Het Evangelie van het Koninkrijk en de Bergrede en de Gemeente

Is het Evangelie van het Koninkrijk en de Bergrede de opdracht van of aan de Gemeente?

Moet de Gemeente vandaag het Evangelie van het koninkrijk voortzetten zoals in Mattheüs 10? En is de Bergrede de directe grondwet van de Gemeente? Dit blog laat zien waarom juist hier veel evangelische verwarring ontstaat, en waarom het onderscheid tussen Israël, Koninkrijk en Gemeente onmisbaar is.

Er zijn misverstanden die zo vaak worden herhaald, dat ze haast onaantastbaar lijken. Dit is er één van: de Gemeente zou vandaag eenvoudig moeten voortzetten wat Johannes de Doper predikte, wat de twaalf in Mattheüs 10 predikten, en wat de Heere Jezus in de Bergrede uiteenzette. Alsof dat allemaal zonder meer samenvalt. Alsof er geen heilshistorisch onderscheid bestaat. Alsof Israël en de Gemeente inwisselbaar zijn. Alsof de Schrift lijnen trekt, die wij naar believen mogen verleggen.

Maar zodra men dat doet, gaat niet alleen de uitleg scheef. Dan gaat ook de prediking scheef. Dan verschuift het accent van kruis naar Koninkrijk, van Genade naar programma, van verzoening naar zichtbare invloed, van apostolische eenvoud naar religieuze invloed. Dan krijgt men een boodschap die misschien indrukwekkend klinkt, maar die niet meer zuiver op haar eigen Bijbelse fundament staat.

De vraag is dus niet of het Koninkrijk belangrijk is. Dat is het. De vraag is niet of de woorden van de Heere Jezus in de Bergrede gezag hebben. Natuurlijk hebben zij dat. De vraag is: mogen wij het evangelie van het koninkrijk en de Bergrede zonder onderscheid rechtstreeks tot de primaire opdracht van de Gemeente maken?

Het antwoord is: nee.

En dat “nee” is geen verarming van de Bijbel, maar juist een poging om de Bijbel te laten spreken zoals hij zichzelf presenteert.

evangelie van het koninkrijk, de bergrede en de gemeente

Wat is het Evangelie van het Koninkrijk?

Het Evangelie van het koninkrijk is de blijde boodschap dat de beloofde Koning aanwezig is en dat het Koninkrijk nabij gekomen is. Johannes de Doper predikt het. De Heere Jezus predikt het. De twaalf worden ermee uitgezonden.

“Bekeert u; want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen.” Mattheüs 3:2 (STV)

“Van toen aan heeft Jezus begonnen te prediken en te zeggen: Bekeert u; want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen.” Mattheüs 4:17 (STV)

“En heengaande predikt, zeggende: Het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen.” Mattheüs 10:7 (STV)

Dat is helder. Maar wie de tekst serieus neemt, moet onmiddellijk de volgende vraag stellen: tot wie klinkt deze boodschap in die fase?

Tot wie was deze prediking gericht?

Hier begint de verwarring vaak al, omdat men Mattheüs leest alsof Handelingen, de brieven en de gehele latere openbaring er al in uitgewerkt zijn. Maar dat is niet zo. De Heere Jezus zendt de twaalf in Mattheüs 10 niet uit naar de wereld in het algemeen.

“Deze twaalf heeft Jezus uitgezonden, en hun bevel gegeven, zeggende: Wijkt niet af op den weg der heidenen, en gaat niet in enige stad der Samaritanen; Maar gaat veelmeer heen tot de verloren schapen van het huis Israëls.” Mattheüs 10:5-6 (STV)

Dat is niet vaag. Dat is niet symbolisch. Dat is concreet. Deze prediking staat in directe verbinding met Israël, met de komst van Israëls Messias en met de aankondiging dat het Koninkrijk nabij gekomen is.

Wie dat ontkent, maakt de tekst niet dieper maar vlakker. Hij vervangt de werkelijke context door een eigen systeem.

De veelgemaakte fout in veel Evangelische prediking

De veelgemaakte fout is dat men de aardse bediening van de Heere Jezus te snel en te absoluut tot gemeentelijke blauwdruk maakt. Dan wordt alles op één hoop gegooid. Johannes de Doper, Mattheüs 10, de Bergrede, Handelingen en Paulus worden samengesmolten tot één ongedifferentieerd pakket, en vervolgens noemt men dat “Bijbels”.

Maar dat is het probleem juist: het is niet zorgvuldig genoeg Bijbels.

Dan hoort men uitspraken als:

wij moeten vandaag hetzelfde evangelie prediken als in Mattheüs 10

wij moeten nu het Koninkrijk zichtbaar manifesteren

wij moeten de wereld onder Christus’ heerschappij brengen

de Bergrede is de grondwet van de Gemeente

Maar dat  klinkt vaak meer Bijbels dan het is. Want zodra men Israël, Koninkrijk en Gemeente niet meer onderscheidt, ontstaat vroeg of laat een prediking die weliswaar vurig is, maar niet zuiver.

Wat is de centrale boodschap van de Gemeente?

Na kruis en opstanding staat de prediking in het volle licht van Christus’ volbrachte werk. Dan komt de nadruk te liggen op Zijn dood voor de zonden, Zijn begrafenis, Zijn opstanding, rechtvaardiging door geloof, vergeving van zonden en verzoening met God.

“Maar wij prediken Christus den Gekruisigde.” 1 Korinthe 1:23 (STV)

“Want ik heb niet voorgenomen iets te weten onder u, dan Jezus Christus, en Dien gekruisigd.” 1 Korinthe 2:2 (STV)

“Want ik heb ulieden ten eerste overgegeven, hetgeen ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften; En dat Hij is begraven, en dat Hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften.” 1 Korinthe 15:3-4 (STV)

Paulus noemt zijn bediening niet voor niets:

“Maar ik acht op geen ding, noch houde mijn leven dierbaar voor mijzelven, opdat ik mijn loop met blijdschap mag volbrengen, en den dienst, dien ik van den Heere Jezus ontvangen heb, om te betuigen het Evangelie der genade Gods.” Handelingen 20:24 (STV)

Dáár ligt het zwaartepunt van de gemeentelijke prediking. Niet bij de vorm waarin het Koninkrijk in Mattheüs wordt aangekondigd, maar bij de gekruisigde en opgestane Christus.

Heeft de Gemeente dan niets met het Koninkrijk te maken?

Zeker wel Maar ook hier geldt dat men onderscheid moet bewaren. De Gemeente heeft wel degelijk met het Koninkrijk van God te maken. Paulus predikte ook het Koninkrijk van God.

“Predikende het Koninkrijk Gods, en lerende van den Heere Jezus Christus met alle vrijmoedigheid, onverhinderd.” Handelingen 28:31 (STV)

Maar de Gemeente spreekt over het Koninkrijk vanuit het volbrachte werk van Christus, vanuit Zijn verhoging, vanuit de openbaring die later door de apostelen is ontvouwd. Zij staat niet in exact dezelfde fase als Johannes de Doper of de twaalf in Mattheüs 10.

Dat verschil is niet klein. Dat verschil is beslissend.

