Gods beloften in de Bijbel
2 Petrus 1:3 zegt niet dat God ons ooit alles zal geven wat wij nodig hebben, maar dat Hij het al “geschonken heeft”. Kennen wij eigenlijk de rijkdom en de beloften die God in Zijn Woord bekendgemaakt heeft? Misschien hebben we niet steeds iets nieuws nodig, maar moeten we leren leven uit wat God al geschonken heeft.
Wat meer heeft een christen eigenlijk nog nodig om een godvruchtig leven te kunnen leiden? Moeten we voortdurend bidden om meer kracht, een nieuwe zalving, een nieuwe aanraking of een bijzondere geestelijke toerusting? Of zegt de Bijbel iets heel anders en iets wat veel rijker is?
2 Petrus 1:3-4 geeft daarop een opvallend duidelijk antwoord. Petrus zegt niet dat God ons ooit alles zal geven wat wij nodig hebben. Hij zegt dat Gods Goddelijke kracht ons alles geschonken heeft wat tot het leven en de godzaligheid behoort. Direct daarna spreekt hij over de “grootste en dierbare beloften” die ons geschonken zijn.
Dat maakt kennis van Gods beloften in de Bijbel geen aardige aanvulling op het christelijke leven. Wie niet weet wat God heeft beloofd en geschonken, kan daar ook niet uit leven.
En misschien verklaart dat waarom christenen soms wanhopig zoeken naar iets wat God hun allang gegeven heeft.

Alles wat tot het leven en de godzaligheid behoort
Petrus schrijft:
“Gelijk ons Zijn Goddelijke kracht alles, wat tot het leven en de godzaligheid behoort, geschonken heeft, door de kennis Desgenen, Die ons geroepen heeft tot heerlijkheid en deugd;” (2 Petrus 1:3, STV)
Het woord alles verdient onze aandacht.
Petrus schrijft niet dat God ons een eerste geestelijke aanbetaling heeft gegeven en dat wij later nog op zoek moeten naar het ontbrekende deel. Evenmin maakt hij onderscheid tussen gewone christenen en een geestelijke elite die iets extra’s heeft ontvangen.
God heeft “alles, wat tot het leven en de godzaligheid behoort” geschonken.
Ook Paulus gebruikt soortgelijke taal:
“Gezegend zij de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in den hemel in Christus.” (Efeze 1:3, STV)
Niet:
God zal ons misschien zegenen.
Niet:
God kan ons zegenen wanneer wij aan bepaalde voorwaarden voldoen.
Maar:
Hij heeft ons gezegend.
Het christelijke leven begint daarom niet bij de vraag hoe wij God ertoe kunnen brengen ons eindelijk voldoende te geven. Het begint bij het geloof dat God in Christus heeft voorzien.
Gods beloften kennen is noodzakelijk
Meteen na 2 Petrus 1:3 schrijft Petrus:
“Door welke ons de grootste en dierbare beloften geschonken zijn, opdat gij door dezelve der Goddelijke natuur deelachtig zoudt worden, nadat gij ontvloden zijt het verderf, dat in de wereld is door de begeerlijkheid.” (2 Petrus 1:4, STV)
Opnieuw gebruikt Petrus het woord geschonken.
God heeft niet alleen voorzien in alles wat tot het leven en de godzaligheid behoort, Hij heeft ons ook Zijn “grootste en dierbare beloften” gegeven.
Daarmee komen we bij een pijnlijk probleem.
Hoe kun je leven uit Gods beloften wanneer je Gods beloften nauwelijks kent?
Veel christenen kennen uitspraken van bekende sprekers, filmpjes op sociale media, persoonlijke profetieën en populaire christelijke slogans beter dan de beloften die gewoon onverbloemd in Gods Woord staan.
Maar geloof kan niet leven van geestelijke slogans.
“Zo is dan het geloof uit het gehoor, en het gehoor door het Woord Gods.” (Romeinen 10:17, STV)
Geloof heeft inhoud. God hééft gesproken en geloof vertrouwt op wat Hij gezegd heeft.
