Wanneer het volmaakte gekomen is

Profetie en tongentaal zijn niet het bewijs van geestelijke volwassenheid

1 Korinthe 13 leert niet dat profetie en tongentaal het hoogtepunt van geestelijk leven vormen. Paulus noemt deze gaven tijdelijk en gedeeltelijk. De liefde blijft, maar profetieën worden tenietgedaan en talen zullen ophouden.

In charismatische kringen worden tongentaal, profetische woorden en bovennatuurlijke kennis vaak gepresenteerd als kenmerken van een krachtige, volwassen en Geestvervulde gemeente. Wie niet in tongen spreekt, geen persoonlijke profetieën ontvangt en geen bovennatuurlijke indrukken doorgeeft, zou geestelijk iets missen.

Maar wie 1 Korinthe 13 zorgvuldig leest, ontdekt precies het tegenovergestelde.

Paulus presenteert profetie, talen en bijzondere kennis niet als het einddoel van geestelijke groei. Hij noemt ze tijdelijk, gedeeltelijk en voorbijgaand. Niet de spectaculaire gave blijft bestaan, maar de liefde.

“De liefde vergaat nimmermeer; maar hetzij profetieën, zij zullen tenietgedaan worden; hetzij talen, zij zullen ophouden; hetzij kennis, zij zal tenietgedaan worden.” (1 Korinthe 13:8, STV)

Dat is geen aanbeveling om de gemeente voortdurend afhankelijk te maken van nieuwe profetieën. Het is een aankondiging dat deze gaven hun tijdelijke functie zullen verliezen.

 

Het volmaakte in 1 Korinthe 13
Het volmaakte in 1 Korinthe 13

De liefde blijft, de gaven verdwijnen

De tegenstelling in dit gedeelte is glashelder. De liefde vergaat nimmermeer, maar profetieën worden tenietgedaan, talen houden op en kennis wordt tenietgedaan.

Paulus verdeelt de genoemde zaken daarmee in twee categorieën.

Aan de ene kant staat de liefde. Zij behoort tot het blijvende leven uit God. Aan de andere kant staan profetieën, talen en bijzondere kennis. Zij waren nuttig en door God gegeven, maar hadden een tijdelijke en dienende functie.

Toch heeft een groot deel van de charismatische beweging de nadruk precies omgekeerd. De aandacht verschuift van de liefde van Christus naar de vermeende geestelijke beleving van de mens. Het draait om wat iemand voelde, hoorde, zag, droomde of innerlijk meende te ontvangen.

Daarmee wordt het tijdelijke verheven boven het blijvende.

De vraag is niet langer of Christus wordt verheerlijkt, of de Schrift recht wordt uitgelegd en of gelovigen wandelen in liefde. De vraag wordt of er “iets gebeurt”, of iemand “een woord heeft” en of de samenkomst als bovennatuurlijk wordt ervaren.

Maar geestelijke sensatie is geen bewijs van geestelijke volwassenheid.

 

De Korinthiërs waren begaafd, maar onvolwassen

De gemeente in Korinthe ontbrak het niet aan geestelijke gaven. Toch beschreef Paulus deze gelovigen als vleselijk en als kinderen in Christus. Er waren partijschappen, hoogmoed, wanorde, zedelijke misstanden en onderlinge rechtszaken.

Dat gegeven alleen al ontmaskert de populaire gedachte dat het functioneren van spectaculaire gaven bewijst dat een gemeente geestelijk volwassen is.

Korinthe had gaven in overvloed, maar een schrijnend gebrek aan volwassenheid.

Daarom staat 1 Korinthe 13 niet toevallig tussen de hoofdstukken over geestelijke gaven. Paulus onderbreekt zijn onderwijs niet om een romantisch gedicht over liefde te schrijven. Hij legt de bijl aan de wortel van hun geestelijke hoogmoed.

Zonder liefde waren hun indrukwekkende uitingen niets.

