Waarom de kerkelijke drie-eenheidsleer schuurt met de Schrift

De drie-eenheidsleer getoetst aan de Schrift

De vraag is niet of Christus Goddelijk is. De vraag is of de kerkelijke formule van ‘drie Personen in één Wezen’ de taal van de Schrift is.

Er zijn woorden die zo vertrouwd klinken dat bijna niemand nog vraagt wat ze precies betekenen.
“Drie-eenheid” is zo’n woord.

Voor velen is het de hoogste toets van rechtzinnigheid geworden. Wie het woord gebruikt, zit veilig. Wie er vragen bij stelt, wordt al snel verdacht gemaakt. Alsof de geloofsbelijdenis van Nicea of Athanasius zelf uit de hemel is gevallen. Alsof de apostelen met dezelfde termen spraken. Alsof Petrus op Pinksteren zei: “Bekeert u en gelooft in één Wezen, bestaande uit drie onderscheiden Personen, gelijk in eeuwigheid en hoedanigheid.”

Maar dat zei Petrus niet.

Hij predikte Christus.

Daar begint het onderscheid.

Niet bij de Godheid van Christus. Die staat uitdrukkelijk niet ter discussie.

Niet bij de Majesteit van de Vader. Niet bij het werk van de Heilige Geest.

Maar bij het kerkelijke systeem dat later over de Bijbelse openbaring heen is gelegd. Een systeem dat vaak meer lijkt op een leerstellige gietmal dan op de levende taal van de Schrift.

Drie eenheidsleer

De Bijbel spreekt anders dan het dogma

De klassieke drie-eenheidsleer zegt:

‘de Vader is God, de Zoon is God, de Heilige Geest is God; toch zijn het geen drie Goden maar één God. Vervolgens wordt daar een reeks dogmatische beschermhekken omheen gezet: niet vermengen, niet scheiden, geen eerder of later, geen meer of minder, drie Personen, één Wezen.’

Dat klinkt strak. Sluitend zelfs.

Maar de vraag is niet of het kerkelijk klopt.

De vraag is: spreekt de Schrift zo?

Dat zullen we zien.

De Schrift spreekt over God. Over Zijn Woord. Over Zijn Zoon. Over de Vader. Over de Geest. Over Christus als Beeld van de onzienlijke God. Over Zijn vernedering. Over Zijn gehoorzaamheid. Over Zijn vernedering, Zijn dood  Over Zijn opstanding. Over Zijn verhoging. Over Zijn aanstelling tot Heere en Christus. Over Zijn wederkomst. Over Zijn Koninkrijk.

Dat is geen abstract rekenschema. Dat is heilsgeschiedenis.

Het kerkelijke dogma bevriest die levende openbaring tot een formule. En zodra een formule de Schrift gaat beheersen in plaats van dienen, ontstaat er geestelijke kortsluiting.

Christus wordt niet minder als het dogma wordt bevraagd

Laat dit duidelijk zijn: wie de Godheid van Christus ontkent, snijdt diep in het hart van het Evangelie. De Here Jezus Christus is geen schepsel, geen engel, geen verheven profeet, geen halfgod, geen religieus tussenpersoon.

Hij is de Heer.

Paulus schrijft:

“Dewelke is het Beeld des onzienlijken Gods, de Eerstgeborene aller kreaturen.” Kolossenzen 1:15 (STV)

En Thomas belijdt na de opstanding:

“Mijn Heere en mijn God.” Johannes 20:28 (STV)

Daar is niets van af te dingen.

Omdat Christus zo groot is, moeten wij Hem niet opsluiten in kerkelijke terminologie die de Schrift zelf niet gebruikt. Het gevaar is niet dat Christus te hoog wordt beleden. Het gevaar is dat Zijn Bijbelse heerlijkheid wordt vervangen door een dogmatische constructie.

Dan belijd je misschien orthodoxe woorden, maar raak je de Bijbelse lijnen en het Bijbels getuigenis kwijt.

Vader en Zoon zijn geen losse vakjes in een hemels schema

In de Schrift zijn “Vader” en “Zoon” geen kille technische termen. Ze spreken over oorsprong, zending, erfenis, vertegenwoordiging, Messiaanse aanstelling en Koninklijke waardigheid.

Psalm 2 zegt:

“Ik zal van het besluit verhalen: De HEERE heeft tot Mij gezegd: Gij zijt Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd.” Psalm 2:7 (STV)

Dat “heden” is geen detail. Het wordt in het Nieuwe Testament verbonden met Christus’ opstanding en verhoging. Paulus zegt in Antiochië:

“Gelijk ook in den tweeden psalm geschreven staat: Gij zijt Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd.” Handelingen 13:33 (STV)

Hier gaat het niet over een kerkelijk schema waarin eeuwige verhoudingen worden vastgeklonken Hier gaat het over de opgestane Christus, Die door God wordt aangewezen als de Zoon, de Erfgenaam, de Koning.

Dat is niet minder heerlijk. Het is veel concreter.

De Bijbel spreekt niet in de taal van een dogmatisch diagram. De Bijbel spreekt in de taal van belofte, vervulling, opstanding en verhoging.

Handelingen 2 past niet netjes in de klassieke formule

Petrus zegt op Pinksteren:

“Zo wete dan zekerlijk het ganse huis Israëls, dat God Hem tot een Heere en Christus gemaakt heeft, namelijk dezen Jezus, Dien gij gekruist hebt.” Handelingen 2:36 (STV)

Dat vers schuurt.

Niet met Christus’ heerlijkheid.
Wel met een platte dogmatiek waarin geen ruimte lijkt te zijn voor “gemaakt”, “gesteld”, “verhoogd” en “gegeven”.

Petrus zegt hier niet dat Jezus pas ná de opstanding begon te bestaan. Dat zou dwaasheid zijn. Maar hij zegt wel dat God Hem, de gekruisigde Jezus, tot Heere en Christus gemaakt heeft. Dat is Bijbelse taal. Aanstellingstaal. Koninkrijkstaal. Opstandingstaal.

De kerkelijke formule “geen eerder of later, geen meer of minder” klinkt dan ineens te glad. Te vlak. Te weinig historisch. Te weinig verbonden met de weg van vernedering naar verhoging.

Want de Schrift zegt ook:

“Daarom heeft Hem ook God uitermate verhoogd, en heeft Hem een Naam gegeven, welke boven allen naam is.” Filippenzen 2:9 (STV)

Merk op dat woord: daarom.