Daarom is Bijbelkennis geen hobby voor mensen die toevallig graag studeren.
Kennis van Gods Woord is noodzakelijk om uit Gods beloften te kunnen leven.
Wat je niet kent, kun je ook niet geloven
Een gelovige kan geestelijk arm leven terwijl hij in Christus rijk is.
Niet omdat God onvoldoende gegeven heeft, maar omdat de gelovige onvoldoende weet wat hij ontvangen heeft.
Dat is een belangrijk verschil.
Wie niet weet wat de Bijbel zegt over zijn positie in Christus, kan daar moeilijk uit leven. Wie Gods beloften niet kent, zal gemakkelijker heen en weer geslingerd worden door omstandigheden. En wie niet weet wat God daadwerkelijk gezegd heeft, wordt bovendien kwetsbaar voor mensen die namens God allerlei dingen beweren.
Daarom behoren Bijbelkennis, geestelijke groei en leven uit Gods beloften bij elkaar.
Het gaat niet om kennis om de kennis als doel opzich. Het doel is dat het Woord ons denken vormt, zodat ons geloof rust op wat God gezegd heeft.
“God heeft mij beloofd…”
Hier is enige nuchterheid nodig.
Er wordt in christelijke kring ontzettend veel aan God toegeschreven.
“God heeft tegen mij gezegd…”
“God liet mij zien…”
“God heeft iets bijzonders beloofd…”
“Ik kreeg een woord voor jou…”
“God zegt dat er een doorbraak aankomt…”
Het klinkt indrukwekkend. Maar ondertussen ligt er thuis misschien een vrijwel gesloten verstofte Bijbel.
Dat is op zijn minst merkwaardig.
Waarom zouden we voortdurend verlangen naar een nieuw persoonlijk “woord” terwijl we nauwelijks kennis hebben van het Woord dat God ons reeds gegeven heeft?
Petrus zelf had een buitengewone ervaring meegemaakt. Hij was getuige geweest van de majesteit van Christus op de berg en had de stem uit de hemel gehoord. Toch schrijft hij verderop in hetzelfde hoofdstuk:
“En wij hebben het profetische Woord, dat zeer vast is, en gij doet wel, dat gij daarop acht hebt, als op een licht, schijnende in een duistere plaats, totdat de dag aanlichte, en de Morgenster opga in uw harten.” (2 Petrus 1:19, STV)
Dat zou ons te denken moeten geven.
Wie Gods stem wil kennen, moet beginnen met aandacht te geven aan Gods Woord.
Niet iedere belofte in de Bijbel is automatisch mijn belofte
Er hoort echter een belangrijke waarschuwing bij een studie over Gods beloften in de Bijbel.
Niet iedere belofte die in de Bijbel staat, is rechtstreeks aan de Gemeente gegeven.
God deed beloften aan Abraham. Hij deed concrete beloften aan Israël. Er zijn beloften die verband houden met het land, het Koninkrijk en Israëls toekomstige herstel.
Daarnaast vinden we wat God bekendmaakt over de positie en toekomst van de Gemeente, het Lichaam van Christus.
Daarom kunnen we niet willekeurig een mooie tekst aanwijzen en zeggen: “Die claim ik.”
De Schrift moet recht gesneden worden:
“Benaarstig u, om uzelven Gode beproefd voor te stellen, een arbeider, die niet beschaamd wordt, die het Woord der waarheid recht snijdt.” (2 Timotheüs 2:15, STV)
Bij iedere Bijbelse belofte moeten we daarom vragen:
Wat staat er precies?
Tegen wie wordt dit gezegd?
In welk verband staat deze belofte?
En mogen wij deze belofte rechtstreeks op onszelf toepassen?
Dat is geen gebrek aan geloof.
Dat is eerbied voor Gods Woord.
Hebben christenen echt “meer van God” nodig?
Hier begint 2 Petrus 1:3 behoorlijk te schuren met bepaalde populaire christelijke ideeën.
