Genezingscampagne of het Evangelie?

Over een genezingscampagne, verkeerde verwachtingen en het gevaar van opgeklopt spektakel

Opnieuw verschijnt er een aankondiging van een zogenaamde genezingscampagne, dit keer in Rotterdam. Met als optredend artiest ene Andrew Ebenezar.

Er wordt gesproken over wonderen, tekenen en genezingen. Mensen worden uitgenodigd om te komen “met verwachting”, omdat God daar bijzondere dingen zou gaan doen.

Voor sommige christenen klinkt dat hoopvol. Wie verlangt er niet naar genezing, naar doorbraken, naar zichtbare wonderen?

Maar een belangrijke vraag moet gesteld worden:

Is dit het patroon dat we in de Bijbel zien?

 

God kán genezen

Laat dat eerst duidelijk zijn. De Bijbel leert nergens dat God vandaag niet meer zou kunnen genezen.

“Jezus Christus is gisteren en heden Dezelfde en in der eeuwigheid.” (Hebreeën 13:8 STV)

God is niet veranderd. Hij kan ingrijpen. Hij kan ziekte wegnemen. Hij kan onverwacht herstel geven.

Ook lezen we:

“Is iemand krank onder u? Dat hij tot zich roepe de ouderlingen der gemeente, en dat zij over hem bidden, hem zalvende met olie in den Naam des Heeren.” (Jakobus 5:14 STV)

Gebed voor zieken is dus volkomen Bijbels.

Maar dat is iets heel anders dan genezingscampagnes organiseren.

De eerste Christenen organiseerden geen genezingsdiensten

Wie het Nieuwe Testament eerlijk leest, ontdekt iets opvallends.

De apostelen reisden rond om het evangelie te prediken. Wonderen gebeurden soms, maar ze werden nooit als evenement aangekondigd.

Er staat nergens:

“Kom morgen naar Jeruzalem, want er zullen wonderen en genezingen plaatsvinden.”

Wonderen waren in de Schrift geen programma.

Ze waren:

  • een soevereine daad van God
  • een bevestiging van het apostolische getuigenis
  • geen religieuze bijeenkomst die mensen konden plannen

De Schrift zegt:

“En zij gingen uit en predikten overal, en de Heere werkte mede, en bevestigde het Woord door tekenen die daarop volgden.” (Markus 16:20 STV)

Let op de volgorde.

Eerst het Woord.
Daarna bevestiging.

Niet andersom.

Het probleem van moderne genezingscampagnes

Bij moderne campagnes verschuift de nadruk vaak ongemerkt.

Niet het evangelie staat centraal, maar:

  • wonderen
  • genezingen
  • manifestaties
  • spectaculaire getuigenissen

Het christelijk geloof wordt zo langzaam veranderd in een zoektocht naar ervaringen.

Maar Paulus zegt juist:

“Want ik heb niet voorgenomen iets te weten onder u, dan Jezus Christus, en Dien gekruisigd.” (1 Korinthe 2:2 STV)

De apostelen predikten geen wonder-evangelie.

Zij predikten Christus en het kruis.

De Bijbel leert ook dat ziekte kan blijven

Dat wordt in genezingscampagnes zelden gezegd.

Paulus had zelf een blijvende lichamelijke zwakheid.

“En opdat ik mij door de uitnemendheid der openbaringen niet zou verheffen, zo is mij gegeven een doorn in het vlees…” (2 Korinthe 12:7 STV)

Hij bad drie keer om genezing.

Maar de Heer nam het niet weg.

Dat betekent iets belangrijks: genezing is géén universele belofte voor dit leven.

Ook Timotheüs werd niet naar een genezingsdienst gestuurd.

Paulus schreef:

“Drink niet langer water alleen, maar gebruik een weinig wijn om uw maag en uw menigvuldige zwakheden.” (1 Timotheüs 5:23 STV)

Dat klinkt opmerkelijk nuchter.

Wanneer het evangelie naar de achtergrond verdwijnt

Veel genezingscampagnes hebben een herkenbaar patroon.

Er wordt gesproken over:

  • doorbraak
  • kracht
  • wonderen
  • manifestaties

Maar zelden over:

  • zonde
  • bekering
  • verzoening
  • het kruis

Toch is dat precies waar het evangelie over gaat.

De Here Jezus zei:

“Want wat baat het een mens, zo hij de gehele wereld gewint, en lijdt schade zijner ziel?” (Markus 8:36 STV)

De grootste nood van een mens is niet ziekte.

