Voorgeschreven geweld in de Koran: teksten niet wegpoetsen

Geweldsteksten in de Koran

Geweld in de islam wordt vaak afgedaan als misbruik of verkeerde interpretatie. Maar wat gebeurt er wanneer de Koran zelf teksten bevat over doden, strijden, onderwerpen en bestraffen? Een  analyse met concrete voorbeelden.

Er is een standaardreactie die uit de kast wordt getrokken zodra je begint over geweld in de islam:

dat heeft niets met de echte islam te maken.

Geweld bineen de islam zou altijd ontsporing zijn. Misbruik. Politiek. Trauma. Armoede. Kolonialisme. Verkeerde interpretatie.

Maar die redenering loopt vast zodra je de Koran zelf openslaat.

Want het ongemakkelijke punt is niet dat sommige moslims gewelddadig zijn. Veel moslims zijn vreedzame mensen, goede buren, collega’s, vaders, moeders, kinderen. Het probleem is funamenteel: wie religieus geweld vanuit de islam wil legitimeren, hoeft niet eerst buiten de Koran te gaan zoeken. Hij kan teksten aanwijzen. Teksten waarin strijd, doden, onderwerpen, vernederen en bestraffen niet als ontsporing verschijnen, maar als opdracht.

Dat is precies waarom dit onderwerp niet weggemoffeld mag worden.

Niet met zachte praat.

Niet met interreligieus begrip.

Niet met de dooddoener dat “alle religies uiteindelijk hetzelfde willen”.

Nee. De teksten spreken voor zich.

En hoe.

geweld in de koran
Geweld in de koran

De olifant in de kamer

 

De vraag is niet of er in de geschiedenis van christenen ook geweld is gepleegd. Natuurlijk is dat gebeurd. Beschamend vaak zelfs.

Maar dan komt de wezenlijke vraag:

kon men dat geweld uit de leer of het voorbeeld van Christus Zelf halen?

Zegt Jezus: onderwerp uw vijanden met het zwaard?

Zegt Jezus: dood wie niet gelooft?

Zegt Jezus: laat ongelovigen zich onderwerpen en betalen?

Zegt Jezus: sla de halzen van uw tegenstanders?

Nee.

Wanneer Petrus naar het zwaard grijpt, grijpt Christus in. Hij zegt dan:

Petrus, berg je zwaard op.

Wanneer Zijn discipelen willen vechten, stopt Hij hen. Wanneer Hij over vijanden spreekt, zegt Hij niet: vernietig hen, maar: heb hen lief.

Dat maakt het verschil niet klein, maar fundamenteel.

In de Koran ligt dat anders. Daar staan teksten die niet slechts beschrijven dat er gevochten werd, maar die bevelend spreken.  In onder meer Soera 9:5, 9:29, 8:39 en 47:4 vinden we voorbeelden van teksten waarin geweld tegen ongelovigen of “mensen van het Boek” wordt gelegitimeerd.

 

“Dood de afgodendienaars waar u hen vindt”

Een van de bekendste teksten is Soera 9:5. Daar staat volgens de Engelse weergave van Quran.com dat wanneer de heilige maanden voorbij zijn, de polytheïsten gedood moeten worden waar men hen vindt; zij moeten gevangengenomen, belegerd en op elke weg opgewacht worden. De tekst zegt vervolgens dat zij vrijgelaten moeten worden als zij berouw tonen, het gebed verrichten en de aalmoesbelasting betalen.

Dat is geen vriendelijke uitnodiging tot een open geloofsgesprek.

Dat is geen oproep tot een verdraagzame samenleving.

Dat is taal van overgave, onderwerping en geweld.

Je kan discussiëren over context, verdragen en historische situatie. Maar wat je niet eerlijk kan doen, is doen alsof hier geen gewelddadige opdracht staat. De werkwoorden zijn niet vaag. Doden. Gevangennemen. Belegering. Opwachten.

Wie deze tekst leest, hoeft niet te raden waarom radicale moslims zich erop beroepen. De tekst geeft hen materiaal in handen.

 

“Strijd tegen de mensen van het Boek”

Nog scherper wordt het bij Soera 9:29, omdat deze tekst niet slechts over afgodendienaars spreekt, maar over mensen “die de Schrift gegeven is”, dus Joden en christenen. De tekst roept op om te strijden tegen hen die niet in Allah en de Laatste Dag geloven, niet verbieden wat Allah en zijn boodschapper verboden hebben, en niet de ware religie volgen, totdat zij de belasting betalen in onderwerping en vernedering.

Hier gaat het niet alleen om militair conflict. Hier gaat het om een religieus-politieke orde waarin Joden en christenen niet vrij naast moslims staan, maar onderworpen worden.

De kern is niet:

“Laat hen met rust.”

De kern is:

“Strijd tegen hen totdat zij betalen en zich onderwerpen.”

Dat is precies waarom de claim “islam is vrede” niet overeind blijft. Niet omdat elke moslim deze tekst vandaag zo toepast. Maar omdat de tekst zelf een onderworpen positie voor niet-moslims legitimeert.

Dat is een nuchtere vaststelling.

 

“Sla de halzen van de ongelovigen”

Soera 47:4 is nog concreter. Daar staat dat wanneer men de ongelovigen in de strijd ontmoet, men hun halzen moet slaan totdat zij grondig onderworpen zijn, waarna gevangenen stevig gebonden worden. Daarna kunnen zij eventueel vrijgelaten of vrijgekocht worden, totdat de oorlog ten einde komt.

Dit is oorlogstaal.

Niet symbolisch.

Niet therapeutisch.

Niet innerlijk of overdrachtelijk  bedoeld.

Het gaat om strijd, halzen, onderwerping, gevangenneming en oorlog.

Wie beweert dat geweld in de islam alleen ontstaat door “verkeerde interpretatie”, moet uitleggen waarom zulke teksten überhaupt in de “heilige bron” staan. De radicale lezer hoeft er geen geweld bij te verzinnen. Hij hoeft alleen maar  letterlijk te lezen.

Dát is het euvel

 

“Dood hen waar u hen aantreft”

Soera 4:89 spreekt over mensen die zouden willen dat de gelovigen ongelovig worden zoals zij. De tekst zegt dat men hen niet als bondgenoten moet nemen tenzij zij emigreren op de weg van Allah. Als zij zich afkeren, moeten zij gegrepen en gedood worden waar men hen aantreft.

Opnieuw: dit is geen neutrale religieuze tekst over verschil van inzicht.

Het gaat niet om:

“Laat ieder in zijn waarde.”

Het gaat niet om:

“Dwing niemand.”

Het gaat om vijandschap, loyaliteit, afkeer, grijpen en doden.

Dit soort radicale teksten heeft een totaal andere toon dan het Evangelie van Christus. In het Nieuwe Testament wordt de vijand niet een doelwit voor religieuze zuivering, maar iemand aan wie genade, waarheid en liefde bewezen moet worden.

