Taalgebruik in de verkondiging

Taalgebruik in de verkondiging

Waarom polemiek het doel kan schaden

In een tijd waarin meningen botsen, leerstellige verschillen breed worden uitgemeten en sociale media de toon verharden, is het noodzakelijk om stil te staan bij een fundamentele vraag:

Hoe hoort ons taalgebruik in de verkondiging te zijn?

Prediking is geen debatpodium. Het is geen intellectuele wedstrijd. Het is bediening van het Woord van God. En wie dat Woord draagt, draagt een grote verantwoordelijkheid.

Prediking is bediening van het Woord

De norm is niet onze scherpte, maar Gods opdracht.

“Predik het Woord; houd aan, tijdig, ontijdig; wederleg, bestraf, vermaan in alle lankmoedigheid en leer.” (2 Timotheüs 4:2 STV)

Let op de balans:
wederleggen én lankmoedigheid.
bestraffen én leren.

De prediker is geen aanklager die mensen wegzet maar een herder die mensen leidt.

Waar moet ons taalgebruik aan voldoen?

Schriftuurlijke zuiverheid

Alles moet geworteld zijn in de Schrift. Niet in traditie, emotie of persoonlijke voorkeur.

“Indien iemand spreekt, die spreke als de woorden Gods.” (1 Petrus 4:11 STV)

Dat vraagt nauwkeurigheid, zorgvuldigheid en eerbied.

Zuiverheid van motief

Waarom zeggen wij wat wij zeggen?

Is het om te winnen?
Of om te dienen?

“Want onze vermaning is niet geweest uit verleiding, noch uit onreinigheid, noch met bedrog.” (1 Thessalonicenzen 2:3 STV)

Een zuiver Evangelie vraagt een zuiver hart.

Opbouw en stichting

Zelfs correctie moet gericht zijn op geestelijke groei.

“Geen vuile rede ga uit uw mond, maar zo enige goede rede tot noodzakelijke stichting, opdat zij genade geve dengenen die haar horen.” (Efeze 4:29 STV)

Waarheid die niet opbouwt, mist haar doel.

Zachtmoedigheid in confrontatie

Dwaling moet benoemd worden. Dat is geen optie maar een roeping. Maar de manier waarop is bepalend.

“En de dienstknecht des Heeren moet niet twisten, maar vriendelijk zijn jegens allen, bekwaam om te leren, en die de kwaden kan verdragen; Met zachtmoedigheid onderwijzende degenen die tegenstaan.” (2 Timotheüs 2:24–25 STV)

Zachtmoedigheid is geen zwakte. Het is geestelijke kracht onder controle.

Wanneer polemiek het doel schaadt

Er is een plaats voor scherpe waarschuwing. Paulus was in Galaten ongekend duidelijk:

“Doch al ware het ook dat wij, of een engel uit de hemel, u een evangelie verkondigde, buiten hetgeen wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt.” (Galaten 1:8 STV)

Maar dit was geen persoonlijke aanval. Het was bescherming van het Evangelie.

Het probleem ontstaat wanneer polemiek verschuift van verdediging van de waarheid naar strijd om gelijk.

Dan gebeuren er drie dingen.

Christus raakt op de achtergrond

“Want wij prediken niet onszelf, maar Christus Jezus, den Heere.” (2 Korinthe 4:5 STV)

Zodra de focus ligt op tegenstanders, stromingen of personen, verschuift het centrum van de prediking. Dan wordt het debat belangrijker dan de Heiland.

Harten verharden

“Een zacht antwoord keert de grimmigheid af; maar een smartend woord doet den toorn oprijzen.” (Spreuken 15:1 STV)

Mensen horen dan niet meer de inhoud, maar de toon. Waar de toon agressief is, sluiten harten zich.

Het tast het hart van de prediker aan

“Doch indien gij bittere nijd en twistgierigheid hebt in uw hart, zo roemt en liegt niet tegen de waarheid.” (Jakobus 3:14 STV)

Voortdurende polemiek kan onmerkbaar een geest van strijdlust voeden. Men kan gelijk hebben in leer en toch verkeerd staan in geest.

