Trots op de zonde, wat zegt de Bijbel?

Waarom de Bijbel waarschuwt tegen het vieren van wat God veroordeelt

 

Er is iets veranderd in onze samenleving. Mensen zondigen niet alleen meer; zij zijn trots op de zonde. Wat vroeger met schaamte werd verborgen, wordt nu met applaus gevierd. Niet zelden gaat het zelfs verder: wie weigert mee te vieren, wordt weggezet als bekrompen, liefdeloos, haatzaaiend of gevaarlijk.

Dat is geen toevallige maatschappelijke ontwikkeling. De Bijbel beschreef deze geestelijke toestand al duizenden jaren geleden.

Hero banner promoting Bible studies: open Bible on a wooden table at sunrise with the Dutch title 'Wat zegt de Bijbel over...' and a blue footer menu showing topics like Schrift met Schrift and Christus centraal.

De diepste vorm van verdorvenheid

De Bijbel leert dat ieder mens een zondaar is. Maar hij maakt ook onderscheid tussen iemand die struikelt en iemand die zijn zonde verheerlijkt.

David viel diep. Petrus verloochende zijn Heere. Maar beiden kwamen tot berouw.

Er is echter een veel ernstiger toestand: de mens die zijn zonde verdedigt, normaliseert en uiteindelijk verheerlijkt.

“Want de goddeloze roemt zich over de begeerte zijner ziel; en de gierigaard zegent zichzelven; hij lastert den HEERE.” (Psalm 10:3, STV)

De goddeloze schaamt zich niet voor zijn begeerten. Hij roemt erin.

Dat is dus wat we vandaag zien. Niet alleen individuele zonden worden verdedigd, maar complete levensstijlen worden verheven tot deugd. De grootste eer lijkt tegenwoordig niet meer te liggen in heiligheid, maar in “zelfexpressie”.

Hoomoed komt voor de val; trots op de zonde
Trots op de zonde, wat zegt de Bijbel?

Geen schaamte meer: een kenmerk van geestelijk verval

Jeremia beschrijft een volk dat het morele kompas volledig kwijt is.

“Zijn zij beschaamd, omdat zij gruwel bedreven hebben? Ja, zij schamen zich in het minste niet, en weten niet schaamrood te worden…” (Jeremia 6:15, STV)

Dat is misschien wel het meest angstaanjagende oordeel van God: wanneer het geweten niet meer functioneert.

De mens bloost niet meer.

Hij rechtvaardigt zichzelf.

Hij noemt kwaad goed.

 

Zij verkondigen hun zonde

Jesaja gaat nog verder.

“Het aangezicht huns aangezichts getuigt tegen hen, en zij verkondigen hun zonde als Sodom; zij verbergen ze niet. Wee hunner ziel! want zij doen zichzelven kwaad.” (Jesaja 3:9, STV)

De inwoners van Sodom probeerden hun levenswijze niet verborgen te houden.

Zij maakten er een openbare zaak van.

Jesaja zegt: “zij verkondigen hun zonde.”

Dat is treffend actueel. In onze cultuur worden zonden niet slechts getolereerd, maar actief gepromoot. Media, onderwijs, politiek en entertainment verklaren steeds vaker dat wat God zonde noemt juist gevierd moet worden.

 

Romeinen 1 beschrijft onze tijd verbazingwekkend nauwkeurig

De apostel Paulus eindigt zijn beschrijving van een God-verwerpende samenleving met een huiveringwekkende conclusie.

“Dewelken, daar zij het recht Gods weten, (namelijk, dat degenen, die zulke dingen doen, des doods waardig zijn,) niet alleen dezelve doen, maar ook mede een welgevallen hebben in degenen, die ze doen.” (Romeinen 1:32, STV)

Let op de opbouw.

De mens doet de zonde.

Hij keurt de zonde goed.

Hij prijst anderen die hetzelfde doen.

Dat is de laatste fase van moreel verval.

Niet de zonde is dan nog het grootste probleem.

Het applaus voor de zonde is het grootste probleem.

Kerken zwijgen of doen zelfs volop mee

Hier wordt het pijnlijk.

Steeds meer kerken lijken niet langer de roeping te voelen om zonde zonde te noemen. In plaats van profetisch tegen de geest van de tijd in te spreken, passen zij hun boodschap aan de cultuur aan.