 

“Dood hen waar u hen tegenkomt”

Ook Soera 2:191 bevat harde taal. Daar staat dat de ongelovigen gedood moeten worden waar men hen tegenkomt en verdreven uit de plaatsen waaruit zij de moslims verdreven hebben; vervolging wordt daar erger genoemd dan doden. De tekst beperkt ook iets rond de heilige moskee, maar voegt eraan toe dat wanneer zij daar vechten, zij gedood moeten worden; dat wordt de vergelding voor de ongelovigen genoemd.

Wie deze tekst wil verdedigen als puur defensief, zal in elk geval moeten erkennen dat het gebruikte vocabulaire snoeihard is. Het gaat om doden, verdrijven, vergelding en ongelovigen. De vraag is dus niet of er context bestaat. De vraag is of de tekst in zichzelf een religieus raamwerk biedt waarin geweld tegen ongelovigen als geoorloofd en zelfs opgedragen wordt voorgesteld.

Het antwoord daarop is: ja.

 

Kruisiging, amputatie en doodstraf

Soera 5:33 noemt de straf voor hen die oorlog voeren tegen Allah en zijn boodschapper en verderf op aarde verspreiden. De genoemde straffen zijn dood, kruisiging, het afhakken van handen en voeten aan tegenovergestelde zijden, of verbanning uit het land. Daarbovenop wordt gesproken over schande in deze wereld en een grote bestraffing in het hiernamaals.

Ook hier zie je weer het patroon: religieuze tegenstand wordt niet slechts gezien als dwaling, maar als oorlog tegen Allah en zijn boodschapper. En daarop volgen lijfstraffen van een extreme hardheid.

Dat is niet zomaar “oude taal”.

Dat is een juridisch-religieuze geweldsinstructie

Wanneer een religieuze tekst zulke straffen noemt, kan men niet verbaasd doen wanneer latere islamitische rechtstradities daar harde strafsystemen uit ontwikkelen.

 

“Vecht tegen de ongelovigen in uw nabijheid”

Soera 9:123 roept gelovigen op om te vechten tegen de ongelovigen die dichtbij zijn, en hen hardheid of strengheid te laten vinden.

Ook deze tekst is belangrijk, omdat hij het geweld niet beperkt tot een vage vijand ver weg. De ongelovigen “in uw nabijheid” komen in beeld.

Dat maakt het zo explosief.

Wanneer godsdienst niet alleen een persoonlijke overtuiging is, maar ook een opdracht tot strijd tegen nabije ongelovigen, dan wordt samenleven kwetsbaar. Dan is vrede niet vanzelfsprekend. Dan hangt alles af van de vraag of zulke teksten worden geneutraliseerd, geherinterpreteerd of simpelweg niet toegepast.

Maar ze staan er wel.

Dát is een feit.

 

Het bekende uitvluchtwoord: context

Natuurlijk zal onmiddellijk het woord “context” vallen.

Maar context mag geen rookgordijn worden.

Context kan uitleggen tegen wie een tekst oorspronkelijk gericht was. Context kan laten zien in welke situatie een tekst werd uitgesproken. Context kan details verduidelijken.

Maar context kan niet wegtoveren dat er bevelende geweldstaal staat.

Als een tekst zegt:

vecht, dood, grijp, beleger, onderwerp, kruisig, hak af

dan mag je niet doen alsof het eigenlijk alleen maar over innerlijke vrede gaat. Dat is geen uitleg meer. Dat is witkalk.

En precies daar mist men doorgaans de boot in  gesprekken over islam. Men citeert graag teksten die vriendelijk klinken. Maar zodra de harde teksten op tafel komen, dan trekt men de joker:

“dat moet je anders begrijpen”.

Hoe anders dan precies?

En op basis waarvan?

En waarom begrijpen radicale moslims deze teksten dan zo moeiteloos als geweldsteksten?

 

Het hemelsbrede verschil met Christus

Hier komt het grote contrast.

Christus roept Zijn discipelen niet op om ongelovigen te onderwerpen. Hij zendt hen uit om te getuigen. Niet met zwaard, maar met Woord. Niet met dwang, maar met prediking. Niet met jihad, maar met kruisdragen.

De Heere Jezus zegt niet dat Zijn Koninkrijk door geweld wordt opgericht.

Integendeel:

“Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld.”

Als Zijn Koninkrijk van deze wereld was, zouden Zijn dienaren gestreden hebben. Maar dat doen zij niet.

Dat is geen klein verschil in aanpak.

Dat is een andere geest.

Een ander Koninkrijk.

Een andere Heer.

Het kruis van Christus is geen religieuze stormram waarmee vijanden worden neergeslagen. Het is de plaats waar de Zoon van God Zichzelf geeft voor vijanden. Dat is precies waarom het christelijk geloof in zijn kern niet door dwang verspreid mag worden. Zodra het zwaard het Evangelie moet helpen, heeft men het Evangelie al verraden.

 

Waarom dit gezegd moet worden

Veel mensen zijn bang om deze teksten te noemen. Bang om hard te klinken. Bang om “islamofoob” genoemd te worden. Bang voor conflict.

Maar zwijgen helpt niemand.

Het helpt christenen niet, want zij verliezen onderscheidingsvermogen.

Het helpt moslims niet, want zij worden niet eerlijk geconfronteerd met de problematische teksten in hun eigen bron.

Het helpt de samenleving niet, want men bouwt beleid en dialoog op een half verhaal.

En het helpt de waarheid niet, want waarheid wordt ingeruild voor empatische beleefdheid.

Wie werkelijk eerlijk wil spreken, moet durven zeggen: er staan in de Koran teksten die geweld tegen ongelovigen, Joden, christenen, afvalligen of tegenstanders religieus kunnen legitimeren. Dat is geen verzinsel van critici. Dat is zichtbaar in de tekst zelf.

 

De kern

Het probleem is niet, en dat beweeert ook niemand dat iedere moslim gewelddadig zou zijn.

Dat is gewoon niet zo.

Het probleem is dat de islamitische brontekst geweldstaal bevat die door gewelddadige moslims niet willekeurig wordt verzonnen, maar voluit tekstueel kan worden onderbouwd. En gelegitimeerd.

Daar zit de angel.

Niet alle moslims passen deze teksten toe.

Maar wie ze wél toepast, kan zich erop beroepen.

En dat maakt het probleem ernstig.

 

Een eerlijk gesprek over islam begint niet met slogans, maar met teksten.

Niet met “religie van vrede”.

Niet met “alle godsdiensten zijn hetzelfde”.

Niet met de aanname

“dat staat er eigenlijk niet”.

Maar met lezen.

Gewoon lezen.

Soera 9:5. Soera 9:29. Soera 47:4. Soera 4:89. Soera 5:33. Soera 9:123.

 

De vraag is niet of deze teksten opbouwend zijn. Dat zijn ze niet.

De vraag is ook niet of moderne moslims allemaal zo leven. Dat doen ze niet.