Waarheid en liefde horen samen

De Schrift is helder:

“Maar spreekt de waarheid in liefde.” (Efeze 4:15 STV)

Waarheid zonder liefde wordt hard.
Liefde zonder waarheid wordt leeg.

Ware verkondiging bewaart beide.

Ernst zonder vleselijke felheid

Er is verschil tussen geestelijke ernst en persoonlijke felheid.

Geestelijke ernst vloeit voort uit bewogenheid om zielen.
Vleeslijke felheid vloeit voort uit irritatie, trots of gekwetst ego.

De wijsheid van boven wordt zo getekend:

“De wijsheid die van boven is, die is eerst rein, daarna vreedzaam, bescheiden, gezeggelijk, vol van barmhartigheid en goede vruchten, niet partijdig oordelende, en ongeveinsd.” (Jakobus 3:17 STV)

Dát zou de maatstaf.moeten zijn

Verkondiging is een veratwoordelijke taak.

Ons taalgebruik moet:

– Schriftgetrouw zijn
– voortkomen uit een zuiver hart
– gericht zijn op stichting
– zachtmoedig in correctie
– ernstig zonder bitterheid
– waarheid spreken in liefde

Polemiek kan soms noodzakelijk zijn wanneer het Evangelie zelf wordt aangetast. Maar zodra het gedreven wordt door strijdlust of behoefte om gelijk te krijgen, schaadt het het doel van de prediking.

Want het doel is niet winnen.
Het doel is niet ontmaskeren.
Het doel is niet profileren.

Het doel is Christus verheerlijken en mensen brengen onder de heerschappij van het Woord.

En dat vraagt niet alleen zuivere leer
maar ook een getemde tong.

Stierf de Here Jezus Christus voor alle mensen?

Stierf de Here Jezus Christus voor alle mensen?

Algehele verzoening – afdoende en voldoende voor de hele mensheid

De vraag of de Here Jezus Christus voor alle mensen gestorven is, raakt het hart van het evangelie. Het gaat hier niet om een scholastische discussie, maar om de aard van Gods liefde, de omvang van het Verlossingswerk en de oprechtheid van de evangelieverkondiging.

Deze leer wordt vaak aangeduid als algehele verzoening. Die term vraagt om zorgvuldige uitleg. Deze betekent niet dat alle mensen automatisch behouden worden. Zij betekent wél dat het offer van Christus afdoende is voor de gehele mensheid.

Ik kijk hiernaar aan de hand van de Schrift (STV).

De duidelijke uitspraken van de Schrift

Gods liefde geldt voor de wereld

“Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.” (Johannes 3:16 STV)

Het object van Gods liefde is “de wereld”. Niet slechts een beperkte groep., zoals ‘de uitverkorenen’. De toepassing ligt vervolgens bij “een iegelijk, die in Hem gelooft”.

De voorziening is universeel.
De toepassing is persoonlijk.

‘Allen’ volgens de Dikke van Dale uitg. 1976

Christus stierf voor allen

“Want de liefde van Christus dringt ons; als die dit oordelen, dat indien Eén voor allen gestorven is, zo zijn zij allen gestorven.” (2 Korinthe 5:14 STV)

“En Hij is voor allen gestorven, opdat degenen, die leven, niet meer zichzelven zouden leven, maar Dien, Die voor hen gestorven en opgewekt is.” (2 Korinthe 5:15 STV)

Paulus gebruikt zonder terughoudendheid het woord “allen”. De lezing is inclusief. Insluitend dus.

Een verzoening voor de gehele wereld

“En Hij is een verzoening voor onze zonden; en niet alleen voor de onze, maar ook voor de zonden der gehele wereld.” (1 Johannes 2:2 STV)

Johannes maakt hier expliciet onderscheid tussen “onze zonden” en “de gehele wereld”. Indien “de gehele wereld” slechts de uitverkorenen zou betekenen, verliest de tegenstelling haar betekenis.