Een mens kan in talen spreken, profeteren, verborgenheden weten en over grote kennis beschikken, maar zonder liefde blijft hij geestelijk leeg. De gave maakt hem niet groot. De liefde van Christus moet zichtbaar worden in zijn wandel.

Wij kennen en profeteren ten dele

Paulus vervolgt:

“Want wij kennen ten dele en wij profeteren ten dele; doch wanneer het volmaakte zal gekomen zijn, dan zal hetgeen dat ten dele is, tenietgedaan worden.” (1 Korinthe 13:9-10, STV)

Profetie en kennis worden hier nadrukkelijk als gedeeltelijk beschreven. Zij gaven geen zelfstandige, volledige en definitieve openbaring van Gods waarheid. Zij brachten delen over binnen een periode waarin de apostolische openbaring nog niet voltooid was.

Dat is van groot belang.

De vroege gemeente beschikte nog niet over het volledige Nieuwe Testament zoals wij dat kennen. De apostelen leefden nog. De apostolische leer werd mondeling verkondigd, door bijzondere tekenen bevestigd en vervolgens schriftelijk vastgelegd.

De bijzondere openbaringsgaven hadden binnen die situatie een duidelijke functie. Maar een tijdelijke functie moet niet kunstmatig tot een blijvende kerkelijke structuur worden gemaakt.

Wat gedeeltelijk is, wijst vooruit naar wat volledig is.

Wat een fundament legt, wordt niet in iedere generatie opnieuw gelegd.

En wat God eenmaal gezaghebbend heeft geopenbaard, hoeft niet voortdurend te worden aangevuld door mensen die zeggen: “God vertelde mij…”

Wat is “het volmaakte”?

Over de precieze betekenis van “het volmaakte” bestaan verschillende uitleggingen. Sommigen denken uitsluitend aan de voltooiing van de Schrift. Anderen betrekken het op de uiteindelijke verheerlijking van de gelovige bij Christus.

Het gebruikte woord draagt de betekenis van voltooid, volgroeid of tot zijn bestemming gekomen. Paulus werkt dat uit met het beeld van een kind dat volwassen wordt:

“Toen ik een kind was, sprak ik als een kind, was ik gezind als een kind, overlegde ik als een kind; maar wanneer ik een man geworden ben, zo heb ik tenietgedaan hetgeen eens kinds was.” (1 Korinthe 13:11, STV)

Het contrast is dat tussen het kinderlijke en het volwassen geworden leven. Het gedeeltelijke behoort bij een onvoltooide toestand. Het volmaakte of volgroeide maakt het gedeeltelijke overbodig.

De uiteindelijke vervulling ligt zonder twijfel in de volkomen toestand bij Christus:

“Want wij zien nu door een spiegel in een duistere rede, maar alsdan zullen wij zien aangezicht tot aangezicht; nu ken ik ten dele, maar alsdan zal ik kennen, gelijk ook ik gekend ben.” (1 Korinthe 13:12, STV)

Toch betekent dit niet dat iedere bijzondere gave noodzakelijk tot dat uiterste moment moet blijven functioneren. Paulus zegt dat het gedeeltelijke zal verdwijnen wanneer het zijn functie heeft vervuld. Wanneer en hoe dat historisch gebeurt, moet uit het bredere onderwijs van het Nieuwe Testament worden afgeleid.

Eén ding staat echter vast: dit gedeelte biedt geen enkele grond om profetie en tongentaal tot blijvende kenmerken van een volwassen gemeente te verklaren.

Het leert juist dat zij tot het gedeeltelijke en tijdelijke behoren.

Bovendien houdt de apostel Paulus gelovigen in Christus het volgende voor:

“En gij zijt in Hem volmaakt, Die het Hoofd is van alle overheid en macht;” (Kollossenzen 2:10, STV)

Let op dat er niet staat dat dat in de toekomst pas zo zal zijn!

De Schrift is geen aanzet tot voortdurende aanvulling

Hier ligt het fundamentele probleem van de hedendaagse profetische beweging. Men belijdt vaak formeel dat de Bijbel het Woord van God is, maar voegt in de praktijk voortdurend nieuwe boodschappen toe.