De vraag is: staan deze teksten er, en bieden zij religieuze grond voor geweld en onderwerping?

Ja.

En wie dat blijft ontkennen, preekt geen vrede, maar sluit zijn ogen voor de bron.

Zie ook:

Het islamitisch dilemma ontmaskerd: Waarom de Koran je terugstuurt naar de Bijbel – Bijbelse basis

De islam bezwijkt onder haar eigen claims – Bijbelse basis

Jezus en mohammed in één adem noemen? – Bijbelse basis

 

 

Hebt u de Heilige Geest ontvangen toen u tot geloof kwam?

Wat Handelingen 19 echt zegt; waarschuwing tegen geestelijke verwarring

Er zijn van die Bijbelteksten die telkens opnieuw uit de kast worden gehaald zodra men een bepaalde geestelijke ervaring wil verdedigen. Handelingen 19 is zo’n gedeelte. Paulus ontmoet in Éfeze enkele discipelen en stelt hun de vraag:

“Zeide hij tot hen: Hebt gij den Heiligen Geest ontvangen, als gij geloofd hebt? En zij zeiden tot hem: Wij hebben zelfs niet gehoord, of er een Heiligen Geest is.” Handelingen 19:2 (STV)

Voor bepaalde mensen  is daarmee de zaak beslist. Zie je wel, zegt men dan, je kunt dus geloven en tóch de Heilige Geest nog niet ontvangen hebben. Eerst kom je tot geloof, later moet er nog iets bij komen: een aparte ervaring, een tweede zegen, een geestesdoop, een doorbraak, een aanraking, een impartatie, een krachtmoment.

Maar is dat wat Handelingen 19 leert?

Of wordt hier een overgangssituatie in de heilsgeschiedenis gebruikt als gietmal voor een hedendaagse ervaringsleer?

Dat is geen onbelangrijke vraag. Het raakt de zekerheid van de gelovige, het verstaan van het werk van Christus en de vraag of wij rusten in wat God in Christus gegeven heeft, of blijven jagen naar iets waarvan de Schrift gewoon zegt dat het ons al geschonken is.

wat-Handelingen19 echt zegt
Wat-Handelingen-19 echt zegt.

De vraag van Paulus was geen charismatische ‘altar call’

Paulus vraagt niet aan willekeurige religieuze zoekers of zij een bijzondere ervaring hadden gehad. Hij ontmoet discipelen. Mensen die in zekere zin volgelingen waren, maar kennelijk met een (ernstig) gebrek aan onderwijs.

Zij kenden de doop van Johannes. Zij stonden dus in de lijn van verwachting, bekering en uitzien naar de Komende. Maar zij hadden niet helemaal begrepen wat er inmiddels gebeurd was: Christus was gekomen, gestorven, opgestaan en verheerlijkt. De belofte van de Geest moest in dat licht worden verstaan.

Hun probleem was niet dat Christus (werk) onvolledig was. Hun probleem was dat hun kennis onvolledig was.

Dat is nogal een verschil.

Paulus behandelt hen daarom niet als mensen die nog een trapje hoger op een geestelijke ladder moeten. Hij onderwijst hen. Hij brengt ze bij Christus. Hij laat zien dat Johannes vooruitwees naar Hem Die na hem kwam.

“Maar Paulus zeide: Johannes heeft wel gedoopt den doop der bekering, zeggende tot het volk, dat zij geloven zouden in Dengene, Die na hem kwam, dat is, in Christus Jezus.” Handelingen 19:4 (STV)

De kern is dus niet: zoek een tweede ervaring.

De kern is: zie op Christus, de Gekruisigde en Opgestane, in Wie de belofte vervuld is.

 

De Heilige Geest is geen los verkrijgbare powerbank

Een groot probleem in veel moderne prediking is dat de Heilige Geest wordt losgemaakt van Christus. Dan wordt de Geest vooral verbonden met kracht, gevoel, manifestatie, profetie, tongentaal, genezing, aanbiddingshoogtepunten en bijzondere ervaringen.

Maar de Schrift verbindt de Heilige Geest veel dieper met Christus Zelf.

De Heilige Geest is de Geest van God, maar Hij wordt in het Nieuwe Testament nadrukkelijk openbaar in verbinding met de opgestane Christus.

Hij is de Geest der waarheid, de Trooster, de Geest van het leven, de Geest waardoor de gelovige deel krijgt aan Christus’ opstandingsleven.

Dat maakt een levensgroot verschil.

Want dan is de Heilige Geest niet een extra toevoeging bovenop Christus.

Hij is niet een aparte geestelijke accessoire voor wie na zijn bekering op een hoger geestelijk niveau komt. Hij is niet de beloning voor de vurigen, de gevoeligen of de geestelijk ambitieuzeren.

De Heilige Geest is verbonden met het heil in Christus.

Wie door geloof in Christus is, is niet half gered, half levend, half verzegeld en half verbonden aan God. Hij is in Christus.

Paulus schrijft aan dezelfde Efeziërs later:

“In Welken ook gij zijt, nadat gij het woord der waarheid, namelijk het Evangelie uwer zaligheid gehoord hebt; in Welken gij ook, nadat gij geloofd hebt, zijt verzegeld geworden met den Heiligen Geest der belofte;” Efeze 1:13 (STV)

Let op de volgorde.

Het woord der waarheid wordt gehoord.

Het Evangelie der zaligheid wordt geloofd.

En de gelovige wordt verzegeld met de Heilige Geest der belofte.

Dat is geen wankel, zweverig ongrijpbaar iets.

Dat is Gods zegel.

 

“Nadat gij geloofd hebt” betekent niet: op een later tijdstip

Sommigen lezen Efeze 1:13 alsof daar ruimte zit voor een latere, aparte fase: eerst geloof, daarna misschien ooit de Geest.

“Nadat u geloofd hebt” betekent niet: nadat u een tijd als gelovige als kip zonder kop zonder Geest hebt rondgelopen. Het betekent: toen u tot geloof gekomen bent. Nadat het geloof begonnen is, volgt de verzegeling.

Niet als los tweede stadium, maar als onderdeel van Gods heilswerk in Christus.

Dát is de bemoediging.

De gelovige hoeft niet in onzekerheid te leven. Hij hoeft niet te denken:

Ben ik wel ver genoeg? Heb ik wel genoeg ervaren? Is mijn geloof wel aangevuld met de juiste kracht? Heb ik wel de echte Geestesdoop gehad?

NEE. De Bijbel wijst hem niet naar zichzelf, maar naar Christus.

Wie gelooft, kijkt niet naar binnen om zekerheid te vinden in de intensiteit van zijn ervaring. Hij kijkt naar Christus en naar het Woord van God.

 

Johannes 20 is belangrijker dan vaak wordt erkend

Een sleuteltekst in dit vraagstuk is Johannes 20. Op de dag van Zijn opstanding verschijnt de Heere Jezus aan Zijn discipelen. Niet met een vaag symbool, maar met een zeer betekenisvolle daad:

“En als Hij dit gezegd had, blies Hij op hen, en zeide tot hen: Ontvang de Heilige Geest.” Johannes 20:22 (STV)

Dit gebeurt niet op de Pinksterdag, maar op de dag van de opstanding.

