselijke prestatie, maar vrucht van Gods Geest. Zij zullen de aarde beërven, omdat zij met Christus verbonden zijn.

Zalig zijn zij die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid. De natuurlijke mens verlangt niet naar Gods gerechtigheid, maar de erfgenaam van het Koninkrijk wel. Hij ziet uit naar een wereld waarin Gods wil volmaakt heerst.

Zalig zijn de barmhartigen. Zij hebben eerst zelf barmhartigheid ontvangen en tonen daarom barmhartigheid aan anderen.

Zalig zijn de reinen van hart. Het gaat hier om een oprecht en onverdeeld hart, gericht op God.

Zalig zijn de vredestichters. Zij brengen de boodschap van verzoening en worden daarom kinderen van God genoemd.

 

De zegen en de smaad van de erfgenamen

Na de zaligsprekingen laat de Heere zien dat de erfgenamen van het Koninkrijk met tegenstand te maken krijgen. Wie om de gerechtigheid vervolgd wordt, is zalig. Smaad en verdrukking zijn geen teken dat God afwezig is, maar juist dat men aan de zijde van de Koning staat.

Daarom noemt de Heere Zijn discipelen het zout der aarde en het licht der wereld. Zout bewaart tegen bederf, licht verdrijft duisternis. Hun roeping is zichtbaar. Niet om zichzelf te verheffen, maar opdat de Vader verheerlijkt wordt.

De wet en haar vervulling

De Heere Jezus kwam niet om de wet en de profeten te ontbinden, maar om die te vervullen. Hij neemt de wet niet weg alsof zij onbelangrijk was. Integendeel, Hij brengt haar volle strekking aan het licht. In Zijn Koninkrijk blijft Gods heilige norm volledig van kracht.

Daarom gaat Hij verder dan alleen uiterlijke gehoorzaamheid. Niet alleen moord wordt veroordeeld, maar ook de toorn die eraan voorafgaat. Niet alleen overspel, maar ook de begeerte van het hart. Niet alleen meineed, maar iedere onwaarachtigheid. In het Koninkrijk zal Gods wil niet alleen uitwendig worden opgelegd, maar ook innerlijk openbaar komen.

Oog om oog en liefde tot vijanden

Onder het oude bestel gold de regel van vergelding: oog om oog en tand om tand. In de Bergrede tekent de Heere de gezindheid die past bij Zijn Koninkrijk. Geen persoonlijke wraak, geen vergeldingsdrang, maar bereidheid om onrecht te verdragen. Ook de vijand moet niet gehaat maar liefgehad worden.

Daarin moeten de discipelen op hun Vader lijken. De oproep om volmaakt te zijn zoals de hemelse Vader volmaakt is, is niet oppervlakkig. Zij wijst op het doel: een leven dat het karakter van God weerspiegelt.

Matthéüs 6

Onze Vader in de hemelen

Voor Joodse oren moet het bijzonder hebben geklonken dat de Heere Jezus zo vaak over God sprak als Vader. In het Oude Testament was Gods liefde wel geopenbaard, maar de vrije, kinderlijke toegang tot Hem was nog niet zo bekendgemaakt als in het onderwijs van Christus.

De Heere spreekt in dit hoofdstuk herhaaldelijk over “uw Vader” en leert Zijn discipelen bidden tot “Onze Vader in de hemelen”. Daarmee opent Hij een kostbare waarheid. Tegelijk moet die waarheid niet vervalst worden.

Geen algemeen vaderschap van God in zaligmakende zin

Juist hier is veel dwaling ontstaan. Men spreekt graag over het algemene vaderschap van God en de broederschap van alle mensen. In de zin van de schepping is er een zekere waarheid in die uitdrukking: alle mensen zijn door God gemaakt. Maar in de zaligmakende zin is zij onjuist.

De Heere Jezus heeft zelf duidelijk gemaakt dat niet ieder mens vanzelf kind van God is. In het Evangelie naar Johannes blijkt dat alleen wie de Zoon aanneemt en uit God geboren wordt, kind van God genoemd kan worden. Het nieuwe leven, de wedergeboorte, is onmisbaar. Zonder wedergeboorte kan niemand het Koninkrijk Gods binnengaan.

Daarom mag de troostrijke waarheid van Gods vaderschap nooit gebruikt worden om kruis, bekering, geloof en wedergeboorte overbodig te maken. Buiten Christus is de mens geen kind van God in de volle, verlossende betekenis.

Verborgen godsdienst

Matthéüs 6 waarschuwt krachtig tegen uiterlijk vertoon in godsdienstige zaken. Geven, bidden en vasten mogen niet gedaan worden om gezien te worden door mensen. Wie leeft voor menselijke waardering, heeft zijn loon al ontvangen. Maar wie leeft voor God, zoekt het verborgene, want de Vader ziet in het verborgene.

Dat is niet alleen een les voor het toekomstige Koninkrijk. Het is ook voor ons een blijvend beginsel. God zoekt waarheid in het binnenste. Huichelarij, vroom uiterlijk vertoon en geestelijke schijn zijn Hem een gruwel.

Het gebed van het Koninkrijk

Het zogenaamde “Onze Vader” is een volmaakt gebed in zijn eigen verband. Het past bij de erfgenamen van het Koninkrijk en bij de omstandigheden waarin zij verkeren wanneer Gods Koninkrijk nabij is.

In dat gebed staat Gods naam, Gods Koninkrijk en Gods wil voorop. Daarna volgen de noden van de bidders: dagelijks brood, vergeving, bewaring en verlossing van de boze.

Voor de Gemeente gelden daarnaast de specifieke voorrechten die later duidelijk zijn geopenbaard. Gelovigen nu naderen God op grond van het volbrachte werk van Christus en bidden in de naam van de Heere Jezus. De apostolische brieven leren ons bovendien dat onze vergeving rust op Christus’ offer en niet op een voorwaarde die wij eerst moeten vervullen.