Het is verlorenheid.

De vraag die we moeten stellen

Het Evangelie stelt een andere vraag dan veel moderne campagnes.

Niet:

“Wil je een wonder meemaken?”

Maar:

“Wie is Jezus Christus voor jou?”

Is Hij:

  • de Zoon van God
  • de gekruisigde Verlosser
  • de opgestane Heer

Of slechts een wonderdoener van wie wij verwachten dat Hij onze problemen oplost?

Terug naar de eenvoud van het Evangelie

De kerk heeft geen wondercampagnes nodig.

Wat zij nodig heeft is:

  • prediking van het Woord
  • onderwijs in de Schrift
  • bekering en geloof
  • een leven dat gericht is op Christus

Wonderen kunnen eventueel gebeuren.
Maar zij zijn nooit het centrum.

Het centrum is altijd:

Jezus Christus en Dien gekruisigd.

Sacramenten?

Kent de Schrift sacramenten?

Het woord “sacrament” komt in de Bijbel nergens voor. Dat feit alleen al zou ons voorzichtig moeten maken. In veel kerken speelt het begrip een grote rol, maar de vraag is eenvoudig: spreekt de Schrift zelf zo?

Wanneer we het Nieuwe Testament lezen, zien we dat de eerste gemeenten wel degelijk bepaalde instellingen kennen. Er is de doop en er is het breken van het brood. Maar nergens worden deze handelingen “sacramenten” genoemd, en nergens wordt geleerd dat zij op zichzelf ‘genade overdragen.’

Dat onderscheid is belangrijk.

Het evangelie staat centraal, niet het ritueel

In het Nieuwe Testament ligt de nadruk voortdurend op het evangelie van Christus. Niet een handeling, maar een boodschap is het middel waardoor mensen tot geloof komen.

Paulus zegt opmerkelijk scherp:

“Want Christus heeft mij niet gezonden om te dopen, maar om het Evangelie te verkondigen.” (1 Korinthe 1:17 STV)

Die uitspraak zou onmogelijk zijn als de doop een noodzakelijk genademiddel zou zijn waardoor redding wordt doorgegeven. Paulus stelt hier duidelijk de prioriteit:

Het evangelie redt, niet het ritueel.

Hetzelfde principe vinden we elders:

“Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave.” (Efeze 2:8 STV)

Het heil komt door Genade, ontvangen door geloof.

De doop in de Schrift

De doop wordt in het Nieuwe Testament duidelijk ingesteld, maar altijd in verband met geloof.

Op de pinksterdag lezen we:

“Die dan zijn woord gaarne aannamen, werden gedoopt.” (Handelingen 2:41 STV)

De volgorde is opvallend eenvoudig:

evangelie → geloof → doop.

De doop is daarmee een zichtbaar getuigenis van een geestelijke werkelijkheid. Paulus legt dat zo uit:

“Wij zijn dan met Hem begraven door den doop in den dood, opdat, gelijkerwijs Christus uit de doden opgewekt is tot de heerlijkheid des Vaders, alzo ook wij in nieuwigheid des levens wandelen zouden.” (Romeinen 6:4 STV)

De doop werkt deze werkelijkheid niet, maar beeldt haar uit.

Het avondmaal

Ook het avondmaal wordt door de Heer ingesteld. Paulus geeft de woorden van Christus door:

“En als Hij gedankt had, brak Hij het, en zeide: Neemt, eet, dat is Mijn lichaam, dat voor u gebroken wordt; doet dat tot Mijn gedachtenis.” (1 Korinthe 11:24 STV)

Het doel wordt expliciet genoemd:

“Want zo dikwijls als gij dit brood zult eten, en dezen drinkbeker zult drinken, zo verkondigt den dood des Heeren, totdat Hij komt.” (1 Korinthe 11:26 STV)

Het avondmaal is dus:

  • een gedachtenis

  • een verkondiging

  • een gemeenschappelijk getuigenis

Niet een handeling waardoor genade automatisch wordt uitgedeeld.

Hoe het sacrament-denken ontstond

Het begrip sacrament komt uit het Latijn (sacramentum). In de vroege kerk begon men dit woord te gebruiken voor ‘heilige handelingen’.  Langzamerhand kreeg het een steeds sterkere betekenis.

In de tijd van Augustinus werd een sacrament omschreven als een zichtbaar teken van een onzichtbare genade. In de middeleeuwen groeide dit uit tot een volledig systeem van zeven sacramenten, beheerd door de kerk.