Dat is van groot belang.

Christus blaast op hen. Adem, wind en geest liggen in de Bijbelse taal dicht bij elkaar. De opgestane Christus deelt Zijn leven mee. Het gaat om opstandingsleven. Om leven uit de dood. Om nieuwe schepping.

Zoals God bij Adam de levensadem inblies, zo blaast Christus hier op Zijn discipelen. Maar nu gaat het niet om natuurlijk leven uit de eerste schepping. Het gaat om leven uit de opstanding, leven verbonden met de tweede Mens, de laatste Adam.

De Heilige Geest is hier niet een sfeer, niet een emotie, niet een religieuze tinteling, maar het leven van de opgestane Christus.

 

Pinksteren is geen correctie op Pasen

Veel christenen denken onbewust alsof Pasen en Pinksteren twee losse geestelijke hoofdstukken zijn. Pasen is dan vergeving en opstanding. Pinksteren is kracht, ervaring en manifestatie. En vervolgens wordt er soms gedaan alsof Pasen niet genoeg is zonder een soort persoonlijk pinksterwonder.

Maar Pinksteren hóórt bij Pasen.

Pinksteren is de openlijke manifestatie van wat in Christus’ opstanding tot stand is gebracht. De opgestane Christus is de bron. De Geest wordt niet los van Hem uitgedeeld. Pinksteren is geen reparatie van een tekort in Pasen. Pinksteren is de publieke, krachtige openbaring van het opstandingsleven van Christus.

Daarom staat er in Handelingen 2:

“En zij werden allen vervuld met den Heiligen Geest, en begonnen te spreken met andere talen, zoals de Geest hun gaf uit te spreken.” Handelingen 2:4 (STV)

Let op het woord “vervuld”.

Vervuld worden met de Heilige Geest is niet hetzelfde als voor het eerst de Heilige Geest ontvangen. Vervulling wijst op de werking, doorwerking, openbaring en beheersing door de Geest. Ontvangen wijst op het bezit van de Geest als gave van God.

Wie dat onderscheid kwijtraakt, raakt al snel verstrikt in verwarring.

 

Ontvangen en vervuld worden zijn niet hetzelfde

Hier ligt een belangrijk Bijbels onderscheid.

De gelovige ontvangt de Heilige Geest bij het geloof in Christus. Hij wordt verzegeld. Hij krijgt deel aan Christus’ leven. Hij is wedergeboren. Hij is van Christus.

Maar de gelovige kan wel meer of minder vervuld zijn met de Geest. Hij kan wandelen door de Geest of het vlees ruimte geven. Hij kan geleid worden in de waarheid of onwetend blijven. Hij kan geestelijk groeien of kind blijven. Hij kan de Geest bedroeven. Hij kan de werking van de Geest in zijn leven weerstaan in de praktijk.

Dat is dus heel iets anders dan zeggen dat een gelovige de Heilige Geest nog niet heeft.

De vraag moet niet zijn: heb ik als gelovige de Heilige Geest wel ontvangen?

De vraag is: leef ik uit wat God mij in Christus gegeven heeft?

Dat is scherper. En eerlijker.

 

De gelovigen in Efeze hadden vooral onderwijs nodig

De mannen in Handelingen 19 wisten niet wat “Heilige Geest” inhield. Zij kenden de prediking van Johannes, maar misten zicht op de vervulling in Christus. Hun gebrek was geen bewijs voor een normale christelijke toestand zonder Heilige Geest. Het was een overgangssituatie.

Met name Handelingen staat vol van zulke overgangssituaties. Het boek beschrijft hoe het Evangelie van Jeruzalem naar Judea, Samaria en de einden der aarde gaat. Joden, Samaritanen, heidenen en discipelen van Johannes worden in de voortgang van Gods werk zichtbaar verbonden aan Christus.

Daarom moet je Handelingen aandachtig en met onderscheid  lezen. Niet alles wat beschreven wordt, is automatisch voorgeschreven als vaste regeling van orde voor de Gemeente vandaag.

Wie van elke bijzondere gebeurtenis in Handelingen een standaardmodel maakt, bouwt zijn leer op overgangsmomenten. Dat is gevaarlijk. Dan ga je van uitzonderingen een dichtgemetseld systeem maken.

En dat is wat ik vaak zie gebeuren.

 

Tongentaal en profetie waren tekenen, geen maatstaf voor elke gelovige

In Handelingen 19 gebeurt er iets zichtbaars:

“En als Paulus hun de handen opgelegd had, kwam de Heilige Geest op hen; en zij spraken met vreemde talen, en profeteerden.” Handelingen 19:6 (STV)

Dat wordt nogal eens gebruikt als pressiemiddel.

Men zegt dan: zie je wel, als de Geest komt, moet er iets zichtbaar gebeuren. Er moet tongentaal zijn. Er moet profetie zijn. Er moet een waarneembaar bewijs zijn.

Maar dat is een onzorgvuldige en nogal voorbarige conclusie.

In Handelingen 19 gaat het om een bijzondere bevestiging in een bijzondere situatie. Deze mannen stonden nog in de lijn van Johannes’ doop en moesten zichtbaar worden ingevoegd in de werkelijkheid van Christus’ volbrachte werk. De tekenen bevestigen dat zij niet buiten de vervulling staan.

Maar nergens leert de Schrift dat iedere gelovige tongentaal moet spreken als bewijs dat hij de Heilige Geest heeft.

Dat zou bovendien strijdig zijn met Paulus’ eigen onderwijs in 1 Korinthe 12, waar hij juist duidelijk maakt dat niet allen dezelfde gave hebben. De Geest deelt uit naar Zijn wil. De Geest is geen machine die bij iedereen hetzelfde verschijnsel produceert.

Wie tongentaal of zichtbare manifestaties tot bewijs van het hebben ontvangen van de Heilige Geest maakt, verschuift en vermagert de zekerheid in Christus naar ervaring. En dat is bepaald geen verdieping. Dat is verlies.

 

Bidden om de Heilige Geest alsof Hij nog niet gegeven is

In sommige kringen wordt gelovigen geleerd om te bidden om de Heilige Geest alsof zij Hem nog niet ontvangen hebben. Dat klinkt vroom. Het klinkt afhankelijk. Het kan ook diep verwarrend zijn.

Want als een gelovige in Christus is, verzegeld met de Heilige Geest der belofte, dan is het niet Bijbels om hem te leren bidden alsof God Zijn Geest nog moet geven.

Natuurlijk mag een gelovige bidden om vervulling, leiding, kracht, wijsheid, vrijmoedigheid, vrucht, groei en gehoorzaamheid. Natuurlijk is hij afhankelijk van de Geest. Natuurlijk kan hij zonder de werking van de Geest niets geestelijks voortbrengen.