Dat neemt niet weg dat het “Onze Vader” een rijk en heilig voorbeeld blijft van gebed waarin Gods eer vooropstaat en de bidder leert leven uit afhankelijkheid.

Vergeving

In Matthéüs 6 wordt gesproken over vergeving in een koninkrijksverband. Daar blijkt dat een on  vergevingsgezinde houding onverenigbaar is met leven onder Gods regering. Wie zelf vergeving heeft ontvangen, zal ook anderen vergeven.

Voor de Gemeente is het fundament daarvan voluit geopenbaard: wij vergeven, omdat God ons in Christus vergeven heeft. Vergeving aan anderen is dus geen verdienste waardoor wij Gods genade verkrijgen, maar vrucht van de genade die wij al ontvangen hebben.

Schatten en het hart

De Heere waarschuwt ook tegen een verdeeld hart. Waar de schat is, daar zal het hart zijn. Wie leeft voor aardse rijkdom, leeft met een verduisterd oog. Wie leeft voor God, ontvangt licht.

Niemand kan twee heren dienen. Men kan niet tegelijk leven voor God en voor de mammon. Dat beginsel is onverminderd actueel. De vraag is steeds: waar ligt het zwaartepunt van het leven? In de hemel of op aarde? Bij God of bij het zichtbare?

Wees niet bezorgd

De erfgenamen van het Koninkrijk worden vervolgens vermaand niet bezorgd te zijn. De hemelse Vader weet wat zij nodig hebben. Daarom moeten zij eerst het Koninkrijk van God en Zijn gerechtigheid zoeken. Dan zal Hij geven wat nodig is.

Deze woorden zijn geen oproep tot zorgeloosheid of luiheid, maar tot vertrouwen. Wie de Vader kent, hoeft niet beheerst te worden door angst. De zorg voor morgen mag de gehoorzaamheid van vandaag niet verstikken.

Matthéüs 7

Principe en wet

In het laatste hoofdstuk van de Bergrede ontvouwt de Koning de grondbeginselen van Zijn Koninkrijk nog verder. Daarbij is het van belang onderscheid te maken tussen een moreel principe en een wettisch stelsel. De Gemeente staat niet onder de wet van Mozes en ook niet onder de koninkrijkswet van Matthéüs 5 tot 7. Maar de morele beginselen die daarin openbaar worden, blijven wel van kracht.

Oordeelt niet

De woorden “Oordeelt niet” worden vaak verkeerd gebruikt, alsof iedere vorm van geestelijk onderscheid of tucht verboden zou zijn. Dat kan niet juist zijn, want elders geeft de Schrift duidelijke aanwijzingen voor tucht in de Gemeente en voor het oordelen van openlijk kwaad.

De bedoeling is niet dat Gods volk nooit iets mag beoordelen, maar dat men niet hoogmoedig, blind of huichelachtig oordeelt. Wie een ander wil helpen, moet eerst de balk uit zijn eigen oog laten wegnemen. Zelfoordeel gaat vooraf aan het terechtbrengen van een ander.

De Schrift verbiedt vooral het oordelen over verborgen motieven van het hart. Die kent God alleen. Openbaar kwaad moet echter wel degelijk worden onderkend en veroordeeld.

Heilige dingen en geestelijk onderscheid

De erfgenaam van het Koninkrijk moet onderscheidingsvermogen hebben. Hij mag het heilige niet aan honden geven en zijn parels niet voor zwijnen werpen. Dat vraagt wijsheid van boven. Daarom klinkt ook de oproep om te vragen, te zoeken en te kloppen. God geeft wijsheid aan wie Hem daarom bidden.

Daarbij geldt de gouden regel: alles wat gij wilt dat u de mensen doen, doet gij hun ook zo. Daarmee vat de Heere de wet en de profeten samen in een praktisch beginsel van liefde en recht.

De enge poort en de smalle weg

Er zijn twee wegen en twee bestemmingen. De brede weg leidt tot het verderf. De smalle weg leidt tot het leven. De poort is eng en de weg is nauw, niet omdat Christus onvoldoende is, maar omdat er buiten Hem geen andere toegang is.

Dat is ook vandaag een indringende waarschuwing. De geest van de tijd prijst breedheid, vaagheid en grenzeloze verdraagzaamheid. Maar de Heere wijst één weg aan. Wie Hem volgt, moet bereid zijn smaad te dragen en buiten de brede stroom te staan.

Valse profeten

De Koning waarschuwt uitdrukkelijk voor valse profeten. Zij komen in schaapskleren, maar zijn van binnen roofgierige wolven. Hun ware aard blijkt uit hun vruchten. Een boom wordt gekend aan zijn vrucht. Valse leer en valse profetie moeten getoetst worden aan het Woord van God.

Uiterlijke godsdienstige activiteit is daarvoor geen afdoende maatstaf. Iemand kan spreken, wonderen doen en zelfs indrukwekkend optreden in de naam van de Heere, en toch door Hem niet gekend worden. Uiteindelijk gaat het niet om religieuze prestaties, maar om een werkelijke relatie tot Christus, zichtbaar in gehoorzaamheid aan Zijn wil.

Horen en doen


De Bergrede eindigt met de tegenstelling tussen twee bouwers. De wijze man hoort de woorden van de Heere en doet ze. Daarom bouwt hij op de rots. De dwaze man hoort ze ook, maar doet ze niet. Daarom stort zijn huis in.

Het beslissende punt is dus niet alleen horen, maar gehoorzamen. Niet bewondering voor Jezus, maar onderwerping aan Hem. Niet godsdienstig enthousiasme, maar een bestaan gebouwd op Zijn woord.

De grote Leraar en de komende Koning

De scharen stonden versteld over Zijn onderwijs, want Hij sprak met gezag. Dat gezag ligt niet alleen in de schoonheid van Zijn woorden, maar in Zijn Persoon. Hij is de grote Leraar, de eeuwige Rots en de komende Koning.