Uit angst mensen kwijt te raken worden scherpe Bijbelse begrippen vervangen door zachte therapeutische taal.

Bekering wordt persoonlijke groei.

Heiliging wordt authenticiteit.

Zonde wordt gebrokenheid.

Gods oordeel wordt ongemakkelijk stilzwijgen.

Sommige kerken gaan zelfs nog verder. Niet alleen wordt de zonde verzwegen, zij wordt gezegend en gevierd

Dat noemt men dan liefde, inclusiviteit of vooruitgang.

Maar liefde zonder waarheid is geen Bijbelse liefde.

Een kerk die bevestigt wat God veroordeelt, is niet barmhartiger dan God. Zij is Hem ongehoorzaam.

De Here Jezus kwam niet om de zonde acceptabel te maken.

Hij kwam om zondaren zalig te maken.

Een kerk die weigert over zonde te spreken, heeft uiteindelijk ook niets meer te zeggen over genade.

Want genade is alleen genade wanneer de ernst van de zonde wordt erkend.

De wortel is menselijke hoogmoed

Waarom is trots op de zonde zo ernstig?

Omdat het de mens boven God plaatst.

God zegt:

“Dit is kwaad.”

De mens antwoordt:

“Nee, dit is goed.”

Dat is dezelfde hoogmoed die al in de hof van Eden zichtbaar werd.

Niet Gods oordeel, maar mijn oordeel.

Niet Gods waarheid, maar mijn waarheid.

Niet Gods wil, maar mijn identiteit.

De eerste zonde begon niet met moord of overspel.

De eerste zonde begon met hoogmoed.

 

Het Evangelie begint met zelfveroordeling

Opvallend genoeg zien we bij alle mannen Gods precies het tegenovergestelde.

Job zegt:

“Met het gehoor des oors heb ik U gehoord; maar nu ziet U mijn oog. Daarom verfoei ik mij, en ik heb berouw, in stof en as.” (Job 42:5-6, STV)

Jesaja roept:

“Wee mij, want ik verga, dewijl ik een man van onreine lippen ben…” (Jesaja 6:5, STV)

Paulus noemt zichzelf:

“…Christus Jezus is in de wereld gekomen, om de zondaren zalig te maken, van welke ik de voornaamste ben.” (1 Timotheüs 1:15, STV)

Niemand die echt Gods heiligheid ziet, wordt trots op zichzelf.

 

Hoe dichter men bij God leeft, hoe kleiner men over zichzelf denkt.

Dat is ook precies de les uit Job 42. Wanneer Job echt Gods heerlijkheid ziet, blijft er niets over van zijn zelfvertrouwen. Niet zijn omstandigheden, maar de ontmoeting met Gods heiligheid verbreekt zijn trots en brengt hem tot zelfveroordeling.

 

Alleen door het kruis sterft alle menselijke trots

Daarom eindigt Paulus niet met zelfvertrouwen, maar met een belijdenis.

“Maar het zij verre van mij, dat ik zou roemen, anders dan in het kruis van onzen Heere Jezus Christus…” (Galaten 6:14, STV)

Dat is het grote onderscheid.

De wereld roemt in de zonde.

Religieuze mensen roemen in hun eigen gerechtigheid.

Humanisten roemen in de mens.

Maar de gelovige roemt uitsluitend in Christus.

En precies daar botst het evangelie frontaal met de geest van deze tijd.

Niet omdat christenen beter zijn.

Maar omdat zij weten dat zij zonder Gods genade net zo verloren zouden zijn als ieder ander.

 

Resumerend

De grootste crisis van onze tijd is niet dat mensen zondigen.

,Dat heeft de mens altijd, sinds Genesis 3, gedaan.

De grootste crisis is dat de mens trots is geworden op zijn zonde en verwacht en zels eist dat de wereld daarvoor applaudisseert.

De Bijbel noemt dat geen vooruitgang.

Hij noemt het verblinding.

De vraag is daarom niet of wij zondaren zijn.

Dat zijn we allemaal.

De vraag is: schamen we ons nog over onze zonde, of zijn wij er trots op geworden?

Want wie trots is op zijn zonde, heeft de deur naar bekering gesloten.

Maar wie zich buigt aan de voet van het kruis, ontdekt dat Gods genade groter is dan de grootste zondaar.