Christus vernederde Zich.
Christus werd gehoorzaam tot de dood.
Daarom heeft God Hem uitermate verhoogd.

Dat is geen toneelstukje. Dat is geen schijnbeweging binnen een onbeweeglijk schema. Dat is de weg van de Middelaar.

De vernedering van Christus wordt weggeredeneerd

Een groot bezwaar tegen de kerkelijke drie-eenheidsleer is dat zij de vernedering van Christus vaak meteen neutraliseert.

Men zegt dan: ja, naar Zijn menselijke natuur was Hij minder, maar naar Zijn Goddelijke natuur bleef Hij volkomen gelijk. Formeel is dat begrijpelijk. Maar als die uitleg ertoe leidt dat de volle ernst van Christus’ vernedering verdampt, is er iets mis.

De Schrift spreekt ronduit:

“Die in de gestaltenis Gods zijnde, geen roof geacht heeft Gode evengelijk te zijn; Maar heeft Zichzelven vernietigd, de gestaltenis eens dienstknechts aangenomen hebbende, en is den mensen gelijk geworden.” Filippenzen 2:6-7 (STV)

En ook:

“Maar wij zien Jezus met heerlijkheid en eer gekroond, Die een weinig minder dan de engelen geworden was, vanwege het lijden des doods.” Hebreeën 2:9 (STV)

Dat is geen bijzaak.
Dat is het Evangelie.

De eeuwige heerlijkheid van Christus mag niet worden losgemaakt van Zijn weg als de gehoorzame Knecht. Hij kwam niet als een goddelijke verschijning in menselijke vermomming.

Hij werd werkelijk Mens. Hij vernederde Zich werkelijk. Hij leed werkelijk. Hij stierf werkelijk. Hij werd werkelijk opgewekt. Hij werd werkelijk verhoogd.

Een dogma dat dat alles wegwerkt onder een formule, slaat de Schrift plat.

De Heilige Geest wordt een derde afzonderlijke Persoon

Ook bij de Heilige Geest schuurt het dogma.

De Schrift spreekt persoonlijk over de Geest. De Geest leert, leidt, overtuigt, getuigt, kan bedroefd worden. Dat moeten we niet negeren.

Maar de vraag is: dwingt de Schrift ons om de Heilige Geest te definiëren als een derde onderscheiden Persoon naast Vader en Zoon binnen ‘één Goddelijk Wezen?’

Dat is veel minder vanzelfsprekend dan men vaak doet voorkomen.

Johannes schrijft:

“En dit zeide Hij van den Geest, Denwelken ontvangen zouden die in Hem geloven; want de Heilige Geest was nog niet, overmits Jezus nog niet verheerlijkt was.” Johannes 7:39 (STV)

Dat is een opmerkelijke zin. De Geest van God was er al in het Oude Testament. De Geest werkte, sprak, bekwaamde, leidde. Maar Johannes zegt toch: “de Heilige Geest was nog niet”, in verband met de verheerlijking van Christus.

Dat wijst op een nieuwe bediening van de Geest ná Christus’ verhoging. De Geest is niet los verkrijgbaar als derde religieuze kracht. De Geest is nauw verbonden met de verhoogde Christus.

Paulus schrijft:

“De Heere nu is de Geest; en waar de Geest des Heeren is, aldaar is vrijheid.” 2 Korinthe 3:17 (STV)

Dat past niet lekker in een al te strak drie-vakjes-schema.

De Schrift spreekt vaak over “de Geest van God”, “de Geest van Christus”, “Christus in u”, “de Geest des Heeren”. Die lijnen lopen veel inniger in elkaar dan het kerkelijke model soms laat merken.

Mattheüs 28:19 is geen kant-en-klare dogmatiek

Vaak wordt Mattheüs 28:19 gebruikt alsof de klassieke drie-eenheidsleer daar letterlijk staat.

Maar er staat:

“Gaat dan henen, onderwijst al de volken, dezelve dopende in den Naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes; lerende hen onderhouden alles, wat Ik u geboden heb.” Mattheüs 28:19 (STV)

Dat is een machtige tekst. Maar er staat niet: drie eeuwige Personen in één Wezen, gelijk in majesteit, zonder eerder of later.

Dat wordt erin gelezen.

Bovendien begint de opdracht met deze woorden:

“Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde.” Mattheüs 28:18 (STV)

Weer dat woord: gegeven.

De Opgestane spreekt. De Verhoogde spreekt. Degene aan Wie alle macht gegeven is, zendt Zijn discipelen uit. De tekst staat dus niet los van opstanding, verhoging en koninklijke volmacht.

Wie Mattheüs 28:19 gebruikt als dogmatische snelweg naar Nicea, rijdt te hard langs de context.

Het grootste bezwaar: een kerkelijke formule wordt tot eis gemaakt

Hier wordt het echt serieus.

In sommige klassieke belijdenisvormen wordt de drie-eenheidsformule zo zwaar gemaakt dat zij ongeveer als voorwaarde voor behoud functioneert. Alsof iemand pas veilig is wanneer hij exact de kerkelijke terminologie kan onderschrijven.

Maar de Schrift zegt:

“Geloof in den Heere Jezus Christus, en gij zult zalig worden, gij en uw huis.” Handelingen 16:31 (STV)

Niet: geloof in de latere kerkelijke formulering van drie Personen in één Wezen.

Natuurlijk is het belangrijk wie Christus is. Een valse Christus redt niet. Een geschapen Christus redt niet. Een Christus Die niet werkelijk Heer is, is niet de Christus der Schriften.

Maar dat is iets anders dan zeggen dat een mens de latere dogmatische formulering moet onderschrijven om behouden te zijn.

Daar wordt een kerkelijke hek om Christus heen gezet. En soms lijkt het alsof de hek belangrijker wordt dan Christus Zelf.

Dat is gevaarlijk.

De zaligheid ligt niet in het correct uitspreken van een dogmatische formule. De zaligheid ligt in Christus.

De Schrift is rijker dan het dogma

De klassieke drie-eenheidsleer wil iets beschermen: de eenheid van God, de Godheid van Christus, de werkelijkheid van de Geest. Dat motief is begrijpelijk. Maar goede bedoelingen maken een formulering nog niet automatisch Bijbels.

De Schrift is rijker dan het schema.