Men noemt die boodschappen misschien niet gelijkwaardig aan de Schrift. Men zegt dat zij “getoetst” moeten worden. Maar ondertussen worden zij wel ingeleid met uitspraken als:

“God zegt tegen jou…”

“De Heer liet mij zien…”

“Ik hoorde in mijn geest…”

“Dit is een profetisch woord voor deze tijd…”

Dat taalgebruik claimt Goddelijk gezag. Wie beweert dat God gesproken heeft, doet meer dan een menselijke gedachte of bemoediging delen. Hij legt zijn woorden feitelijk in de mond van God.

Daar helpt een vrome disclaimer achteraf niet tegen.

Wanneer zo’n profetie niet uitkomt, vaag blijft of aantoonbaar verkeerd blijkt te zijn, wordt zelden geconcludeerd dat de spreker ten onrechte namens God heeft gesproken. Men zegt dan dat de ontvanger het verkeerd begreep, dat de omstandigheden veranderden of dat de profetie “voorwaardelijk” was.

Zo wordt de profeet beschermd en de hoorder belast.

Dat is niet nederig. Dat is geestelijke manipulatie.

Moderne profetie is meestal oncontroleerbaar

Bijbelse profetie was geen verzameling voorzichtige indrukken die achteraf alle kanten op konden worden uitgelegd. Wanneer God sprak, sprak Hij waarheid.

De moderne profetische praktijk bestaat daarentegen vaak uit algemeenheden:

“Er komt een nieuw seizoen.”

“God gaat deuren openen.”

“Je hebt een roeping op je leven.”

“Er komt herstel.”

“God heeft meer voor je.”

Dergelijke uitspraken klinken geestelijk, maar zijn meestal zo vaag dat zij nauwelijks getoetst kunnen worden. Ze kunnen op bijna iedereen worden toegepast. Wanneer er iets positiefs gebeurt, wordt dat als vervulling gezien. Wanneer er niets gebeurt, wordt de boodschap vergeten.

Dit is geen Bijbelse profetie. Het is religieus verpakte suggestie.

Het gevaar wordt groter wanneer zulke woorden beslissingen over relaties, gezondheid, werk, geld of gemeentekeuze gaan beïnvloeden. Dan wordt een menselijke indruk voorzien van Goddelijk gewicht.

Mensen durven niet meer vrij en verantwoordelijk te handelen, omdat iemand heeft gezegd dat “God een plan heeft laten zien”.

De vermeende profetie bindt dan het geweten waar de Schrift dat niet doet.

Tongentaal is geen keurmerk van de Heilige Geest

Hetzelfde geldt voor tongentaal. In sommige kringen wordt spreken in tongen voorgesteld als noodzakelijk bewijs van de doop of vervulling met de Heilige Geest.

Maar Paulus zegt niet dat alle gelovigen in talen spreken. Hij stelt juist retorische vragen waaruit blijkt dat niet iedereen dezelfde gave ontving. Bovendien zegt hij in 1 Korinthe 13 uitdrukkelijk dat talen zullen ophouden.

Een gave die niet aan iedere gelovige werd gegeven en waarvan de Schrift zegt dat zij zal ophouden, kan onmogelijk het universele bewijs zijn dat iemand de Heilige Geest heeft ontvangen.

De gelovige wordt niet door tongentaal verzegeld, maar door de Heilige Geest Zelf. Hij behoort niet tot Christus omdat hij een bepaalde ervaring heeft gehad, maar omdat hij het Evangelie heeft geloofd.

Wie tongentaal als geestelijk keurmerk gebruikt, schept twee groepen christenen: gewone gelovigen en zogenaamd Geestvervulde gelovigen.

Dat onderscheid kent de Schrift niet.

Het veroorzaakt geestelijke onzekerheid, imitatie en groepsdruk. Mensen proberen klanken voort te brengen omdat hun geleerd is dat zij zich moeten “openstellen”. Vervolgens wordt de aangeleerde uiting als bovennatuurlijke gave bevestigd.

