Wie was Abraham en wat betekent hij voor christenen vandaag?

Wie was Abraham en wat betekent hij voor Christenen vandaag?

Abraham behoort tot de meest aansprekende en belangrijke personen in de Bijbel. Hij staat aan het begin van Gods heilsweg met Israël, maar zijn betekenis reikt veel verder. Het Nieuwe Testament maakt duidelijk dat Abraham ook beslissend is voor het verstaan van het christelijk geloof, genade en rechtvaardiging.

De roeping van Abraham

Abraham (oorspronkelijk Abram) wordt door God geroepen uit Ur der Chaldeeën om naar een land te gaan dat God hem wijzen zou (Genesis 12). Hij ontving geen gedetailleerde routebeschrijving, geen voorwaarden en geen wet. Hij ontving een belofte. God beloofde hem een groot nageslacht, een land en zegen — niet alleen voor hemzelf, maar voor alle geslachten der aarde.

Deze roeping markeert een nieuw begin in de heilsgeschiedenis. God handelt soeverein en genadig, zonder dat Abraham daar iets tegenover kan stellen.

Gerechtvaardigd door geloof

Het sleutelvers over Abraham:

“En hij geloofde in den HEERE; en Hij rekende het hem tot gerechtigheid.”
(Genesis 15:6, STV)

Abraham wordt rechtvaardig verklaard niet op grond van werken, maar op grond van geloof. Dit gebeurt lang vóór de instelling van de Wet van Mozes en zelfs vóór de besnijdenis. Dit is leerrstellig van groot belang.

De apostel Paulus bouwt hierop voort in Romeinen 4 en Galaten 3. Hij laat zien dat rechtvaardiging altijd Gods weg is geweest: door geloof alleen.

Abraham vóór de wet

De Wet werd pas honderden jaren later gegeven aan Israël bij de Sinaï. Paulus benadrukt:

“De wet, die vierhonderd en dertig jaren daarna gekomen is, doet de belofte niet te niet.”
(Galaten 3:17, SV)

Daarmee wordt duidelijk dat de Wet nooit bedoeld was als middel tot rechtvaardiging. De belofte aan Abraham staat vast en wordt niet vervangen of opgeheven door de Wet.

Voor christenen is dit essentieel: het fundament van het geloof ligt niet in wetsonderhouding, maar in Gods belofte en genade.

Vader van alle gelovigen

Hoewel Abraham de stamvader is van Israël naar het vlees, leert het Nieuwe Testament dat hij ook de vader is van allen die geloven:

“Zo verstaat gij dan, dat degenen die uit het geloof zijn, Abrahams kinderen zijn.”
(Galaten 3:7, STV)

Christenen uit de heidenen worden niet onder de Wet geplaatst en hoeven geen Joden te worden. Zij delen in hetzelfde geloofsprincipe als Abraham. Het gaat niet om afkomst, maar om geloof.

Abraham en Christus

De belofte aan Abraham was uiteindelijk christologisch van aard:

“In u zullen al de geslachten der aarde gezegend worden.”
(Genesis 12:3, STV)

Paulus verklaart dat deze belofte zijn vervulling vindt in Christus. Wie in Christus is, deelt in de zegen van Abraham. Daarmee staat Abraham niet los van het evangelie, maar vormt hij er juist de grondslag van.

Leven uit belofte

Abrahams leven laat zien wat het betekent om met God te wandelen. Hij kende momenten van twijfel, wachten en struikelen, maar zijn leven werd gekenmerkt door vertrouwen op Gods Woord. Zelfs bij de offerande van Izak zien we geen wettische gehoorzaamheid, maar geloof in Gods trouw en macht.

Betekenis voor vandaag

Voor Christenen vandaag betekent Abraham:

  • dat rechtvaardiging door geloof is, niet door werken
  • dat genade voorafgaat aan wet
  • dat Gods beloften vaststaan
  • dat geloof leven uit afhankelijkheid is

Het leven en de persoon van Abraham wijst ons erop dat God altijd Dezelfde is, maar niet altijd op dezelfde wijze handelt. Zijn weg met Abraham laat zien dat Gods reddend handelen altijd geworteld is in genade en geloof – een waarheid die ook vandaag nog steeds geldt.

Is er een kroon voor de gelovige?

Is er een kroon voor de gelovige?