Nu roept Hij uit de volken een Gemeente voor Zijn naam. Maar daarmee is Gods plan met Israël en met het Koninkrijk niet vervallen. De profeten hebben gesproken over het herstel van Davids vervallen hut en over de dag waarop de Messias zal heersen over de aarde.

Dan zal Zijn Koninkrijk openbaar worden. Dan zal gerechtigheid bloeien, vrede de aarde vullen en de kennis van de heerlijkheid van de HEERE overal zijn. Daarop ziet de Bergrede vooruit. Zij tekent niet slechts een ideaal, maar de beginselen van de regering van de Koning.

De Bergrede mag daarom niet worden losgemaakt van het kruis, niet worden versmald tot algemene moraal en ook niet worden omgevormd tot een verdienstelijke weg naar God. Zij moet gelezen worden in het licht van Gods heilsplan, van het onderscheid tussen Koninkrijk en Gemeente, en van de komende openbaring van de Messias.

Juist dan krijgt dit onderwijs zijn volle gewicht. Dan blijkt hoe heilig Gods norm is, hoe volmaakt Zijn Koninkrijk zal zijn en hoe groot de Koning is Die sprak. En tegelijk leert de gelovige dan ook nu al leven uit de geestelijke beginselen die in deze rede oplichten: ootmoed, oprechtheid, afhankelijkheid, barmhartigheid, trouw, zelfoordeel, geestelijk onderscheid en verwachting van de komende Heer.

zie ook:

https://www.genade.info/?s=bergrede

Uitverkiezing in de Bijbel: geen fatalisme maar Gods voornemen in Christus

Uitverkiezing in de Bijbel: geen heilige mist, maar vaak een misbruikte leer

Er zijn weinig leerstukken waar zoveel verwarring, spanning en geestelijke schade omheen hangt als de leer van de uitverkiezing. Wat in de Schrift een rijke troost is in Christus, is in de handen van mensen vaak veranderd in een koude mistbank. Het evangelie wordt dan niet helderder, maar donkerder. Christus verdwijnt naar de achtergrond, en in Zijn plaats komt een systeem. De zondaar wordt niet opgeroepen om te zien op de Zoon van God, maar gaat eindeloos in zichzelf graven: ben ik wel gekozen, hoor ik er misschien niet bij, is de belofte wel echt voor mij?

Zo verandert een woord in een geestelijke wurggreep

En laten we het maar eerlijk zeggen: veel populaire voorstellingen van uitverkiezing lijken minder op apostolische prediking en meer op religieus fatalisme. Dan heet het: de mens kan niets, de mens mag niets, de mens kan alleen maar afwachten of God misschien ooit iets in hem doet. Geloof wordt dan geen gehoorzaamheid aan Gods Woord meer, maar een soort ongrijpbare hemelse injectie die je al dan niet krijgt. De oproep van het evangelie klinkt nog wel, maar wordt feitelijk uitgehold.

Dat is niet de stem van de Schrift.

De Bijbel leert niet dat wij eerst in een verborgen besluit moeten kijken. De Bijbel wijst ons naar Christus. Dáár begint het. Dáár ligt het centrum. Dáár wordt uitverkiezing licht in plaats van mist.

Uitverkiezing begint bij Christus

Zodra het gesprek over uitverkiezing begint, schiet men vaak meteen naar de mens. Ben ik uitverkoren? Zijn bepaalde mensen gekozen en anderen niet? Maar de Schrift begint daar niet. De Schrift begint bij de Uitverkorene Zelf.

Over de Messias staat geschreven:

“Ziet, Mijn Knecht, Dien Ik ondersteun, Mijn Uitverkorene, in Denwelken Mijn ziel een welbehagen heeft! Ik heb Mijn Geest op Hem gegeven; Hij zal het recht den heidenen voortbrengen.” Jesaja 42:1 (STV)

En Petrus zegt over Christus:

“Tot Welken komende, als tot een levenden Steen, van de mensen wel verworpen, maar bij God uitverkoren en dierbaar.” 1 Petrus 2:4 (STV)

Dat is geen bijzinnetje. Dat is het fundament. Christus is de Uitverkorene van God. Wie dus over uitverkiezing wil spreken, moet niet beginnen bij een verborgen selectie van losse individuen, maar bij Gods geopenbaarde verkiezing van Zijn Zoon. God heeft Zijn gehele heilsplan vastgemaakt aan Hem. Alles wat God aan zegen, heerlijkheid, erfdeel, rechtvaardigheid, zoonschap en toekomst heeft vastgesteld, heeft Hij vastgesteld in Christus.

Dat betekent ook dat de leer van de uitverkiezing buiten Christus niet alleen onvolledig is, maar gevaarlijk wordt. Dan houd je geen evangelie meer over, maar een schema. Geen blijde boodschap, maar een gesloten systeem. Geen benaderbare Zaligmaker, maar een verborgen mechaniek.

 

Efeze 1 zegt niet wat men er vaak van maakt

Het hoofdstuk dat het vaakst wordt aangehaald, is Efeze 1. Maar juist dat hoofdstuk wordt vaak gelezen alsof Paulus zou zeggen dat God in de eeuwigheid willekeurig individuen heeft uitgezocht, nog voordat Christus überhaupt ter sprake komt.

Dat is niet wat er staat.

Paulus schrijft:

“Gelijk Hij ons uitverkoren heeft in Hem, vóór de grondlegging der wereld, opdat wij zouden heilig en onberispelijk zijn voor Hem in de liefde.” Efeze 1:4 (STV)

Die woorden “in Hem” zijn beslissend. Niet naast Hem. Niet buiten Hem. Niet los van Hem. In Hem.