“Want een iegelijk, die zichzelf verhoogt, zal vernederd worden; en die zichzelf vernedert, zal verhoogd worden.” (Lukas 18:14, STV)

zie ook:

Het Evangelie zonder omwegen – Bijbelse basis

Het warme hart van het Evangelie – Bijbelse basis

Bekering, geen hogere wiskunde – Bijbelse basis

Bekering – geen religieuze emotie, maar een noodzakelijke omkeer – Bijbelse basis

Tongentaal en ‘persoonlijke klanktaal’: Bijbels of een moderne charismatische leer?

Een Bijbelse gave of een moderne uitvinding?

Veel christenen geloven erin. Maar leert de Bijbel het ook?

“Bid je al in een persoonlijke gebedstaal?”

In veel evangelische en charismatische gemeenten is die vraag heel gewoon. Sommigen beschouwen een persoonlijke klanktaal zelfs als een onmisbaar onderdeel van een gezond geestelijk leven. Anderen gaan nog verder en zien het als het bewijs dat iemand gedoopt is met de Heilige Geest.

Maar hier moet iedere Bijbelgetrouwe christen een eenvoudige, eerlijke vraag stellen:

Waar staat dat eigenlijk?

Niet: Wie zegt het?

Niet: Hoeveel mensen geloven het?

Niet: Welke ervaring hebben zij?

Maar: Wat zegt de Schrift?

Want de Bereërs werden geprezen omdat zij

“dagelijks de Schriften onderzochten, of deze dingen alzo waren” (Handelingen 17:11).

ik heb er een video over gemaakt, n.a.v een andere video waarin de gedachte van een ‘persoonlijke klanktaal’ wordt neergezet.

YouTube player

Tongentaal en persoonliijke klanktaal 

Een opvallend gegeven

De uitdrukkingen ‘persoonlijke klanktaal’, ‘persoonlijke gebedstaal’ en hemelse gebedstaal’ komen nergens in de Bijbel voor.

Dat betekent niet automatisch dat de gedachte onjuist is. Er zijn meer woorden die niet letterlijk in de Bijbel voorkomen. Maar als een leer zo’n belangrijke plaats krijgt in het christelijk leven, mag verwacht worden dat zij duidelijk uit de Schrift kan worden aangetoond.

En daar hebben we een probleem.

 

Een leer van de twintigste eeuw

Gedurende bijna negentien eeuwen kerkgeschiedenis vinden we deze leer nauwelijks terug.

Pas met de opkomst van de pinksterbeweging aan het begin van de twintigste eeuw, gevolgd door de Azusa Street-opwekking (1906), de charismatische beweging en later de Word of Faith- en NAR-beweging, werd de gedachte populair dat iedere gelovige een persoonlijke gebedstaal kan ontvangen.

Langzamerhand verschoof het spreken in tongen van een bijzondere geestelijke gave naar een persoonlijke geloofspraktijk die voor vrijwel iedere christen bereikbaar zou zijn.

Maar een leer wordt niet waar omdat zij populair is. Zij moet getoetst worden aan Gods Woord.

 

Niet iedere gelovige spreekt in talen

Paulus laat daar weinig ruimte voor.

“Zijn zij allen apostelen? Zijn zij allen profeten? Zijn zij allen leraars? Zijn zij allen krachten? Hebben zij allen gaven der gezondmakingen? Spreken zij allen met vreemde talen? Zijn zij allen uitleggers?”
(1 Korinthe 12:29-30)

De vorm van deze vragen verwacht telkens hetzelfde antwoord:

Nee.

Niet iedereen heeft dezelfde gave.

Even daarvoor schrijft Paulus:

“Doch deze dingen alle werkt één en dezelfde Geest, delende aan een iegelijk in het bijzonder, gelijkerwijs Hij wil.”
(1 Korinthe 12:11)

De Heilige Geest deelt de gaven uit zoals Hij wil, niet zoals wij wensen.

Dat alleen al maakt de populaire uitspraak dat “iedere gelovige een persoonlijke gebedstaal kan ontvangen” moeilijk houdbaar.

 

De gave is gegeven voor de gemeente

Paulus schrijft:

“Maar aan een iegelijk wordt de openbaring des Geestes gegeven tot hetgeen oorbaar is.”
(1 Korinthe 12:7)

En:

“Laat alle dingen geschieden tot stichting.”
(1 Korinthe 14:26)

Het doel van geestelijke gaven is de opbouw van de gemeente.