Zij spreekt over de ene God.
Zij openbaart Christus als Heere.
Zij toont Hem als het Beeld van de onzienlijke God.
Zij predikt Zijn vernedering.
Zij verkondigt Zijn opstanding.
Zij belijdt Zijn verhoging.
Zij wijst op Zijn Middelaarschap.
Zij spreekt over de Geest als Gods inwonende, werkzame, heiligende tegenwoordigheid, nauw verbonden met de verhoogde Christus.

Dat is geen armoede. Dat is geen verlaging van Christus. Dat is juist eerbied voor de wijze waarop God Zichzelf heeft geopenbaard.

Weg met de religieuze rekensom

De drie-eenheidsleer is vaak verdedigd met zinnen die niemand werkelijk begrijpt, maar die men toch moet nazeggen om veilig te lijken.

Drie, maar niet drie.
Eén, maar niet één op gewone wijze.
Onderscheiden, maar niet gescheiden.
Gelijk, maar toch gezonden.
Eeuwig gegenereerd, maar zonder begin.
Voortkomend, maar niet later.
Drie Personen, één Wezen.

Op een gegeven moment wordt geloof dan geen luisteren naar de Schrift meer, maar het instemmen met een kerkelijk taalspel.

En wie daarbij vragen stelt, wordt verdacht gemaakt.

Maar Bijbels geloof staat of valt niet bij formules die de apostelen nooit hebben uitgesproken.

Bijbels geloof leeft van de openbaring van God in Christus.

“Want er is één God, er is ook één Middelaar Gods en der mensen, de Mens Christus Jezus.” 1 Timotheüs 2:5 (STV)

Dat is helder.
Dat is apostolisch.
Dat is genoeg om eerbiedig bij stil te staan.

Wat dan wél belijden?

Niet minder dan de Schrift.
Maar ook niet méér alsof onze latere woorden boven Gods Woord mogen gaan staan.

Er is één God.

De Here Jezus Christus is de Heer, het Beeld van de onzienlijke God, de Zoon, de Gezondene, de Middelaar, de Opgestane, de Verhoogde, de Erfgenaam, de Koning.

De Heilige Geest is Gods werkzame, inwonende, heiligende tegenwoordigheid, door Wie Christus in de Zijnen woont en werkt.

De Vader is de Bron, de Zender, Degene uit Wie alle dingen zijn.

De Zoon is Degene door Wie alle dingen zijn en in Wie God Zich volkomen heeft geopenbaard.

De Geest is Degene door Wie Gods leven, waarheid en kracht in de gelovigen werkt.

Maar wij hoeven dat niet gevangen te zetten in een kerkelijke formule die vervolgens als lakmoesproef voor behoud wordt gebruikt.

De scherpe conclusie

Het probleem met de kerkelijke drie-eenheidsleer is niet dat deze te hoog denkt van Christus. Het probleem is dat deze achteraf de Bijbelse openbaring in een schema perst.

-maakt van Vader, Zoon en Geest drie dogmatische vakjes.

-maakt van levende heilsgeschiedenis een abstracte constructie.

-maakt van Christus’ vernedering en verhoging een voetnoot.

-leest latere formuleringen terug in teksten die anders spreken.

En  kan een kerkelijke formule zwaarder laten wegen dan de apostolische prediking.

De apostelen riepen niet op tot geloof in een kerkelijk rekenschema.

Zij predikten Christus.

Gekruisigd.
Opgestaan.
Verhoogd.
Tot Heer en Christus gemaakt.
De komende Koning.

Dáár moet de kerk naar terug.

Niet naar minder eerbied voor Christus.
Maar naar minder dogmatische rook rond Christus.

Niet naar ontkenning van Zijn Godheid.
Maar naar een Bijbels belijden van Zijn heerlijkheid.

Want de vraag is niet of wij de juiste kerkelijke formule kunnen nazeggen.

De vraag is of we willen buigen voor Hem van Wie geschreven staat:

“En alle tong zou belijden, dat Jezus Christus de Heere zij, tot heerlijkheid Gods des Vaders.” Filippenzen 2:11 (STV)

lees ook:

Is de Here Jezus JHWH? – Bijbelse basis

tot Wie bidden en zingen? – Bijbelse basis

Waarom Handelingen geen blauwdruk is voor de gemeente vandaag – Bijbelse basis

Extern:

Jezelf uitstrekken naar meer van God? Of rusten in Christus?

Strek je uit….maar waarnaar dan??

Een vrome zin met een onderliggend gevoel van tekort

“Je moet je uitstrekken naar meer.”

Wie kan daar nu tegen zijn? Een gelovige hoort toch niet lauw te zijn? Hij hoort toch te verlangen naar de Heere? Hij hoort toch niet geestelijk achterover te leunen?

Zeker. Maar juist daarom moet deze zin open op tafel.

Want niet elke geestelijke uitdrukking is gezond omdat zij vroom klinkt. Niet elke oproep tot verlangen komt voort uit Bijbels onderwijs. En niet elke roep om “meer” brengt de gelovige dichter bij Christus. Soms brengt die roep hem juist weg van de rust in Christus.

“Jezelf uitstrekken naar” is zo’n gevleugelde uitdrukking geworden. Je hoort haar in liederen, preken, gebedsavonden, conferenties en charismatische samenkomsten. Men strekt zich uit naar meer zalving, meer kracht, meer vuur, meer doorbraak, meer aanwezigheid, meer manifestatie, meer van de Geest.

Maar de vraag is niet of dat vroom klinkt.

De vraag is:

Wat zegt het over wat God al gegeven heeft?
Split religious poster: left panel shows a man reading a Bible beside a bench at sunset with a cross; right panel shows a stormy crowd reaching for a ladder and the words 'Strekken naar Meer'.
Uitstrekken naar meer?

Paulus strekte zich ook uit, maar niet naar een losse geestelijke ervaring

Natuurlijk kent de Bijbel taal van jagen, verlangen en zich uitstrekken. Paulus schrijft:

“Maar één ding doe ik, vergetende, hetgeen achter is, en strekkende mij tot hetgeen voor is, jaag ik naar het wit, tot den prijs der roeping Gods, die van boven is in Christus Jezus.” Filippenzen 3:14 (STV)

Maar let op: Paulus jaagt hier niet naar een nieuwe dosis Geest. Niet naar een tweede zalving. Niet naar een conferentie-ervaring. Niet naar een krachtlaag die nog niet beschikbaar was.