Waarom dit onderscheid onmisbaar is

Waar dit onderscheid verdwijnt, gaat de prediking schuiven. Dan wordt genade ingeruild voor actie, verzoening voor invloed, kruis voor koninkrijkstaal, en hemelse hoop voor aardse ambities. Dan wordt de Gemeente niet langer gezien als een volk dat leeft uit genade en uitziet naar haar Heere, maar als een instrument dat hier en nu zichtbaar heerschappij moet vestigen.

En dan duiken meestal ook dezelfde misvormingen op: dominion-denken, triomfalisme, opgeblazen taal over doorbraak, herstel van invloed, culturele verovering en geestelijke machtsaanspraken die veel energie genereren maar weinig exegetische discipline verraden.

De Gemeente is niet geroepen om de wereld alvast ‘messiaans te ordenen’. Zij is geroepen om Christus te verkondigen.

De positie van de Gemeente is hemels

De Schrift spreekt over de Gemeente in termen die niet eenvoudig met Israëls koninkrijksverwachting mogen worden vereenzelvigd.

“Gelijk Hij ons uitverkoren heeft in Hem, vóór de grondlegging der wereld, opdat wij zouden heilig en onberispelijk zijn voor Hem in de liefde.” Efeze 1:4 (STV)

“En heeft ons mede opgewekt, en heeft ons mede gezet in den hemel in Christus Jezus.” Efeze 2:6 (STV)

“Want onze wandel is in de hemelen, waaruit wij ook den Zaligmaker verwachten, namelijk den Heere Jezus Christus.” Filippenzen 3:20 (STV)

Dat is de taal van de Gemeente: hemelse roeping, hemelse positie, hemelse verwachting. Wie dat wegdrukt, trekt de Gemeente naar de aarde toe en vertroebelt tegelijk Gods profetische lijnen met Israël.

Zijn er dan twee of nog meer Evangeliën?

Nee, niet in de zin van twee wegen tot zaligheid. Er is maar één Zaligmaker, één offer, één grond van behoud: Jezus Christus. Niemand is ooit of zal ooit buiten Hem om behouden geworden.

Maar er is wél verschil in bediening, accent en openbaringshistorische context.

Het Evangelie van het koninkrijk legt de nadruk op de komst van de Koning, de nabijheid van het Koninkrijk en de oproep tot bekering in verband met Gods beloften aan Israël.

Het Evangelie der Genade Gods legt de nadruk op Christus gestorven voor onze zonden, Christus opgewekt, vergeving, rechtvaardiging door geloof en de roeping van de Gemeente.

Dat verschil mag niet worden gladgestreken of worden uitgewist.

Waarom Mattheüs 10 niet de zendingsblauwdruk van de Gemeente is

Mattheüs 10 is geen losse slogan die zonder meer op elke fase van Gods handelen kan worden geplakt. Het is een concrete uitzending in een concrete setting.

“Wijkt niet af op den weg der heidenen, en gaat niet in enige stad der Samaritanen; Maar gaat veelmeer heen tot de verloren schapen van het huis Israëls.” Mattheüs 10:5-6 (STV)

Niemand die deze woorden laat staan zoals ze er staan, kan volhouden dat dit eenvoudig de universele, primaire formule van de Gemeente is. De prediking in Handelingen en in de brieven staat immers in het volle licht van kruis, opstanding, hemelvaart en de uitstorting van de Heilige Geest.

Het probleem is dus niet dat men Mattheüs te letterlijk leest. Het probleem is juist dat men Mattheüs niet letterlijk genoeg wil laten staan.

En de Bergrede dan?

Hier keert exact hetzelfde probleem terug. In evangelische kring wordt de Bergrede vaak behandeld alsof zij simpelweg de directe grondwet van de Gemeente is. Men beroept zich er graag op, juist omdat zij radicaal, praktisch en indrukwekkend klinkt.

Maar ook hier moet eerst de vraag worden gesteld: in welke context spreekt de Heere hier?

De Bergrede staat in koninkrijksverband

 

De Bergrede staat in Mattheüs 5 tot en met 7. Direct daarvoor lezen we:

“Van toen aan heeft Jezus begonnen te prediken en te zeggen: Bekeert u; want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen.” Mattheüs 4:17 (STV)

En onmiddellijk daarna:

“En Jezus, de scharen ziende, is geklommen op een berg, en als Hij nedergezeten was, kwamen Zijn discipelen tot Hem.” Mattheüs 5:1 (STV)

De Bergrede komt dus niet uit de lucht vallen. Zij staat in het kader van de komst van de Koning, de nabijheid van het Koninkrijk, de confrontatie met Israël en de ontmaskering van valse gerechtigheid.

De Heere Jezus spreekt daar niet slechts als moreel leraar, maar als de Messias-Koning.

Wat doet de Bergrede?

De Bergrede is geen brave verzameling mooie spreuken. Zij is messcherp. Zij openbaart de ware gerechtigheid tegenover de uiterlijke godsdienst van schriftgeleerden en farizeeën.

“Want Ik zeg u: Tenzij dat uw gerechtigheid overvloediger zij, dan der Schriftgeleerden en der Farizeeën, dat gij in het Koninkrijk der hemelen geenszins zult ingaan.” Mattheüs 5:20 (STV)

Dat is vernietigend voor religieuze zelftevredenheid. De Heere bouwt daar geen prettig leefstijlprogramma. Hij breekt juist de vrome schijn af.

En Hij brengt Gods eis niet naar beneden, maar naar binnen.

“Gij hebt gehoord, dat tot de ouden gezegd is: Gij zult niet doodslaan; maar zo wie doodslaat, die zal strafbaar zijn door het gericht. Maar Ik zeg u: Zo wie ten onrechte op zijn broeder toornig is, die zal strafbaar zijn door het gericht.” Mattheüs 5:21-22 (STV)

“Gij hebt gehoord, dat tot de ouden gezegd is: Gij zult geen overspel doen. Maar Ik zeg u, dat zo wie een vrouw aanziet, om dezelve te begeren, die heeft alrede overspel in zijn hart met haar gedaan.” Mattheüs 5:27-28 (STV)

De Bergrede radicaliseert niet in moderne activistische zin. Zij legt bloot hoe diep Gods heilige norm reikt. Niet alleen naar daden, maar naar het hart.

De Bergrede is geen weg naar behoud

Hier gaat veel mis. De Bergrede wordt soms gebruikt als een soort test: leef jij zo, dan ben je een echte christen; leef jij zo niet, dan moet je ernstig twijfelen aan je echtheid. Op die manier wordt de Bergrede in de praktijk een nieuwe wet, een geestelijke zuurtest, een keurmerk voor ware discipelen.

Maar dat is niet haar bedoeling. De Bergrede is niet gegeven opdat zondaren zich daarlangs omhoog zouden werken tot aanneembaarheid voor God.

Integendeel, zij legt de mens juist bloot.

“Gij dan zult volmaakt zijn, gelijk uw Vader, Die in de hemelen is, volmaakt is.” Mattheüs 5:48 (STV)

Wie dit eerlijk leest, komt niet uit bij zelfvertrouwen, maar bij ontmaskering.

Is de Bergrede dan niet voor de Gemeente?