Zo ontstond een structuur waarin de kerk als het ware de ‘beheerder van genade’ werd.

Maar wie teruggaat naar het Nieuwe Testament ziet iets heel anders. Daar staat niet de kerk centraal, maar Christus.

De kern van het evangelie

Het evangelie wijst nooit naar een ritueel als bron van redding. Het wijst naar een Persoon.

“Want er is ook onder den hemel geen andere Naam, Die onder de mensen gegeven is, door Welken wij moeten zalig worden.” (Handelingen 4:12 STV)

Niet een sacrament redt.

Niet een kerkelijke handeling redt.

Christus redt.

De doop en het avondmaal zijn daarom waardevolle en door de Heer gegeven tekenen. Zij herinneren aan Zijn werk en verkondigen Zijn dood. Maar zij zijn niet de bron van Genade.

Die bron ligt uitsluitend in Hem.

En precies daar wil de Schrift onze blik houden.

Israël vandaag Gods volk?

Over “Ammi”, “Lo-Ammi” en de Bijbelse betekenis van “Gods volk”

In veel evangelische en christenzionistische kringen wordt de volgende uitspraak bijna als een axioma herhaald:

“Israël is Gods volk.”

Daarmee bedoelt men dan meestal de huidige staat Israël. Soms wordt dit zo absoluut gesteld dat elke kritische vraag meteen als onbijbels, en scherper nog, als anti-semitisch wordt gezien.

Maar de werkelijke vraag is: wat bedoelt de Bijbel wanneer God spreekt over “Mijn volk”?

Wanneer we de Schrift zorgvuldig lezen, blijkt dat dit begrip niet simpelweg een etnisch of politiek label is. Het is een verbondsaanduiding, verbonden aan relatie met God.

Het gaat daarom niet om vervangingsleer tegenover zionisme, maar om de Bijbelse definitie van Gods volk.

Israël werd door God “Mijn volk” genoemd

In het Oude Testament noemt God Israël zonder twijfel Zijn volk.

“Want gij zijt een heilig volk den HEERE, uw God; u heeft de HEERE, uw God, verkoren, dat gij Hem tot een volk des eigendoms zoudt zijn uit alle volken die op den aardbodem zijn.” (Deuteronomium 7:6 STV)

Israël werd uitverkoren uit alle volken.
God sloot met hen een verbond en gaf hun Zijn wet.

Maar deze positie betekende niet dat Israël automatisch Gods volk bleef, ongeacht geloof of ongehoorzaamheid.

Wanneer Israël God verwerpt (niet andersom!)

Bij het gouden kalf zien we een opvallende verschuiving.

“Ga heen, trek af; want uw volk, dat gij uit Egypteland opgevoerd hebt, heeft het verdorven.” (Exodus 32:7 STV)

God zegt hier tegen Mozes niet meer “Mijn volk”, maar “uw volk.”

Een volk met deze naam bestaat nog steeds, maar de verbondsrelatie is, eenzijdig, vernietigd.

 Zie, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik met het huis van Israël en met het huis van Juda een nieuw verbond zal maken; Niet naar het verbond dat Ik met hun vaderen gemaakt heb, ten dage als Ik hun hand aangreep om hen uit Egypteland uit te voeren; welk Mijn verbond zij vernietigd hebben, hoewel Ik hen getrouwd had, spreekt de HEERE. (Jeremia 31:31,32 STV)

Hier belooft de Heer vóór de droevige constatering door de mond van Jeremia meteen al dat Hij het daar niet bij zou laten zitten, door de toen toekomstige oprichting van het nieuwe Verbond aan te kondigen.

Hosea: Ammi en Lo-Ammi

De profeet Hosea laat nog scherper zien dat Gods volk zijn geen automatisch etiket is.

“En Hij zeide: Noem zijn naam Lo-Ammi; want gij zijt Mijn volk niet, zo zal Ik ook de uwe niet zijn.” (Hosea 1:9 STV)

Lo-Ammi betekent: niet Mijn volk.

Vanwege hun afgoderij en verbondsbreuk verklaart God dat Israël niet langer als Zijn volk erkend wordt.

Maar Hosea spreekt ook over herstel.

“En Ik zal Mij ontfermen over Lo-Ruchama, en Ik zal tot Lo-Ammi zeggen: Gij zijt Mijn volk; en hij zal zeggen: Mijn God!” (Hosea 2:22 STV)

Ammi: Mijn volk.

Gods volk zijn is dus een relationele werkelijkheid, geen automatisch etiket.