Even verder zegt Paulus:

“Die ons te voren verordineerd heeft tot aanneming tot kinderen, door Jezus Christus, in Zichzelven, naar het welbehagen van Zijn wil.” Efeze 1:5 (STV)

En:

“In Welken wij ook een erfdeel geworden zijn, wij, die te voren verordineerd waren naar het voornemen Desgenen, Die alle dingen werkt naar den raad van Zijn wil.” Efeze 1:11 (STV)

Paulus stapelt het op: in Hem, door Jezus Christus, in Welken. Zijn punt is niet dat Christus een uitvoerder zou zijn van een besluit dat elders al buiten Hem lag vastgelegd. Nee, Gods voornemen ligt juist in Christus verankerd. Hij is het Hoofd. Hij is de Geliefde. Hij is de Erfgenaam. Hij is de Eerstgeborene. En wie in Hem is, deelt in alles wat van Hem is.

Dat is de lijn van Efeze 1. En zodra men die lijn verlaat, misbruikt men de tekst.

 

De gelovige deelt in Christus, en dus in Zijn verkiezing

De Bijbel leert niet dat de gelovige eerst als individu is uitverkoren en daarna eventueel nog met Christus verbonden wordt. De Bijbel leert dat God Zijn voornemen met Christus heeft vastgesteld, en dat gelovigen door het geloof aan Hem worden toegevoegd en daardoor deel krijgen aan alles wat in Hem is.

Paulus zegt:

“Want gij zijt allen kinderen Gods door het geloof in Christus Jezus.” Galaten 3:26 (STV)

En ook:

“Want zovelen als gij in Christus gedoopt zijt, hebt gij Christus aangedaan.” Galaten 3:27 (STV)

En:

“En indien gij van Christus zijt, zo zijt gij dan Abrahams zaad, en naar de beloftenis erfgenamen.” Galaten 3:29 (STV)

Dat is de volgorde van de Schrift. Niet: eerst individueel erfgenaam, daarna misschien geloof. Maar: door geloof in Christus, en zo erfgenaam. Door geloof in Christus, en zo kind van God. Door geloof in Christus, en zo deel aan wat God in Hem heeft bereid.

Daarom is het ook zo schadelijk wanneer zoekende mensen niet naar Christus worden gewezen, maar naar een verborgen besluit. De Schrift roept de mens niet op om eerst te ontdekken of hij misschien op een geheime lijst staat. De Schrift roept de mens op om te geloven in Gods Zoon.

“Die in den Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven; maar die den Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem.” Johannes 3:36 (STV)

Dát is helder. Dat is publiek. Dat is evangelie. Daar is geen mistbank van gemaakt, behalve door mensen.

 

Geen aanneming des persoons betekent géén willekeurige hemelse loterij

Een groot deel van de verwarring ontstaat doordat men Gods soevereiniteit verwart met willekeur. Maar Gods soevereiniteit is geen heilige grilligheid.

De Schrift zegt:

“Want er is geen aanneming des persoons bij God.” Romeinen 2:11 (STV)

En ook:

“En indien gij tot een Vader aanroept Dengene, Die zonder aanneming des persoons oordeelt naar eens iegelijks werk, zo wandelt in vreze den tijd uwer inwoning.” 1 Petrus 1:17 (STV)

God ziet niet zoals mensen zien. De mens ziet aan wat voor ogen is, maar de Heere ziet het hart aan. Dat betekent niet dat God niet verkiest. Natuurlijk verkiest God. Maar Zijn verkiezing is niet een blinde loting waarbij de mens op een mysterieuze manier passief overgeleverd is aan een onbekende uitslag.

De Schrift verbindt Gods handelen steeds met Zijn waarheid, Zijn Woord, Zijn voornemen in Christus en de roeping tot geloof.

“Doch dengene, die niet werkt, maar gelooft in Hem, Die den goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot rechtvaardigheid.” Romeinen 4:5 (STV)

Dat vers is dodelijk voor elke gedachte dat het Evangelie eigenlijk geen echte oproep zou zijn. God rechtvaardigt de goddeloze die gelooft. Niet de goddeloze die eerst een verborgen decreet heeft uitgeplozen. Niet de goddeloze die wacht op een ondefinieerbare ervaring. Maar de goddeloze die gelooft.

 

Israël was uitverkoren, maar niet op de manier waarop men het begrip vaak misbruikt

Ook in het Oude Testament gebruikt de Schrift het woord uitverkiezing voor Israël. Maar daaruit maakt men vaak meteen een karikatuur: alsof uitverkiezing automatisch zou betekenen dat elk individu binnen dat volk zonder meer tot eeuwige zaligheid was bestemd. Dat is niet de Bijbelse lijn.

“Want gij zijt een heilig volk den HEERE, uw God; u heeft de HEERE, uw God, verkoren, dat gij Hem tot een volk des eigendoms zoudt zijn uit al de volken, die op den aardbodem zijn.” Deuteronomium 7:6 (STV)

Israël was uitverkoren als volk, tot een plaats in Gods heilsplan, tot een roeping, tot een bediening, tot een positie op aarde. Daaruit volgt niet dat elk individu zalig was. Het begrip uitverkiezing heeft in de Schrift dus een doelgerichte, verbondsmatige en heilshistorische lading. Juist daarom is het zo verkeerd om het begrip meteen te versmallen tot een filosofische formule over individuele hemelbestemming.

Paulus laat in Romeinen 9 tot 11 ook zien dat Gods Woord niet is uitgevallen, en dat niet allen Israël zijn die uit Israël zijn.

“Niet, dat het woord Gods ware uitgevallen; want die zijn niet allen Israël, die uit Israël zijn.” Romeinen 9:6 (STV)

Dat betekent: je moet Bijbelse termen Bijbels laten spreken. Niet ieder gebruik van verkiezing betekent hetzelfde. Maar overal blijft staan dat God Zijn plan uitvoert in overeenstemming met Zijn beloften, Zijn verbondstrouw en uiteindelijk in Christus.

 

Geloof en verantwoordelijkheid in de Bijbel

Zodra iemand kritiek uit op een fatalistische uitverkiezingsleer, komt meestal snel de tegenwerping: dan maakt u de mens bepalend. Maar dat is een valse tegenstelling. De Schrift leert voluit dat de zaligheid uit Genade is. Tegelijk roept zij de mens werkelijk tot geloof en bekering.

“Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave.” Efeze 2:8 (STV)

Maar dezelfde Schrift zegt ook:

“Bekeert u, en gelooft het Evangelie.” Markus 1:15 (STV)

En:

“Geloof in den Heere Jezus Christus, en gij zult zalig worden, gij en uw huis.” Handelingen 16:31 (STV)

Die oproepen zijn geen toneelstuk. Dat zijn geen bevelen aan mensen die eigenlijk niets anders kunnen doen dan passief afwachten of zij misschien ooit in aanmerking komen. God spreekt werkelijk. God roept werkelijk. God beveelt alle mensen overal dat zij zich bekeren.

“God dan, de tijden der onwetendheid overzien hebbende, verkondigt nu allen mensen alom, dat zij zich bekeren.” Handelingen 17:30 (STV)

De verantwoordelijkheid van de mens is dus echt. Het ongeloof van de mens is ook echt zijn schuld. Jezus zegt niet: gij kunt onmogelijk komen omdat gij niet op een lijst staat.

Hij zegt:

“En gij wilt tot Mij niet komen, opdat gij het leven moogt hebben.” Johannes 5:40 (STV)

Dáár ligt de schuld. Niet in het Evangelie. Niet in Christus. Niet in de oprechtheid van Gods roepstem. Maar in de halsstarrigheid van het menselijke hart.

 

Romeinen 8 is troost in Christus, geen recept voor wanhoop

Romeinen 8 wordt vaak aangevoerd alsof het een onwrikbaar filosofisch stappenplan zou zijn dat mensen naar binnen moet laten kijken. Maar Paulus schrijft het juist om gelovigen in Christus te vertroosten.

“Want die Hij te voren gekend heeft, die heeft Hij ook te voren verordineerd, den beelde Zijns Zoons gelijkvormig te zijn, opdat Hij de Eerstgeborene zij onder vele broederen.” Romeinen 8:29 (STV)

Ook hier staat Christus centraal. Het doel is dat Hij de Eerstgeborene zou zijn onder vele broederen. God werkt dus naar een Christusvormig einddoel. Het gaat om Gods voornemen met Zijn Zoon en met allen die aan Hem verbonden zijn.

Daarom klinkt vervolgens:

“Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? God is het, Die rechtvaardig maakt.” Romeinen 8:33 (STV)

Waarom kan niemand aanklagen? Omdat de gelovige in Christus is. Waarom kan niemand verdoemen? Omdat Christus gestorven is, opgewekt is en aan Gods rechterhand is.

“Wie is het, die verdoemt? Christus is het, Die gestorven is; ja, wat meer is, Die ook opgewekt is, Die ook ter rechterhand Gods is, Die ook voor ons bidt.” Romeinen 8:34 (STV)

Kijk wat Paulus doet. Hij stuurt de gelovige niet naar een verborgen besluit achter Christus, maar naar Christus Zelf. Daar ligt de zekerheid. Niet in speculatie, maar in de Middelaar. Niet in een schema, maar in de levende Heere.

 

De pastorale ramp van verkeerd spreken over uitverkiezing

Hier wordt het werkelijk ernstig. Want een verkeerde uitverkiezingsleer is niet alleen een exegetische fout. Zij kan zielen kapotmaken.

Hoeveel mensen zijn niet grootgebracht met de gedachte dat zij vooral niet te snel mochten geloven? Dat de beloften misschien niet voor hen waren? Dat zij eerst moesten wachten op een bijzonder bewijs dat God persoonlijk met hen bezig was? Dat Christus niet eenvoudig mocht worden aangenomen op Zijn Woord? Dat men vooral geen “algemene” nodiging te ruim moest maken?

Dat is geestelijk gif.

Want zo wordt de blik van de zondaar afgewend van Christus. Zo wordt het evangelie verdacht gemaakt. Zo worden zoekende mensen niet eenvoudig gewezen op de Heere Jezus, maar vastgezet in een kring van zelfonderzoek, twijfel en vrome wanhoop.

Maar wat zegt de Heere Jezus?

“En dit is de wil Desgenen, Die Mij gezonden heeft, dat een iegelijk, die den Zoon aanschouwt, en in Hem gelooft, het eeuwige leven hebbe; en Ik zal hem opwekken ten uitersten dage.” Johannes 6:40 (STV)

Dat is niet gesloten. Dat is niet mistig. Dat is niet dubbelzinnig. Dat is een geopende Christus voor verlorenen.

En nog krachtiger:

“Al wat Mij de Vader geeft, zal tot Mij komen; en die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen.” Johannes 6:37 (STV)

Let daarop. De mens die komt, wordt niet teruggestuurd met de boodschap dat hij eerst moet uitzoeken of hij wel uitverkoren is. Christus zegt: “die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen.” Daar hoort het geloof op te rusten.

 

Bijbels spreken over uitverkiezing bewaart zowel Gods eer als de oproep van het Evangelie

De kracht van de Schrift is dat zij geen tegenstelling maakt waar mensen die maken. God is soeverein. De mens is verantwoordelijk. Christus is de Uitverkorene. De gelovige deelt in Zijn verkiezing. Het evangelie moet aan alle creaturen gepredikt worden. Ieder die gelooft, heeft het eeuwige leven.

Dat is geen menselijke logica, maar Bijbelse volheid.

De fout ontstaat pas wanneer men één lijn zo doordrukt dat alle andere lijnen worden weggevaagd. Wie alleen nog over soevereiniteit spreekt en de oprechte nodiging van het evangelie praktisch uitschakelt, predikt niet meer zoals de Schrift spreekt. Maar wie uit angst voor misbruik Gods verkiezend handelen ontkent, doet evenmin recht aan het Woord.

De Schrift houdt beide vast. Maar zij doet dat altijd met Christus in het midden.