Hij jaagt naar het einddoel van zijn hemelse roeping in Christus Jezus. Dat is geen religieuze honger naar losse geestelijke prikkels, maar een Christusgerichte levensrichting. Hij wil Christus kennen, Hem gelijkvormig worden, alles schade achten om de uitnemendheid van de kennis van Christus.

Dat is iets heel anders dan moderne tekorttaal.

Want daar ligt het probleem. In veel hedendaagse geestelijke taal betekent “je uitstrekken” niet: leven vanuit Christus. Het betekent: proberen binnen te halen wat zogenaamd nog ontbreekt.

 

De taal van “meer” klinkt nederig, maar getuigt van onrust of, erger nog, ongeloof

“Meer van God.”

“Meer van de Geest.”

“Meer zalving.”

“Meer vuur.”

“Meer kracht.”

Het klinkt afhankelijk. Maar onder die taal kan een diep probleem zitten: de gelovige wordt voortdurend aangesproken als iemand die nog niet genoeg heeft ontvangen.

Alsof hij geestelijk half gevuld is.

Alsof Christus wel de deur is, maar daarna nog allerlei extra kamers geopend moeten worden via honger, overgave, handoplegging, activatie, impartatie of speciale samenkomsten.

Dan wordt het christelijke leven een geestelijke loopband.

Altijd hongerig.
Altijd zoekend.
Altijd openstaand.
Altijd wachtend op meer.
Altijd net niet daar.

Maar dat is niet de toon van de apostelen. De apostelen zetten de gelovige niet in een wachtrij voor extra geestelijke toevoer. Zij wijzen hem op de rijkdom die hij in Christus al ontvangen heeft.

“Gezegend zij de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in den hemel in Christus.” Efeze 1:3 (STV)

Niet: Die ons zal zegenen als wij genoeg verlangen.

Niet: Die ons misschien meer zal geven als wij ons ver genoeg uitstrekken.

Maar:

“Die ons gezegend heeft.”

Met hoeveel?

“Met alle geestelijke zegening.”

Waar?

“In Christus.”

Dat is geen tekorttaal. Dat is volheidstaal.

 

Christus is géén startpakket

Bepaalde moderne geestelijke taal maakt van Christus onbedoeld een soort startpakket of beta-versie. Je ontvangt Hem, maar daarna moet je nog “meer” zoeken.

Meer kracht. Meer Geest. Meer zalving. Meer aanwezigheid. Meer openbaring.

Maar de Schrift spreekt anders:

“En gij zijt in Hem volmaakt, Die het Hoofd is van alle overheid en macht;” Kolossenzen 2:10 (STV)

Dat betekent niet dat onze wandel al volmaakt is. Dat betekent niet dat wij niet hoeven te groeien. Dat betekent niet dat er geen heiliging, strijd, oefening, lijden en geestelijke groei is.

Maar het betekent wel dat de gelovige niet op zoek hoeft naar een vollediger Christus-bezit.

Hij is in Hem volmaakt.

Dat is precies waar moderne tekorttaal zo vaak tegenin gaat. Zij zegt niet rechtstreeks dat Christus onvoldoende is. Men zegt het subtieler: Christus is genoeg, maar je moet wel méér ontvangen. De Geest woont in je, maar je moet méér van Hem krijgen. Je bent gezegend, maar je moet je uitstrekken naar méér zegen. Je bent verzegeld, maar je moet geactiveerd worden.

Dat klinkt geestelijk.

Maar het is vaak een geestelijke gietmal waarin de rust van het volbrachte werk langzaam maar zeker wordt vervormd.

 

De Heilige Geest is geen optioneel verkrijgbaar los bonus onderdeel

De Heilige Geest is geen stroomstoot die je opnieuw moet binnenhalen. Geen krachtveld dat sterker wordt naarmate jij emotioneler bidt. Geen religieuze powerbank die op conferenties wordt opgeladen.

De Heilige Geest woont in de gelovige.

“Of weet gij niet, dat ulieder lichaam een tempel is des Heiligen Geestes, Die in u is, Dien gij van God hebt, en dat gij uws zelfs niet zijt?” 1 Korinthe 6:19 (STV)

Dat is geen uitnodiging tot meer bezit van de Geest, maar een vermaning om te leven vanuit het feit dat Hij in ons woont.

De apostolische lijn is niet: ontvang steeds meer van de Geest.

De apostolische lijn is: wandel door de Geest.

“En ik zeg: Wandelt door den Geest en volbrengt de begeerlijkheid des vleses niet.” Galaten 5:16 (STV)

Daar zit een wereld van verschil tussen.

De ene taal maakt de gelovige afhankelijk van een nieuwe ervaring. De andere taal roept hem op tot wandel, gehoorzaamheid en geloof vanuit wat God al gegeven heeft.

 

Verlangen is Bijbels, denken in tekorten is dat niet

Er is een Bijbels verlangen naar de Heere. Er is honger naar gerechtigheid. Er is dorst naar God. Er is een hart dat zegt: Heere, leer mij Uw weg. Er is groei in kennis, liefde, onderscheidingsvermogen en heiliging.

Maar dat is iets anders dan leven vanuit het gevoel dat je geestelijk nog iets wezenlijks mist.

Paulus bidt voor gelovigen dat zij zullen kennen wat zij al ontvangen hebben:

“Opdat de God van onzen Heere Jezus Christus, de Vader der heerlijkheid, u geve den Geest der wijsheid en der openbaring in Zijn kennis; namelijk verlichte ogen uws verstands, opdat gij moogt weten, welke zij de hoop van Zijn roeping, en welke de rijkdom zij der heerlijkheid van Zijn erfenis in de heiligen;” Efeze 1:17-18 (STV)

Let op: Paulus bidt niet dat zij eindelijk toegang krijgen tot een hogere geestelijke laag. Hij bidt dat hun ogen geopend worden voor wat Gods roeping, erfenis en kracht in Christus betekenen.

De oplossing voor geestelijke armoede is niet “meer ontvangen”.

Maar: leren kennen wat God al gegeven heeft.

 

Het gevaar van honger als deugd

In veel kringen is “honger” bijna een keurmerk geworden. Wie altijd hongerig is, lijkt geestelijker dan wie rust in Christus. Wie altijd roept om meer, lijkt vuriger dan wie zegt: ik ben al gezegend in Hem. Wie altijd openstaat voor een nieuwe aanraking, lijkt afhankelijker dan wie wandelt in geloof.