Natuurlijk is de Bergrede gezaghebbend Woord van God. Natuurlijk is zij ook voor de Gemeente leerzaam. Zij tekent het karakter dat past bij Gods Koninkrijk: ootmoed, oprechtheid, reinheid, barmhartigheid, waarachtigheid, liefde tot vijanden, afwijzing van huichelarij.

Maar dat is iets anders dan zeggen dat de Bergrede de complete leerstellige grondwet van de Gemeente is.

In de Bergrede vind je niet de uitgewerkte openbaring over de Gemeente als lichaam van Christus, niet de volle ontvouwing van de rechtvaardiging zoals Paulus die brengt, niet de leer van de vereniging met Christus in Zijn dood en opstanding, niet de verborgenheid zoals later geopenbaard.

Daarom mag de Bergrede niet worden losgemaakt van de verdere nieuwtestamentische openbaring.

Het gevaar van Evangelische Bergrede-nadruk

In veel Evangelische kringen wordt de Bergrede bewonderd, geciteerd en naar voren geschoven als de samenvatting van echt christendom. Maar vaak gebeurt dat op een scheve manier.

Soms maakt men er een sociaal programma van: wees vredestichter, wees zacht, verbeter de wereld.

Soms maakt men er een radicale discipelschapscode van: hieraan moet blijken of je werkelijk toegewijd bent.

Soms gebruikt men haar selectief en sentimenteel: wel “oordeelt niet”, maar niet de vlijmscherpe ontdekkende eisen die de hele rede doortrekken.

Dan wordt de Bergrede ingezet, maar niet werkelijk recht gedaan.

Hoe moet de Gemeente de Bergrede lezen?

Zo moet het worden samengevat: de Bergrede is niet primair de leerstellige grondwet van de Gemeente, maar zij is wel heilig onderwijs van de Koning in koninkrijksverband, waarin de ware gerechtigheid van Gods Koninkrijk wordt afgebeeld en de schijnvroomheid van de natuurlijke mens aan de kaak wordt gesteld en wordt ontmaskerd.

Voor de Gemeente is zij daarom geen vervanging van het Evangelie der Genade Gods, geen nieuwe wet en geen geïsoleerde totaalformule voor alle leer. Maar zij blijft wel een scherp, heilig en ontdekkend woord van Christus.

Wat moet de Gemeente dan wél doen?

De Gemeente moet de Heer navolgen in gehoorzaamheid, liefde, heiligheid, trouw en getuigenis. Zij moet oproepen tot bekering en geloof. Zij moet spreken over het Koninkrijk van God. Zij moet luisteren naar het onderwijs van Christus, ook in de Bergrede.

Maar boven alles moet zij Christus prediken in het volle licht van Zijn kruis en opstanding.

Niet: wij gaan het Koninkrijk nu zichtbaar vestigen.

Niet: de Bergrede is onze nieuwe wet.

Niet: de echtheid van het geloof hangt af van hoe radicaal wij Mattheüs 5–7 “uitvoeren”.

Wel: wij prediken Christus.

Het Evangelie van het koninkrijk is in de Evangeliën niet primair de specifieke boodschap die als zodanig één op één aan de Gemeente is toevertrouwd. Het staat allereerst in verband met de komst van de Messias voor Israël en met de aankondiging dat het Koninkrijk nabij gekomen was.

De Bergrede is niet simpelweg de grondwet van de Gemeente. Zij is heilig onderwijs van de Koning in koninkrijksverband, waarin Gods ware gerechtigheid wordt getekend en menselijke schijnvroomheid wordt ontmaskerd.

De primaire prediking van de Gemeente is die van de gekruisigde en opgestane Christus, het Evangelie der Genade Gods.

Wie dat onderscheid bewaart, doet recht aan de Schrift.

Wie het uitwist, eindigt in verwarring.

En verwarring in de prediking blijft nooit zonder gevolgen. Dan vervaagt het zicht op Israël. Dan vervormt het zicht op de Gemeente. Dan verschuift het middelpunt van Christus’ volbrachte werk naar koninkrijksretoriek, morele druk of religieus activisme dat veel lawaai maakt, maar weinig licht en richting geeft.

Laten we daar helder over zijn: een prediking die luid “Koninkrijk” roept maar het kruis naar de achtergrond schuift, is niet rijker maar armer. En een prediking die de Bergrede als geestelijke zweep gebruikt, zonder haar plaats in Gods openbaring te respecteren, is niet radicaler maar onzuiverder.

De Gemeente is niet geroepen om de beloften aan Israël op te slokken. Zij is niet geroepen om met grote woorden een zichtbare heerschappij te claimen die de Schrift aan de wederkomst van Christus verbindt. Zij is ook niet geroepen om een nieuw wettisch christendom te bouwen onder het vaandel van de Bergrede.

Zij is geroepen om nu, in deze tegenwoordige eeuw, trouw te zijn aan de Heer, Zijn Evangelie te verkondigen, Zijn smaadheid te dragen en de hoop te richten op Hem Die komt.

Wie daarom vandaag zonder onderscheid roept dat de Gemeente simpelweg het Evangelie van het koninkrijk moet voortzetten en de Bergrede als directe grondwet moet uitvoeren, bewijst de Schrift geen dienst. Hij maakt de scherpe lijnen wazig. Hij verwart wat onderscheiden moet worden. En hij zadelt gelovigen op met een boodschap die wellicht opwindt, maar niet noodzakelijk zuiver is.

Lees Mattheüs eerlijk. Lees Handelingen zorgvuldig. Lees Paulus nauwkeurig. En laat niemand u wijsmaken dat geestelijke diepgang begint waar het onderscheid in Gods Woord wordt weggepoetst.

Diepgang begint juist waar men buigt voor de tekst, ook wanneer die onze geliefde schema’s corrigeert.

Het Evangelie der Genade Gods is geen verarming van de boodschap. Het is de schitterende openbaring van Christus’ volbrachte werk voor verloren zondaren. Wie dat centrum bewaart, bewaart het hart van de prediking.

En wie dat centrum vervangt door opgeblazen taal over Koninkrijk, radicaliteit, invloed en heerschappij, loopt groot gevaar een scheefgetrokken evangelie over te houden.

Niet iedere boodschap die naar Koninkrijk klinkt, is daarom zuiver. En niet iedere preek of studie die met de Bergrede zwaait, is daarom geestelijk diep.

Waar het kruis zijn centrale plaats verliest en waar het Schriftuurlijke onderscheid verdwijnt, blijft uiteindelijk geen verdiept vangelie over, maar een vervormd evangelie.

Zie ook ;

De Bergrede de principes voor het Koninkrijk – Bijbelse basis

De Bergrede is geen wet voor de christen – Bijbelse basis

extern:

De Bergrede – Alleen Geloof – Sylvia Arlar-Simonse

 

 

De Bergrede

De Bergrede

De principes van het Koninkrijk

Matthéüs 5, 6 en 7

Matthéüs 5

De Bergrede is geen Evangelie van redding

Over weinig gedeelten van de Bijbel bestaat zoveel verwarring als over de Bergrede. Die verwarring ontstaat vooral doordat men geen onderscheid maakt tussen wat de Schrift zegt over het Evangelie van de Genade en wat zij zegt over het toekomstige Koninkrijk. Daardoor wordt de Bergrede vaak behandeld alsof zij de weg tot behoudenis aanwijst.