Maar dat is iets anders dan bidden alsof hij de Geest nog niet bezit.

Het eerste is Bijbels.

Het tweede maakt onzeker.

 

De Geest leidt in de hele waarheid, niet in onzekerheid

De Heere Jezus noemt de Heilige Geest “de Geest der waarheid”. Dat is veelzeggend. De Geest is niet de Geest van verwarring, groepsdruk, religieuze opwinding, twijfel of onzekerheid

Hij leidt in de hele waarheid.

Dat betekent: Hij verheerlijkt Christus. Hij opent het Woord. Hij leert de gelovige verstaan wat hem in Christus geschonken is. Hij richt het geloof niet op zichzelf, maar op de Heere.

Daarom is gedegen onderwijs ook zo belangrijk. Paulus lost de situatie in Éfeze niet op met sfeer, muziek, emotionaliteit of massale druk. Hij legt uit. Hij wijst op Christus. Hij brengt orde in hun begrip.

Dat is vandaag de dag ook hard nodig.

Veel gelovigen zijn geestelijk onrustig, niet omdat zij te weinig ervaring hebben, maar omdat zij te weinig Bijbels onderwijs hebben ontvangen. Zij zoeken iets wat God allang in Christus gegeven heeft.

Zij wachten op een doorbraak, terwijl zij moeten leren staan in hun positie.

 

De gelovige is met Christus verbonden

De Heilige Geest ontvangen betekent dat de gelovige verbonden is met Christus. Niet oppervlakkig. Niet symbolisch alleen. Werkelijk.

Paulus zegt:

“En heeft ons mede opgewekt, en heeft ons mede gezet in den hemel in Christus Jezus;” Efeze 2:6 (STV)

En in Kolossenzen:

“Want gij zijt gestorven, en uw leven is met Christus verborgen in God.” Kolossenzen 3:3 (STV)

Dat is ontzagwekkend rijk.

De gelovige leeft niet vanuit een leegte die eerst nog gevuld moet worden door een latere extra geestelijke ervaring. Hij leeft vanuit de volheid die hij moet leren kennen, geloven en praktisch uitleven.

Hij is gestorven met Christus.

Hij is opgewekt met Christus.

Zijn leven is verborgen met Christus in God.

Hij is verzegeld met de Heilige Geest.

 

Dat is geen armoedig christendom.

Dat is geen droge leer.

Dat is de vaste grond onder het geloof.

 

De moderne ervaringsdrang maakt gelovigen arm

Hier mag het scherp gezegd worden.

Een prediking die gelovigen voortdurend vertelt dat zij méér moeten ontvangen om eindelijk echt geestelijk te zijn, kan vroom klinken, maar zij berooft hen vaak van de rijkdom die zij in Christus al hebben ontvangen.

Dan wordt Christus het begin, maar ervaring de voltooiing.

Dan wordt geloof de deur, maar manifestatie de uitwerking.

Dan wordt het Woord de aanzet, maar gevoel de bevestiging.

Dat is een gevaarlijke vervanging.

De Bijbel leert niet dat de gelovige zijn zekerheid moet zoeken in de vraag of er genoeg kracht, tinteling, tongentaal, profetie, emotie of vuur in zijn leven zichtbaar is. De Bijbel leert dat de gelovige moet rusten in Christus en wandelen door de Geest.

Dat is niet minder geestelijk. Dat is juist geestelijk.

 

Niet jagen naar een tweede zegen, maar leren wandelen in de gegeven zegen

De gelovige heeft geen tweede fundament nodig. Hij heeft onderwijs nodig in het Ene fundament.

Hij hoeft niet naar een tweede Christus, een tweede evangelie of een tweede inwijding. Hij moet leren begrijpen wat het betekent dat Christus gestorven, opgestaan en verheerlijkt is.

De Geest is gegeven om Christus te verheerlijken, niet om de aandacht van Christus af te trekken naar de ervaring van de gelovige.

Daarom is het zo belangrijk om het verschil te zien tussen:

bezit van de Geest

vervulling met de Geest

werking van de Geest

vrucht van de Geest

gaven van de Geest

leiding door de Geest

Wie dat allemaal op één hoop gooit, krijgt verwarring. En verwarring is geen vrucht van de Geest.

 

Wat Handelingen 19 ons laat zien

Handelingen 19 leert niet dat iedere gelovige na zijn bekering nog een aparte geestesdoop moet zoeken of ervaren.

Het leert dat er mensen kunnen zijn die wel onderwijs hebben ontvangen, maar nog niet helder zien wat God in Christus heeft gedaan.

Het leert dat onvolledig onderwijs moet worden aangevuld met prediking van Christus en Zijn werk.

Het leert dat Johannes niet het eindpunt was, maar de wegwijzer naar Christus.

Het leert dat de Heilige Geest verbonden is met de opgestane Heer.

Het leert dat bijzondere tekenen in Handelingen een bevestigende functie hadden in een overgangstijd.

Het leert dat de Geest de gelovige brengt tot waarheid, vrijmoedigheid en kennis van wat God geschonken heeft.

En het leert vooral dat de gelovige niet moet leven uit geestelijke onzekerheid, maar uit de vaste werkelijkheid van Christus’ volbrachte werk.

 

Dé vraag

De vraag is dus niet of een gelovige nog moet wachten op iets waardoor Christus eindelijk compleet wordt.

Christus is compleet.

Zijn werk is compleet.

Zijn opstanding is werkelijk.

Zijn Geest is gegeven.

De echte vraag is: kent de gelovige zijn rijkdom in Christus?

Weet hij wat hem geschonken is?

Wandelt hij door de Geest?

Laat hij zich leiden door het Woord?

Rust hij in Christus, of jaagt hij achter ervaringen aan die hem telkens weer onzeker maken?

Dat is de boodschap van Handelingen 19.

 

Rust in Christus, wandel door de Geest

“Hebt u de Heilige Geest ontvangen?” is geen slogan om gelovigen de onzekerheid in te jagen. Het is een vraag die ons terugbrengt naar de kern: weten wij wat God in Christus gegeven heeft?

De Heilige Geest is geen los verkrijgbaar geestelijk vuurwerk. Hij is de Geest van de waarheid. De Geest van Christus. De Geest van het opstandingsleven. De Geest waardoor de gelovige verzegeld is, onderwezen wordt, geleid wordt en leert wandelen in de werkelijkheid van Christus.

Wie gelooft in de Heere Jezus Christus, hoeft niet te leven als een geestelijke bedelaar die voor de deur blijft staan wachten op iets dat God nog zou moeten geven. Hij mag leren staan in wat God reeds gegeven heeft.

Niet opschepperig. Niet zelfverzekerd in het vlees. Niet hoogmoedig.

Maar vast, nuchter, dankbaar en Bijbelvast.

Want de rijkdom van de gelovige ligt niet in zijn ervaring.

Zijn leven is met Christus verborgen in God.