Maar honger kan ook ongeloof vermomd als vroomheid zijn.

Niet altijd. Maar vaak genoeg.

Als iemand zegt: “Ik verlang ernaar Christus beter te kennen,” is dat gezond.

Als iemand zegt: “Ik heb meer van de Geest nodig, want wat ik in Christus ontvangen heb is blijkbaar nog niet genoeg om te leven,” dan gaat het scheef.

Dan is honger geen geestelijke deugd meer, maar een aanklacht tegen Gods gave.

 

De Bijbel roept niet op tot activatie, maar tot wandelen in geloof

Het Nieuwe Testament staat vol vermaningen. Maar die vermaningen staan bijna altijd op de bodem van een gegeven positie.

Eerst: wie gij zijt in Christus.
Daarna: wandel dan waardiglijk.

“Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zo zoekt de dingen die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechter hand Gods.” Kolossenzen 3:1 (STV)

“Want gij zijt gestorven, en uw leven is met Christus verborgen in God.” Kolossenzen 3:3 (STV)

Daarna volgt de praktische vermaning:

“Doodt dan uw leden, die op de aarde zijn, namelijk hoererij, onreinigheid, schandelijke beweging, kwade begeerlijkheid, en de gierigheid, welke is afgodendienst.” Kolossenzen 3:5 (STV)

Dat is de Bijbelse volgorde.

Niet: strek je uit zodat je hoger komt.

Maar:

Gij zijt met Christus opgewekt; zoekt daarom de dingen die boven zijn.

Niet: probeer een nieuwe geestelijke status te verkrijgen.

Maar: leef vanuit uw positie in Christus.

 

Waarom dit zo aantrekkelijk lijkt

De taal van “je uitstrekken naar meer” is aantrekkelijk omdat zij beweging suggereert. Ze geeft gevoel. Dynamiek. Verwachting. Er gebeurt iets. Mensen worden aangesproken op verlangen. Niemand wil koud of dor zijn.

Maar het gevaar is dat deze taal vaak vaag blijft.

Meer waarvan?
Op grond waarvan?
Door welk middel?
Met welk Bijbels mandaat?
En waarom wordt er zo weinig gesproken over wat de gelovige al bezit in Christus?

Vage geestelijke taal is gevaarlijk omdat zij bijna altijd vroom klinkt. Je kunt haar moeilijk tegenspreken zonder kil te lijken. Wie kritiek heeft op “meer van God” lijkt al snel iemand die minder van God wil.

Maar dat is een vals frame.

De vraag is niet of wij minder van God willen.

De vraag is of wij God willen kennen zoals Hij Zich in de Schrift heeft geopenbaard, en of wij durven rusten in wat Hij in Christus heeft geschonken.

 

De religieuze rookmachine

“Jezelf uitstrekken naar” kan een rookmachine worden.

Het verhult dat men vaak geen heldere leer heeft over de positie van de gelovige. Het verhult dat men de Geest losmaakt van Christus. Het verhult dat men ervaring op de plaats zet van geloof. Het verhult dat men de gelovige opnieuw onder druk zet, niet met de wet van Mozes, maar met een charismatische prestatie-eis.

Je moet hongeriger zijn.
Je moet opener zijn.
Je moet radicaler zijn.
Je moet meer verwachten.
Je moet meer ontvangen.
Je moet je meer uitstrekken.

En voor je het weet, is genade veranderd in een subtiele vorm van geestelijke zelfverbetering.

Geen Sinaï met stenen tafelen, maar wel een religieuze zweep.

Geen “doe dit en leef” in klassieke wetstaal, maar “strek je meer uit en ontvang” in moderne conferentietaal.

De verpakking is anders. De druk is herkenbaar.

 

De Bijbelse correctie

De Schrift zegt niet dat de gelovige niets meer hoeft. Integendeel. Hij moet wandelen. Strijden. Bidden. Waken. Zichzelf verloochenen. De leden doden die op de aarde zijn. De oude mens afleggen. De nieuwe mens aandoen. Volharden. Groeien in genade en kennis.

Maar dit alles gebeurt niet om een diepere status te verkrijgen. Het gebeurt omdat de gelovige in Christus is.

“Maar wast op in de genade en kennis van onzen Heere en Zaligmaker Jezus Christus. Hem zij de heerlijkheid, beide nu en in den dag der eeuwigheid. Amen.” 2 Petrus 3:18 (STV)

Groei is Bijbels.

Maar groei is geen jacht naar een ontbrekende Christus. Groei is het rijpen in de genade die ons al geschonken is.

 

Het onderliggende probleem hiervan

Het probleem met “jezelf uitstrekken naar meer” is dus niet het woord “uitstrekken”. Paulus gebruikt die gedachte.

Het probleem is het moderne geestelijke systeem erachter.

Als “je uitstrekken” betekent: Christus kennen, Hem volgen, wandelen door de Geest, gericht zijn op de hemelse roeping — amen.

Maar als “je uitstrekken” betekent: zoeken naar meer zalving, meer impartatie, meer vuur, meer manifestatie, meer Geest, meer doorbraak — dan moet de Bijbel open.

Want dan gaat het niet meer om de rijkdom van Christus, maar om een religieuze tekorteconomie.

Dan wordt de gelovige niet opgebouwd in zekerheid, maar opgejaagd in verlangen.

Dan wordt geloof vervangen door geestelijke honger als motor.

Dan wordt rust verdacht.

Dan wordt eenvoud arm genoemd.

Dan wordt de volheid in Christus praktisch ingeruild voor een permanente zoektocht naar “meer”.

 

Rust is geen lauwheid

Hier moeten we scherp zijn. Rusten in Christus is geen lauwheid. Zekerheid is geen geestelijke stilstand. Genade is geen passiviteit.

Wie werkelijk weet wat hij in Christus ontvangen heeft, wordt niet lui. Hij wordt vrij.

Vrij van religieuze kramp.
Vrij van geestelijke prestatiedruk.
Vrij van conferentie-afhankelijkheid.
Vrij van tekortdenken.
Vrij om te wandelen.
Vrij om te dienen.
Vrij om Christus te belijden.

Niet omdat hij nog iets moet binnenhalen, maar omdat hij in Christus gezet is.

“Zo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn, die niet naar het vlees wandelen, maar naar den Geest.” Romeinen 8:1 (STV)

Dat is geen taal van tekort. Dat is taal van bevrijding.