In veel moderne prediking wordt het kruis naar de achtergrond geschoven en wordt de Bergrede naar voren gehaald als levensweg voor verloren mensen. Dan klinkt het alsof een mens behouden kan worden door arm van geest te worden, te treuren, zachtmoedig te leven of naar gerechtigheid te verlangen. Maar dat is niet het Evangelie. Een gevallen mens kan zichzelf niet veranderen tot iemand die God behaagt. Een zondaar kan zichzelf niet rein van hart maken, evenmin als hij zichzelf levend kan maken.

Wie de Bergrede als weg tot behoud predikt, maakt van de woorden van de Heere Jezus een nieuwe wet voor verloren mensen. Daarmee verzwakt men de noodzaak van het kruis. Maar er is geen tegenstelling tussen Jezus en Paulus. De Heere Jezus sprak zelf over wedergeboorte en over de noodzaak van Zijn dood. En Paulus verkondigde niet een ander Evangelie, maar werkte juist uit wat de opgestane Christus hem had toevertrouwd over de Gemeente en de Genade.

 

Niet de leefregel voor de Gemeente

De Bergrede is dus niet bedoeld als weg tot behoud voor de zondaar. Zij is ook niet in de eerste plaats gegeven als leefregel voor de Gemeente. Toen de Heere Jezus deze rede uitsprak, was de Gemeente als lichaam van Christus nog niet geopenbaard. De leer voor de Gemeente wordt later vooral ontvouwd in de apostolische brieven.

De Bergrede moet daarom verstaan worden als onderwijs over het Koninkrijk der hemelen: het Koninkrijk dat aan Israël werd aangeboden, door het volk werd verworpen en in de toekomst alsnog openbaar zal worden wanneer de Messias terugkeert. Dan zal Jeruzalem het centrum van Zijn regering zijn en zal Zijn wet uitgaan van Sion.

Dat betekent niet dat de Bergrede voor gelovigen vandaag geen waarde heeft. Integendeel. Heel de Schrift is nuttig tot onderwijs. Maar niet alles wat in de Schrift staat, is rechtstreeks aan de Gemeente gericht. De Bergrede bevat wel blijvende, geestelijke beginselen die ook nu gezag hebben, maar zij mag niet losgemaakt worden van haar plaats in Gods heilsplan.

De zaligsprekingen

De Heer spreekt in de zaligsprekingen niet over mensen die zichzelf omhoogwerken tot een geestelijk ideaal. Hij tekent de erfgenamen van het Koninkrijk zoals Gods Genade hen maakt.

Zalig zijn de armen van geest. Dat zijn mensen die hun geestelijke armoede voor God hebben leren kennen. Juist wie niets in zichzelf heeft, ontvangt alles uit Genade.

Zalig zijn zij die treuren. Zij delen in het lijden van Christus, zien de nood van de wereld en worden innerlijk bewogen. Hun troost ligt in de toekomstige vervulling van Gods werk.

Zalig zijn de zachtmoedigen. Zachtmoedigheid is geen menselijke prestatie, maar vrucht van Gods Geest. Zij zullen de aarde beërven, omdat zij met Christus verbonden zijn.

Zalig zijn zij die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid. De natuurlijke mens verlangt niet naar Gods gerechtigheid, maar de erfgenaam van het Koninkrijk wel. Hij ziet uit naar een wereld waarin Gods wil volmaakt heerst.

Zalig zijn de barmhartigen. Zij hebben eerst zelf barmhartigheid ontvangen en tonen daarom barmhartigheid aan anderen.

Zalig zijn de reinen van hart. Het gaat hier om een oprecht en onverdeeld hart, gericht op God.

Zalig zijn de vredestichters. Zij brengen de boodschap van verzoening en worden daarom kinderen van God genoemd.

 

De zegen en de smaad van de erfgenamen

Na de zaligsprekingen laat de Heere zien dat de erfgenamen van het Koninkrijk met tegenstand te maken krijgen. Wie om de gerechtigheid vervolgd wordt, is zalig. Smaad en verdrukking zijn geen teken dat God afwezig is, maar juist dat men aan de zijde van de Koning staat.

Daarom noemt de Heere Zijn discipelen het zout der aarde en het licht der wereld. Zout bewaart tegen bederf, licht verdrijft duisternis. Hun roeping is zichtbaar. Niet om zichzelf te verheffen, maar opdat de Vader verheerlijkt wordt.

De wet en haar vervulling

De Heere Jezus kwam niet om de wet en de profeten te ontbinden, maar om die te vervullen. Hij neemt de wet niet weg alsof zij onbelangrijk was. Integendeel, Hij brengt haar volle strekking aan het licht. In Zijn Koninkrijk blijft Gods heilige norm volledig van kracht.

Daarom gaat Hij verder dan alleen uiterlijke gehoorzaamheid. Niet alleen moord wordt veroordeeld, maar ook de toorn die eraan voorafgaat. Niet alleen overspel, maar ook de begeerte van het hart. Niet alleen meineed, maar iedere onwaarachtigheid. In het Koninkrijk zal Gods wil niet alleen uitwendig worden opgelegd, maar ook innerlijk openbaar komen.

Oog om oog en liefde tot vijanden

Onder het oude bestel gold de regel van vergelding: oog om oog en tand om tand. In de Bergrede tekent de Heere de gezindheid die past bij Zijn Koninkrijk. Geen persoonlijke wraak, geen vergeldingsdrang, maar bereidheid om onrecht te verdragen. Ook de vijand moet niet gehaat maar liefgehad worden.

Daarin moeten de discipelen op hun Vader lijken. De oproep om volmaakt te zijn zoals de hemelse Vader volmaakt is, is niet oppervlakkig. Zij wijst op het doel: een leven dat het karakter van God weerspiegelt.

Matthéüs 6

Onze Vader in de hemelen

Voor Joodse oren moet het bijzonder hebben geklonken dat de Heere Jezus zo vaak over God sprak als Vader. In het Oude Testament was Gods liefde wel geopenbaard, maar de vrije, kinderlijke toegang tot Hem was nog niet zo bekendgemaakt als in het onderwijs van Christus.

De Heere spreekt in dit hoofdstuk herhaaldelijk over “uw Vader” en leert Zijn discipelen bidden tot “Onze Vader in de hemelen”. Daarmee opent Hij een kostbare waarheid. Tegelijk moet die waarheid niet vervalst worden.

Geen algemeen vaderschap van God in zaligmakende zin

Juist hier is veel dwaling ontstaan. Men spreekt graag over het algemene vaderschap van God en de broederschap van alle mensen. In de zin van de schepping is er een zekere waarheid in die uitdrukking: alle mensen zijn door God gemaakt. Maar in de zaligmakende zin is zij onjuist.

De Heere Jezus heeft zelf duidelijk gemaakt dat niet ieder mens vanzelf kind van God is. In het Evangelie naar Johannes blijkt dat alleen wie de Zoon aanneemt en uit God geboren wordt, kind van God genoemd kan worden. Het nieuwe leven, de wedergeboorte, is onmisbaar. Zonder wedergeboorte kan niemand het Koninkrijk Gods binnengaan.