 

Handelingen 19 wordt vaak gebruikt om te leren dat gelovigen na hun bekering nog apart de Heilige Geest moeten ontvangen. Maar het gedeelte laat vooral zien dat de discipelen in Éfeze onvolledig onderwijs hadden ontvangen. Paulus wijst hen op Christus, naar Wie Johannes de Doper vooruitwees. De Heilige Geest is verbonden met de opgestane Christus en met het nieuwe leven dat de gelovige in Hem ontvangt. Wie gelooft, is verzegeld met de Heilige Geest der belofte. Vervuld worden met de Geest is belangrijk, maar dat moet niet worden verward met het fundamenteel ontvangen van de Geest bij het geloof.

 

Hebt u de Heilige Geest ontvangen?

Die vraag uit Handelingen 19 wordt vaak gebruikt om gelovigen onzeker te maken. Alsof geloof in Christus nog niet genoeg is. Alsof er na bekering nog een aparte geestelijke inwijding nodig is om écht mee te tellen.

Maar Paulus wijst de discipelen in Efeze niet naar een ervaring.

Hij wijst hen naar Christus.

De Heilige Geest is geen los verkrijgbaar krachtpakket. Hij is de Geest van de opgestane Christus. Wie gelooft, wordt verzegeld met de Heilige Geest der belofte.

De vraag is dus niet: heb ik genoeg gevoeld?

De vraag is: weet ik wat God mij in Christus geschonken heeft?

Daar begint de echte rust.

Zie ook:

heilige geest – Bijbelse basis

pinksteren – Bijbelse basis

Extern:

Bijbelstudie lezingen: De Heilige Geest- Bijbels Panorama ..

 

 

De ‘vijfvoudige bediening’ nogmaals tegen het licht gehouden

Waarom moderne apostelen en profeten de gemeente misleiden

De zogenaamde ‘vijfvoudige bediening’ klinkt voor velen Bijbels, maar achter claims over apostelen en profeten schuilt een  groot gevaar. Dit blog laat zien waarom de gemeente geen nieuwe fundamentleggers nodig heeft, maar terug moet naar Christus, het Woord en Bijbelvast leiderschap.

De vijfvoudige bediening klinkt indrukwekkend, maar dat is meteen het gevaar

De zogenaamde vijfvoudige bediening heeft voor veel christenen iets aantrekkelijks. Het klinkt Bijbels. Het klinkt alsof er eindelijk weer kracht, richting en orde in de gemeente komt. Maar daar ligt de basis van het probleem. Want wat indrukwekkend klinkt, is nog niet waar.

Zodra moderne apostelen en profeten worden neergezet als onmisbare leiders van de gemeente, schuift het zwaartepunt op. Dan ligt de nadruk niet meer op Christus en Zijn geopenbaarde Woord, maar op mensen die zeggen méér te zien, méér te horen en méér te weten dan ‘gewone gelovigen’. Dan ontstaat heel subtiel een nieuwe geestelijke bovenlaag.

En dát is niet  bepaald onschuldig.

Hier staat veel op het spel. Dit gaat niet over een klein verschil van mening. Dit raakt de vraag wie in de gemeente werkelijk gezag heeft: Christus door Zijn Woord, of mensen met grote geestelijke claims, met een veel te grote broek aan.

Wat men met de vijfvoudige bediening bedoelt

Wie over de vijfvoudige bediening spreekt, verwijst steevast naar Efeze 4:11:

“En Dezelve heeft gegeven sommigen tot apostelen, en sommigen tot profeten, en sommigen tot evangelisten, en sommigen tot herders en leraars” (Efeze 4:11) (STV)

Dat staat er. Daar hoeft niemand omheen. Maar de vraag is niet óf die woorden in de Bijbel staan. De vraag is wat ermee bedoeld wordt.

En daar wordt een loopje genomen met de strekking. Want wat in Efeze 4 in het kader van gemeenteopbouw wordt genoemd, wordt in moderne bedieningskringen geregeld omgekat tot een blijvende geestelijke hiërarchie. Dan wordt de apostel de topfiguur. De piek van de kerstboom. De profeet de richtinggever. En de rest mag dan braaf volgen. Dan verandert gave in rang. Dan verandert dienst in status. Dan verandert toerusting in macht.

Maar Efeze 4 schildert helemaal geen geestelijke elite. Het hoofdstuk begint met ootmoed, zachtmoedigheid, lankmoedigheid en het bewaren van de eenheid des Geestes. Wie van Efeze 4 een systeem van geestelijke verheffing maakt, is de boodschap van het hoofdstuk al kwijt vóór hij bij vers 11 aankomt.

Apostelen en profeten waren fundamentleggers

Hier ligt een doorslaggevend punt. In het Nieuwe Testament worden apostelen en profeten niet neergezet als een blijvende klasse supergelovigen, maar als mensen met een unieke plaats in de grondlegging van de gemeente.

Paulus schrijft:

“Gebouwd op het fundament der apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus is de uiterste Hoeksteen” (Efeze 2:20) (STV)

Dat is helder. Een fundament leg je niet telkens opnieuw. Een fundament leg je één keer. Daarna bouw je erop verder.

Daarom is het een drama wanneer vandaag opnieuw over apostelen en profeten gesproken wordt alsof zij in fundamentleggend opzicht nu nog nodig zijn om de gemeente tot volwassenheid te brengen. Daarmee zeg je in feite dat het fundament nog niet gelegd is, of dat het niet genoeg is. Wat getuigt van zelfoverschatting, om niet te zeggen hoogmoed.

De Schrift zegt dat de gemeente gebouwd ís op dat fundament, met Christus als uiterste Hoeksteen.

Paulus zegt ook:

“Naar de genade Gods, die mij gegeven is, heb ik als een wijs bouwmeester het fondament gelegd; en een ander bouwt daarop. Maar een iegelijk zie toe, hoe hij daarop bouwe” (1 Korinthe 3:10) (STV)

Let op de volgorde. Eerst fundamentlegging. Daarna opbouw. Niet eindeloos opnieuw beginnen. Niet voortdurend nieuwe fundamentleggers zoeken. Niet elke generatie weer opzadelen met mensen die zeggen dat zij de gemeente ‘apostolisch moeten herstellen’.

De gemeente heeft geen behoefte aan nieuwe fundamentleggers. Zij heeft behoefte aan trouwe opbouw op het fundament dat al gelegd is.

Wanneer gave verandert in geestelijke rangorde

Veel modern jargon over de vijfvoudige bediening blijft allerminst neutraal. In de praktijk ontstaat vaak een rangorde. Bovenaan staat de apostel. Daaronder de profeet. Vervolgens de rest. Dan krijg je niet langer dienaren, maar geestelijke topfiguren.

En daar begint het hellend vlak.

Want dan kijkt de gemeente niet meer gewoon met dankbaarheid naar verschillende vormen van gaven en dienstnbetoon, maar met ontzag naar mensen die als een hogere soort christen worden gepresenteerd. Mensen met meer toegang. Meer kennis. Meer inzicht. Meer gezag. Meer zalving. Meer geestelijk gewicht.