De Schrift spreekt niet alleen over het ontvangen van eeuwig leven, maar ook over een kroon die voor de gelovige is weggelegd. Deze twee worden vaak op één lijn gezet, maar het Nieuwe Testament maakt daar zelf een duidelijk onderscheid in. Eeuwig leven is een gave van genade, terwijl de kroon behoort tot het loon dat in de toekomst geopenbaard zal worden.

Eeuwig leven wordt ontvangen op grond van het volbrachte werk van Christus. Dat is niet afhankelijk van menselijke inzet, volharding of trouw, maar uitsluitend van genade. Paulus verwoordt dat helder wanneer hij schrijft:

“Want uit genade zijt gij zalig geworden, door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave” (Efeze 2:8)

Het behoud is daarmee vast en zeker voor iedere gelovige.

Toekomst

Wanneer de Schrift echter spreekt over een kroon, verschuift de aandacht naar de toekomst. Het gebruikte beeld is niet dat van een koningskroon, maar van een overwinningskrans. Paulus gebruikt dat beeld wanneer hij schrijft:

“En een iegelijk, die om prijs strijdt, onthoudt zich in alles; deze dan om een verderfelijke kroon te ontvangen, maar wij een onverderfelijke” (1 Korinthe 9:25).

De kroon wordt hier verbonden aan de loopbaan, niet aan het begin ervan.

Dat de kroon toekomstig is, blijkt ook uit Paulus’ persoonlijke getuigenis aan het einde van zijn leven. Hij schrijft:

“Voorts is mij weggelegd de kroon der rechtvaardigheid, welke mij de Heere, de rechtvaardige Rechter, geven zal in dien dag; en niet alleen mij, maar ook allen, die Zijn verschijning liefgehad hebben” (2 Timotheüs 4:8).

De kroon is dus niet iets wat de gelovige nu reeds bezit, maar iets wat bewaard wordt tot de dag van Christus.

In Romeinen verbindt Paulus deze toekomstige verheerlijking aan het lijden met Christus. Hij schrijft:

“En indien wij kinderen zijn, zo zijn wij ook erfgenamen; erfgenamen van God en mede-erfgenamen van Christus; zo wij anders met Hem lijden, opdat wij ook met Hem verheerlijkt worden” (Romeinen 8:17).

Het kindschap en het erfgenaamschap staan vast, maar de verheerlijking wordt hier verbonden aan trouw en volharding.

Dat verklaart ook waarom Paulus tot gelovigen kan zeggen:

“Werkt uw zelfs zaligheid met vreze en beven” (Filippenzen 2:12).

Uitwerking

Deze woorden kunnen niet betekenen dat men zichzelf zou moeten behouden, want Paulus schrijft dit aan mensen die al zalig zijn. Het gaat hier om de uitwerking en voltooiing van het geloofsleven, niet om het verkrijgen van eeuwig leven, maar om het verkrijgen van loon.

De Schrift laat bovendien zien dat een gelovige loon kan missen. In Openbaring klinkt de ernstige waarschuwing:

“Houd dat gij hebt, opdat niemand uw kroon neme” (Openbaring 3:11).

Dat zegt ons dat de kroon ontvangen wordt, ook al is men een gelovige.

Het bekende voorbeeld van Ezau bevestigt dit principe. Van hem wordt gezegd dat hij

“om één spijze het recht van zijn eerstgeboorte weggaf” (Hebreeën 12:16).

Ezau bleef zoon, maar verloor zijn eerstgeboorterecht. Zo kan ook een gelovige behouden zijn en toch een deel van de erfenis missen.

De kroon behoort daarom niet tot het fundament van het geloof, maar tot de volheid van de erfenis. Het fundament is Christus alleen. Alles wat daarbovenuit ontvangen wordt, is verbonden aan trouw, volharding en het wandelen met Hem. De Heilige Geest, Die de gelovige nu reeds ontvangen heeft, is het onderpand van wat nog komt en wijst vooruit naar de toekomstige verheerlijking.

Zo laat de Schrift zien dat de kroon geen beloning is voor uitzonderlijke prestaties, maar het gevolg van een voleindigde loopbaan. Niet tot eer van de mens

De wet onder een nieuw etiket als “Tien kernwaarden voor het leven van een christen?”

De wet onder een nieuw etiket als “Tien kernwaarden voor het leven van een christen?”

Het recyclen of heretiketteren van de Tien Geboden als “tien kernwaarden voor het christelijk leven” kan klinken als een onschuldige moderne parafrasering. In werkelijkheid is het, zacht uitgedrukt, onjuist en in het slechtste geval theologisch misleidend. De terminologie verandert, maar de functie niet. Wat niet langer wet wordt genoemd, blijft in de praktijk functioneren als wet.