Hij smaakte de dood voor allen

“Maar wij zien Jezus met heerlijkheid en eer gekroond, Die een weinig minder dan de engelen geworden was, vanwege het lijden des doods, opdat Hij door de genade Gods voor allen den dood smaken zou.” (Hebreeën 2:9 STV)

De tekst zelf geeft geen enkele aanwijzing voor een beperking.

Een rantsoen voor allen

“Welke wil, dat alle mensen zalig worden, en tot kennis der waarheid komen.” (1 Timotheüs 2:4 STV)

“Die Zichzelven gegeven heeft tot een rantsoen voor allen, zijnde de getuigenis te zijner tijd.” (1 Timotheüs 2:6 STV)

Gods heilswil en Christus’ zelfgave worden beide in universele termen beschreven.

Wat algehele verzoening betekent

Algehele verzoening houdt in:

het offer is voldoende voor alle mensen

het offer is niet beperkt in waarde

het evangelie kan oprecht aan allen worden aangeboden

Het betekent niet dat iedereen automatisch gered wordt.

Wat algehele verzoening niet betekent

De Schrift leert duidelijk dat niet allen behouden worden.

“Die in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld; maar die niet gelooft, is alrede veroordeeld, dewijl hij niet heeft geloofd in den Naam des eniggeboren Zoons van God.” (Johannes 3:18 STV)

“En dezen zullen gaan in de eeuwige pijn; maar de rechtvaardigen in het eeuwige leven.” (Mattheüs 25:46 STV)

Er is een reële scheiding tussen geloof en ongeloof.

Het Verlossingswerk is afdoende voor allen.
Het wordt toegepast op wie gelooft.

 

Romeinen 5 – de parallel met Adam

“Daarom, gelijk door één mens de zonde in de wereld ingekomen is, en door de zonde de dood; en alzo de dood tot alle mensen doorgegaan is, in welken allen gezondigd hebben.” (Romeinen 5:12 STV)

“Want gelijk door de ongehoorzaamheid van dien enen mens velen tot zondaars gesteld zijn geworden, alzo zullen ook door de gehoorzaamheid van Eén velen tot rechtvaardigen gesteld worden.” (Romeinen 5:19 STV)

De werking van Adam strekte zich uit tot allen. Het werk van Christus is minstens zo ruim in grondslag, hoewel de toepassing plaatsvindt door geloof.

De oprechtheid van de evangelieverkondiging

Paulus schrijft:

“Zo zijn wij dan gezanten van Christus’ wege, alsof God door ons bade; wij bidden van Christus’ wege: Laat u met God verzoenen.” (2 Korinthe 5:20 STV)

Dit appel kan alleen oprecht tot ieder mens klinken wanneer er werkelijk een verzoeningsgrond voor allen is gelegd.

De Schrift leert helder:

Christus stierf voor alle mensen.
Zijn offer is afdoende/ voldoende voor de gehele mensheid.
Het wordt effectief toegepast op wie gelooft.

Zo blijven twee Bijbelse lijnen onaangetast:

Gods Genade is rijk en universeel in voorziening. Het wordt aangeboden aan iedereen.
De redding is persoonlijk en alleen door geloof.

Daarom kan het Evangelie zonder voorbehoud gepredikt worden aan ieder mens.

En ieder mens staat voor dezelfde vraag:

Gelooft u dit?

Waarom we spreken van de Here Jezus Christus, en niet simpelweg van “Jezus”

Waarom we spreken van de Here Jezus Christus, en niet simpelweg van “Jezus”

In gesprekken hoor je het: “Jezus dit” en “Jezus dat.”
Soms oprecht bedoeld. Soms bijna terloops. Soms zelfs achteloos.

Het komt zelfs ook voor dat Hij benaderd wordt als een  soort butler die geacht wordt in actie te komen op commando.

Maar waarom spreken gelovigen traditioneel van de Here Jezus Christus?
Is dat ouderwets taalgebruik? Vrome gewoonte? Of zit er iets diepers achter?

De Schrift zelf geeft het antwoord.

De naam Jezus — Zijn vernedering

De naam Jezus is de naam van Zijn menswording.