Maar de Schrift voedt die drang naar geestelijke verheffing niet. Zij breekt haar juist af.

“Zijt niet vele meesters, mijn broeders, wetende, dat wij te meerder oordeel zullen ontvangen” (Jakobus 3:1) (STV)

Dát is de toon van het Nieuwe Testament. Geen verbeelding, geen lokroep naar geestelijke promotie, maar ernst. Geen jacht op titels, maar besef van verantwoordelijkheid. Geen religieuze carrièrelijn, maar vrees voor God.

Het moderne bedieningsdenken doet vaak het tegenovergestelde. Het maakt titels aantrekkelijk. Het zet geestelijke profilering in de schijnwerpers. Het wekt de indruk dat gewoon trouw zijn niet genoeg is. Maar waar dat gebeurt, is het vlees zelden ver weg.

 

Het Nieuwe Testament waarschuwt voor valse claims

Opmerkelijk genoeg prijst de Heere Jezus een gemeente die zulke claims niet zomaar slikte. Tegen Efeze zegt Hij:

“Ik weet uw werken, en uw arbeid, en uw lijdzaamheid, en dat gij de kwaden niet kunt dragen; en dat gij beproefd hebt degenen die uitgeven dat zij apostelen zijn, en zij zijn het niet, en hebt hen leugenaars bevonden” (Openbaring 2:2) (STV)

Dat is veelzeggend. De Heere prijst hier niet lichtgelovigheid, maar beproeving. Niet openheid voor elke indrukwekkende claim, maar geestelijk onderscheidingsvermogen. Niet: geef ruimte aan iedereen die zichzelf apostel noemt. Maar: toets, onderzoek, ontmasker.

Juist dat ontbreekt vandaag vaak. Zodra iemand met genoeg charisma, flair, succes of invloed als “apostolisch” wordt gepresenteerd, durven velen niet meer werkelijk te toetsen. Kritische vragen worden al snel weggezet als ongeestelijk, negatief of rebellie. Maar de weg van Christus is niet intimidatie. De weg van Christus is waarheid in het licht.

Bijbelse liefde is niet blind. Bijbelse liefde toetst.

 

De mythe van de supergelovige

Daar zit nog een tweede fout achter. In veel kringen worden apostelen en profeten voorgesteld als een soort supergelovigen. Mensen op een hoger niveau. Mensen met een apart lijntje naar God. Mensen met meer geestelijk gezag dan gewone gelovigen.

Maar dat is een linke gedachte.

De gemeente van Christus kent wel onderscheiden gaven, maar geen geestelijke aristocratie. Er zijn wel verschillende diensten, maar er is geen hoger soort christenen. Er is leiding, maar geen heilige gezalfde leidersklasse.

Zodra apostelen en profeten gaan functioneren als elitefiguren, heeft men het Nieuwtestamentische spoor de rug toegekeerd.

Paulus schrijft opvallend nuchter:

“Wie is dan Paulus, en wie is Apollos, anders dan dienaars, door welke gij geloofd hebt, en dat, gelijk de Heere aan een iegelijk gegeven heeft?” (1 Korinthe 3:5) (STV)

En even later:

“Zo is dan noch hij, die plant, iets, noch hij, die nat maakt, maar God, Die den wasdom geeft” (1 Korinthe 3:7) (STV)

Dat is verfrissend. Geen geestelijke hoogvliegerij. Geen menselijke opgeblazenheid. Geen religieuze topklasse. God geeft de wasdom. De dienaar is dienaar.

NIets meer dan dat.

Bijbelse leiding is herderlijk, niet verheven

Wanneer de Schrift over leiding in de gemeente spreekt, doet zij dat in termen van zorg, voorbeeld en verantwoordelijkheid. Niet van geestelijke verhevenheid.

Petrus schrijft:

“Weidt de kudde Gods die onder u is, hebbende opzicht daarover, niet uit bedwang, maar gewilliglijk; noch om vuil gewin, maar met een volvaardig gemoed; Noch als heerschappij voerende over het erfdeel des Heeren, maar als voorbeelden der kudde geworden zijnde” (1 Petrus 5:2-3) (STV)

Dat is een frontale aanrijding met veel eigentijds bedieningsdenken. Waar men heerst, domineert, zichzelf centraal stelt of onderwerping eist, is men niet bezig de kudde te weiden. Men is bezig haar te overheersen.

Paulus zegt tegen de oudsten van Efeze:

“Zo hebt dan acht op uzelven, en op de gehele kudde, over dewelke u de Heilige Geest tot opzieners gesteld heeft, om de gemeente Gods te weiden, welke Hij verkregen heeft door Zijn eigen bloed” (Handelingen 20:28) (STV)

De kudde is niet van de leider. De kudde is van God. Zij is gekocht met bloed. Dat maakt elke vorm van religieuze zelfverheffing des te ernstiger.

 

Waarom deze leer zo aantrekkelijk is en steeds de kop opsteekt

Waarom wordt de vijfvoudige bediening dan toch steeds weer uit de kast getrokken?

Omdat het vlees houdt van geestelijk aanzien, status, gezag.

Het gewone gemeenteleven onder het Woord lijkt voor sommigen te eenvoudig. Gewoon Bijbelgetrouw onderwijs. Gewoon heiliging. Gewoon volharding. Gewoon herderlijke zorg. Gewoon gebed. Gewoon evangelieverkondiging.

Dat oogt voor het vlees te klein. Te gewoon. Te weinig indrukwekkend.

Maar de vijfvoudige bediening biedt iets anders. Zij biedt grote claims.. Bestemming. Activatie. Apostolische orde. Profetische richting. Geestelijke dekking. Impartatie. Het klinkt belangrijk. Het voelt krachtig. Het maakt indruk.

En daarom is het zo aansprekend.

Maar de vraag is niet of iets goed of krachtig klinkt. De vraag is of het waar is. Een leer kan indrukwekkend zijn en toch krom Een beweging kan dynamisch zijn en toch de eenvoud in Christus stuk maken.

 

De brokken voor gewone gelovigen

Deze leer blijft niet zonder gevolgen.

Gewone gelovigen gaan zich kleiner voelen dan nodig is. Hun eenvoudige geloof lijkt ineens arm. Hun liefde tot de Heere lijkt niet genoeg. Hun trouwe wandel in afhankelijkheid aan de Heere,  in heiligin,  lijkt ondergeschikt aan opgepompte dingen als activatie, impartatie en profetische richting.

Zo schuift de aandacht en afhankelijkheid op van Christus naar mensen.

Dan vragen gelovigen niet meer eerst: wat zegt het Woord van God? Dan vragen zij: wat zegt de apostel? Wat heeft de profeet gezien? Wat is het woord voor dit seizoen? Wat is de richting van de bediening?

Maar dat is geestelijk ongezond. De gemeente leeft niet van menselijke indruk, maar van Gods geopenbaarde Woord.