Dat is geen werking van de Geest, maar psychologische beïnvloeding.

Liefde betekent niet dat dwaling ongemoeid moet blijven

Een veelgebruikt verweer luidt dat kritiek op charismatische praktijken liefdeloos zou zijn. Maar liefde betekent niet dat verkeerde leringen vriendelijk mogen blijven voortwoekeren.

Bijbelse liefde verheugt zich niet in ongerechtigheid, maar in de waarheid.

Een leer die gelovigen afhankelijk maakt van profeten, indrukken, ervaringen en bijzondere bedieningen moet worden weersproken. Niet omdat wij mensen willen beschadigen, maar omdat mensen beschermd moeten worden tegen geestelijke afhankelijkheid.

Juist liefde vraagt om duidelijkheid.

Het is niet liefdevol om iemand te laten geloven dat God hem persoonlijk iets heeft beloofd wanneer God dat niet in Zijn Woord heeft beloofd. Het is niet liefdevol om iemand met een ziekte jarenlang te laten wachten op een aangekondigde genezing. Het is niet liefdevol om twijfel aan een menselijke profetie gelijk te stellen aan ongeloof tegenover God.

Waar menselijke woorden Goddelijk gezag krijgen, moet de Schrift scherp worden geopend.

Geestelijke volwassenheid zoekt geen nieuwe stemmen

De volwassen gelovige leeft niet van steeds nieuwe openbaringen, maar groeit in de kennis van het reeds geopenbaarde Woord.

Hij vraagt niet voortdurend: “Heeft God vandaag nog iets nieuws tegen mij gezegd?”

Hij vraagt: “Wat heeft God in Zijn Woord gezegd, en wandel ik daarnaar?”

Dat is minder spectaculair. Het levert misschien geen indrukwekkende verhalen op. Maar het is veilig, nuchter en Bijbels.

De Heilige Geest leidt de gelovige niet weg van de Schrift naar een wereld van oncontroleerbare indrukken. Hij opent het verstand voor het Woord, verheerlijkt Christus en brengt de waarheid in herinnering.

Wie telkens nieuwe boodschappen nodig heeft, toont daarmee niet noodzakelijk geestelijke rijkdom. Het kan juist wijzen op ontevredenheid met wat God reeds heeft gegeven.

De Bijbel wordt dan de achtergrond, terwijl persoonlijke ervaring de feitelijke leiding overneemt.

Het tijdelijke mag en kan nooit de plaats van Christus innemen

Paulus eindigt niet met profetie, talen of bijzondere kennis. Hij eindigt met geloof, hoop en liefde:

“En nu blijft geloof, hoop en liefde, deze drie; doch de meeste van deze is de liefde.” (1 Korinthe 13:13, STV)

Niet de profeet blijft. Niet de tongenspreker blijft. Niet de geestelijke sensatie blijft.

De liefde blijft.

Daarmee ontmaskert 1 Korinthe 13 een geloofsbeleving die haar identiteit zoekt in tekenen, manifestaties en ervaringen. De gemeente wordt niet volwassen door steeds meer bovennatuurlijke verschijnselen. Zij groeit door de kennis van Christus, door het Woord en door een wandel die overeenkomt met haar hemelse roeping.

 

Profetieën zullen tenietgedaan worden.

Talen zullen ophouden.

Gedeeltelijke kennis zal verdwijnen.

Maar de liefde van Christus vergaat nimmermeer.

Wie daarom het tijdelijke tot hoofdzaak maakt, mist de hoofdzaak. En wie voortdurend om nieuwe woorden vraagt, loopt het gevaar het geschreven Woord naar de achtergrond te schuiven.

De volwassen gemeente jaagt niet naar religieuze sensatie. Zij blijft bij de waarheid die God heeft geopenbaard en verheerlijkt Hem Die het levende Woord is: de Here Jezus Christus.

zie ook: Is ‘het volmaakte’ gekomen? – Bijbelse basis

Geverifieerd door MonsterInsights