“En zij zal een Zoon baren, en gij zult Zijn naam heten JEZUS; want Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden.” (Mattheüs 1:21 STV)

Dat is de naam die Hij ontving bij Zijn geboorte.
De naam van de Mens geworden Zoon.
De naam verbonden aan Bethlehem, Nazareth, Galilea en Golgotha.

In de Evangeliën lezen we hoe mensen “Jezus volgden”. Zij liepen letterlijk achter Hem aan. Zij zagen Hem, hoorden Hem, raakten Hem aan.

Maar de Schrift blijft daar niet bij staan.

Christus — Zijn goddelijke aanstelling

“Christus” betekent: de Gezalfde.
Het is de Griekse vertaling van “Messias”.

“Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods.” (Mattheüs 16:16 STV)

Christus is dus géén achternaam. Het is een titel.
Het spreekt van Zijn ambt. Zijn goddelijke roeping. Zijn zalving door de Vader.

Als Christus is Hij:

– Profeet
– Priester
– Koning

Wanneer wij Hem “Christus” noemen, belijden wij dat Hij de door God gezonden Verlosser is.

Dat is méér dan alleen de historische Jezus.

Here — Zijn verhoging

Na kruis en opstanding is Hij niet slechts Jezus van Nazareth.

“Zo wete dan zekerlijk het ganse huis Israëls, dat God Hem tot een Heere en Christus gemaakt heeft, namelijk dezen Jezus, Dien gij gekruist hebt.” (Handelingen 2:36 STV)

Hier klinkt iets beslissends.

God heeft Hem tot Heere gemaakt.

Heere betekent: Soevereine, Meester, Eigenaar.
Het Griekse Kurios werd gebruikt voor absolute heerschappij.

Daarom schrijft Paulus:

“Daarom heeft Hem ook God uitermate verhoogd, en heeft Hem een Naam gegeven, welke boven allen naam is.” (Filippenzen 2:9 STV)

En verder:

“Opdat in de Naam van Jezus zich zou buigen alle knie dergenen die in den hemel, en die op de aarde, en die onder de aarde zijn.” (Filippenzen 2:10 STV)

Wij spreken dus niet meer slechts over de vernederde Jezus.
Wij spreken over de verhoogde Heere.

Waarom dat verschil, zeker vandaag, relevant is

In onze tijd is “Jezus” soms gereduceerd tot een vriendelijke spirituele figuur.
Een inspirerend voorbeeld.
Een zachte rabbi.
Een moreel kompas.

Maar de Bijbel presenteert Hem als veel meer.

Wanneer de apostelen hun brieven openen, schrijven zij niet achteloos.

“Genade zij u en vrede van God, onzen Vader, en den Heere Jezus Christus.” (Romeinen 1:7 STV)

Dat is geen stijlvorm. Dat is belijdenis.

Elke keer dat zij die volle naam gebruiken, erkennen zij:

– Zijn menswording
– Zijn Messiaanse zending
– Zijn koninklijke heerschappij

Het gaat niet om vrome formaliteit

Dit is geen taalpolitie.
Het is geen wettische regel.

Het gaat om erkenning.

Wie Hij is, bepaalt hoe wij Hem noemen.

Wanneer wij spreken van de Here Jezus Christus, doen wij precies wat de Schrift doet: wij belijden Hem in de volheid van Zijn Persoon en werk.

Niet kleiner dan Hij is.
Niet oppervlakkiger dan de apostelen deden.
Niet vertrouwelijker dan gepast is.

Eerbied begint in taal

Taal vormt denken.
Denken vormt geloofsbeleving.

Wie achteloos spreekt, denkt vaak ook achteloos.
Wie belijdend spreekt, houdt zijn hart bij de waarheid.

Hij is Jezus — de Mens geworden Zoon.
Hij is Christus — de Gezalfde van God.
Hij is de Here — verhoogd boven alle naam.

En daarom spreken wij niet simpelweg over “Jezus”.

Daarom: Here Jezus Christus.

lees ook:

Jezus volgen of Christus volgen; geen woordspel, maar een fundament

De Naam die men liever niet noemt

Geverifieerd door MonsterInsights