 

“Jezelf uitstrekken naar” kan Bijbels zijn. Maar alleen als Christus het doel is en de Schrift de grens bepaalt.

Waar de uitdrukking wordt gebruikt om gelovigen op te jagen naar extra zalving, hogere kracht, nieuwe impartatie of “meer van de Geest”, moet zij worden ontmaskerd als vrome tekorttaal.

De gelovige hoeft niet naar een hogere geestelijke positie te klimmen.

Hij is in Christus gezegend.

Hij is in Christus volmaakt.

Hij is verzegeld met de Heilige Geest.

Hij is geroepen om te wandelen in wat God gegeven heeft.

Niet: strek je uit om eindelijk vol te worden.

Maar: zie op Christus, wandel door de Geest, groei in genade, en laat je niet opnieuw een geestelijke zweep in de hand drukken.

Want de vraag is niet hoeveel jij je uitstrekt.

De vraag is of je rust in Hem Die alles volbracht heeft.

Pinksteren en Pasen: waarom de Geest geen losse ervaring is

Pinksteren: geen losse geest-ervaring, maar vrucht van de opstanding

Pinksteren is misschien wel één van de meest gevierde én minst begrepen momenten in het christelijke jaar.

Er wordt gezongen over de Geest. Er wordt gesproken over vuur. Over kracht. Over tongen. Over verwachting. Over “meer”. Over “kom, Heilige Geest”. En voordat je het weet, is Pinksteren veranderd in een geestelijke verlangmachine: alsof Pasen nog niet genoeg was, alsof Christus wel opstond, maar de gelovige daarna nog op een tweede pakket uit de hemel moest wachten.

Maar dat is precies waar het misgaat.

Pinksteren is niet Gods correctie op een onvolledig Pasen. Pinksteren is de openbare demonstratie van wat in de opstanding van Christus werkelijkheid is geworden. De Heilige Geest komt niet als los verkrijgbare krachtcentrale naast Christus. Hij is de Geest van de opgestane, verheerlijkte Christus. Wie Pinksteren losmaakt van Pasen, krijgt vanzelf een scheef evangelie.

En een scheef evangelie zoekt altijd naar extra’s.

Extra kracht.
Extra zalving.
Extra ervaring.
Extra vuur.
Extra tekenen.

Maar de Schrift wijst niet naar een tekort in Pasen. De Schrift wijst naar de volheid van de opgestane Christus.

Pinksteren is geen correctie op Pasen

 

De vergeten vraag bij Johannes 20

In Johannes 20 verschijnt de opgestane Heere Jezus aan Zijn discipelen. En dan staat daar een tekst die in veel Pinksterdenken ongemakkelijk in de weg zit:

“En als Hij dit gezegd had, blies Hij op hen, en zeide tot hen: Ontvangt de Heilige Geest.” (Johannes 20:22, STV)

De vraag is eenvoudig: gebeurde er toen niets?

Zei Christus werkelijk: “Ontvangt de Heilige Geest”, terwijl zij Hem op dat moment niet ontvingen? Was dit slechts een leeg gebaar, een vooraankondiging zonder werkelijke inhoud, een soort hemelse trailer voor Handelingen 2?

Dat is moeilijk vol te houden.

De Heere Jezus blaast op hen. Dat is niet zomaar theater. Adem, wind en geest liggen in de Schrift dicht bij elkaar. De Geest is de adem van God, het leven van God, de werkzame kracht van God. En juist de opgestane Christus geeft Zijn discipelen deel aan dat leven.

Daarom moet Johannes 20 zwaar wegen. Niet omdat Handelingen 2 onbelangrijk is, maar omdat Handelingen 2 niet tegen Johannes 20 uitgespeeld mag worden.

 

De Geest is verbonden met de verheerlijking van Christus

Johannes 7 zegt dat de Heilige Geest nog niet was gegeven, omdat Jezus nog niet verheerlijkt was. Dat betekent niet dat de Geest in absolute zin nog niet bestond of nooit gewerkt had. De Geest werkte in de schepping, sprak door de profeten en was werkzaam in Gods openbaring. Maar de gave van de Geest als nieuwtestamentische werkelijkheid hangt samen met de verheerlijking van Christus.

En wanneer wordt Christus verheerlijkt?

Niet pas op Pinksteren.

De lijn in het Johannesevangelie loopt naar het kruis, door het kruis heen, naar de opstanding. De Zoon wordt verhoogd. De dood wordt overwonnen. De Eersteling staat op uit de doden. De nieuwe schepping breekt aan.

Daarom zegt Petrus later niet: “Pinksteren is het grote middelpunt.” Hij predikt Christus. Hij predikt de gekruisigde en opgestane Heere. Hij predikt dat God Hem heeft opgewekt. Hij predikt dat David in Psalm 16 profetisch sprak over de opstanding van Christus.

Pinksteren is niet het centrum. Christus is het centrum.

 

Petrus preekt op Pinksteren vooral Pasen

Dat is een punt dat vaak ondergesneeuwd raakt. In Handelingen 2 gebeurt iets indrukwekkends: geluid als van een geweldige gedreven wind, verdeelde tongen als van vuur, spreken in andere talen. En toch blijft Petrus niet hangen bij de verschijnselen.

Hij verklaart ze. Maar daarna gaat hij onmiddellijk naar Christus.

Hij zegt dat Jezus door mensen gekruisigd is, maar naar Gods bepaalde raad en voorkennis. Hij zegt dat God Hem heeft opgewekt. Hij verklaart uit Psalm 16 dat de dood Hem niet kon houden. Niet omdat Petrus een emotionele ervaring had, maar omdat de Schrift het gezegd had.

Dat is Schriftlogica.

De dood kon Christus niet houden, omdat God had voorzegd dat Zijn Heilige geen verderving zou zien. Gods Woord bepaalde de uitleg van het gebeuren. Niet de ervaring. Niet de verwondering van de menigte. Niet het verschijnsel van tongen. Niet het geluid van de wind.

Het Woord verklaarde het teken.

Daar zit een les in voor vandaag.

Waar de ervaring het Woord gaat verklaren, ontstaat verwarring. Waar het Woord de ervaring verklaart, komt helderheid.

 

Pinksteren is geen herhaalbare blauwdruk

Een grote fout is dat Handelingen 2 wordt behandeld als een handleiding voor vandaag. Alsof de gemeente terug moet naar Pinksteren. Alsof het normale christelijke leven bestaat uit het opnieuw najagen van die zichtbare tekenen.