Israël verwierp zijn Messias

De geschiedenis bereikt een dramatisch punt wanneer de Messias komt.

“Hij is gekomen tot het Zijne, en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen.” (Johannes 1:11 STV)

Israël als volk verwierp Christus.

Paulus beschrijft de huidige toestand zo:

“Want ik wil niet, broeders, dat u deze verborgenheid onbekend zij, opdat gij niet wijs zijt bij uzelven, dat de verharding voor een deel over Israël gekomen is, totdat de volheid der heidenen zal ingegaan zijn.” (Romeinen 11:25 STV)

‘Israë’ bestaat nog steeds, maar leeft momenteel grotendeels in ongeloof tegenover zijn Messias.

Daarom kan je niet zomaar  zeggen dat de seculiere moderne staat Israël automatisch Gods volk is in geestelijke zin.

Wat bepaalt werkelijk wie Gods volk is?

De Bijbel maakt duidelijk dat Gods volk wordt bepaald door relatie met God.

Niet door afkomst.
Niet door nationaliteit.

Zelfs in het Oude Testament klonk dat al.

“Besnijdt dan de voorhuid uws harten.” (Deuteronomium 10:16 STV)

God kijkt niet alleen naar bloedlijn, maar naar het hart.

Paulus en “het Israël Gods”

De uitdrukking “het Israël Gods” komt uit de brief van Paulus aan de Galaten.

“En zovelen als er naar dezen regel zullen wandelen, over dezelve zal zijn vrede en barmhartigheid, en over het Israël Gods.” (Galaten 6:16 STV)

Hier gebruikt Paulus de uitdrukking “het Israël Gods.”

Daarmee duidt hij de gemeenschap aan van hen die volgens deze regel wandelen:
namelijk dat men in Christus een nieuwe schepping is (Galaten 6:15).

Het laat zien dat Gods volk wordt bepaald door relatie met God in Christus, niet door etniciteit.

Zelfs Egypte zal “Mijn volk” genoemd worden

De profeten laten zien dat de aanduiding “Mijn volk” niet exclusief voor Israël blijft.

“Te dien dage zal Israël de derde zijn met Egypte en met Assyrië, een zegen in het midden van het land;
Welke de HEERE der heirscharen zegenen zal, zeggende: Gezegend zij Mijn volk de Egyptenaars, en Assur het werk Mijner handen, en Israël Mijn erfdeel.” (Jesaja 19:24-25 STV)

Hier wordt Egypte genoemd:

“Mijn volk.”

Dat laat zien dat deze uitdrukking een relationele aanduiding is.

Twee misverstanden

In het gesprek over Israël ontstaan meestal twee uitersten.

Het eerste uiterste is vervangingsleer, waarin Israël geen rol meer zou spelen in Gods plan.

Maar Paulus zegt duidelijk:

“Zo zeg ik dan: Heeft God Zijn volk verstoten? Dat zij verre!” (Romeinen 11:1 STV)

Israël heeft nog een toekomst.

Het tweede uiterste is onvoorwaardelijk christenzionisme, waarin de moderne staat Israël automatisch Gods volk wordt genoemd.

Ook dat leert de Schrift nergens.

Israël zal weer “Ammi” worden

De Bijbel laat zien dat Israël uiteindelijk tot bekering zal komen.

“En alzo zal geheel Israël zalig worden; gelijk geschreven is: De Verlosser zal uit Sion komen en zal de goddeloosheden afwenden van Jakob.” (Romeinen 11:26 STV)

Dan zal Israël opnieuw Ammi — Mijn volk genoemd worden.

De moderne staat Israël is niet automatisch Gods volk.

De Schrift leert iets diepers.

De uitdrukking “Gods volk” wordt bepaald door verbond en geloof.

Vandaag vormt God een volk uit Joden en heidenen in het lichaam van Christus; de gemeente, die Paulus aanduidt als “het Israël Gods.”

En in de toekomst zal ook Israël als volk zijn Messias erkennen.

Dan zal het woord dat ooit klonk:

Lo-Ammi — niet Mijn volk

definitief veranderen in:

Ammi — Mijn volk.

Dat is géén vervanging.
Dat is de Bijbelse definitie van Gods volk.

lees ook:

Israël onze “oudste broer”…..dat is de vraag

Israël in de Bijbel is niet hetzelfde als de moderne Joodse staat

Christenen voor Israël? Pas op met DIT…

De toekomstige en zekere bekering van Israël, – geen automatisme

Geverifieerd door MonsterInsights