De moderne nadruk ligt echter vaak op persoonlijke stichting, persoonlijke ervaring en persoonlijke verdieping.

Dat is een opvallende verschuiving.

 

Op Pinksteren sprak men bestaande talen

Handelingen 2 beschrijft de eerste keer dat mensen in talen spreken.

“En zij werden allen vervuld met den Heiligen Geest, en begonnen te spreken met andere talen, zoals de Geest hun gaf uit te spreken.”
(Handelingen 2:4)

Wat waren dat voor talen?

De Bijbel geeft zelf het antwoord.

“Hoe horen wij hen een iegelijk in onze eigen taal, in welke wij geboren zijn?”
(Handelingen 2:8)

En:

“Wij horen hen in onze talen de grote werken Gods spreken.”
(Handelingen 2:11)

Niet onverstaanbare klanken.

Niet een privégebedstaal.

Maar bestaande menselijke talen.

 

“Hij spreekt niet de mensen, maar God”

Vaak wordt gewezen op 1 Korinthe 14:2.

“Want die een vreemde taal spreekt, spreekt niet den mensen, maar Gode; want niemand verstaat het, doch met den geest spreekt hij verborgenheden.”

Maar Paulus zegt niet dat dit een hemelse taal is.

Hij zegt waarom niemand hem verstaat.

Er is geen uitleg.

De verborgenheid zit niet in een mysterieuze taal uit de hemel, maar in het feit dat de aanwezigen de taal niet begrijpen.

Wie vandaag in een Nederlandse gemeente uitsluitend Chinees spreekt zonder vertaling, spreekt voor de aanwezigen eveneens “verborgenheden”.

 

“Mijn geest bidt”

Ook 1 Korinthe 14:14 wordt vaak aangehaald.

“Want indien ik bid in een vreemde taal, mijn geest bidt wel, maar mijn verstand is onvruchtbaar.”

Maar Paulus eindigt daar niet.

Hij zegt onmiddellijk:

“Wat is het dan? Ik zal wel met den geest bidden, maar ik zal ook met het verstand bidden.”

En iets verder:

“Maar ik wil liever in de gemeente vijf woorden spreken met mijn verstand, opdat ik ook anderen moge onderwijzen, dan tienduizend woorden in een vreemde taal.”
(1 Korinthe 14:15,19)

Zijn conclusie is dus niet dat onverstaanbaarheid wenselijk is.

Integendeel.

Hij kiest nadrukkelijk voor begrijpelijke woorden.

 

Zonder uitleg moet men zwijgen

Paulus geeft duidelijke regels.

“En indien er geen uitlegger is, dat hij in de gemeente zwijge; doch dat hij tot zichzelven spreke en tot God.”
(1 Korinthe 14:28)

Ook deze tekst wordt vaak gebruikt als bewijs voor een persoonlijke gebedstaal.

Maar Paulus voert hier geen nieuwe leer in.

Hij geeft een ordevoorschrift.

Geen uitleg?

Dan geen openbare bijdrage.

Dat is precies het tegenovergestelde van de praktijk waarin soms hele gemeenten tegelijkertijd onverstaanbare klanken voortbrengen.

 

De moderne praktijk roept vragen op

In veel charismatische kringen wordt mensen geleerd hoe zij in tongen kunnen spreken.

Men krijgt instructies als:

  • spreek gewoon klanken uit;
  • zet je verstand niet in de weg;
  • laat de Geest het overnemen;
  • oefen iedere dag.

Maar waar vinden we zo’n instructie in de Schrift?

Nergens.

Geen enkele apostel leert iemand hoe hij in tongen moet spreken.

Geen enkele brief bevat een stappenplan.

Geen enkele gelovige wordt aangemoedigd om door oefening een klanktaal te ontwikkelen.

Dat zou ons voorzichtig moeten maken.

 

Ervaring is geen norm

Veel gelovigen zijn oprecht.

Daar hoeft niemand aan te twijfelen.

Maar oprechtheid bewijst nog niet dat een leer juist is.

De geschiedenis van de kerk laat zien dat oprechte mensen zich kunnen vergissen.

Daarom blijft de vraag niet:

“Wat heb ik ervaren?”

Maar:

“Wat heeft God geopenbaard?”

Onze ervaringen moeten door de Schrift worden beoordeeld, niet andersom.