Maar Handelingen beschrijft een overgangstijd. Een heilshistorisch scharnierpunt. Een unieke publieke demonstratie dat de verhoogde Christus Zijn beloofde Geest gegeven heeft.

Dat is iets anders dan een blauwdruk.

Natuurlijk werkt de Heilige Geest vandaag. Zonder de Geest is er geen geloof, geen wedergeboorte, geen verstaan van Gods Woord, geen heiliging, geen geestelijk leven. Maar dat betekent niet dat de uiterlijke tekenen van Handelingen 2 de norm zijn voor de gemeente in elke tijd.

De norm voor de gemeente ligt niet in het kopiëren van de tekenen van Handelingen. De norm ligt in de leer van de apostelen, verder uitgewerkt in de brieven.

En juist daar valt op hoe nuchter het Nieuwe Testament is.

Niet: jaag op vuur.
Niet: zoek een tweede Pinksteren.
Niet: bewijs uw geestelijkheid met tongentaal.
Niet: wacht op een nieuwe uitstorting.

Maar: wandel door de Geest. Word vervuld met de Geest. Laat het Woord van Christus rijkelijk in u wonen. Spreek tot elkaar met psalmen, lofzangen en geestelijke liederen. Stel uw lichaam tot een levend offer. Houd Christus vast als Hoofd.

Dat is veel minder spectaculair voor het vlees. Maar veel gezonder voor de gemeente.

 

Vervuld met de Geest is niet los van het Woord

Een belangrijk misverstand is dat “vervuld worden met de Geest” vaak wordt losgetrokken van het Woord. Dan wordt het een sfeer. Een gevoel. Een moment. Een stroom. Een druk in de zaal. Een emotionele golf.

Maar Paulus zet de zaak anders uiteen.

In Efeze 5 spreekt hij over vervuld worden met de Geest. In Kolossenzen 3 spreekt hij over het rijkelijk wonen van het Woord van Christus. De uitwerking is opvallend gelijk: spreken met psalmen, lofzangen en geestelijke liederen.

Dat is geen toeval.

De Geest werkt niet buiten Christus om. En de Geest werkt niet buiten het Woord om. De Geest verheerlijkt Christus, neemt uit Christus, wijst op Christus en opent het Woord van Christus.

Daarom is een gemeente niet geestelijker naarmate er meer religieuze spanning in de lucht hangt. Een gemeente is gezond wanneer het Woord van Christus rijkelijk woont in haar midden.

Niet arm aan Schrift en rijk aan beleving.
Maar rijk aan Schrift, en daardoor werkelijk geestelijk.

 

Tongentaal was een teken, geen statussymbool

Handelingen 2 spreekt over talen. Niet over onverstaanbaar religieus geluid als bewijs van diepere geestelijkheid. De mensen horen in hun eigen taal de grote werken Gods spreken. Dat is precies het punt: God laat iets horen.

Maar ook waar Paulus later over tongen spreekt, is hij bepaald niet bezig met een romantisering van tongentaal. In 1 Korinthe 14 wordt juist duidelijk dat onverstaanbare taal de gemeente niet opbouwt als zij niet uitgelegd wordt. Profetisch verstaanbaar spreken is nuttiger dan religieus geluid waar niemand iets mee kan.

Tongen zijn een teken. Geen speeltje. Geen keurmerk. Geen geestelijke medaille. Geen bewijs dat iemand méér heeft dan een gewone gelovige.

Wie van tongentaal een geestelijke ladder maakt, heeft de bedoeling van het teken gemist.

De Heilige Geest kwam niet om gelovigen indrukwekkend te laten klinken. Hij kwam om Christus te verheerlijken en Gods Woord krachtig te laten spreken.

 

Leviticus 23: Pinksteren begint bij de eerstelingsgarf

Pinksteren hangt in de Schrift samen met de hoogtijden van de HEERE. In Leviticus 23 wordt eerst de eerstelingsgarf gebracht. Die wordt bewogen op de dag na de sabbat, op de eerste dag van de week, tijdens het feest van de ongezuurde broden.

Dat beeld is rijk.

De eerstelingsgarf wijst op Christus in Zijn opstanding. Hij is de Eersteling uit de doden. De graankorrel is in de aarde gevallen en gestorven, maar heeft vrucht voortgebracht. Pasen is daarom niet slechts de herinnering aan een wonder uit het verleden. Pasen is het begin van de nieuwe schepping.

Vanaf die dag worden 50 dagen geteld. Dan komen de twee beweegbroden. Die broden worden eveneens aan de HEERE voorgesteld. Zij zijn gemaakt van de eerste opbrengst van de oogst.

Daarin ligt een diepe lijn: de gemeente komt voort uit de opstanding van Christus. Niet uit menselijke religie. Niet uit Israël dat zichzelf vernieuwt. Niet uit wereldverbetering. Niet uit een charismatische golf. Maar uit Christus, de Eersteling.

De gemeente leeft omdat Hij leeft.

 

Gedesemde broden: heilig voor God, maar nog niet volmaakt

Opvallend is dat de twee beweegbroden gedesemd zijn. Normaal heeft zuurdeeg in de Schrift vaak een negatieve betekenis: bederf, zonde, valse leer, religieuze besmetting. Maar juist bij deze broden is zuurdeeg aanwezig.

Dat is veelzeggend.

De gemeente is van Christus. De gelovigen zijn geheiligd in Hem. Zij behoren God toe. Maar zij dragen nog het oude lichaam met zich mee. De zonde heerst niet meer, maar zij is nog wel aanwezig. Genade heerst, maar de oude natuur is nog niet verdwenen.

Daarom is de gemeente nu geen triomferende volmaaktheidsmachine op aarde. Zij is een hemels geroepen volk in een vernederd lichaam. Zij is aan God voorgesteld, maar nog onderweg. Zij is van Christus, maar wacht nog op de verlossing van het lichaam.

Dat maakt ook korte metten met allerlei overwinningsretoriek alsof de gemeente nu al zichtbaar het Koninkrijk moet neerzetten. De gemeente is niet geroepen om de wereld te dopen in christelijke make-up. Zij is geroepen om Christus te belijden, Zijn Woord te bewaren en buiten de legerplaats Zijn smaadheid te dragen.