Er wordt gesproken over “meer van God”, een “nieuwe zalving”, een “impartatie”, een “nieuwe aanraking” of een bijzondere bediening waardoor iemand geestelijk naar een hoger niveau zou kunnen worden gebracht.
Maar Petrus zegt:
“Gelijk ons Zijn Goddelijke kracht alles, wat tot het leven en de godzaligheid behoort, geschonken heeft…” (2 Petrus 1:3, STV)
Dan mag een eenvoudige vraag worden gesteld:
Welk gedeelte van “alles” ontbreekt er nog?
Dat is geen woordspelletje. Het is een serieuze leerstellige vraag.
Als Gods Goddelijke kracht alles geschonken heeft wat tot leven en godzaligheid behoort, waarom zou een gelovige dan afhankelijk gemaakt moeten worden van een “gezalfde” leider die hem iets zou moeten overdragen wat hij kennelijk nog mist?
Waarom een impartatie zoeken als Petrus zegt dat God voorzien heeft?
Waarom voortdurend zoeken naar “meer” zonder eerst te onderzoeken wat God volgens Zijn Woord reeds gegeven heeft?
De vraag is niet of een christen nog moet groeien. Natuurlijk moet hij groeien.
Maar geestelijke groei is iets anders dan geestelijk incompleet zijn.
Gods voorziening is niet het probleem
Misschien zoeken we daarom soms op de verkeerde plaats naar de oorzaak van geestelijke armoede.
We denken dat we iets missen. Petrus zegt dat God alles geschonken heeft.
We zoeken iets nieuws. Petrus wijst naar wat gegeven is.
We zoeken een nieuwe ervaring. Petrus spreekt over kennis.
We zoeken een nieuw woord. Petrus wijst naar
“het profetische Woord, dat zeer vast is”.
Misschien ontbreekt het ons niet aan geestelijke middelen, maar aan kennis van Gods beloften en vertrouwen op Gods Woord.
Dat is een wezenlijk verschil.
Leven uit Gods beloften betekent niet passief worden
Petrus laat geen ruimte voor de gedachte: als God alles geschonken heeft, hoef ik dus niets meer te doen.
Direct na vers 3 en 4 schrijft hij:
“En gij, tot hetzelve ook alle naarstigheid toebrengende, voegt bij uw geloof deugd, en bij de deugd kennis,” (2 Petrus 1:5, STV)
Vervolgens noemt Petrus matigheid, lijdzaamheid, godzaligheid, broederlijke liefde en liefde jegens allen.
Hier vinden we een prachtig evenwicht.
Wat God schenkt, wordt de basis waarop de gelovige wandelt.
Wij werken niet om God ertoe te bewegen ons uiteindelijk voldoende geestelijke middelen te geven. Wij mogen leven vanuit wat Hij uit genade geschonken heeft.
Gods gave maakt onze verantwoordelijkheid niet overbodig. Zij maakt onze wandel mogelijk.
Dat is ook waarom kennis zo belangrijk is. Petrus spreekt in dit hoofdstuk herhaaldelijk over kennis. De christen groeit niet door steeds nieuwe geestelijke sensaties te verzamelen, maar door Christus te kennen en vanuit Gods waarheid te leven.
Nieuw leven, geen opgeknapte oude mens
Hierbij is ook belangrijk te beseffen wat God eigenlijk geschonken heeft.
Het Evangelie is niet Gods programma om de oude mens wat godsdienstiger te maken. Het gaat om nieuw leven.
Christus kwam niet maar ‘betere idealen’ aanbieden aan de oude Adamitische mens. De gelovige ontvangt nieuw leven in Christus.
Dat maakt het verschil enorm.
Het christelijke leven is niet:
“Ik probeer met Gods hulp een betere/de beste versie van mezelf te worden.”
Het begint bij wat God gedaan heeft en bij het leven dat Hij gegeven heeft.
Daarom is het steeds opnieuw nodig dat de gelovige leert zien wie hij in Christus is, wat God hem geschonken heeft en hoe hij daaruit mag leven.