 

Conclusie

Wanneer alle relevante Bijbelgedeelten eerlijk naast elkaar worden gelegd, ontstaat een helder beeld.

De Bijbel leert dat:

  • niet iedere gelovige dezelfde geestelijke gaven ontvangt;
  • de gave van talen een gave van de Heilige Geest is;
  • de Geest die gaven uitdeelt zoals Hij wil;
  • talen in Handelingen herkenbare menselijke talen waren;
  • spreken in talen zonder uitleg de gemeente niet opbouwt;
  • Paulus steeds de nadruk legt op verstaanbaarheid, onderwijs en orde;
  • de Bijbel nergens spreekt over een persoonlijke klanktaal die iedere gelovige kan ontvangen of ontwikkelen.

Dat betekent niet dat God vandaag niets bijzonders meer kan doen. God is soeverein en almachtig.

Maar de vraag is niet wat God kan doen.

De vraag is wat Hij heeft geopenbaard als norm voor Zijn gemeente.

En daarop geeft de Schrift een duidelijk antwoord.

De gave van talen is Bijbels. De leer van een algemeen beschikbare persoonlijke klanktaal is dat niet.

“Beproeft alle dingen; behoudt het goede.”
1 Thessalonicenzen 5:21

 

Een aparte doop in de Heilige Geest : leert de Bijbel dit?

Wat leert de Bijbel

Binnen evangelische en charismatische gemeenten klinkt deze oproep: “Ben je al gedoopt in de Heilige Geest?” Vaak wordt daarmee een tweede geestelijke ervaring bedoeld die na de bekering zou plaatsvinden. Dikwijls wordt daar tongentaal, profetie of een bijzondere krachtservaring aan gekoppeld.

Het klinkt geestelijk.

Het klinkt Bijbels.

Maar is het wat de Bijbel leert?

Wie de Bijbel zorgvuldig leest, ontdekt dat deze leer niet gebaseerd is op de onderwijsbrieven van de apostelen, maar op een verkeerde uitleg van het boek Handelingen. Daardoor worden unieke historische gebeurtenissen verheven tot een norm voor iedere gelovige.

Dat heeft grote gevolgen.

Geen aparte doop in de Heilige Geest

 

Paulus kent of leert geen tweede doop

Opvallend is dat Paulus gelovigen nergens oproept om de doop in de Heilige Geest na te streven.

Integendeel.

Hij schrijft:

“Want ook wij allen zijn door één Geest tot één lichaam gedoopt, hetzij Joden, hetzij Grieken, hetzij dienstknechten, hetzij vrijen; en wij zijn allen tot één Geest gedrenkt.” (1 Korinthe 12:13, STV)

De sleutel is “wij allen zijn.”

Niet sommigen.

Niet de geestelijk rijpen.

Niet degenen die een bijzondere ervaring hebben gehad.

Iedere gelovige is door de Heilige Geest in het Lichaam van Christus geplaatst.

Dat is geen opdracht.

Dat is een voltooid feit.

Daarom schrijft Paulus ook:

“Eén Heere, één geloof, één doop.” (Efeze 4:5, STV)

De Bijbel spreekt nergens over twee aparte dopen.

 

De grootste denkfout: Handelingen als draaiboek lezen

Vrijwel iedere verdediging van een tweede doop verwijst naar Handelingen.

Maar Handelingen is geen draaiboek over het gemeenteleven.

Het beschrijft de unieke overgang van Israël naar de openbaring van het Lichaam van Christus.

Daar vinden bijzondere gebeurtenissen plaats:

  • de uitstorting over de Joden;
  • daarna over de Samaritanen;
  • vervolgens over de heidenen;
  • tenslotte over de discipelen van Johannes.

Deze momenten markeren nieuwe fasen in Gods heilsplan.

Het zijn historische gebeurtenissen.

Geen patroon dat iedere gelovige vandaag opnieuw moet meemaken.

Wie van Handelingen een blauwdruk maakt voor de Gemeente, doet precies hetzelfde als iemand die beweert dat iedere gelovige eerst drie dagen blind moet worden omdat Paulus dat overkwam.

Geschiedenis is nog geen leer.

 

De leer van een ’tweede doop’ schept twee soorten christenen

Hier wordt het gevaar zichtbaar.

Wanneer een tweede doop wordt geleerd, ontstaat automatisch een tweedeling.