Daarom mag de troostrijke waarheid van Gods vaderschap nooit gebruikt worden om kruis, bekering, geloof en wedergeboorte overbodig te maken. Buiten Christus is de mens geen kind van God in de volle, verlossende betekenis.

Verborgen godsdienst

Matthéüs 6 waarschuwt krachtig tegen uiterlijk vertoon in godsdienstige zaken. Geven, bidden en vasten mogen niet gedaan worden om gezien te worden door mensen. Wie leeft voor menselijke waardering, heeft zijn loon al ontvangen. Maar wie leeft voor God, zoekt het verborgene, want de Vader ziet in het verborgene.

Dat is niet alleen een les voor het toekomstige Koninkrijk. Het is ook voor ons een blijvend beginsel. God zoekt waarheid in het binnenste. Huichelarij, vroom uiterlijk vertoon en geestelijke schijn zijn Hem een gruwel.

Het gebed van het Koninkrijk

Het zogenaamde “Onze Vader” is een volmaakt gebed in zijn eigen verband. Het past bij de erfgenamen van het Koninkrijk en bij de omstandigheden waarin zij verkeren wanneer Gods Koninkrijk nabij is.

In dat gebed staat Gods naam, Gods Koninkrijk en Gods wil voorop. Daarna volgen de noden van de bidders: dagelijks brood, vergeving, bewaring en verlossing van de boze.

Voor de Gemeente gelden daarnaast de specifieke voorrechten die later duidelijk zijn geopenbaard. Gelovigen nu naderen God op grond van het volbrachte werk van Christus en bidden in de naam van de Heere Jezus. De apostolische brieven leren ons bovendien dat onze vergeving rust op Christus’ offer en niet op een voorwaarde die wij eerst moeten vervullen.

Dat neemt niet weg dat het “Onze Vader” een rijk en heilig voorbeeld blijft van gebed waarin Gods eer vooropstaat en de bidder leert leven uit afhankelijkheid.

Vergeving

In Matthéüs 6 wordt gesproken over vergeving in een koninkrijksverband. Daar blijkt dat een on  vergevingsgezinde houding onverenigbaar is met leven onder Gods regering. Wie zelf vergeving heeft ontvangen, zal ook anderen vergeven.

Voor de Gemeente is het fundament daarvan voluit geopenbaard: wij vergeven, omdat God ons in Christus vergeven heeft. Vergeving aan anderen is dus geen verdienste waardoor wij Gods genade verkrijgen, maar vrucht van de genade die wij al ontvangen hebben.

Schatten en het hart

De Heere waarschuwt ook tegen een verdeeld hart. Waar de schat is, daar zal het hart zijn. Wie leeft voor aardse rijkdom, leeft met een verduisterd oog. Wie leeft voor God, ontvangt licht.

Niemand kan twee heren dienen. Men kan niet tegelijk leven voor God en voor de mammon. Dat beginsel is onverminderd actueel. De vraag is steeds: waar ligt het zwaartepunt van het leven? In de hemel of op aarde? Bij God of bij het zichtbare?

Wees niet bezorgd

De erfgenamen van het Koninkrijk worden vervolgens vermaand niet bezorgd te zijn. De hemelse Vader weet wat zij nodig hebben. Daarom moeten zij eerst het Koninkrijk van God en Zijn gerechtigheid zoeken. Dan zal Hij geven wat nodig is.

Deze woorden zijn geen oproep tot zorgeloosheid of luiheid, maar tot vertrouwen. Wie de Vader kent, hoeft niet beheerst te worden door angst. De zorg voor morgen mag de gehoorzaamheid van vandaag niet verstikken.

Matthéüs 7

Principe en wet

In het laatste hoofdstuk van de Bergrede ontvouwt de Koning de grondbeginselen van Zijn Koninkrijk nog verder. Daarbij is het van belang onderscheid te maken tussen een moreel principe en een wettisch stelsel. De Gemeente staat niet onder de wet van Mozes en ook niet onder de koninkrijkswet van Matthéüs 5 tot 7. Maar de morele beginselen die daarin openbaar worden, blijven wel van kracht.

Oordeelt niet

De woorden “Oordeelt niet” worden vaak verkeerd gebruikt, alsof iedere vorm van geestelijk onderscheid of tucht verboden zou zijn. Dat kan niet juist zijn, want elders geeft de Schrift duidelijke aanwijzingen voor tucht in de Gemeente en voor het oordelen van openlijk kwaad.

De bedoeling is niet dat Gods volk nooit iets mag beoordelen, maar dat men niet hoogmoedig, blind of huichelachtig oordeelt. Wie een ander wil helpen, moet eerst de balk uit zijn eigen oog laten wegnemen. Zelfoordeel gaat vooraf aan het terechtbrengen van een ander.

De Schrift verbiedt vooral het oordelen over verborgen motieven van het hart. Die kent God alleen. Openbaar kwaad moet echter wel degelijk worden onderkend en veroordeeld.

Heilige dingen en geestelijk onderscheid

De erfgenaam van het Koninkrijk moet onderscheidingsvermogen hebben. Hij mag het heilige niet aan honden geven en zijn parels niet voor zwijnen werpen. Dat vraagt wijsheid van boven. Daarom klinkt ook de oproep om te vragen, te zoeken en te kloppen. God geeft wijsheid aan wie Hem daarom bidden.

Daarbij geldt de gouden regel: alles wat gij wilt dat u de mensen doen, doet gij hun ook zo. Daarmee vat de Heere de wet en de profeten samen in een praktisch beginsel van liefde en recht.

De enge poort en de smalle weg

Er zijn twee wegen en twee bestemmingen. De brede weg leidt tot het verderf. De smalle weg leidt tot het leven. De poort is eng en de weg is nauw, niet omdat Christus onvoldoende is, maar omdat er buiten Hem geen andere toegang is.

Dat is ook vandaag een indringende waarschuwing. De geest van de tijd prijst breedheid, vaagheid en grenzeloze verdraagzaamheid. Maar de Heere wijst één weg aan. Wie Hem volgt, moet bereid zijn smaad te dragen en buiten de brede stroom te staan.

Valse profeten

De Koning waarschuwt uitdrukkelijk voor valse profeten. Zij komen in schaapskleren, maar zijn van binnen roofgierige wolven. Hun ware aard blijkt uit hun vruchten. Een boom wordt gekend aan zijn vrucht. Valse leer en valse profetie moeten getoetst worden aan het Woord van God.

Uiterlijke godsdienstige activiteit is daarvoor geen afdoende maatstaf. Iemand kan spreken, wonderen doen en zelfs indrukwekkend optreden in de naam van de Heere, en toch door Hem niet gekend worden. Uiteindelijk gaat het niet om religieuze prestaties, maar om een werkelijke relatie tot Christus, zichtbaar in gehoorzaamheid aan Zijn wil.

Horen en doen


De Bergrede eindigt met de tegenstelling tussen twee bouwers. De wijze man hoort de woorden van de Heere en doet ze. Daarom bouwt hij op de rots. De dwaze man hoort ze ook, maar doet ze niet. Daarom stort zijn huis in.

Het beslissende punt is dus niet alleen horen, maar gehoorzamen. Niet bewondering voor Jezus, maar onderwerping aan Hem. Niet godsdienstig enthousiasme, maar een bestaan gebouwd op Zijn woord.