Paulus waarschuwt:

“Opdat wij niet meer kinderen zouden zijn, die als de vloed bewogen en omgevoerd worden met allen wind der leer, door de bedriegerij der mensen, door arglistigheid, om listiglijk tot dwaling te brengen” (Efeze 4:14) (STV)

Dat vers wordt soms gebruikt om moderne bedieningsstructuren kracht bij te zetten. In werkelijkheid waarschuwt het tegen manipuleerbare, meewaaiende, onstandvastige gelovigheid.

 

Een herderlijke waarschuwing

Misschien ben je met dit denken in aanraking gekomen. Misschien raakte je erg onder de indruk. Misschien leek jouw eigen gemeente ineens arm, stroef of achtergebleven. Misschien begon je te denken dat er iets hogers moest zijn dan gewoon trouw leven onder het Woord.

Laat me je dan dit zeggen, scherp maar wel herderlijk:

Niet alles wat geestelijk klinkt, is geestelijk gezond.

De vraag is ook niet of mensen oprecht zijn. Oprechtheid maakt een leer nog niet waar. Iemand kan met vuur spreken en toch anderen van Christus aftrekken naar menselijke afhankelijkheid.

Daarom zegt Johannes:

“Geliefden, gelooft niet een iegelijken geest, maar beproeft de geesten, of zij uit God zijn; want vele valse profeten zijn uitgegaan in de wereld” (1 Johannes 4:1) (STV)

Dat is geen kille afstandelijke tekst. Dat is bescherming. De Heere waarschuwt Zijn volk niet om hen hard te maken, maar om hen veilig te houden.

 

Denk goed door wat je gelooft

Hier wordt het persoonlijk.

Denk goed door wat je eigenlijk gelooft.

Want als jij gelooft dat er vandaag opnieuw apostelen en profeten nodig zijn in Bijbelse, fundament leggende zin, dan zit je ernaast Dan zeg je eigenlijk dat het fundament nog niet af is, of dat de gemeente zonder nieuwe fundamentleggers niet werkelijk tot volwassenheid kan komen. Dan open je ook de deur voor nieuwe gezagsclaims, nieuwe openbaringsaanspraken en nieuwe afhankelijkheidsstructuren.

En dat blijft nooit zonder gevolgen.

Dan worden leiders groter.
Dan worden gewone gelovigen kleiner.
Dan verschuift de focus van Schrift naar stem.
Dan groeit de afhankelijkheid van personen.
Dan wordt toetsen onmogelijk
Dan krijgt geestelijke indruk meer gewicht dan Bijbelse exegese.

Maar als het fundament werkelijk gelegd is, dan heeft dat óók konsekwenties.

Dan hoeft de gemeente niet op zoek naar nieuwe apostelen, maar terug naar het apostolische Woord.
Dan hoeft zij niet te buigen voor profetische claims maar moet zij alles toetsen aan de Schrift.
Dan hoeft zij niet onder de indruk te raken van titels, maar moet zij vragen of Christus werkelijk centraal staat.
Dan moet zij beseffen dat indrukwekkende taal nog geen Bijbelvaste leer is.

 

Denk ook door wat de konsekwenties daarvan zijn

Dat is de vraag die serieus overdacht moet worden.

Maakt jouw visie op bediening Christus groter of mensen groter?

Maakt zij de gemeente vrijer onder het Woord of afhankelijker van opvallende leiders?

Brengt zij rust in het volbrachte fundament, in het geinspireerde Woord van God, of een voortdurende honger naar nieuwe richtinggevende woorden?

Vormt zij dienaars of sterren?

Leidt zij tot nederige en dienende zorg voor de kudde of tot geestelijke verheffing?

Versterkt zij de genoegzaamheid van de Schrift of laat zij ruimte voor een voortdurende stroom van nieuwe claims en openbaringen?

Dat zijn geen dode theoretische vragen. Dat zijn vragen met konsekwenties voor je geloof, voor je gemeente, voor leiderschap, voor gehoorzaamheid en voor geestelijke veiligheid.

 

Het Bijbelse alternatief is rijker dan dikdoenerij

Het antwoord op misbruik is niet cynisme. Het antwoord is terugkeer naar het Bijbelse patroon.

Christus is het Hoofd.
Zijn Woord is de norm.
Het fundament is gelegd.
De gemeente wordt opgebouwd.
Leiders dienen.
Herders weiden.
Leraars onderwijzen.
Evangelisten verkondigen.
Gelovigen groeien.

Paulus schrijft over het doel van de gaven:

“Tot de volmaking der heiligen, tot het werk der bediening, tot opbouwing des lichaams van Christus” (Efeze 4:12) (STV)

Daar zit geen grammetje geestelijke glamour in. Maar wel grote schoonheid. Geen menselijke opgeblazenheid, maar gemeentegroei Geen hierarchische topstructuur, maar toerusting van de heiligen. Geen nieuwe elite, maar groei van het lichaam.

Dat is vele malen rijker dan poeha en  spektakel. Veiliger dan bedieningshype.

En heerlijker, omdat Christus daarin centraal blijft staan.

Resumerend

De vermeende vijfvoudige bediening wordt steeds opnieuw uit de kast getrokken omdat zij mensen groot maakt.

Maar het Nieuwe Testament maakt Christus groot.

Zodra apostelen en profeten gaan functioneren als supergelovigen, geestelijke elite of moderne fundamentleggers, is de grens van Bijbelse nuchterheid al overschreden. Dan wordt de gemeente niet sterker, maar kwetsbaarder. Dan groeit niet de eenvoud in Christus, maar de afhankelijkheid van indrukwekkende figuren.

Laat daarom dit tot je doordringen:

“Gebouwd op het fundament der apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus is de uiterste Hoeksteen” (Efeze 2:20) (STV)

En ook:

“Opdat wij niet meer kinderen zouden zijn, die als de vloed bewogen en omgevoerd worden met allen wind der leer, door de bedriegerij der mensen, door arglistigheid, om listiglijk tot dwaling te brengen” (Efeze 4:14) (STV)

Denk dus goed door wat je gelooft.

En denk ook goed door wat de konsekwenties daarvan zijn.

Want waar een verkeerde leer over bediening wordt toegelaten, blijft het nooit bij bediening alleen. Dan raakt vroeg of laat ook het zicht op gezag, gemeente-zijn, geestelijke volwassenheid en de plaats van Christus Zelf in de knoei.

Wie de gemeente liefheeft, kan daar niet luchtig over doen.

Zie ook:

De misvatting van de ‘vijfvoudige bediening’ – Bijbelse basis

extern:

De vijfvoudige bediening – Leven met God en de Bijbel

Het Misverstand van de “Vijfvoudige Bediening” in de Charismatisch-Evangelische wereld

Chris Verhage::Het Misverstand van de “Vijfvoudige Bediening” in de Charismatisch-Evangelische wereld

Geverifieerd door MonsterInsights