Er zijn dan:

  • gewone christenen;
  • christenen die “de doop” hebben ontvangen.

Maar Paulus kent zo’n onderscheid helemaal niet.

Opmerkelijk genoeg schrijft hij 1 Korinthe 12 aan een gemeente die vol geestelijke problemen zat.

Er was verdeeldheid.

Er was zonde.

Er was misbruik van de geestelijke gaven.

Toch schrijft hij zonder uitzondering:

“Want ook wij allen zijn door één Geest tot één lichaam gedoopt…” (1 Korinthe 12:13, STV)

Hun probleem was niet dat zij de Heilige Geest misten.

Hun probleem was dat zij niet geestelijk wandelden.

Ik kwam ooit in een gemeente waarin deze ‘doop’ voorwaarde was om een taak te mogen doen, maar dat werd al snel weer losgelaten omdat er te weinig mensen overbleven om iets te doen.

 

Wel vervuld, niet opnieuw gedoopt

De Schrift kent wél een opdracht over vervulling :

“En wordt niet dronken in wijn, waarin overdaad is, maar wordt vervuld met den Geest.” (Efeze 5:18, STV)

Hier ligt een wereld van verschil.

De doop met de Heilige Geest is Gods eenmalige werk.

De vervulling met de Heilige Geest gaat over het dagelijkse leven van de gelovige.

Daarom roept Paulus op om:

  • door de Geest te wandelen;
  • de Geest niet te bedroeven;
  • de Geest niet uit te blussen.

Maar nergens zegt hij:

“Zoek de doop in de Heilige Geest.”

 

Iedere gelovige ontvangt de Heilige Geest bij zijn bekering

Paulus laat geen ruimte voor een wachttijd.

Hij schrijft:

“In Welken ook gij zijt, nadat gij het Woord der waarheid, namelijk het Evangelie uwer zaligheid gehoord hebt; in Welken gij ook, nadat gij geloofd hebt, zijt verzegeld geworden met den Heiligen Geest der belofte.” (Efeze 1:13, STV)

De volgorde is eenvoudig.

Het Evangelie horen.

Geloven.

Verzegeld worden.

Niet maanden later.

Niet na handoplegging.

Niet na een conferentie.

Niet na tongentaal.

Maar direct nadat men gelooft.

 

De leer van een aparte doop heeft een schadelijk gevolg

Christenen gaan naar binnen kijken.

Heb ik wel genoeg geloof?

Waarom spreek ik geen tongen?

Waarom ervaar ik niets bijzonders?

Heb ik misschien iets gemist?

Zo verschuift het vertrouwen van Christus naar de eigen ervaring.

En precies daar ligt het gevaar.

Het Evangelie rust niet op gevoel.

Niet op beleving.

Niet op spectaculaire ervaringen.

Maar op het volbrachte werk van de Here Jezus Christus.

De rijkdom van Gods Genade

Iedere wedergeboren gelovige:

  • is door de Heilige Geest in het Lichaam van Christus gedoopt;
  • is verzegeld met de Heilige Geest;
  • heeft de Heilige Geest inwonend;
  • mag dagelijks leren wandelen onder Zijn leiding.

Dat is geen “tweede zegen”.

Dat is de rijkdom van Gods Genade vanaf het eerste moment van geloof.

 

Samenvattend

De leer van een aparte doop in de Heilige Geest houdt geen stand wanneer zij wordt getoetst aan de brieven van Paulus.

Zij ontstaat doordat de overgangsgebeurtenissen uit Handelingen worden losgemaakt van hun historische context en vervolgens als norm voor de Gemeente worden gebruikt.

De Schrift wijst echter een andere weg.

Niet zoeken naar een tweede ervaring.

Niet jagen op spectaculaire manifestaties.

Niet twijfelen of er misschien nog iets ontbreekt.

Maar rusten in Christus, Die alles heeft volbracht, en weten dat iedere gelovige vanaf het moment van geloof volledig deel heeft aan de Heilige Geest.

Van daaruit mag hij groeien in heiliging, gehoorzaamheid en een leven dat steeds meer onder de leiding van de Geest staat.

 

“Want uit Hem, en door Hem, en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen.” (Romeinen 11:36, STV)

lees ook:

Waarom Handelingen geen blauwdruk is voor de gemeente vandaag – Bijbelse basis

Geverifieerd door MonsterInsights