De grote Leraar en de komende Koning

De scharen stonden versteld over Zijn onderwijs, want Hij sprak met gezag. Dat gezag ligt niet alleen in de schoonheid van Zijn woorden, maar in Zijn Persoon. Hij is de grote Leraar, de eeuwige Rots en de komende Koning.

Nu roept Hij uit de volken een Gemeente voor Zijn naam. Maar daarmee is Gods plan met Israël en met het Koninkrijk niet vervallen. De profeten hebben gesproken over het herstel van Davids vervallen hut en over de dag waarop de Messias zal heersen over de aarde.

Dan zal Zijn Koninkrijk openbaar worden. Dan zal gerechtigheid bloeien, vrede de aarde vullen en de kennis van de heerlijkheid van de HEERE overal zijn. Daarop ziet de Bergrede vooruit. Zij tekent niet slechts een ideaal, maar de beginselen van de regering van de Koning.

De Bergrede mag daarom niet worden losgemaakt van het kruis, niet worden versmald tot algemene moraal en ook niet worden omgevormd tot een verdienstelijke weg naar God. Zij moet gelezen worden in het licht van Gods heilsplan, van het onderscheid tussen Koninkrijk en Gemeente, en van de komende openbaring van de Messias.

Juist dan krijgt dit onderwijs zijn volle gewicht. Dan blijkt hoe heilig Gods norm is, hoe volmaakt Zijn Koninkrijk zal zijn en hoe groot de Koning is Die sprak. En tegelijk leert de gelovige dan ook nu al leven uit de geestelijke beginselen die in deze rede oplichten: ootmoed, oprechtheid, afhankelijkheid, barmhartigheid, trouw, zelfoordeel, geestelijk onderscheid en verwachting van de komende Heer.

zie ook:

https://www.genade.info/?s=bergrede

Uitverkiezing in de Bijbel: geen fatalisme maar Gods voornemen in Christus

Uitverkiezing in de Bijbel: geen heilige mist, maar vaak een misbruikte leer

Er zijn weinig leerstukken waar zoveel verwarring, spanning en geestelijke schade omheen hangt als de leer van de uitverkiezing. Wat in de Schrift een rijke troost is in Christus, is in de handen van mensen vaak veranderd in een koude mistbank. Het evangelie wordt dan niet helderder, maar donkerder. Christus verdwijnt naar de achtergrond, en in Zijn plaats komt een systeem. De zondaar wordt niet opgeroepen om te zien op de Zoon van God, maar gaat eindeloos in zichzelf graven: ben ik wel gekozen, hoor ik er misschien niet bij, is de belofte wel echt voor mij?

Zo verandert een woord in een geestelijke wurggreep

En laten we het maar eerlijk zeggen: veel populaire voorstellingen van uitverkiezing lijken minder op apostolische prediking en meer op religieus fatalisme. Dan heet het: de mens kan niets, de mens mag niets, de mens kan alleen maar afwachten of God misschien ooit iets in hem doet. Geloof wordt dan geen gehoorzaamheid aan Gods Woord meer, maar een soort ongrijpbare hemelse injectie die je al dan niet krijgt. De oproep van het evangelie klinkt nog wel, maar wordt feitelijk uitgehold.

Dat is niet de stem van de Schrift.

De Bijbel leert niet dat wij eerst in een verborgen besluit moeten kijken. De Bijbel wijst ons naar Christus. Dáár begint het. Dáár ligt het centrum. Dáár wordt uitverkiezing licht in plaats van mist.

Uitverkiezing begint bij Christus

Zodra het gesprek over uitverkiezing begint, schiet men vaak meteen naar de mens. Ben ik uitverkoren? Zijn bepaalde mensen gekozen en anderen niet? Maar de Schrift begint daar niet. De Schrift begint bij de Uitverkorene Zelf.

Over de Messias staat geschreven:

“Ziet, Mijn Knecht, Dien Ik ondersteun, Mijn Uitverkorene, in Denwelken Mijn ziel een welbehagen heeft! Ik heb Mijn Geest op Hem gegeven; Hij zal het recht den heidenen voortbrengen.” Jesaja 42:1 (STV)

En Petrus zegt over Christus:

“Tot Welken komende, als tot een levenden Steen, van de mensen wel verworpen, maar bij God uitverkoren en dierbaar.” 1 Petrus 2:4 (STV)

Dat is geen bijzinnetje. Dat is het fundament. Christus is de Uitverkorene van God. Wie dus over uitverkiezing wil spreken, moet niet beginnen bij een verborgen selectie van losse individuen, maar bij Gods geopenbaarde verkiezing van Zijn Zoon. God heeft Zijn gehele heilsplan vastgemaakt aan Hem. Alles wat God aan zegen, heerlijkheid, erfdeel, rechtvaardigheid, zoonschap en toekomst heeft vastgesteld, heeft Hij vastgesteld in Christus.

Dat betekent ook dat de leer van de uitverkiezing buiten Christus niet alleen onvolledig is, maar gevaarlijk wordt. Dan houd je geen evangelie meer over, maar een schema. Geen blijde boodschap, maar een gesloten systeem. Geen benaderbare Zaligmaker, maar een verborgen mechaniek.

 

Efeze 1 zegt niet wat men er vaak van maakt

Het hoofdstuk dat het vaakst wordt aangehaald, is Efeze 1. Maar juist dat hoofdstuk wordt vaak gelezen alsof Paulus zou zeggen dat God in de eeuwigheid willekeurig individuen heeft uitgezocht, nog voordat Christus überhaupt ter sprake komt.

Dat is niet wat er staat.

Paulus schrijft:

“Gelijk Hij ons uitverkoren heeft in Hem, vóór de grondlegging der wereld, opdat wij zouden heilig en onberispelijk zijn voor Hem in de liefde.” Efeze 1:4 (STV)

Die woorden “in Hem” zijn beslissend. Niet naast Hem. Niet buiten Hem. Niet los van Hem. In Hem.

Even verder zegt Paulus:

“Die ons te voren verordineerd heeft tot aanneming tot kinderen, door Jezus Christus, in Zichzelven, naar het welbehagen van Zijn wil.” Efeze 1:5 (STV)

En:

“In Welken wij ook een erfdeel geworden zijn, wij, die te voren verordineerd waren naar het voornemen Desgenen, Die alle dingen werkt naar den raad van Zijn wil.” Efeze 1:11 (STV)

Paulus stapelt het op: in Hem, door Jezus Christus, in Welken. Zijn punt is niet dat Christus een uitvoerder zou zijn van een besluit dat elders al buiten Hem lag vastgelegd. Nee, Gods voornemen ligt juist in Christus verankerd. Hij is het Hoofd. Hij is de Geliefde. Hij is de Erfgenaam. Hij is de Eerstgeborene. En wie in Hem is, deelt in alles wat van Hem is.

Dat is de lijn van Efeze 1. En zodra men die lijn verlaat, misbruikt men de tekst.

 

De gelovige deelt in Christus, en dus in Zijn verkiezing

De Bijbel leert niet dat de gelovige eerst als individu is uitverkoren en daarna eventueel nog met Christus verbonden wordt. De Bijbel leert dat God Zijn voornemen met Christus heeft vastgesteld, en dat gelovigen door het geloof aan Hem worden toegevoegd en daardoor deel krijgen aan alles wat in Hem is.