Vergeet niet wat God gedaan heeft
Petrus zegt iets opvallends over de gelovige bij wie de genoemde vrucht ontbreekt:
“Want bij welken deze dingen niet zijn, die is blind, van verre niet ziende, hebbende vergeten de reiniging zijner vorige zonden.” (2 Petrus 1:9, STV)
Let vooral op dat laatste woord: vergeten.
Niet: nooit ontvangen.
Niet: nooit gereinigd.
Maar vergeten wat God gedaan heeft.
Dat geeft een verrassend perspectief op geestelijke armoede. Misschien hebben we niet altijd iets nieuws nodig. Misschien moeten we opnieuw leren verstaan wat God al gedaan en gegeven heeft.
Steeds iets nieuws zoeken terwijl we het oude vergeten zijn, is geen geestelijke groei.
Het kan juist geestelijke onvolwassenheid zijn.
Bijbels bidden vanuit Gods beloften
Betekent dit dat we niet meer om geestelijke dingen mogen bidden? Natuurlijk niet.
Maar bidden vanuit Gods beloften ziet er anders uit dan bidden alsof God ons voortdurend iets essentieels onthoudt.
Paulus geeft daarvan een prachtig voorbeeld:
“Opdat de God van onzen Heere Jezus Christus, de Vader der heerlijkheid, u geve den Geest der wijsheid en der openbaring in Zijn kennis; Namelijk verlichte ogen uws verstands, opdat gij moogt weten, welke zij de hoop van Zijn roeping, en welke de rijkdom zij der heerlijkheid van Zijn erfenis in de heiligen;” (Efeze 1:17-18, STV)
Let op: “opdat gij moogt weten“.
Paulus bidt voor gelovigen dat zij gaan verstaan welke rijkdom hun deel is.
Dat is iets anders dan voortdurend bidden alsof God die rijkdom nog moet schenken.
Een prachtig gebed zou daarom kunnen zijn:
“Vader, leer mij kennen wat U in Christus geschonken hebt. Leer mij Uw Woord verstaan. Leer mij Uw beloften geloven en leer mij daaruit leven.”
Stop met zoeken naar en vragen om wat God al geschonken heeft
2 Petrus 1:3-4 zet ons uiteindelijk voor een eenvoudige maar confronterende vraag.
Zoeken wij voortdurend naar iets nieuws, of leren wij leven uit hetgeen God heeft geschonken?
Misschien moeten we minder vragen:
“Waar kan ik meer ontvangen?”
En vaker:
“Wat zegt Gods Woord dat God mij reeds geschonken heeft?”
Minder jagen op geestelijke ervaringen en meer kennis van Christus.
Minder afhankelijkheid van mensen die zeggen iets bijzonders te kunnen overdragen en meer vertrouwen op Gods beloften in de Bijbel.
Minder
“God zei tegen mij…”
en meer:
“Er staat geschreven.”
Want geestelijke volwassenheid bestaat niet uit een verzameling spectaculaire ervaringen. Zij groeit door kennis van Christus, kennis van Zijn Woord, geloof in Zijn beloften en een wandel die daarmee overeenkomt.
Petrus laat daar weinig onduidelijkheid over bestaan:
“Gelijk ons Zijn Goddelijke kracht alles, wat tot het leven en de godzaligheid behoort, geschonken heeft, door de kennis Desgenen, Die ons geroepen heeft tot heerlijkheid en deugd;” (2 Petrus 1:3, STV)
God heeft niet matig gegeven.
De vraag is of wij weten wat Hij geschonken heeft.
En wanneer wij onze rijkdom in Christus nauwelijks kennen, hebben we niet in de eerste plaats een nieuwe zalving, nieuwe impartatie, nieuwe profetie of nieuwe geestelijke ervaring nodig.
Dan wordt het hoog tijd om onze Bijbel open te doen, Gods beloften te leren kennen, ze te geloven en daaruit te leven.