 

Geen Kingdom Now, maar Christus nu verborgen

Een belangrijk punt bij Pinksteren is dit: de verhoogde Christus is nu verborgen in de hemel. Hij regeert, ja. Hij is Heere, ja. Alle macht is Hem gegeven, ja. Maar Zijn koninkrijk wordt nu niet zichtbaar door de gemeente als politieke, culturele of religieuze machtsfactor op aarde.

Deze tijd wordt gekenmerkt door verborgenheid.

Christus is verworpen door de wereld. De wereld heeft Hem niet gekend. De Zijnen hebben Hem niet aangenomen. Hij is gekruisigd buiten de poort. En de gelovige wordt niet geroepen om van Egypte een christelijk recreatiepark te maken, maar om uit te gaan tot Hem.

Dat botst met moderne koninkrijksretoriek.

“Wij moeten het Koninkrijk zichtbaar maken.”
“Wij moeten de cultuur transformeren.”
“Wij moeten de hemel op aarde brengen.”
“Wij moeten de wereld claimen.”

Het klinkt krachtig. Het klinkt actief. Het klinkt bijna apostolisch. Maar het mist de ernst van de huidige bedeling: Christus is verborgen, en de gemeente leeft in verbondenheid met een verworpen Heer.

De gemeente is geen religieuze projectontwikkelaar van een zichtbaar koninkrijk. Zij is het lichaam van Christus, geroepen uit deze wereld, gevoed door het Woord, geleid door de Geest, wachtend op de wederkomst.

 

De gevaarlijke roep om “meer”

Veel Pinksterverwarring begint met één klein woord: meer.

Meer Geest.
Meer vuur.
Meer zalving.
Meer kracht.
Meer tekenen.
Meer manifestatie.

Maar achter dat woord kan een gevaarlijke suggestie schuilgaan: dat Christus niet genoeg gegeven heeft. Dat de gelovige in Hem nog wezenlijk tekortkomt. Dat Pasen wel vergeving bracht, maar niet volheid. Dat men naast Christus nog een apart geestelijk niveau nodig heeft.

Dat klinkt vroom, maar het is gevaarlijk.

Want de gelovige is niet arm omdat hij te weinig spektakel heeft. Hij wordt arm wanneer hij niet leeft uit wat hij in Christus ontvangen heeft. De oplossing is dan niet een nieuwe uitstorting, maar terugkeer naar de volheid van Christus zoals die in het Woord wordt geopenbaard.

De Geest maakt niet los van Christus.
De Geest maakt vast aan Christus.

De Geest trekt de aandacht niet naar Zichzelf als aparte ervaring.
De Geest verheerlijkt de Zoon.

De Geest geeft geen religieuze mistmachine.
De Geest opent het Woord.

 

Pinksteren is de vrijmoedigheid van de verkondiging

Wat verandert er dan zichtbaar op Pinksteren?

Er wordt gesproken.

Dat is de grote lijn. De discipelen zwijgen niet langer.

Zij getuigen.

Petrus staat op.

De Schriften gaan open.

Christus wordt verkondigd.

De opstanding wordt uitgelegd.

De menigte wordt aangesproken.

De Naam van de Heer wordt gepredikt.

Dát is de vrucht van de Geest: niet religieuze zelfvergroting, maar Christusverkondiging.

De Geest maakt van bange discipelen getuigen van de opgestane Christus.

Niet getuigen van hun eigen diepe innerlijke proces.

Niet getuigen van hun bijzondere geestelijke niveau.

Niet getuigen van hun tongentaalervaring.

Maar getuigen van Hem.

Daar ligt een scherpe correctie voor vandaag.

Veel moderne geestelijkheid is ik-gericht. Mijn ervaring. Mijn zalving. Mijn droom. Mijn bediening. Mijn profetie. Mijn doorbraak. Mijn vuur.

Maar de apostolische prediking is Christusgericht.

Zijn kruis.
Zijn opstanding.
Zijn verhoging.
Zijn Naam.
Zijn belofte.
Zijn wederkomst.

Dat is Pinksteren zonder geestelijke opsmuk.

 

Wat Pinksteren vandaag betekent

Pinksteren betekent niet dat wij moeten wachten tot de Heilige Geest eindelijk weer komt. Hij is gegeven. De gelovige leeft uit de Geest van de opgestane Christus.

Pinksteren betekent niet dat de gemeente terug moet naar Handelingen 2 als blauwdruk. Handelingen 2 is een uniek heilshistorisch tekenmoment.

Pinksteren betekent niet dat tongentaal het bewijs is van geestelijke volheid. Het Nieuwe Testament zelf corrigeert dat misverstand.

Pinksteren betekent niet dat de gemeente het Koninkrijk zichtbaar moet vestigen. Christus is nu verborgen, en de gemeente wordt gevormd in verbondenheid met Hem.

Pinksteren betekent wel dat Christus leeft. Dat Hij verhoogd is. Dat de beloofde Geest gegeven is. Dat het Woord nu met vrijmoedigheid verkondigd mag worden. Dat de gemeente leeft uit de Eersteling. Dat gelovigen hun lichaam mogen stellen tot een levend offer. Dat het Woord van Christus rijkelijk in hen mag wonen.

Dat is minder spectaculair dan veel moderne Pinksterretoriek.

Maar het is veel steviger.

 

Slot: geen tweede fase, maar volheid in Christus

Wie Pinksteren losmaakt van Pasen, krijgt een religieuze zoektocht naar aanvulling. Wie Pinksteren vanuit Pasen begrijpt, ziet de rijkdom van de opgestane Christus.

De Heilige Geest is niet gekomen om Christus aan te vullen, alsof Zijn opstanding nog niet genoeg was. De Geest is gegeven omdat Christus is opgestaan en verheerlijkt. Hij past toe wat Christus verworven heeft. Hij opent het Woord. Hij verheerlijkt de Zoon. Hij vormt de gemeente. Hij doet spreken van de grote werken Gods.

Daarom heeft de gemeente geen nieuw Pinksteren nodig.

Zij heeft nodig dat zij ophoudt met jagen naar geestelijke extra’s en opnieuw gaat leven uit de volheid van Christus.

Niet terug naar de tekenen als norm.
Niet vooruit naar een zelfgebouwd koninkrijk.
Maar omhoog naar de verborgen Christus.
En vandaaruit: wandelen door de Geest, geworteld in het Woord, wachtend op Zijn komst.

Zie ook:

pinksteren – Bijbelse basis

 

 

 

 

Geverifieerd door MonsterInsights