Paulus zegt:

“Want gij zijt allen kinderen Gods door het geloof in Christus Jezus.” Galaten 3:26 (STV)

En ook:

“Want zovelen als gij in Christus gedoopt zijt, hebt gij Christus aangedaan.” Galaten 3:27 (STV)

En:

“En indien gij van Christus zijt, zo zijt gij dan Abrahams zaad, en naar de beloftenis erfgenamen.” Galaten 3:29 (STV)

Dat is de volgorde van de Schrift. Niet: eerst individueel erfgenaam, daarna misschien geloof. Maar: door geloof in Christus, en zo erfgenaam. Door geloof in Christus, en zo kind van God. Door geloof in Christus, en zo deel aan wat God in Hem heeft bereid.

Daarom is het ook zo schadelijk wanneer zoekende mensen niet naar Christus worden gewezen, maar naar een verborgen besluit. De Schrift roept de mens niet op om eerst te ontdekken of hij misschien op een geheime lijst staat. De Schrift roept de mens op om te geloven in Gods Zoon.

“Die in den Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven; maar die den Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem.” Johannes 3:36 (STV)

Dát is helder. Dat is publiek. Dat is evangelie. Daar is geen mistbank van gemaakt, behalve door mensen.

 

Geen aanneming des persoons betekent géén willekeurige hemelse loterij

Een groot deel van de verwarring ontstaat doordat men Gods soevereiniteit verwart met willekeur. Maar Gods soevereiniteit is geen heilige grilligheid.

De Schrift zegt:

“Want er is geen aanneming des persoons bij God.” Romeinen 2:11 (STV)

En ook:

“En indien gij tot een Vader aanroept Dengene, Die zonder aanneming des persoons oordeelt naar eens iegelijks werk, zo wandelt in vreze den tijd uwer inwoning.” 1 Petrus 1:17 (STV)

God ziet niet zoals mensen zien. De mens ziet aan wat voor ogen is, maar de Heere ziet het hart aan. Dat betekent niet dat God niet verkiest. Natuurlijk verkiest God. Maar Zijn verkiezing is niet een blinde loting waarbij de mens op een mysterieuze manier passief overgeleverd is aan een onbekende uitslag.

De Schrift verbindt Gods handelen steeds met Zijn waarheid, Zijn Woord, Zijn voornemen in Christus en de roeping tot geloof.

“Doch dengene, die niet werkt, maar gelooft in Hem, Die den goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot rechtvaardigheid.” Romeinen 4:5 (STV)

Dat vers is dodelijk voor elke gedachte dat het Evangelie eigenlijk geen echte oproep zou zijn. God rechtvaardigt de goddeloze die gelooft. Niet de goddeloze die eerst een verborgen decreet heeft uitgeplozen. Niet de goddeloze die wacht op een ondefinieerbare ervaring. Maar de goddeloze die gelooft.

 

Israël was uitverkoren, maar niet op de manier waarop men het begrip vaak misbruikt

Ook in het Oude Testament gebruikt de Schrift het woord uitverkiezing voor Israël. Maar daaruit maakt men vaak meteen een karikatuur: alsof uitverkiezing automatisch zou betekenen dat elk individu binnen dat volk zonder meer tot eeuwige zaligheid was bestemd. Dat is niet de Bijbelse lijn.

“Want gij zijt een heilig volk den HEERE, uw God; u heeft de HEERE, uw God, verkoren, dat gij Hem tot een volk des eigendoms zoudt zijn uit al de volken, die op den aardbodem zijn.” Deuteronomium 7:6 (STV)

Israël was uitverkoren als volk, tot een plaats in Gods heilsplan, tot een roeping, tot een bediening, tot een positie op aarde. Daaruit volgt niet dat elk individu zalig was. Het begrip uitverkiezing heeft in de Schrift dus een doelgerichte, verbondsmatige en heilshistorische lading. Juist daarom is het zo verkeerd om het begrip meteen te versmallen tot een filosofische formule over individuele hemelbestemming.

Paulus laat in Romeinen 9 tot 11 ook zien dat Gods Woord niet is uitgevallen, en dat niet allen Israël zijn die uit Israël zijn.

“Niet, dat het woord Gods ware uitgevallen; want die zijn niet allen Israël, die uit Israël zijn.” Romeinen 9:6 (STV)

Dat betekent: je moet Bijbelse termen Bijbels laten spreken. Niet ieder gebruik van verkiezing betekent hetzelfde. Maar overal blijft staan dat God Zijn plan uitvoert in overeenstemming met Zijn beloften, Zijn verbondstrouw en uiteindelijk in Christus.

 

Geloof en verantwoordelijkheid in de Bijbel

Zodra iemand kritiek uit op een fatalistische uitverkiezingsleer, komt meestal snel de tegenwerping: dan maakt u de mens bepalend. Maar dat is een valse tegenstelling. De Schrift leert voluit dat de zaligheid uit Genade is. Tegelijk roept zij de mens werkelijk tot geloof en bekering.

“Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave.” Efeze 2:8 (STV)

Maar dezelfde Schrift zegt ook:

“Bekeert u, en gelooft het Evangelie.” Markus 1:15 (STV)

En:

“Geloof in den Heere Jezus Christus, en gij zult zalig worden, gij en uw huis.” Handelingen 16:31 (STV)

Die oproepen zijn geen toneelstuk. Dat zijn geen bevelen aan mensen die eigenlijk niets anders kunnen doen dan passief afwachten of zij misschien ooit in aanmerking komen. God spreekt werkelijk. God roept werkelijk. God beveelt alle mensen overal dat zij zich bekeren.

“God dan, de tijden der onwetendheid overzien hebbende, verkondigt nu allen mensen alom, dat zij zich bekeren.” Handelingen 17:30 (STV)

De verantwoordelijkheid van de mens is dus echt. Het ongeloof van de mens is ook echt zijn schuld. Jezus zegt niet: gij kunt onmogelijk komen omdat gij niet op een lijst staat.

Hij zegt:

“En gij wilt tot Mij niet komen, opdat gij het leven moogt hebben.” Johannes 5:40 (STV)

Dáár ligt de schuld. Niet in het Evangelie. Niet in Christus. Niet in de oprechtheid van Gods roepstem. Maar in de halsstarrigheid van het menselijke hart.

 

Romeinen 8 is troost in Christus, geen recept voor wanhoop

Romeinen 8 wordt vaak aangevoerd alsof het een onwrikbaar filosofisch stappenplan zou zijn dat mensen naar binnen moet laten kijken. Maar Paulus schrijft het juist om gelovigen in Christus te vertroosten.

“Want die Hij te voren gekend heeft, die heeft Hij ook te voren verordineerd, den beelde Zijns Zoons gelijkvormig te zijn, opdat Hij de Eerstgeborene zij onder vele broederen.” Romeinen 8:29 (STV)

Ook hier staat Christus centraal. Het doel is dat Hij de Eerstgeborene zou zijn onder vele broederen. God werkt dus naar een Christusvormig einddoel. Het gaat om Gods voornemen met Zijn Zoon en met allen die aan Hem verbonden zijn.