Paulus schrijft:

“Maar uit Hem zijt gij in Christus Jezus, Die ons geworden is wijsheid van God, en rechtvaardigheid, en heiligmaking, en verlossing.” 1 Korinthe 1:30 (STV)

En opnieuw:

“Gezegend zij de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in den hemel in Christus.” Efeze 1:3 (STV)

Daar ligt de rijkdom. Niet in een scholastiek systeem. Niet in het eindeloos ontwarren van menselijke redeneringen. Maar in Christus.

 

De vraag die er toe doet

U hoeft niet in Gods verborgen raad te kijken. Dat kunt u niet. U hoeft geen decreten open te breken. U hoeft geen geheim register in te zien. U wordt geroepen om te doen wat God in Zijn Woord van u vraagt: te luisteren naar Zijn Zoon, u te bekeren, en te geloven in het evangelie.

De vraag is dus niet: hoe kom ik achter een verborgen lijst?

De vraag is: wat doet u met Christus?

Want buiten Hem is er geen leven. Buiten Hem is er geen rechtvaardigheid. Buiten Hem is er geen vrede met God. Buiten Hem blijft alleen schuld en oordeel over. Maar in Hem ligt alles wat de zondaar nodig heeft.

“Die den Zoon heeft, die heeft het leven; die den Zoon van God niet heeft, die heeft het leven niet.” 1 Johannes 5:12 (STV)

Daarom is de zaak tegelijk eenvoudig en ernstig. Niet eenvoudig in de zin van oppervlakkig. Maar eenvoudig in de zin van helder. God heeft Zijn Zoon gegeven. God heeft Zijn evangelie laten verkondigen. God roept. God beveelt. God belooft. En de mens die zich daartegen verhardt, zal niet kunnen zeggen dat de deur dicht was. Hij heeft de deur zelf geweigerd binnen te gaan.

 

De enige veilige plaats: in Christus

De leer van de uitverkiezing is in de Bijbel geen koude kelder waar zoekende zielen in opgesloten moeten worden. Zij is een hemels venster waardoor Gods genade in Christus des te heerlijker schittert. Maar zodra mensen die leer losmaken van de Zoon van God, maken zij er iets duisters van. Dan wordt troost een bedreiging. Dan wordt zekerheid een raadsel. Dan wordt evangelie een gesloten systeem.

Dat moet radicaal worden afgewezen.

Christus is Gods Uitverkorene. En wie in Hem is, deelt in alles wat God in Hem heeft weggelegd. Dáár ligt de troost. Dáár ligt de zekerheid. Dáár ligt de rijkdom van Gods voornemen. Niet in een verborgen schema achter Christus, maar in Christus Zelf.

Daarom: houd op met turen in de nevel van menselijke systemen. Houd op met luisteren naar stemmingen die u van de Zaligmaker afleiden. Houd op met het verwarren van Bijbelse verkiezing met heidens noodlot.

Zie op de Zoon.

Buig voor Gods Woord.

Geloof het Evangelie.

Want de vraag die u eenmaal zal veroordelen of redden, is niet of u genoeg over uitverkiezing hebt kunnen redeneren. De vraag is wat u gedaan hebt met de Here Jezus Christus, de Uitverkorene van God.

zie ook:

De uitverkiezingsleer en de dubbele uitverkiezing in het licht van de Bijbel – Bijbelse basis

Bekering: Geloof als levensveranderende persoonlijke keuze – Bijbelse basis

Kritiek op het Calvinisme – Bijbelse basis

Ben ik wel uitverkoren? – Bijbelse basis

Extern:

De Gemeente als Tempel – Alleen Geloof

 

Hoe spreekt God vandaag? Niet door innerlijke stemmen, maar door Zijn Woord

Hoe spreekt God vandaag?

In veel evangelische en charismatische kringen klinkt het bijna vanzelfsprekend: “God sprak tot mij”, “de Heere liet mij zien”, “ik kreeg een woord”. Het klinkt vroom. Het klinkt geestelijk. Het klinkt vaak ook indrukwekkend.

Maar juist daarin schuilt het gevaar. Want zodra persoonlijke indrukken, ingevingen en innerlijke overtuigingen de plaats innemen van het geschreven Woord, schuift de gelovige op van vaste grond naar drijfzand.

Dan wordt geloof niet langer rusten op Gods openbaring, maar jagen op ervaring. Dan wordt geestelijkheid niet langer gemeten aan trouw aan de Schrift, maar aan het aantal keren dat iemand beweert dat God iets “gezegd” heeft.

De beslissende vraag is daarom niet: wat voel ik?
De beslissende vraag is: wat heeft God gesproken?

En de Bijbel geeft daarop een helder en afdoend antwoord:

“God voortijds veelmaal en op velerlei wijze, tot de vaderen gesproken hebbende door de profeten, heeft in deze laatste dagen tot ons gesproken door den Zoon” Hebreeën 1:1-2 (STV)

Dat is het uitgangspunt. God heeft in deze laatste dagen gesproken door de Zoon. Niet door een eindeloze stroom losse ingevingen. Niet door religieuze mist. Niet door een vaag innerlijk fluisteren dat niemand kan toetsen. Maar door de Zoon.

 

Niet ervaring maar openbaring

Wie wil weten hoe God vandaag spreekt, moet niet beginnen bij menselijke ervaring, maar bij goddelijke openbaring. God heeft Zich geopenbaard in Zijn Zoon. En die Zoon wordt ons, als normgevend, bekendgemaakt in de Schrift.

De Heere Jezus verwees mensen niet naar hun innerlijke belevingswereld, maar naar de Schriften:

“Onderzoekt de Schriften; want gij meent in dezelve het eeuwige leven te hebben; en die zijn het, die van Mij getuigen.” Johannes 5:39 (STV)

En in het Hogepriesterlijk gebed zei Hij:

“Heilig hen in Uw waarheid; Uw woord is de waarheid.” Johannes 17:17 (STV)

Dat is beslissend. Gods Woord is de waarheid. Niet onze ervaring. Niet onze indruk. Niet onze sfeer. Niet onze geestelijke intuïtie.