Niet geïnternaliseerd, maar de relatie beëindigd


Paulus laat geen ruimte voor deze herinterpretatie. Hij zegt niet dat de wet is verzacht, geïnternaliseerd of omgevormd tot waarden. Hij zegt dat de gelovige niet onder de wet is:

“Want de zonde zal over u niet heersen; want gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade.”
(Romeinen 6:14, SV)

Meer nog, hij zegt dat de gelovige voor de wet gestorven is:

“6 Maar nu zijn wij vrijgemaakt van de wet, overmits wij dien gestorven zijn, onder welken wij gehouden waren; alzo dat wij dienen in nieuwheid des Geestes, en niet in de oudheid der letter.”
(Romeinen 7:6, SV)

En hij trekt de beslissende conclusie:

“Want het einde (doel) der wet is Christus, tot rechtvaardigheid een iegelijk die gelooft.”
(Romeinen 10:4, SV)

Deze uitspraken laten geen ruimte voor het voortbestaan van de wet onder een moreel masker.

Een bediening die voorbij is


Dit wordt nog scherper bevestigd in 2 Korinthe 3. Paulus identificeert de Tien Geboden expliciet als:

“En indien de bediening des doods, in letteren bestaande en in stenen ingedrukt, in heerlijkheid is geweest, ”
(2 Korinthe 3:7, SV)

En hij stelt zonder omwegen dat deze bediening teniet gedaan is:

“Want indien hetgeen te niet gedaan wordt, door heerlijkheid was, veel meer is hetgeen blijft, in heerlijkheid.”
(2 Korinthe 3:11, SV)

Wat teniet gedaan is, wordt niet voortgezet onder een andere naam. Spreken over kernwaarden suggereert continuïteit, terwijl Paulus juist over discontinuïteit spreekt.

In plaats daarvan introduceert hij geen nieuw moreel kader, maar een geheel andere bediening:

“Want de letter doodt, maar de Geest maakt levend.”
(2 Korinthe 3:6, SV)

En hij vat het resultaat samen:

“De Heere nu is de Geest; en waar de Geest des Heeren is, aldaar is vrijheid.”
(2 Korinthe 3:17, SV)

“Kernwaarden” is geen Bijbels begrip


Bovendien is “kernwaarden” helemaal geen Bijbels begrip. Het komt voort uit moderne management- en organisatietaal, waar het verwijst naar vaste principes die gedrag sturen, beoordelen en reguleren.

Dit concept in de theologie introduceren betekent dat men een vreemd denkkader importeert en dat vervolgens op de Schrift projecteert. Dat is geen exegese, maar herinterpretatie , of,sterker nog.-inlegkunde.

Paulus spreekt niet in termen van waarden of principes, maar in relationele categorieën:
onder de wet of onder de genade,
in Adam of in Christus,
naar het vlees of naar de Geest.

Het centrum van het christelijk leven is geen moreel systeem, maar een Persoon:

“Ik ben met Christus gekruist; en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij.”
(Galaten 2:20, SV)

Leerstellige en pastorale gevolgen


De taal van kernwaarden bevrijdt niet; zij belast. Waarden blijven gedrag beoordelen, meten en aanspreken. Ze kunnen richting geven, maar ze geven geen leven. Op die manier wordt de druk van de wet functioneel hersteld — precies waarvoor Paulus waarschuwt:

“Staat dan in de vrijheid, met welke ons Christus vrijgemaakt heeft, en wordt niet wederom met het juk der dienstbaarheid bevangen.”
(Galaten 5:1, SV)

Wat is nu de plaats van de Tien Geboden?

De Tien Geboden behouden hun betekenis als openbaring van Gods heiligheid en als spiegel van menselijke onmacht en tekort:

“Daarom zal uit de werken der wet geen vlees gerechtvaardigd worden voor Hem; want door de wet is de kennis der zonde.”
(Romeinen 3:20, SV)

Maar zij zijn niet de kernwaarden van het christelijk leven. Dat leven wordt niet gevormd door waarden, maar door gemeenschap met Christus, door de Geest.

Conclusie

>>Wat Paulus als beëindigd verklaart, kan niet worden voortgezet door het dan maar een andere naam te geven<<

Geverifieerd door MonsterInsights