Daarom klinkt vervolgens:

“Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? God is het, Die rechtvaardig maakt.” Romeinen 8:33 (STV)

Waarom kan niemand aanklagen? Omdat de gelovige in Christus is. Waarom kan niemand verdoemen? Omdat Christus gestorven is, opgewekt is en aan Gods rechterhand is.

“Wie is het, die verdoemt? Christus is het, Die gestorven is; ja, wat meer is, Die ook opgewekt is, Die ook ter rechterhand Gods is, Die ook voor ons bidt.” Romeinen 8:34 (STV)

Kijk wat Paulus doet. Hij stuurt de gelovige niet naar een verborgen besluit achter Christus, maar naar Christus Zelf. Daar ligt de zekerheid. Niet in speculatie, maar in de Middelaar. Niet in een schema, maar in de levende Heere.

 

De pastorale ramp van verkeerd spreken over uitverkiezing

Hier wordt het werkelijk ernstig. Want een verkeerde uitverkiezingsleer is niet alleen een exegetische fout. Zij kan zielen kapotmaken.

Hoeveel mensen zijn niet grootgebracht met de gedachte dat zij vooral niet te snel mochten geloven? Dat de beloften misschien niet voor hen waren? Dat zij eerst moesten wachten op een bijzonder bewijs dat God persoonlijk met hen bezig was? Dat Christus niet eenvoudig mocht worden aangenomen op Zijn Woord? Dat men vooral geen “algemene” nodiging te ruim moest maken?

Dat is geestelijk gif.

Want zo wordt de blik van de zondaar afgewend van Christus. Zo wordt het evangelie verdacht gemaakt. Zo worden zoekende mensen niet eenvoudig gewezen op de Heere Jezus, maar vastgezet in een kring van zelfonderzoek, twijfel en vrome wanhoop.

Maar wat zegt de Heere Jezus?

“En dit is de wil Desgenen, Die Mij gezonden heeft, dat een iegelijk, die den Zoon aanschouwt, en in Hem gelooft, het eeuwige leven hebbe; en Ik zal hem opwekken ten uitersten dage.” Johannes 6:40 (STV)

Dat is niet gesloten. Dat is niet mistig. Dat is niet dubbelzinnig. Dat is een geopende Christus voor verlorenen.

En nog krachtiger:

“Al wat Mij de Vader geeft, zal tot Mij komen; en die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen.” Johannes 6:37 (STV)

Let daarop. De mens die komt, wordt niet teruggestuurd met de boodschap dat hij eerst moet uitzoeken of hij wel uitverkoren is. Christus zegt: “die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen.” Daar hoort het geloof op te rusten.

 

Bijbels spreken over uitverkiezing bewaart zowel Gods eer als de oproep van het Evangelie

De kracht van de Schrift is dat zij geen tegenstelling maakt waar mensen die maken. God is soeverein. De mens is verantwoordelijk. Christus is de Uitverkorene. De gelovige deelt in Zijn verkiezing. Het evangelie moet aan alle creaturen gepredikt worden. Ieder die gelooft, heeft het eeuwige leven.

Dat is geen menselijke logica, maar Bijbelse volheid.

De fout ontstaat pas wanneer men één lijn zo doordrukt dat alle andere lijnen worden weggevaagd. Wie alleen nog over soevereiniteit spreekt en de oprechte nodiging van het evangelie praktisch uitschakelt, predikt niet meer zoals de Schrift spreekt. Maar wie uit angst voor misbruik Gods verkiezend handelen ontkent, doet evenmin recht aan het Woord.

De Schrift houdt beide vast. Maar zij doet dat altijd met Christus in het midden.

Paulus schrijft:

“Maar uit Hem zijt gij in Christus Jezus, Die ons geworden is wijsheid van God, en rechtvaardigheid, en heiligmaking, en verlossing.” 1 Korinthe 1:30 (STV)

En opnieuw:

“Gezegend zij de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in den hemel in Christus.” Efeze 1:3 (STV)

Daar ligt de rijkdom. Niet in een scholastiek systeem. Niet in het eindeloos ontwarren van menselijke redeneringen. Maar in Christus.

 

De vraag die er toe doet

U hoeft niet in Gods verborgen raad te kijken. Dat kunt u niet. U hoeft geen decreten open te breken. U hoeft geen geheim register in te zien. U wordt geroepen om te doen wat God in Zijn Woord van u vraagt: te luisteren naar Zijn Zoon, u te bekeren, en te geloven in het evangelie.

De vraag is dus niet: hoe kom ik achter een verborgen lijst?

De vraag is: wat doet u met Christus?

Want buiten Hem is er geen leven. Buiten Hem is er geen rechtvaardigheid. Buiten Hem is er geen vrede met God. Buiten Hem blijft alleen schuld en oordeel over. Maar in Hem ligt alles wat de zondaar nodig heeft.

“Die den Zoon heeft, die heeft het leven; die den Zoon van God niet heeft, die heeft het leven niet.” 1 Johannes 5:12 (STV)

Daarom is de zaak tegelijk eenvoudig en ernstig. Niet eenvoudig in de zin van oppervlakkig. Maar eenvoudig in de zin van helder. God heeft Zijn Zoon gegeven. God heeft Zijn evangelie laten verkondigen. God roept. God beveelt. God belooft. En de mens die zich daartegen verhardt, zal niet kunnen zeggen dat de deur dicht was. Hij heeft de deur zelf geweigerd binnen te gaan.

 

De enige veilige plaats: in Christus

De leer van de uitverkiezing is in de Bijbel geen koude kelder waar zoekende zielen in opgesloten moeten worden. Zij is een hemels venster waardoor Gods genade in Christus des te heerlijker schittert. Maar zodra mensen die leer losmaken van de Zoon van God, maken zij er iets duisters van. Dan wordt troost een bedreiging. Dan wordt zekerheid een raadsel. Dan wordt evangelie een gesloten systeem.

Dat moet radicaal worden afgewezen.

Christus is Gods Uitverkorene. En wie in Hem is, deelt in alles wat God in Hem heeft weggelegd. Dáár ligt de troost. Dáár ligt de zekerheid. Dáár ligt de rijkdom van Gods voornemen. Niet in een verborgen schema achter Christus, maar in Christus Zelf.

Daarom: houd op met turen in de nevel van menselijke systemen. Houd op met luisteren naar stemmingen die u van de Zaligmaker afleiden. Houd op met het verwarren van Bijbelse verkiezing met heidens noodlot.

Zie op de Zoon.

Buig voor Gods Woord.

Geloof het Evangelie.

Want de vraag die u eenmaal zal veroordelen of redden, is niet of u genoeg over uitverkiezing hebt kunnen redeneren. De vraag is wat u gedaan hebt met de Here Jezus Christus, de Uitverkorene van God.

zie ook:

De uitverkiezingsleer en de dubbele uitverkiezing in het licht van de Bijbel – Bijbelse basis

Bekering: Geloof als levensveranderende persoonlijke keuze – Bijbelse basis

Kritiek op het Calvinisme – Bijbelse basis

Ben ik wel uitverkoren? – Bijbelse basis

Extern:

De Gemeente als Tempel – Alleen Geloof

 

Geverifieerd door MonsterInsights