Gods Woord.

God spreekt vandaag door Zijn Zoon in de Schrift

De vraag is dus niet of God vandaag nog spreekt. De vraag is hoe Hij spreekt. De Schrift leert niet dat de gemeente moet leven van telkens nieuwe openbaringen, maar van het reeds gegeven Woord van God.

God heeft gesproken door de Zoon. Dat betekent dat Zijn spreken vandaag niet gezocht moet worden in subjectieve stemmingen, maar in het getuigenis dat God ons van Zijn Zoon heeft gegeven. De gemeente leeft niet van losse ingevingen, maar van de openbaring van Christus in de Schrift.

Juist daarom is het zo gevaarlijk wanneer iemand zonder aarzeling zegt: “God zei tegen mij.” Daarmee krijgt een persoonlijke overtuiging bijna automatisch goddelijk gewicht. En wie durft daar dan nog tegenin te gaan? Wie durft nog te toetsen? Maar dat is juist wat de gemeente moet doen: niet alles bewonderen, maar alles beproeven.

 

De Heilige Geest spreekt nooit buiten het Woord om

Tegenwerping: maar de Heilige Geest spreekt toch ook vandaag? Zeker, de Heilige Geest werkt vandaag werkelijk. Zonder Hem verstaat niemand Gods Woord, wordt niemand overtuigd van zonde en leert niemand Christus kennen.

Maar de vraag is niet óf de Geest werkt. De vraag is hoe Hij werkt.

De Schrift zegt:

“Maar wanneer Die zal gekomen zijn, namelijk de Geest der waarheid, Hij zal u in al de waarheid leiden… Hij zal Mij verheerlijken; want Hij zal het uit het Mijne nemen, en zal het u verkondigen.” Johannes 16:13-14 (STV)

De Geest verheerlijkt Christus. De Geest wijst niet weg van het Woord, maar naar het Woord. Hij schrijft geen nieuwe canon in het gevoel van de gelovige. Hij opent de Schrift, verlicht het verstand en past Gods waarheid toe aan het hart.

Daarom is de Bijbelse lijn niet: verwacht steeds nieuwe woorden.
De Bijbelse lijn is: buig voor het Woord dat God gegeven heeft.

 

Waarom innerlijke stemmen zo gevaarlijk zijn

Hier gaat het in de praktijk vaak mis. Zodra iemand zegt: “God zei tegen mij…”, krijgt een menselijke gedachte opeens bijna onaantastbaar gezag.

Een ingeving wordt verheven tot goddelijke leiding. Een gevoel krijgt preekstoelgewicht. En wie daar vragen bij stelt, loopt al snel het risico als ongeestelijk te worden weggezet.

Maar de Bijbel roept niet op tot goedgelovigheid, maar tot toetsing:

“Geliefden, gelooft niet een iegelijken geest, maar beproeft de geesten, of zij uit God zijn” 1 Johannes 4:1 (STV)

Een innerlijke indruk kan uit veel bronnen voortkomen: verlangen, angst, emotie, groepsdruk, religieuze opwinding of gewone menselijke verbeelding.

Het probleem is dus niet alleen dat mensen zich kunnen vergissen. Het probleem is dat zij hun vergissing heiligen met de woorden: God sprak.

En zodra dat gebeurt, vervaagt het onderscheid tussen Gods onfeilbare openbaring en menselijke subjectiviteit. Dan raakt de gemeente haar anker kwijt.

“Tot de wet en tot de getuigenis! zo zij niet spreken naar dit woord, het zal zijn, dat zij geen dageraad zullen hebben.” Jesaja 8:20 (STV)

Dat blijft de toetssteen. Niet: is het indrukwekkend? Niet: is het ontroerend? Niet: voelt het diep? Maar: spreekt het naar dit Woord?

 

Gods Woord is genoeg

Achter de honger naar nieuwe woorden schuilt vaak een pijnlijke gedachte: de Schrift zou kennelijk niet genoeg zijn. Alsof de Bijbel wel een basis geeft, maar de echte leiding pas komt via innerlijke ingevingen.

Alsof Gods openbaring nog aangevuld moet worden met persoonlijke boodschappen.

Maar Paulus spreekt radicaal anders:

“Al de Schrift is van God ingegeven, en is nuttig tot lering, tot wederlegging, tot verbetering, tot onderwijzing, die in de rechtvaardigheid is; Opdat de mens Gods volmaakt zij, tot alle goed werk volmaaktelijk toegerust.” 2 Timotheüs 3:16-17 (STV)

Let op de kracht van die woorden. De Schrift rust toe tot alle goed werk. Niet tot een deel. Niet tot een beginstadium. Niet totdat er extra openbaring komt.

Maar tot alle goed werk.

Wie dus leert dat de gelovige voor wezenlijke richting, leiding of zekerheid afhankelijk is van woorden buiten de Schrift om, tast de genoegzaamheid van de Schrift aan.

 

Geloof leeft uit het Woord, niet uit ingeving

De Schrift zegt niet dat geloof ontstaat uit ervaringen, of indrukken.. De Schrift zegt:

“Zo is dan het geloof uit het gehoor, en het gehoor door het Woord Gods” Romeinen 10:17 (STV)

Dat is Gods orde. Het geloof leeft uit het gehoor van Gods Woord. Niet uit spontane ingevingen. Niet uit innerlijke stemmingen. Niet uit religieuze sensaties.

Juist daarom staat een eenvoudige gelovige met een open Bijbel veiliger dan een religieuze enthousiasteling met honderd indrukken.

 

God leidt Zijn kinderen

Daarmee is niet gezegd dat God afstandelijk is. Integendeel. God leidt Zijn kinderen echt. Hij onderwijst, vermaant, troost, opent deuren en sluit deuren in Zijn voorzienigheid.

Maar Zijn leiding is nooit een vrijbrief voor subjectivisme.

“Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad.” Psalm 119:105 (STV)

Dat beeld is veelzeggend. Een lamp voor de voet. Niet een schijnwerper over heel de toekomst. Niet een hoorbare stem bij elke afslag.

Maar genoeg licht om in gehoorzaamheid stap voor stap te wandelen.

Dat is minder sensationeel dan veel moderne taal over leiding. Maar het is wel Bijbels. En veilig.

 

Hoe hoor je werkelijk Gods stem?

Dat is uiteindelijk de kernvraag. Niet: hoe krijg ik een bijzondere ervaring? Niet: hoe ontvang ik een persoonlijk woord? Maar: hoe hoor ik werkelijk Gods stem?

Het antwoord van de Schrift is eenvoudig: door het Woord te openen, het Woord te geloven en het Woord te gehoorzamen.

Wie de Bijbel alleen gebruikt als bevestiging van reeds bestaande ingevingen, hoort Gods stem niet zuiver.

Wie de Schrift slechts inzet als religieuze versiering rond een innerlijke ervaring, zet de volgorde op zijn kop. Eerst sprak God, daarna heeft de mens te luisteren.

Werkelijk luisteren naar Gods stem vraagt daarom niet om meer mystiek, maar om meer onderwerping. Niet om een hogere sfeer, maar om diepere gehoorzaamheid.

 

Het profetische Woord is zeer vast

Petrus verwijst gelovigen niet naar zwevende religieuze ervaring, maar naar de vastheid van Gods openbaring:

“Wij hebben het profetische woord, dat zeer vast is, en gij doet wel, dat gij daarop acht hebt, als op een licht, schijnende in een duistere plaats” 2 Petrus 1:19 (STV)

Let op: zeer vast. Dat is precies wat innerlijke stemmen niet zijn. Zij zijn persoonlijk, niet toetsbaar, vaak wisselend en geregeld tegenstrijdig.

Maar het profetische Woord is zeer vast.

De gemeente heeft geen nieuwe stemmen nodig. De kerk heeft oude trouw nodig. Geen extra openbaring, maar hernieuwde onderwerping aan wat God al gesproken heeft.

 

De gemeente heeft geen nieuwe woorden nodig

Dit is geen onschuldige nuancekwestie. Zodra iemand gewend raakt aan subjectief spreken namens God, verschuift ook het gezag in de gemeente. Dan wordt niet langer gevraagd: wat staat er geschreven? Dan wordt de vraag: wie had een woord?

En dan krijgen de meest stellige stemmen vaak het meeste gewicht. Niet de meest schriftgetrouwe. Niet de meest ootmoedige. Niet de meest zorgvuldige. Maar de meest zelfverzekerde.

Daarmee wordt de weg geopend voor manipulatie, geestelijke druk en misleiding. Mensen durven niet meer tegen te spreken, want dan spreken zij zogenaamd tegen God.

Zo wordt menselijke overtuiging verabsoluteerd. En dat is geestelijk le-vens-gevaarlijk.

De gemeente van Christus wordt niet gebouwd op subjectieve ingevingen, maar op het fundament van Gods geopenbaarde waarheid.

 

De crisis van deze tijd

De crisis van deze tijd is niet dat God zwijgt. De crisis is dat mensen niet meer tevreden zijn met de wijze waarop Hij gesproken heeft. Men wil iets directers. Iets spannenders. Iets persoonlijkers. Iets dat meer indruk maakt dan eenvoudig Schriftgeloof.

Maar de hemel heeft niet gezwegen. De hemel heeft gesproken in de Zoon. En de stem van de Zoon klinkt in de Schrift.

Wie méér zoekt dan dat, zoekt niet dieper, maar verder weg.

De moderne christenheid zegt graag dat zij verlangt naar Gods stem. Maar vaak bedoelt zij daarmee niet de heldere stem van de Schrift, maar iets dat spannender, directer en persoonlijker voelt. En precies daar zit het probleem.

Want zodra de mens méér wil dan God gegeven heeft, eindigt hij meestal met minder:

minder zekerheid,
minder toetsbaarheid,
minder eerbied voor het Woord,
en uiteindelijk ook minder waarheid.

Hoe spreekt God vandaag?

God spreekt vandaag door Zijn Zoon.
God spreekt vandaag door de Schrift.
God spreekt vandaag door Zijn Geest, Die de Schrift opent en toepast.
God spreekt niet buiten Zijn Woord om.
God spreekt niet boven Zijn Woord uit.
God spreekt niet tegen Zijn Woord in.

Wie Gods stem wil horen, moet daarom niet eerst naar binnen luisteren, maar de Bijbel openen.

“Mijn schapen horen Mijn stem, en Ik ken dezelve, en zij volgen Mij.” Johannes 10:27 (STV)

Die stem is geen mistige stroom van subjectieve ingevingen. Het is de stem van de goede Herder, helder hoorbaar in Zijn Woord.

En juist daar ligt de grote toets van onze tijd: niet of wij veel zeggen over Gods spreken, maar of wij nog sidderen voor wat Hij gesproken heeft.

“Wij hebben het profetische woord, dat zeer vast is, en gij doet wel, dat gij daarop acht hebt, als op een licht, schijnende in een duistere plaats” 2 Petrus 1:19 (STV)

Misschien is het tijd om minder te praten over wat “God tegen mij zei” en meer te buigen voor wat Hij gezegd heeft. De gemeente wordt niet gebouwd door mystieke indrukken, maar door het Woord van God. En de gelovige groeit niet door ‘innerlijke stemtaal’, maar door waarheid. Daar ligt de stem van de goede Herder: vast, helder en genoegzaam.

 

Hoor jij in jouw omgeving ook vaak uitspraken als: “God zei tegen mij” of “de Heere liet mij zien”? En wordt dat nog echt getoetst aan de Schrift? Laat het weten in de reacties.

 

zie ook:

God spreekt over Zijn Zoon – Bijbelse basis

extern:

Spreekt God nog steeds?

 

Geverifieerd door MonsterInsights